20221220 Raadsbrief ontwerpbestemmingsplan Noordzee Residence Renesse Bijlage Toelichting
Tekst van het document
50
Figuur 5.4: Aarden wal langs Roelandseweg Recreatieverdeelweg (N652) Gezien de ruime afstand tot het plangebied (minimaal 400 meter), is het voldoende aannemelijk dat geen sprake is van een relevante geluidbelasting op het plangebied. Indirecte hinder wegverkeer Zoals aangegeven in paragraaf 5.2 leidt voorliggend plan tot een afname met 247 verkeersbewegingen ten opzichte van wat nu planologisch acceptabel is geacht. Het plan is derhalve voor wat betreft het aantal verkeersbewegingen en daarmee ook voor wat betreft geluid vanwege wegverkeer een verbetering ten opzichte van de nu toegestane invulling als kampeerterrein. Menselijk stemgeluid Uit jurisprudentie van de Raad van State blijkt dat het aspect stemgeluid ook kan worden beoordeeld aan de hand van VNG Handreiking Bedrijven en Milieuzonering (zie Uitspraak ABRvS d.d. 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1357). Er mag van worden uitgegaan dat het stemgeluid van spelende kinderen als een voor een verblijfsrecreatieterrein relevante geluidbron in de richtafstand (50 meter) is meegenomen. Nader akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen waarin is bepaald dat speelvoorzieningen niet mogen worden gerealiseerd binnen een afstand van 50 meter van de perceelsgrens. Deze gronden zijn op de verbeelding aangeduid. 5.6.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan.
5.7
Externe veiligheid
5.7.1 Toetsingskader Algemeen Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en / of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil
51
zeggen vierentwintig uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water. Indien de ontwikkeling gelegen is binnen de invloedssfeer van een BEVI-inrichting of een leiding zoals opgenomen in het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen, dan is altijd een verantwoording noodzakelijk. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een feitelijk bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als buitenwettelijke oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (visie tot 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.
Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen eisen gesteld.
52
5.7.2 Toetsing In het kader van het bestemmingsplan is een externe veiligheidsonderzoek gedaan. Dit onderzoek is als bijlage 5 bijgevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder samengevat. Risicovolle inrichtingen Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich een camping aan de Roelandsweg 8. Uit informatie van de Risicokaart blijkt dat het bedrijf beschikt over twee propaantanks die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. De maximale PR 10-6/jaar-contouren van deze tanks bedragen 25 meter. Gezien de ligging van deze tanks reiken deze contouren niet tot het plangebied. Deze camping is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot het plangebied. Er bevinden zich geen andere risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied. De invloedsgebieden van de dichtstbijzijnde Bevi-inrichtingen reiken niet over het plangebied. Andersom zorgen toegestane ontwikkelingen binnen het plangebied niet tot een beperking van Bevi-inrichtingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Wegen De Rijksweg N57 bevindt zich circa 3.200 meter ten oosten van het plangebied. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de weg bedraagt 880 meter (stofcategorie LT2). Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van de N57.
Voor de nabijgelegen provinciale wegen N651 (Stoofweg) en N652 (Recreatieverdeelweg) dient aangenomen te worden dat geen sprake is van significant vervoer gevaarlijke stoffen. Er zijn geen telgegevens gevaarlijke stoffen bekend en geen nabijgelegen risicobronnen voor aan- en afvoer. Water Op de kaart behorende bij het Basisnet Water is het Zijpe aangeduid als binnenvaartroute met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (zwart). Voor zwarte vaarwegen komt de PR 10-6 -contour maximaal tot de oeverlijn. Er is daarom geen noodzaak op het land rekening te houden met veiligheidszones. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen hogedruk aardgastransportleidingen of andere buisleidingen die onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid buisleidingen vallen. Het plangebied bevindt zich daarmee niet binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding. 5.7.3 Conclusie In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen relevante risicovolle inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen. Een nadere beschouwing (verantwoording groepsrisico of risicoberekeningen) zijn daarmee niet nodig in het kader van de ruimtelijke procedure. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen.
5.8
Bodem
5.8.1 Toetsingskader Milieuhygiënische bodemkwaliteit Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht.
53
Een belangrijk basis vormt de Wet bodembescherming (Wbb) en daarnaast zijn het Besluit bodemkwaliteit en de Waterwet van toepassing. Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Besluit bodemkwaliteit omvat de regels rond grondverzet, bouwstoffen en een stuk kwaliteitsborging. Aardkundige waarde Ten aanzien van de aardkundige waarde richt het gemeentelijk beleid zich op het versterken van de plaatselijke landschapskwaliteiten. Dit kan door aardkundige patronen een zichtbare rol te laten spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Doorsnijding en versnippering van het landschap moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Er is geen landelijke wetgeving met betrekking tot aardkundige waarden. In de provincie Zeeland en in de gemeente zijn de aardkundige waarden opgenomen in het omgevingsplan en bodembeleidsplan. Bodemenergie Bodemenergie is het gebruik van de bodem als energiebron of voor de opslag van energie (warmte/koude).
In de meeste gevallen wordt er gebruik gemaakt van warmtekoude opslag systemen (WKO). Dit deels is geregeld in het Besluit bodemenergie. Het Besluit schrijft o.a. voor dat een nieuw systeem gemeld moet worden, een bestaand systeem niet mag hinderen en dat de systemen door een erkend bedrijf moeten worden aangelegd. Bodemenergiesystemen mogen niet in grondwaterbeschermingsgebieden worden aangelegd. Voor de gesloten systemen geldt een meldingsplicht. Open systemen en grote gesloten systemen (>70kW) zijn vergunningsplichtig onder de Waterwet. De gemeente Schouwen-Duiveland beschikt over een kansenkaart bodemenergie. Voor het opsporen en winnen van delfstoffen of aardwarmte is een vergunning nodig van de Minister van Economische Zaken (artikel 6 van de Mijnbouwwet). Tevens is een omgevingsvergunning nodig. Niet gesprongen explosieven (NGE) De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over NGE beleid. Dit beleid is opgesteld op basis van een historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling wordt getoetst of een vervolg onderzoek nodig is.
