CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20221129 Raadsbrief ontwerpbestemmingsplan camping De Oase Renesse Bijlage 7 Archeologisch onderzoek centrumgebouw

Gemeenteraad 22 december 2022, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken14.924 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARTEFACT! RAPPORT 453

Renesse Roelandsweg 8 Gemeente Schouwen‐Duiveland Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

ARTEFACT RAPPORT 453

Renesse Roelandsweg 8 Gemeente Schouwen‐Duiveland Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

F.M.J. Delporte G.H de Boer

Colofon Titel

Renesse Roelandsweg 8, gemeente Schouwen‐Duiveland. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen.

Auteur(s)

drs. F.M.J. Delporte, ir. G.H. de Boer

Status rapport

Definitief

Datum

17 december 2020

Projectcode

2019ART32

Projectleider

drs. F.M.J. Delporte

Projectmedewerker(s)

‐

Opdrachtgever

R.O. Advies

ISSN

2213‐7424

Autorisatie

Naam

drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Archeoloog)

Datum

17 december 2020

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed! Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact‐info.nl W www.artefact‐info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2020 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed vof aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies.

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................. 5 Administratieve Gegevens .......................................................................................................................... 6 1

Inleiding .............................................................................................................................. 8

1.1

Aanleiding, doel en opzet van het onderzoek ................................................................................. 8

1.2

Beleidskader................................................................................................................................... 9

1.3

Plangebied ....................................................................................................................................11

2

Archeologisch Bureauonderzoek.......................................................................................... 13

2.1

Geo(morfo)logie en Bodem ........................................................................................................... 13

2.2

Actueel Hoogtebestand Nederland ............................................................................................... 17

2.3

Bewoningsgeschiedenis ............................................................................................................... 19

2.3.1

Historische gegevens ........................................................................................................... 19

2.3.2

Archeologische gegevens..................................................................................................... 22

2.3.3

Recent gebruik: verstoringen en luchtfoto’s ......................................................................... 28

2.4

Archeologisch Verwachtingsmodel .............................................................................................. 29

3

Inventariserend veldonderzoek............................................................................................ 33

3.1

Doel en methode ...........................................................................................................................33

3.2

Resultaten .................................................................................................................................... 35

3.2.1

Geologie en bodem .............................................................................................................. 35

3.2.2

Archeologie........................................................................................................................... 37

4

Conclusie en Advies ............................................................................................................ 39

4.1

Conclusie ...................................................................................................................................... 39

4.2

Advies .......................................................................................................................................... 40

Bronnen .................................................................................................................................................... 43 Verklarende Woordenlijst ......................................................................................................................... 45 Tijdstabel .................................................................................................................................................. 49 Bijlage 1

Inrichtingsplannen

Bijlage 2

Boorstaten

3

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Samenvatting In opdracht van de R.O. Advies heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in april 2019 een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied gelegen in Renesse, de gemeente Schouwen‐Duiveland. De eigenaar van Camping De Oase aan de Roelandsweg 8 te Renesse heeft het voornemen om een nieuw centrumgebouw. Het bestaande hoofdgebouw blijft nog tijdelijk in gebruik en wordt daarna gesloopt en vervangen door nieuwe chalets. Ook de buitenruimte wordt opnieuw ingericht. De verstoringsdiepte bedraagt maximaal 1,8 ‐mv. Het plangebied is gelegen binnen bestemmingsplan Kop van Schouwen (2014). Mogelijk aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied worden in dit bestemmingsplan planologisch beschermd door een dubbelbestemming Waarde Archeologie 6. Voor gebieden met een dergelijke dubbelbestemming geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf/bouw/sloop‐) werkzaamheden die groter zijn dan 2.500 vierkante meter én dieper reiken dan 0,50 m ‐mv. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voorliggend onderzoek werd uitgevoerd in het kader van de benodigde bestemmingsplanwijziging. Landschappelijk gezien ligt het plangebied tegen de binnenduinrand van de Kop van Schouwen. De jonge duinen hebben oudere (mariene) afzettingen overstoven.

Op grond van het bureauonderzoek werd voor het plangebied een archeologische verwachting opgesteld. Tijdens het inventariserend veldonderzoek werd het opgestelde verwachtingsmodel getoetst door middel van acht verkennende boringen (tot maximaal 4,5 m ‐mv; 4,0 m ‐NAP). De tijdens het veldonderzoek vastgestelde geologische laagopbouw kwam in grote lijnen overeen met de vooraf verwachte opbouw (jong duinzand op het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op het Laagpakket van Wormer op oude duin‐ en strandzanden). Oude duin‐ en/of strandzanden niet zijn aangetroffen binnen de geboorde dieptes. Op basis van het getoetste verwachtingsmodel geldt er binnen het plangebied dan ook middelhoge verwachting voor resten uit de neolithicum tot bronstijd op het niveau van de oude duinzanden (die gelegen zijn beneden de verstoringsdiepte van 1,8 m ‐mv), een lage verwachting voor resten uit dezelfde perioden op het niveau van het Laagpakket van Wormer, een lage verwachting voor resten uit de late brontijd tot Romeinse tijd op het niveau van het Hollandveen, geen verwachting voor de vroege middeleeuwen op het niveau van het Laagpakket van Walcheren en een lage verwachting voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd in en op het jong duinzand (Laagpakket van Schoorl).

Op basis van de onderzoeksresultaten is geconcludeerd dat bij de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied, waarschijnlijk geen archeologische resten zullen worden verstoord. Vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Rekening houdend met de (niet getoetste) middelhoge verwachting voor de oude duin‐ en strandzanden (Laagpakket van Schoorl en Zandvoort) wordt wel geadviseerd in het nieuwe bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie op te nemen, met een vrijstelling tot 3,5 m ‐ NAP.

5

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Administratieve Gegevens Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Projectnaam

Renesse Roelandsweg 8

Locatie Provincie

Zeeland

Gemeente

Schouwen‐Duiveland

Plaats

Renesse

Adres / Locatie

Roelandsweg

Kadastraal Perceelsnummer

Westerschouwen, Sectie H, nr. 1218 (gedeeltelijk)

Kaartblad

64G

RD coördinaten

N

43.404 / 416.768

O

43.518 / 416.677

Z

43.472 / 416.6275

W

43.352 / 416.717

Oppervlakte plangebied

circa 1 ha

Vigerende bestemmingsplan

BP Kop van Schouwen (2014), WA‐6 (2500 m², 0,50 m‐mv)

Bekende waarden binnen plangebied AMK status

geen

Archis vondstlocaties

geen

Zeeuws Archeologisch Depot

geen

Opdrachtgever Naam

R.O. Advies

Contactpersoon

Dhr. D0 Bethlehem

Adres

Hunzedal 43, 9531 GB Borger

Contactgegevens

T

06 20586302

E

info@roadvies.nl

Bevoegde Overheid Naam

Gemeente Schouwen‐Duiveland

Contactpersoon

Dhr. M. Verduijn

Adres

Postbus 5555, 4300 JA Zierikzee

Contactgegevens

T

00111 452263

E

Michel.verduijn@schouwen‐duiveland.nl

6

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Depot Naam

Zeeuws Archeologisch Archief (ZAD) Erfgoed Zeeland (EZ)

Contactpersoon

Dhr. J.J.H. van den Berg

Adres

Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Contactgegevens

T

0118 670618

E

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

Digitaal

E‐depot: dans‐easy

Uitvoerder Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.

Contactpersoon

Dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Contactgegevens

T

0115 851614

E

info@artefact‐info.nl

Onderzoeksgegevens Planologische aanleiding

Bestemmingsplanweiziging

Uitvoeringsperiode

April 2019

Projectnummer Artefact

2019ART32

Archis onderzoeksmelding

4700676100

Nieuw aangetroffen vindplaats

‐

7

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

1

Inleiding

1.1

Aanleiding, doel en opzet van het onderzoek

In opdracht van de R.O. Advies heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in april 2019 een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied gelegen in Renesse, de gemeente Schouwen‐Duiveland.

Afbeelding 1 Ligging van de plangebieden in Nederland.