Daar waar het huidige grondgebruik wordt gecontinueerd is geen sprake van een verhoogd risico en is vervolgonderzoek of opsporing niet noodzakelijk. Trillingen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het aspect trillingen een aandachtspunt in de afwegingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarin de zorg voor een goede ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Dit is mogelijk met behulp van de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximaal optredende trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs ed.) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden voor maximaal optredende trillingsniveaus en gemiddelde trillingsniveaus. In de beoordeling van trillingshinder moet in het algemeen onderscheid worden gemaakt naar bestaande, te wijzigen of gewijzigde en nieuwe situaties. Bij bestaande situaties moet het bestaande trillingsniveau
54
worden geaccepteerd en kunnen de veroorzaker normaal gesproken geen (aanvullende) eisen worden opgelegd. Voor te wijzigen situatie is het uitgangspunt dat de gewijzigde situatie geen overschrijding van de grens- of streefwaarden mag opleveren. Indien er al sprake was van overschrijding geldt dat de situatie niet mag verslechteren. Ten slotte geldt voor nieuwe situaties dat de grens- of streefwaarden niet zouden mogen worden overschreden. In de laatste twee situaties zal het aanwezige trillingsniveau vooraf moeten worden vastgesteld. 5.8.2 Toetsing Milieuhygiënische bodemkwaliteit In het kader van het bestemmingsplan is een beoordeling van de bodemkwaliteit uitgevoerd via een quickscan, zie bijlage 6. Met behulp van deze informatie kan een antwoord worden gegeven op de te beantwoorden onderzoeksvragen over de bodemkwaliteit ter plaatse van de voorgenomen werkzaamheden: De resultaten zijn hieronder samengevat. Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? De onderzoekslocatie is voldoende afgebakend en beperkt zich tot de locatie van de voorgenomen bestemmingswijziging.
Welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Volgens de bodemkwaliteitskaart ligt het onderzoeksgebied in een deelgebieden waar de gemiddelde kwaliteit van de boven- en ondergrond voldoet aan kwaliteitsklasse ‘AW2000’ en ‘industrie’. Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de kritische parameters? Op en nabij de onderzoekslocatie hebben voor zover bekend bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Dit betreffen ondergrondse tanks en dempingen. Deze activiteiten zijn met name verdacht op het veroorzaken van verontreinigingen met minerale olie, zware metalen en PAK; Ook blijkt dat er 1 tank aanwezig is (geweest). Deze was geplaatst in een lekbak op een betonvloer. Is de bodem asbestverdacht? Uit de verschillende onderzoeken blijkt dat in het gebied zintuigelijk geen asbest is aangetoond. De locatie is derhalve niet verdacht op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Is er een vermoeden dat op basis van beschikbare voorinformatie werkzaamheden plaatsvinden binnen een geval van ernstige bodemverontreiniging en is de bodem sterk verontreinigd (boven interventiewaarde)? Uit eerder uitgevoerde onderzoeken blijkt dat enkel licht verhoogde gehalten in de bodem zijn aangetroffen.
Er is geen sprake van bodemverontreinigingen. Op basis van de beschikbare gegevens blijkt dat op de onderzoekslocatie geen bodemverontreinigingen worden verwacht. Daarnaast wordt niet verwacht dat de verdachte activiteiten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie invloed hebben op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Bodem In de bodem worden hooguit lichte verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB en minerale olie verwacht. Grondwater In het grondwater zijn enkel licht verhoogde gehalten voor aromaten en chloorkoolwaterstoffen aangetoond. Asbest Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie als onverdacht ten aanzien van asbest wordt aangemerkt omdat uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen.
55
Op basis van de beschikbare gegevens wordt aangenomen dat op deze locatie geen sprake zal zijn van een bodemverontreiniging. Hiermee is de bodem geschikt voor het beoogde gebruikt als verblijfsrecreatiepark en is het niet noodzakelijk om aanvullend bodemonderzoek te verrichten. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Aan de omgevingsvergunning voor de uitvoering van het plan kunnen door de gemeente voorwaarden voor wat betreft de bodem worden gekoppeld. Op deze wijze is het aspect bodemkwaliteit voldoende geborgd Aardkundige waarde Aardkundige waarden behouden of versterken. Renesse behoort tot de oudste bewoonde delen van het eiland. Het zuidelijk deel van het plangebied is op de signaleringskaart van de cultuuhistorische kaart van de provincie aangeduid als onderdeel van het duingebied (figuur 5.5, links). Doordat het plangebied reeds geruime tijd als verblijfsrecreatieterrein is gebruikt en ingericht zijn er geen kenmerken van het duingebied meer aanwezig. Het plangebied ligt niet in een aardkundig waardevol gebied (figuur 5.5, rechts).
Figuur 5.5: Aardkundig waardevolle gebieden (Bron: Kaart Cultuurhistorie Zeeland Bodemenergie (geothermie en warmte-koude opslag) Het gebruik van bodemenergie is in het plangebied mogelijk. Een melding of vergunningaanvraag voor deze activiteit is wel noodzakelijk. Het gebruik van bodemenergie is in grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan. Niet gesprongen explosieven De potentiële aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over een inventarisatie van ontplofbare oorlogsresten met een signaleringskaart, opgesteld door historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Op basis daarvan is er een CE-beleidsnota opgesteld. Het plangebied valt binnen een aandachtsgebied waar niet-gesprongen explosieve kunnen voorkomen. Volgens de risicokaart valt het plangebied in de zone verhoogd en hoog risico. Dit vanwege de aanwezigheid van oorlogsstellingen en bombardementen gedurende 1944-1945. In gebieden met een verhoogde/hoge kans op aantreffen word in het CE-beleid van de gemeente Schouwen-Duiveland geadviseerd maatregelen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten te treffen bij grondroerende werkzaamheden. Dit kan zijn in de vorm van een project gebonden risicoanalyse of detectie onderzoek.