De initiatiefnemer heeft het voornemen om een deel van het bestaande verblijfsrecreatieterrein Camping De Oase aan de Roelandsweg 8 te Renesse opnieuw te ontwikkelen. Het plangebied is gelegen binnen bestemmingsplan Kop van Schouwen (2014). Mogelijk aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied worden in dit bestemmingsplan planologisch beschermd door een dubbelbestemming Waarde Archeologie 6. Voor gebieden met een dergelijke dubbelbestemming geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf/bouw/sloop‐) werkzaamheden die groter zijn dan 2.500 vierkante meter én dieper reiken dan 0,50 m ‐mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. De bestemming van de terreinen zal behouden blijven maar de indeling zal wijzigen. In het kader van de benodigde bestemmingsplanwijziging dient een archeologisch vooronderzoek te worden voorgelegd.

8

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Een archeologisch onderzoek, conform de AMZ‐cyclus1, start telkens met een Archeologisch Bureauonderzoek. Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen een omschreven gebied, om daarmee te komen tot een specifieke archeologische verwachting. In de aanvullende richtlijnen van de Provincie zeeland2 is vastgelegd dat een dergelijk bureauonderzoek steeds wordt aangevuld met een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen. Deze boringen hebben als doel het opgestelde verwachtingsmodel te toetsen. Door deze boringen wordt een inzicht verkregen in de verschillende vormeenheden in de bodem en wordt de gaafheid van deze bodemniveaus nagegaan. Op basis van de onderzoeksresultaten kan een uitspraak worden gedaan over aan‐ of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van eventueel aanwezige of verwachte archeologische waarden.3 Omdat in 2010 reeds een bureauonderzoek werd uitgevoerd4 waarin het plangebied (als onderdeel van een groter geheel) reeds in een breder landschappelijk en historisch kader werd geplaatst zal in het voorliggende rapport dit bureauonderzoek beperkt worden tot een beschrijving van het plangebied en haar onmiddellijke omgeving.

Dit Bureauonderzoek wordt aangevuld met een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen, waarbij het opgestelde archeologische verwachtingsmodel wordt getoetst. Conform de provinciale richtlijnen dienen bij vooronderzoek 8 boringen per hectare te worden uitgevoerd. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1 hectare. Het onderzoeksrapport zal in eerste plaats aangeven binnen welke delen van het onderzoeksgebied de dubbelbestemming waarde archeologie kan verwijderd worden en binnen welke delen een archeologische verwachting bestaat/behouden blijft (en vanaf welke diepte). Vervolgens wordt het verwachte effect van de geplande ingrepen op de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het onderzoeksgebied aangegeven. De resultaten van het onderzoek worden verwerkt in een rapportage met een inhoudelijk advies aan de hand waarvan een beleidsbeslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap in de AMZ (Archeologische Monumenten Zorg) cyclus: vrijstelling, planaanpassing, behoud in situ of eventueel nader archeologisch onderzoek. Het onderzoek werd uitgevoerd conform de eisen gesteld in de KNA Versie 4.1 en de aanvullende richtlijnen van de Provincie Zeeland 2017.

1.2

Beleidskader

Rijk Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Verdrag van Malta beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. Deze erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de 1 AMZ staat voor Archeologische MonumentenZorg. De AMZ‐cyclus is een vaste procedure binnen de archeologische monumentenzorg in Nederland. De cyclus is verankerd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) als een verplicht werkproces voor archeologen. De cyclus omvat drie stadia, namelijk inventariseren/waarderen, selecteren en maatregelen nemen. Een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, zoals hier is uitgevoerd, worden tot de eerste fase gerekend. 2 Aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de Provincie Zeeland 2017. 3 KNA Versie 4.1: Protocol 4002. 4 Engels, 2011.

9

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Daarnaast is er op landelijk niveau een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en ‐vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per Periode en Complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd.

Provincie Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017‐2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld5. In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is. Daarnaast heeft de provincie in 2009 aanvullende richtlijnen opgesteld voor het uitvoeren van een Bureauonderzoek, onderzoek op veen en onderzoek op dagzomend en dun afgedekt dekzand. Deze werden in 2014 en 2017 geactualiseerd en aangevuld. In 2008 werd een Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland6 (POAZ) opgesteld die in 2016 werd geëvalueerd7. Naar aanleiding daarvan is ook de POAZ 2017‐2020 opgesteld en gepubliceerd8. Voor de periode 2017 – 2020 zijn de volgende kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland geselecteerd: 1.

Basale harde gegevens en diachrone datasets

2.

Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen

3.

Uitwerking oud archeologisch onderzoek

4.

Verdronken land en dorpen

5.

Onderzoek naar infrastructuur

6.

Verdedigingswerken in Zeeland

7.

Boerderijen en rurale nederzettingen

8.

Voedseleconomie van stad en platteland

9.

Religieuze en rituele verschijningsvormen

10.

Scheeps‐ en onderwaterarcheologie

11.

Publiekswerking van archeologisch onderzoek

Gemeente Met het in werking treden van de gewijzigde Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden sindsdien verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. Met het in voege treden van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 is dit ongewijzigd gebleven.

5 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017 6 Hessing et al., 2008. 7 Van Dierendonck, 2016. 8 Provincie Zeeland, 2017.

10

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Het huidig plangebied is gelegen binnen de Archeologische Beleidskaart van Schouwen‐Duiveland ‐ buitengebied. Deze werd in 2008 door Past2Present opgesteld en datzelfde jaar door de gemeenteraad vastgesteld en is sindsdien geldig als beleid.9 Op deze kaart is het buitengebied van de gemeente Schouwen‐Duiveland opgedeeld in zones met een verschillende kleur naar gelang de vastgestelde of de verwachte archeologische waarde. De archeologische waarde van deze zones is getoetst aan geologische, landschappelijke, bodemkundige en archeologische waarnemingen. Op deze kaart is het plangebied gelegen in een zone met een roze kleur. De archeologische verwachting binnen de zones met een roze kleur is middelhoog of hoog (Onderzoeksgebied A op de beleidskaart).

1.3

Plangebied

Het plangebied is gelegen ten zuiden van Renesse, ten zuiden van de Roelandsweg. Het perceel heeft als huisnummer 8 (zie afbeelding). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1hectare en is gelegen ter plaatse van het kadastrale perceel: WTS, Sectie H, nr. 1218.

Afbeelding 2 Ligging van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Topografische Kaart van Nederland. Schaal 1:10.000. Bron: Kadaster/Esri 2019.

9 De Boer, 2008.

11

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

De eigenaar van Camping De Oase te Renesse heeft het voornemen om een nieuw centrumgebouw te realiseren met kantoren bar, plaza, binnenzwembad en buitenterras. Het bestaande hoofdgebouw blijft nog tijdelijk in gebruik en wordt daarna gesloopt en vervangen door nieuwe chalets. Ook de buitenruimte wordt opnieuw ingericht met een speeltuin, podium, waterspeelplaats en voetbalveld. De verstoringsdiepte voor de aanleg van het zwembad bedraagt circa 1,8 ‐mv, de funderingen van het nieuw te realiseren gebouw zullen een diepte hebben van circa 1.2 m ‐mv (zie Bijlage 1).

Afbeelding 3

Plantekening van de toekomstige situatie. Bron: K3H Architecten, 2019. Zie ook Bijlage 1.

12

ARTEFACT! RAPPORT 453

2

Archeologisch Bureauonderzoek10

2.1

Geo(morfo)logie en Bodem

RENESSE ROELANDSWEG 8

Het plangebied maakt deel uit van zuidwestelijke zeekleigebied, specifiek van het oudland. Op de Geologische Kaart van Nederland (TNO‐NITG 2010, niet afgebeeld) is het plangebied gelegen op de rand van een zone met code Na1. Dit duidt op een geologische configuratie van duin‐ en strandzand. Bij het opstellen van de nieuwe lithostratigrafie is voor deze afzettingen een indeling gemaakt die enkel op lithostratigrafische gronden rust en die losgekoppeld is van een tijdgebonden indeling. De oudere eenheden van de Oude en Jonge Duinzanden (daterend uit 1975) werden hierbij ondergebracht onder één pakket, het Laagpakket van Schoorl. De strandzanden werden als het laagpakket van Zandvoort benoemd.11 Op de Geologische kaart van Nederland is het plangebied gelegen binnen een zone met code S6 (zie afbeelding 4). Dit betekent dat het profiel hier bestaat uit jonge duin‐ en strandzanden op afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Calais afzettingen) op oude duin‐ en strandzanden (Laagpakketten van Schoorl en Zandvoort) met in en tussen de jonge duin‐ en strandzanden en het Laagpakket van Wormer inschakelingen van het Laagpakket van Walcheren (Afzettingen van Duinkerke) en/of Hollandveen (Hollandveen Laagpakket). De brede groene lijn ten westen van het plangebied geeft de maximale verspreiding (in westelijke richting) van de het Laagpakket van Walcheren weer.