Daar waar het huidige grondgebruik wordt gecontinueerd is geen sprake van een verhoogd risico en is vervolgonderzoek of opsporing niet noodzakelijk. Trillingen
56
De meest bekende trillingsbronnen zijn wegverkeer, railverkeer (trein, maar ook tram en metro) en industriële activiteiten (stansmachines, draaiende motoren, heftrucks, zwaar materieel e.d). Voor wegverkeer geldt dat trilling met name worden veroorzaakt door verkeer over een oneffen wegdek. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden. Als een voertuig over een oneffen wegdek rijdt, wordt de weg als het ware voor korte tijd vervormd. Daarna keert het terug in haar bestaande vorm. Bij het passeren van vooral zware voertuigen (vrachtwagens, bussen) kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. In het verkeer kan een verkeersdrempel zorgen voor extra trillingen. De Vrooonweg is een geasfalteerde weg zonder verkeersdrempels met een maximum.snelheid van 30 km/uur. Er is geen aanleiding om te verwachten dat deze weg trillingshinder veroorzaakt. Ook op de Hogeweg zijn er geen drempels aanwezig. Ter hoogte van het plangebied zijn op de Hogezoom enkele snelheidsnelheidsremmers geplaatst. De Hogezoom ligt op circa 50 meter van het plangebied. Gezien de aanwezigheid van snelheidsremmers in combinatie met het smalle profiel van de weg is geen trillingshinder te verwachten. In de omgeving is geen spoorweg of industrieterrein aanwezig die leiden tot trillinghinder.
5.8.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering
5.9
Water
5.9.1 Toetsingskader Algemeen In ruimtelijke plannen moet voldoende aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Regelgeving In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6, eerste lid, onder b, Bro. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van het bestemmingsplan overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen.
Bij voorkeur in de initiatieffase. Grondwateronttrekking Zorgvuldig omgaan met grondwaterwinning beperkt het risico op verzilting van het vaak schaarse zoete grondwater. Door verzilting neemt het zoutgehalte van het (grond)water en de bodem toe. Verzilting kan tot schade leiden voor de landbouw, omdat het grondwater minder of ongeschikt wordt voor beregeningsdoeleinden. Winning van grondwater kan verlaging van de grondwaterstand en daarmee verdroging van gebieden tot gevolg hebben. Om verdroging tegen te gaan zijn in kwetsbare gebieden, bijvoorbeeld (natte) natuurgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, alleen grondwaterwinningen op basis van een melding toegestaan als ze kortdurend zijn (maximaal 6 maanden) en een laag debiet hebben (maximaal 100 m3 per uur en
57
maximaal 1.000 m3 per maand) hebben. Voor alle andere grondwateronttrekkingen is altijd een vergunning van het waterschap of de provincie vereist. 5.9.2 Toetsing Er is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen nagegaan of het voorliggende plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Hierna wordt per thema ingegaan op de wateraspecten. Tabel 5.1: Criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een waterkering
Voorkomen overlast door oppervlaktewater 41.500 m2 grondoppervlak wordt nieuw verhard Het plan biedt voldoende ruimte voor het (22.000 m2 wegen, 19.500 m2 daken). vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om inundatie Er wordt geen bodemverharding verwijderd en geen vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te wateroppervlak gedempt. Er wordt geen voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van wateroppervlak nieuw gecreëerd. klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. De afwatering wordt per individueel huisje naar een berm of infiltratievoorziening geleid. De nieuw aan te leggen wegen zullen naar onverharde bermen afvloeien. Het afstromende water wordt zoveel als mogelijk lokaal daar waar het valt weer naar de bodem afgevoerd. Een grote centrale collectieve waterberging is niet voorzien. Voor de afstroom van de verharding van de centrale voorzieningen worden wel voorzieningen getroffen. Of dit droogvallende (wadi's) of permanent watervoerende watergangen worden is nog niet uitgewerkt. De voorzieningen zullen aan de compensatie eisen van het waterschap voldoen en door de initiatiefnemer worden onderhouden. Binnen de plangrenzen is voldoende ruimte voorzien om deze voorzieningen te realiseren.
58
Voorkomen overlast door hemel- en Het hemelwater wordt per huisje afgevoerd naar afvalwater een infiltratievoorziening. Het waterschap heeft (per (inclusief water op straat / overlast) email van 20 januari 2022) aangegeven dat het Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ afstromende hemelwater bij voorkeur niet wordt RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. geïnfiltreerd. Met het waterschap wordt nader Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in overlegd welke alternatieven er zijn en hoe daar verband met de reductie van hydraulische belasting mee omgegaan wordt ten aanzien van hydrologisch van de RWZI, het transportsysteem en het neutraal bouwen en geen nadelige effecten op de beperken van overstorten. nabijgelegen natuurgebieden (verdroging). Het afstromende water van de wegen wordt afgevoerd naar de berm. Grondwaterkwantiteit en verdroging In het zuidelijk deel van het projectgebied is naar Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast en verwachting de ontwateringsdiepte onvoldoende. -tekort. Rekening houden met de gevolgen van Daarom wordt ter plaatse van wegen en bebouwing klimaatverandering. Beschermen van het plangebied lokaal opgehoogd. Het waterschap infiltratiegebieden en -mogelijkheden. heeft (per email van 20 januari 2022) aangegeven dat het afstromende hemelwater bij voorkeur niet wordt geïnfiltreerd.
Met het waterschap wordt nader overlegd welke alternatieven er zijn en hoe daar mee omgegaan wordt ten aanzien van hydrologisch neutraal bouwen en geen nadelige effecten op de nabijgelegen natuurgebieden. Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwater-kwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Bij de bouw van de recreatiewoningen wordt rekening gehouden met het Bouwbesluit. Dit betekent dat geen uitlogende of anderszins verontreinigende stoffen worden toegepast.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Bij de bouw zal conform het Bouwbesluit worden gebouwd. Er worden geen uitlogende materialen toegepast
Volksgezondheid (water gerelateerd) Nieuwe watergangen worden niet voorzien. Ook Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en zijn geen grote (diepe) collectieve water bergingen plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's voorzien. via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Het water wordt zoveel als mogelijk lokaal weer geïnfiltreerd. Het plan is daarmee grondwater neutraal en heeft geen verdrogend effect.