De roze streep waarop de oostelijke rand van het plangebied gelegen is geeft de oostelijke begrenzing aan van het gebied waarin het afdekkend pakket Jong duinzand (Laagpakket van Schoorl) meer dan 2 m dik is. De Bijkaart van de Geologische Kaart van Nederland toont dat de top van het pleistoceen afzettingen binnen het plangebied op een diepte van meer dan 40 m –NAP gelegen zijn. Ten behoeve van dit onderzoek werden boorgegevens uit het DINO‐loket (TNO Geologische Dienst Nederland) geraadpleegd. Deze gegevens zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische lagen te achterhalen. Op basis van deze boringen is een ondergrondmodel samen te stellen voor een gekozen locatie, waarbij boorgegevens uit de omgeving worden geïnterpoleerd tot een voorspelling van de bodemopbouw op het gekozen punt. Uiteraard gaat het om de verwachte bodemopbouw die af kan wijken van de werkelijke situatie vanwege onbekende lokale omstandigheden.

10

Het in dit rapport opgenomen bureauonderzoek beperkt zich tot het plangebied en de onmiddellijke omgeving ervan. Voor een globaler beeld wordt verwezen naar het in 2010 uitgevoerde bureauonderzoek (Engels, 2011). 11 Weerts, et.al, 2000 en de Mulder et al, 2003.

13

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Afbeelding 4 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: RGD, Van Rummelen 1967.

Volgens de gegenereerde Appelboring centraal in het plangebied bestaat het profiel op deze locatie tot een diepte van 1 m ‐mv (0,25 m ‐NAP) uit duinzand van het Laagpakket van Schoorl. Hieronder liggen tot een diepte van 2,5 m ‐mv (1,75 m –NAP) zandafzettingen van het Laagpakket van Walcheren en vervolgens tot 3,5 m ‐mv (2,75 m ‐mv) Hollandveen. In dit model wordt geen onderscheid gemaakt tussen de afzettingen van het Laagpakket van Zandvoort en het Laagpakket van Wormer, deze worden onder een geheel samengevoegd, waardoor het onduidelijk is op welk niveau het Laagpakket van Wormer over gaat op de het Laagpakket van Zandvoort. Mogelijk is hier daarenboven sprake van een getand voorkomen van beide laagpakketten. Volgens dit model gaan de afzettingen van het Laagpakketten van Wormer en Zandvoort op een diepte van 36 m ‐mv (35,25 m – NAP) over in afzettingen van de Formatie van Waalre. Het plangebied bevindt zich op de Geomorfologische Kaart van Nederland binnen een zone met kustduinglooiingen (code 4H16).

14

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Afbeelding 5 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: Wolfert, 1991.

Op de Bodemkaart van Nederland ligt het plangebied grotendeels binnen een zone met code pZg21 (zie afbeelding 6). Dit betekent dat hier kalkarme beekeerdgronden van leemarm en zwak lemig zand aanwezig zijn. Dit betreft een bodem waarin het moedermateriaal bestaat uit verstoven strandzand. Op de kop van Schouwen vormen zij de overgangszone tussen het duingebied en het achterliggende zeekleipoldergebied.12 Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie onderstaande tabel 3). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een

12

Pleijter en van Wallenburg, 1994.

15

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. De grondwatertrap bedraagt binnen het grootste deel van het plangebied III. Hier is de gemiddeld hoogste grondwaterstand ondieper dan 0,40 m ‐mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 0,80 en 1,20 m ‐mv.

Afbeelding 6 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: De Pleijter 1994.

Op de bodemkaart van Kuipers uit 196013 (afbeelding 7) wordt het plangebied grotendeels weergegeven ter plaatse van vervlogen duinzandgronden. Het uiterste noordwesten van het plangebied is gelegen ter plaste van duinrandgronden.

13

Kuipers, 1960.

16

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Afbeelding 7 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Bodemkaart door S.F. Kuipers, 1960. Schaal 1:20.000.