59
Natte natuur Binnen de projectgrenzen zijn geen aangewezen Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde natuurwaarden aanwezig. Ten noordwesten van het en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. plangebied ligt een natuurgebied. Bij de aanleg van nutsvoorzieningen en riolering is naar verwachting kortstondig bemaling noodzakelijk. Bij de uitvoering zal aandacht zijn voor de tijdelijke effecten. In verband met het kortdurende karakter en de beperkte verlagingen die nodig zijn worden nadelige effecten niet verwacht. Onderhoud oppervlaktewater In de plannen wordt geen nieuw permanent Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden oppervlaktewater gerealiseerd. De waterbergende worden. Rekening houden met obstakelvrije voorzieningen worden door de initiatiefnemer onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande onderhouden. (hout)beplanting.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
Het noordelijk deel van het projectgebied is gelegen in de bufferzone van een kwetsbaar natuurgebied. De zuidrand van het zuidelijk deel is gelegen in een zeer gering kwelgebied.
Scheepvaart en/of wegbeheer Er vinden geen transporten plaats over wegen van Goede bereikbaarheid en in stand houden van het waterschap. veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het De toename van verkeer is beperkt. Ontsluiting waterschap. vindt plaats via de bestaande weg Hogezoom. Er wordt op eigen terrein geparkeerden er wordt niet binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk ver- of gebouwd.
60
5.9.3 Conclusie De watertoetstabel is per email voorgelegd aan het waterschap op 29 november 2021. Na een herinnering 10 december 2021 heeft het waterschap op 16 december gereageerd en gevraagd of er een meer gedetailleerde plantekening beschikbaar was. Na verstrekken van nadere info op 17 december 2021 is op 20 januari 2022 van het waterschap de reactie ontvangen, dat het waterschap adviseert om het hemelwater niet te infiltreren. Aangezien infiltreren noodzakelijk is om hydrologisch neutraal te kunnen ontwikkelen is gevraagd welke alternatieven het waterschap voorziet. Op 27 januari 2022 heeft het waterschap aangegeven, dat waterneutraal bouwen ook bij het waterschap een uitgangspunt is. Echter, zo merken ze op, juist in dit gebied worden we geconfronteerd met wateroverlastsituaties, die mede het gevolg zijn van de hoge grondwaterstanden. We moeten dan ook voorzichtig zijn om bij nieuwe initiatieven het verharde oppervlak volledig af te koppelen via bodeminfiltratie. Andere mogelijkheden zijn uitbreiden van het oppervlaktewater, vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater door middel van wadi`s al dan niet in combinatie met bermpassages. Bij dit initiatief lijkt volgens het waterschap, gezien de voor Zeeuwse begrippen grote hoogteverschillen, een combinatie van genoemde alternatieven inclusief bodeminfiltratie wel mogelijk. Initiatiefnemer gaat uit van bodeminfiltratie.
Nadere afstemming over de omgang met hemelwater vindt plaats bij de verdere uitwerking van de ontwikkeling. Het bestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Bro eerst voorgelegd aan het waterschap Scheldestromen voor het formele wateradvies. Bij de vrijgave van het ontwerpbestemmingplan is dit advies nog niet ontvangen. Zodra het advies is ontvangen wordt beoordeeld of dit leidt tot aanpassingen aan het bestemmingsplan.
5.10
Flora en fauna
5.10.1 Toetsingskader Algemeen In deze paragraaf wordt het toetsingskader op het vlak van ecologie beschreven. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Regelgeving De regelgeving voor de flora en fauna is sinds 1 januari 2017 gebundeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet. De Wet Natuurbescherming regelt zowel de soortenbescherming als gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming: Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en Natuurnetwerk Nederland) De gebiedsbescherming is verankerd in de Wet natuurbescherming en de regelgeving rondom het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in voorliggende situatie Natuurnetwerk Zeeland genoemd. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming dan wel het NNZ de uitvoering van het plan niet in de weg staat. In het kader van de Wet natuurbescherming zijn binnen de gemeente de volgende Natura 2000-gebieden aangewezen: Voordelta, Oosterschelde, Grevelingen en Kop van Schouwen. Daarnaast loopt nog steeds een aanwijzingsprocedure voor het Krammer Volkerak. Per Natura 2000-gebied worden in een aanwijzingsbesluit de instandhoudingdoelstelling voor bepaalde soorten of habitattypes bepaald en worden beheerplannen opgesteld.
In een dergelijk beheerplan staat onder meer aangegeven voor welke nieuwe activiteiten geen vergunning nodig is. Ook activiteiten buiten de natuurgebieden kunnen effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Vandaar dat hier vooraf onderzoek naar moet worden verricht. Als er wel effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen dan zal voor de activiteit een vergunning Wet Natuurbescherming moeten worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie of Ministerie EZ). De gebieden die vallen onder de NNZ zijn aangegeven op de onderstaande kaart (zie ook Geoloket
61
provincie Zeeland). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen niet zonder meer bestemmingsplanmatig mogelijk worden gemaakt als sprake is van negatieve effecten op de gebiedsafhankelijke kenmerken en waarden van de NNZ.
Figuur 5.6: Natuur Netwerk Zeeland Soortbescherming (hoofdstuk 3 Wet natuurbescherming) De soortenbescherming bestaat uit drie beschermingsregimes. Twee volgen er uit Europese wetgeving. Volgens de wet zijn de soorten uit de Vogelrichtlijn (VRL) beschermd (artikelen 3.1-3.4 Wnb) en de soorten die genoemd worden in de Habitatrichtlijn (HRL) (artikelen 3.5-3.9. Wnb) Daarnaast is er ook nog een nationale lijst met beschermde soorten (3.10 Wnb). Deze soorten staan vermeld in de bijlage van de wet. Voor alle bestemmingsplannen geldt dat onderzoek moet worden uitgevoerd naar mogelijke beschermde soorten die in het plangebied voorkomen. Stikstofdepositie Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht is geworden. Deze wet voorzag in een vrijstelling voor een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Door een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 november 2022 is deze bouwverijstelling komen te vervallen. Als een bestemmingsplan een mogelijke toename van de stikstofemissie toestaat, moet in het plan gemotiveerd worden hoe de depositie eruit ziet en hoe zich dat verhoudt tot de kritische depositiewaarde en de nog beschikbare ruimte voor stikstoftoename.