2.2

Actueel Hoogtebestand Nederland

Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser‐altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Kleine hoogteverschillen kunnen zo visueel en worden voorgesteld. Afbeeldingen 7 en 8 tonen bewerkte uitsneden van het AHN3. Afbeelding 8 geeft het westelijke deel van Schouwen weer. Op deze uitsnede zijn de duinen goed herkenbaar als gele en rode zones. Ook de zeeweringen langs de kustzijde zijn makkelijk herkenbaar als een gele band. Op deze afbeelding is te zien dat het plangebied net ten zuidoosten van de hoger gelegen binnenduinen gelegen is (gele sluier op afbeelding 8), op de overgang naar het lager gelegen achterland (donkerblauw op deze afbeelding). De buitenduinen op de Kop van schouwen zijn merkbaar hoger gelegen en hebben een helgele tot rode kleur op afbeelding 8.

17

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Afbeelding 8 Projectie van het plangebied (roze) op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3. Zones waarvoor geen waarden beschikbaar zijn, zijn grijs ingekleurd. Schaal 1:100.000. Bron: AHN.nl.

Het beeld van afbeelding 8 wordt voor wat betreft de onmiddellijke omgeving van het plangebied verfijnd in afbeelding 9. Op deze afbeelding is de kleurenschakering van de duinen (hoogten tussen 3 en 7,5 m +NAP) afzonderlijk van het achterland weergegeven (hoogten tussen 1,5 m –NAP en 3 m +NAP), hoogten die hoger liggen dan 7,5 m +NAP of lager dan 1,5 m –NAP zijn egaal wit c.q. donkerblauw weergegeven. Hierdoor kunnen de kleine hoogteverschillen beter in beeld gebracht worden. Uit deze afbeelding blijkt dat de maaiveldhoogte binnen het plangebied van het noordwesten naar het zuidoosten toe afhelt, van een hoogte van circa 1,25 m +NAP tot een hoogte van circa 0,05 m +NAP. Onmiddellijk ten noordwesten van het plangebied is een deels genivelleerde hogere duin herkenbaar. Deze heeft een hoogte van maximaal circa 4,5 m +NAP in de onmiddellijke omgeving van het plangebied en is er genivelleerd bij de bouw van het hier gelegen vakantiepark. Meer naar het zuiden (link onderaan de afbeelding) is het oorspronkelijke grilliger duinprofiel wel nog bewaard. Door de aanwezigheid van verharding en bebouwing binnen het plangebied zijn op deze uitsnede geen potentieel historische structuren waar te nemen.

18

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Afbeelding 9 Projectie van het plangebied (zwarte lijn) op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3. De waarden hoger dan 7,5 m +NAP en lager dan 1,5 m –NAP zijn egaal wit c.q. donkerblauw ingekleurd. Zones waarvoor geen waarden beschikbaar zijn, zijn grijs ingekleurd. Schaal 1:20.000. Bron: AHN.nl.

2.3

Bewoningsgeschiedenis

2.3.1

Historische gegevens

Het plangebied is gelegen op Schouwen net op de rand van het oude binnenduinengebied van de Kop van Schouwen. Deze oude strandwal vormt een aparte entiteit in Zeeland, zowel landschappelijk als archeologisch. De vroegste sporen die hier werden aangetroffen zijn te dateren in het neolithicum (3400‐2400 BC). Op de strandwal werden naast laat‐neolithische ook Romeinse, Merovingische, Karolingische en laatmiddeleeuwse bewoningssporen aangetroffen. Het plangebied zelf is gelegen binnen het Westeren Vierendeel. Deze maakt deel uit van de Polder Schouwen die dateert van voor 1300 en die oorspronkelijk uit zes delen bestond. Na het verdwijnen van een groot deel van Zuidland in de Oosterschelde spreekt men sinds het einde van de 16e eeuw slechts van vier delen (Vierendelen).14 Deze werd, door zijn relatief hoge ligging, boven het hoogwaterpeil, reeds bewoond in de periode voorafgaand aan de bedijkingen (11e eeuw)15. De kaart 14 Wilderom, 1964. 15 Geoloket Cultuurhistorie Zeeland.