Hierbij moet zowel de aanlegfase als de gebruiksfase worden onderzocht.
62
Als een bestemmingsplan een mogelijke toename van de stikstofemissie toestaat, moet in het plan gemotiveerd worden hoe de depositie eruit ziet en hoe zich dat verhoudt tot de kritische depositiewaarde en de nog beschikbare ruimte voor stikstoftoename. 5.10.2 Toetsing In het kader van het bestemmingsplan is een natuurtoets en een voortoets opgesteld, zie bijlage 7. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Tevens zijn er twee stikstofonderzoeken uitgevoerd, zie bijlage 8 en 9. Beschermde gebieden De werkzaamheden ten behoeve van de voornemens vinden plaats op 15 meter afstand van NNN-gebied en Natura 2000-gebied. Deze gebieden liggen binnen de invloedsfeer van het plangebied. Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Voor wat betreft de NNZ is bij (in)directe aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevinden zich geen NNZ-gebieden binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNZ dan ook geen sprake. In de omgeving van het plangebied liggen wel NNZ-gebieden. Er ligt een NNZ gebied op 15 meter afstand van het noordelijke perceel. Dit gebied ligt binnen de 100 meter zone die door de provincie Zeeland is aangewezen als toetsingszone. Dit houdt in dat de voornemens dienen te worden beoordeeld op negatieve effecten.
Voor een NNZ-gebied geldt dat de wezenlijke waarden en kenmerken van dat gebied niet mogen worden aangetast, ook mogen de gestelde ambities niet belemmerd worden. Als ecologische (wezenlijke) waarden en kenmerken van een NNZ-gebied gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Daarnaast zijn de volgende aspecten een kernkwaliteit van het NNZ: uitwisselingsmogelijkheden (doel 'verbinden'); natuurlijke eenheid en aaneen geslotenheid (doel 'vergroten'); kwaliteit van het NNZ en van leefgebied van soorten (doel 'kwaliteitsverbetering). De kwaliteit wordt gevormd door de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNZ, hieronder wordt onder andere het volgende bedoeld: natuurdoelen en -kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde. Onderstaand wordt beoordeeld of deze waarden en kenmerken significant worden aangetast als gevolg van het voornemen. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden wordt er gewerkt binnen de 100 meter nabij het NNZ-gebied. De omvang van de NNZ-gebieden wordt door de ingreep niet aangetast; het biotoop ter plaatse zal niet worden aangetast door de ingrepen.
Het biotoop past (na uitvoering van de ingreep) binnen de dynamiek van de kenmerken behorende bij beheertypen (N01.02) Duin- en kwelderlandschap, (N12.02) Kruiden- en faunarijk grasland, (L01.03) Elzensingel en (N15.01) duinbos. Echter kunnen er mogelijk wel negatieve effecten van tijdelijke aard plaatsvinden. Het betreft voornamelijk geluidsverstoring en (mogelijk) licht verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden. De ontwikkelingsfase van het plangebied heeft geen permanent effect op de wezenlijke kenmerken, als bodemkwaliteit of grondwaterstand, van het NNZ-gebied. Daarbij is het NNZ-gebied afgeschermd van het plangebied door een laan van bomen en struwelen (zie figuur 5.7) waardoor visuele verstoring grotendeels wordt voorkomen en een deel van het geluid tijdens de bouw zal worden gedempt in het NNZ-gebied. De tijdelijke werkzaamheden hebben geen significante effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNZ-gebied. Het project is uitvoerbaar en haalbaar in het beschermingsregime van het Natuurnetwerk Zeeland.
63
Figuur 5.7: Bomen en struwelen laan tussen het project- en NNZ gebied.
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden, dat het voornemen niet leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNZ. De huidige natuurbeheertypen voor beide deelgebieden worden niet belemmerd door de voorgenomen werkzaamheden, de uitwisselingsmogelijkheden, natuurlijke eenheid, aaneen geslotenheid en kwaliteit van het NNN blijven behouden. Natura 2000 In de aanlegfase is mogelijk sprake van effecten van stikstofdepositie, optische verstoring, verstoring door trillingen, geluidsverstoring en verdroging. Op basis van de resultaten van de stikstofberekening kunnen effecten van stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase van het planvoornemen worden uitgesloten. Wat betreft optische verstoring, verstoring door trillingen en geluidsverstoring worden effecten van de aanleg van de vakantiehuisjes reeds beperkt door de bestaande afscherming langs de Kabbelaarsweg. Bovendien zijn de effecten slechts eenmalig en tijdelijk van aard. Significante effecten van deze storingsfactoren kunnen worden uitgesloten. Effecten van verdroging zijn volgens de voortoets onwaarschijnlijk, maar die worden definitief beoordeeld in de watertoets. In de watertoets (zie paragraaf 5.9) is aangegeven, dat er geen verdrogingeffecten optreden op het Natura 2000-gebied.
In de gebruiksfase is mogelijk sprake van effecten van stikstofdepositie, oppervlakteverlies, verstoring
64
door mechanische effecten, optische verstoring, geluidsverstoring, verontreiniging en verdroging. Op basis van de resultaten van de stikstofberekening (bijlage 8 en onder kopje 'stikstof') kunnen effecten van stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase van het planvoornemen worden uitgesloten. Effecten van oppervlakteverlies, verstoring door mechanische effecten, optische verstoring, geluidsverstoring en verontreiniging kunnen worden uitgesloten, omdat het voornemen niet zal leiden tot een wezenlijke toename of verandering van recreatief medegebruik ten opzichte van de huidige recreatie in het gebied. Om effecten te voorkomen wordt conform de voortoets in het noordelijk deel van het plangebied een afschermende wintergroene beplanting op een grondwal van tenminste 5 meter breed en 3 meter hoog gerealiseerd. Daarnaast is het bouwvlak waarbinnen recreatiewoningen mogen worden gebouwd 5 meter uit de plangrens gelegd, zodat de er een bufferzone tot het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen ontstaat van minimaal 20 meter breed (zie figuur 2.3). Stikstof In het kader van het bestemmingsplan is een stikstofberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase (zie bijlage 8). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Kop van Schouwen’ en is gelegen op circa 15 meter vanaf het plangebied.
De Natura 2000-gebieden ‘Oosterschelde’ en ‘Grevelingen’ liggen respectievelijk op circa 3 en 4 kilometer afstand. De Natura 2000-gebieden bevatten voor stikstof gevoelige habitats en zijn daarmee relevant voor de beoordeling van het aspect stikstofdepositie. Het nabij gelegen Natura 2000-gebied ‘Voordelta’ is niet stikstofgevoelig. Het plangebied en de omliggende Natura 2000-gebieden zijn weergegeven in onderstaande figuur.
Figuur 5.8: Globale ligging voornemen (donkerblauwe stip) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden (groen) (bron: AERIUS-calculator). Voorliggend bestemmingsplan leidt tot een emissie van NOx en NH3 vanwege de functiewijziging met het daarbij behorende verkeer. De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden
65
met behulp van het verplicht te gebruiken rekenprogramma AERIUS Calculator (2021). Van elke te berekenen situatie wordt een model gemaakt met invoergegevens waarmee vervolgens de berekening wordt uitgevoerd. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend ter plaatse van voor stikstofgevoelige habitats. Het rekenjaar voor de gebruiksfase is 2023. Mogelijk dat de gebruiksfase later dan 2023 is. In dat geval kan deze berekening als worst-case beschouwd worden vanwege de afname van emissie voor verkeer per jaar. Dit komt door het steeds schoner wordende verkeer. Referentiesituatie: Binnen het plangebied waren de camping Bona Fide en Karavaan met receptiegebouw aanwezig, deze zijn ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling in 2016 geamoveerd. De uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan en het exploitatieplan "Zandzoom 2019" (1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960) toont aan dat in het kader van interne saldering activiteiten meegenomen kunnen worden in de referentiesituatie die al zijn beëindigd voor de gehanteerde peildatum als onomstotelijk vaststaat dat de activiteit uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. 1.
Dat betekent dat uit een schriftelijk stuk, zoals een koopovereenkomst, moet blijken dat de activiteit is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Het gaat daarbij om een schriftelijk stuk dat dateert uit de periode dat de activiteit werd beëindigd of daarvoor. 2. Daarnaast moet uitgesloten zijn dat de activiteit sowieso zou zijn beëindigd voor de gehanteerde peildatum. 3. Verder is vereist dat in de periode tussen de beëindiging van de activiteit en de vaststelling van het plan geen andere stikstofveroorzakende activiteiten zijn ontplooid op het desbetreffende perceel. Het is in overeenstemming met de Wnb om een al beëindigde activiteit die aan deze strikte voorwaarden voldoet mee te nemen in de referentiesituatie. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Dat is in bijlage 8 uitgebreid gemotiveerd. Voor de referentiesituatie is aangesloten bij de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan en het exploitatieplan "Zandzoom 2019" (1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960). De referentiedatum is in dit geval 24 september 2009 (schriftelijke opzegging huurovereenkomsten). Zoals in het stikstofonderzoek is aangegeven zijn er sinds de referentiedatum geen activiteiten meer ontplooid die hebben geleid tot stikstofdepositie. Ook is geen sprake van saldering van activiteiten die gebruik maken van overgangsrecht.
Referentiesituatie uitgangspunten recreatie eenheden: In de ontwikkelingsvisie 2008 worden de aantallen standsplaatsen genoemd die er op dat moment daadwerkelijk waren gerealiseerd in het plangebied. Het gaat om 78 permanente standplaatsen en 33 niet-permanente standplaatsen (De Karavaan) en 303 permanente standplaatsen en 116 niet-permanente standplaatsen (Bona Fide). Het totaal permanente standplaatsen bedraagt 381 eenheden. Het totaal aantal niet-permanente standplaatsen betreft 149 stuks. Dat maakt een totaal aantal recreatie-eenheden van 530, waarvan 72 procent permanente standplaatsen waren en 28 procent niet-permanente. In juli 2009 is een masterplan ‘Vakantiepark Renesse’ opgesteld. Daarin staat beschreven dat er toentertijd 452 standplaatsen zijn, waarvan 352 permanent (77 procent) en 100 niet-permanente plaatsen (23 procent). Op de luchtfoto van het plangebied uit 2009 (geleverd door de gemeente Schouwen-Duiveland) zijn het receptiegebouw en in totaal 461 recreatie eenheden te tellen. Dit zijn minder eenheden dan in de ontwikkelingsvisie januari 2008 en het masterplan juli 2009 aangegeven. Zoals op de luchtfoto te zien is, zijn er ook plaatsen leeg. Deze zijn niet meegenomen in de berekening (worst-case).
Uitgaande van de minst gunstige verhouding 72-28 tussen permanent en niet-permanente standplaatsen, komt men uit op 332 permanente en 129 niet-permanente standplaatsen. Dit is als uitgangspunt voor de berekening genomen.
66
Voor de overige uitgangspunten, zoals gasverbruik en verkeersgeneratie verwijzen we naar bijlage 8. Uit de berekeningen volgt dat de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de gebruiksfase niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. De grootste afname van berekende stikstofdepositie is zelfs 0,61 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. Geconcludeerd kan worden dat er geen significante (negatieve) gevolgen zijn voor de beschermde habitats in de Natura 2000-gebieden. De Wet natuurbescherming staat verdere besluitvorming niet in de weg. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 2 november 2022 (kenmerk: ECLI:NL:RVS:2022:3159) is de zogenaamde bouwvrijstelling komen te vervallen. Naar aanleiding van die uitspraak is ook het uitgevoerde onderzoek voor de bouwfase als bijlage 9 bijgevoegd. Er is een verschilberekening uitgevoerd tussen de referentiesituatie en de realisatiefase. De berekende stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Ook voor de bouwfase kan derhalve worden geconcludeerd, dat er geen significante (negatieve) gevolgen zijn voor de beschermde habitats in de Natura 2000-gebieden. De Wet natuurbescherming staat verdere besluitvorming niet in de weg. Opgemerkt wordt dat de stikstofberekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS 2021.
Begin 2023 zal een nieuw AERIUS model (versie 2022) beschikbaar worden gesteld. De berekening zullen met dat nieuwe model worden geactualiseerd en in het bestemmingsplan verwerkt en bij de besluitvorming worden betrokken. Beschermde soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: Algemene broedvogels (er zijn nesten aanwezig in het plangebied); Zoogdieren – bunzing, wezel en haas (mogelijk essentieel leefgebied aanwezig); Reptielen – levendbarende hagedis (mogelijk essentieel leefgebied aanwezig); Amfibieën – boomkikker, heikikker en rugstreeppad (mogelijk essentieel leefgebied) In tabel 5.2 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming en onder welke voorwaarden het plan uitvoerbaar is. Tabel 5.2: Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming
67
Indien uit nader onderzoek naar voren komt, dat de soorten uit tabel 5.2 aanwezig zijn in het plangebied dient er een ontheffing aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag, met mogelijk genomen mitigerende maatregelen tot gevolg. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar onder voorwaarde dat de benodigde ontheffing door bevoegd gezag zal worden verleend. De verwachting is dat er geen belemmeringen zullen zijn voor ontheffingverlening in geval beschermde soorten in het plangebied worden aangetroffen. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in Bijlage 1 staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Houtopstanden De bomen in het plangebied liggen binnen de bebouwde kom Wnb van de gemeente Schouwen-Duiveland. Houtopstanden binnen de bebouwde kom Wnb vallen niet onder de bescherming van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Er dient wel rekening gehouden te worden met gemeentelijke bomenbescherming in de APV of Bomenverordening. De bomen in de plangebied staan niet vermeld op de beschermde bomenlijst van de gemeente Schouwen-Duiveland.
Er zijn geen gevolgen wat betreft de bescherming van houtopstanden op het
68
planvoornemen. Samenvattend zijn de conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming opgenomen in onderstaande tabel, waarbij geldt dat: uit het stikstofonderzoek volgt dat er geen sprake is stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden uit de watertoets volgt dat er geen verdrogingseffecten zijn op Natura 2000-gebied Kom van Schouwen. Tabel 5.3: Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming.
5.10.3 Conclusie De Wet natuurbescherming is geen belemmering voor de uitvoering van het plan mits de maatregelen worden genomen en indien nodig een ontheffing wordt aangevraagd en de daaruit voortvloeiende mitigerende maatregelen worden genomen.
5.11
Licht en duisternis
5.11.1 Toetsingskader Algemeen Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. Regelgeving De regelgeving die voorhanden of in voorbereiding is, richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Voor vergunningplichtige bedrijven geldt in het algemeen dat zij niet mogen bestaan zonder omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (2.1 lid 1 onder e
69
Wabo). Eventuele hinder door kunstverlichting van een bedrijf is dan geregeld via een omgevingsvergunning. In plaats van een omgevingsvergunning kan ook een Algemene Maatregel van Bestuur gelden voor een bedrijf (8.40 Wet milieubeheer). Dit houdt concreet in dat voor een aantal bedrijven van rechtswege het een en ander (onder andere lichthinder) geregeld is. 5.11.2 Toetsing Er zijn drie soorten effecten van kunstmatige verlichting: hinder voor de mens; hinder/verstoring voor de natuur; horizonvervuiling Hinder voor de mens Hinder bij mensen ontstaat wanneer men zich niet kan onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl er wel behoefte aan is. Bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Bij de beoordeling van lichthinder voor mensen wordt er een afweging gemaakt tussen maatschappelijke belangen (veiligheid op straat of bijvoorbeeld bruikbaarheid sportvelden) en de hinderbeleving. Het plan voorziet niet in lichtbronnen die lichthinder kunnen veroorzaken voor de mens. Hinder voor natuur Nachtelijk kunstmatige verlichting kan het gedrag van dieren (negatief) beïnvloeden. Naast mogelijke aanpassingen van de levenscyclus aan de kunstmatige verlichting, kan er sprake zijn van desoriëntatie, afstoting of aantrekking. Deze effecten kunnen leiden tot uitputting en sterfte. Ook kan kunstmatige verlichting als een barrière werken bij migrerende dieren.
De verschillende negatieve effecten van kunstmatige verlichting hebben niet alleen een individueel effect. Uit de natuurtoets en de voortoets (bijlage 7) volgt dat effecten van lichtverstoring kunnen worden uitgesloten. De habitattypen welke zijn aangewezen in het Natura 2000-gebied ‘Kop van Schouwen’ zijn niet gevoelig voor lichtverstoring. Ook voor het NNZ gebied is lichthinder uitgesloten. Ook in het kader van de soortenbescherming zijn geen effecten vanwege lichthnder te verwachten. Horizonvervuiling Bij horizonvervuiling gaat het om de zichtbaarheid van licht op langere afstand. Bijvoorbeeld het zichtbaar zijn van een open stal of een verlicht sportveld in een open landschap. Het gaat hierbij om grotere afstanden. Het plangebied omvat een verblijfsrecreatiepark dat deels in en deels nabij het stedelijk gebied van Renesse ligt. Dit gebied is van zichzelf in de nacht in zekere mate verlicht. Er zijn in de gebruiksfase geen lichtbronnen die lichthinder kunnen veroorzaken. Er is daarom geen sprake van horizonvervuiling. 5.11.3 Conclusie De aspecten lichthinder en duisternis zijn geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.12
Energie en klimaat
5.12.1 Toetsingskader Algemeen Op dit moment zijn er een aantal transities die onder het begrip duurzaamheid vallen. De energietransitie, (het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie) de ruimtelijke adaptatie voor de klimaatverandering (het aanpassen van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te
70
nemen) en de overgang naar circulaire economie (gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen). Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden. Energiebesparing en het gebruik van duurzame energie is een belangrijk thema in het nationale klimaatbeleid. In het bestemmingsplan gaat het er bij het thema energie om dat rekening gehouden wordt met duurzaamheidsaspecten bij het ontwikkelen van een plangebied. Daarnaast moet er ook gekeken worden of de ontwikkeling klimaatbestendig is. Daarvoor wordt gekeken naar de thema's waterveiligheid, wateroverlast, hitte en droogte. Klimaatverandering heeft ook voor deze thema's gevolgen. Door daar aan de voorkant hierop te anticiperen, kunnen de effecten hiervan worden verminderd. Regelgeving Alleen via het Bouwbesluit geldt een wettelijke verplichting om bij bestemmingsplannen aandacht te besteden aan (duurzame) energie. Door bij de opstelling van een bestemmingsplan al rekening te houden met bijvoorbeeld een zongerichte situering van woningen, kan al in een vroeg stadium van een planontwikkeling worden bewerkstelligd dat de mogelijkheden voor efficiënt gebruik van energie en de inzet van nieuwe energiebronnen kunnen worden benut.
In het bestemmingsplan kunnen geen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot energie van niet stedenbouwkundige aard. De gemeente is verplicht uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie om in 2020 een plan te hebben om de gemeente in 2050 klimaatbestendig te hebben. Bij nieuwbouw moet hier rekening mee worden gehouden. Energie en duurzaamheid. Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van gebouwen. Op 1 januari 2021 is de EPC vervangen door de norm voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG). De energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen zal dan vastgelegd worden aan de hand van drie eisen: 1. maximale energiebehoefte in kWh per m2; 2. maximale primaire fossiel energiegebruik in kWh / m2 en 3. minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Aanvragen van de Omgevingsvergunning voor nieuwbouw moeten vanaf 1 januari 2021 voldoen aan deze BENG norm. In het kader van de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) is de aansluitingsplicht van aardgas bij nieuwbouw geschrapt. Voor wat betreft circulaire economie is in het Bouwbesluit opgenomen dat bij de aanvraag Omgevingsvergunning het bij nieuwbouwwoningen en kantoren groter dan 100 m2 verplicht is om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) te overleggen. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw.
5.12.2 Toetsing Energie Op het terrein en/of in de (verblijfsrecreatieve) gebouwen komen geen gasaansluitingen. Hitte en Droogte Door klimaatverandering gaat de kans op ander weer toenemen. Hierdoor wordt de kans op extreme droogte en hitte groter. In de buitenruimte worden door de aanplant van bomen voldoende schaduwrijke gebieden gecreëerd, zodat de recreanten de mogelijkheid hebben om in de schaduw te zitten of staan. Wateroverlast Uit de waterparagraaf (zie paragraaf 5.9) volgt dat er sprake is van een goede waterhuishouding, waardoor wateroverlast wordt voorkomen. Circulaire economie De circulaire economie is gericht op het zodanig toepassen van materialen dat de materialen na gebruik
71
weer hergebruikt kunnen worden voor een hoogwaardige toepassing. In onderstaand figuur staat de essentie van circulaire economie aangegeven. Hergebruik betekent op de eerste plaats dat kapotte dingen weer gerepareerd worden en door goed onderhoud een langer functioneel gebruik mogelijk is. Wanneer het product zelf niet meer nodig is, wordt het niet weg gegooid, maar juist weer opnieuw voor anderen in roulatie gebracht, eventueel nadat onderdelen vervangen zijn en het product zo een update heeft gekregen. Als dat niet gaat, kan het materiaal nog gerecycled worden, waardoor de grondstof weer hergebruikt wordt. Als circulaire economie verder wordt doorgevoerd, dan gaat het niet meer om bezit maar om gebruik. De functie/dienst wordt gekocht en niet het middel. Het college van burgemeester en wethouders heeft aangegeven met het principe circulaire economie actief aan de slag te gaan. Bij de verdere uitwerking van het ontwerp van het gebouw wordt hier zoveel mogelijk rekening mee gehouden. 5.12.3 Conclusie De recreatiewoningen zijn aardgasloos. Door de aanplant van bomen en opgaande beplanting wordt de kans op hittestress bij langdurige hoge temperaturen verkleind. Er worden bij de inrichting van het terrein maatregelen genomen die leiden tot een goede waterhuishouding, zodat wateroverlast wordt voorkomen.
5.13
M.e.r.-beoordeling
5.13.1 Toetsingskader Algemeen De bedoeling van de Mer regelgeving is om (in een aantal gelimiteerde gevallen) milieu een volwaardige plaats in de besluitvormingsprocessen van een groot aantal wetten, waaronder de Wro, te geven. Regelgeving De basis voor de regelgeving met betrekking tot de MER wordt gevormd door de Europese richtlijn voor milieueffectrapportage (85/337/EEG) en de Europese richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (2001/42/EG). Beide richtlijnen zijn in de Wet milieubeheer (Hoofdstuk 7) en het Besluit milieueffectrapportage in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De MER-regelgeving maakt onderscheid tussen plannen en besluiten en geeft hiervoor verschillende procedurele verplichtingen. Uitgangspunt van de MER-regelgeving is dat de procedure van het betreffende plan of besluit, waarbij het milieueffectrapport wordt opgesteld wordt gevolgd. De Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994 maken onderscheid tussen: 1. een m.e.r.-plicht voor plannen (plan-m.e.r.); 2. een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor projecten (project-m.e.r.); 3. een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor projecten die als activiteit genoemd zijn in het Besluit m.e.r., ook al blijven zij onder de genoemde drempelwaarden.
Dit betekent dat het bevoegd gezag ook bij deze kleinere activiteiten (die niet aan de drempelwaarden voldoen), na moet gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Als uit de (vormvrije) m.e.r-beoordeling blijkt dat geen MER behoeft te worden opgesteld of uit de MER blijkt dat er als gevolg van het plan geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen, kan het plan worden uitgevoerd.