19

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

van Willem Tiberius Hattinga uit circa 1753 is echter de eerste kaart die voldoende nauwkeurig is om een globale projectie van het plangebied mogelijk te maken. Uit deze projectie blijkt dat het plangebied net binnen de grenzen van de Heerlykheit van Noordwelle (onderdeel van het Wester Vierendeel). Onmiddellijk ten noorden van het plangebied staat reed een weg aangegeven, de voorloper van de huidige Roelandsweg.

Afbeelding 10 Ligging van het plangebied (roze polygoon) op een uitsnede van de kaart van W.T. Hattinga uit 1744. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 72.

De eerste echt nauwkeurige kaarten worden gemaakt in de eerste helft van de 19de eeuw. Dit zijn de Minuutplans van de Kadastrale Kaart uit de periode tussen 1811 en 1832 (afbeelding 11). De kadastrale kaart had tot doel grondbelasting te kunnen heffen op grondbezit en gebouwen. Deze kaart geeft dan ook de omvang van de aanwezige gebouwen en de grenzen van de verschillende percelen weer. De daadwerkelijk fysieke inrichtingen van de percelen en perceelsgrenzen (greppel, houtwal… of helemaal geen afbakening) is op deze kaarten niet aangegeven. Op het Minuutplan is het plangebied gelegen binnen het perceel 261 van het 2e blad van de Sectie C van Noordwelle. Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig. In de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel die bij de Kadastrale Minuut hoort staat het te boek als bos.

20

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Afbeelding 11 Projectie van het plangebied op de Kadastrale Minuut uit 1811‐1832. Schaal 1:7.500. Bron: Geoloket Provincie Zeeland/ CHS.

Op de latere Topografische Militaire Kaart uit 1857 (niet afgebeeld) wordt geen extra informatie weergegeven. Op de kaart uit 19106(afbeelding 12) is voor wat betreft het plangebied te zien dat het perceel waarbinnen het gelegen is omgeven is door een houtwal. Deze houtwal zal tussen 1950 en 1968 verdwijnen (zie afbeelding 13). Vanaf 1985 is dan het huidige vakantiepark ingericht.

21

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Afbeelding 12 Projectie van het plangebied op een uitsnede uit de Topografische Militaire Kaart van 1916. Bron: Geoloket Provincie Zeeland/ CHS.

Afbeelding 13 GisServer.

2.3.2

Projectie van het plangebied op een uitsnede uit de Topografische Kaart van 1968. Bron

Archeologische gegevens

In deze paragraaf worden de bekende archeologische gegevens weergegeven die zich in de directe omgeving (straal 500 m) van het plangebied bevinden. Ook bij het eerder in 2010 uitgevoerde bureauonderzoek werd Archis geraadpleegd. De gegevens zijn echter sinds dat tijdstip aangevuld met nieuwe onderzoeksdata, waardoor een nieuw uiteenzetting van de resultaten van voorgaande

22

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

onderzoeken in de omgeving zich opdrong. De opgesomde gegevens werden ontleend aan Archis3, het ZAD en de gemeentelijke verwachtingskaart. Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de prehistorie tot de nieuwe tijd.

Archeologische Monumentenkaart (AMK) De AMK is een dynamisch digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in samenwerking met de Provincie Zeeland is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria: kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde. De AMK is opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Op de AMK worden geen monumenten binnen of grenzend aan het plangebied weergegeven. Binnen een straal van 500 m ligt één monument, dit betreft een terrein van hoge archeologische waarde (nr. 13398) met de oude dorpskern van Renesse. Renesse is een ringdorp, gelegen aan de rand van een oud duinlandschap. Mogelijk stond er in 1207 al een kapel. Het kerkkoor stamt uit circa 1300, de toren uit ongeveer 1400.

Onderzoeken en waarnemingen Alleen de archeologische onderzoeken en waarnemingen die relevante informatie met betrekking tot het opstellen van een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opleveren worden nader besproken. De overige worden enkel opgesomd in de tabellen 1 en 2. Op afbeelding 14 worden de gegevens uit Archis genummerd volgens tabellen 1 en 2 weergegeven. Het huidig plangebied maakt, zoals reeds bij de inleiding op dit rapport aangegeven, deel uit van een eerder onderzoeksgebied. Dit betreft een bureauonderzoek uit 2010 (nr. 1 op tabel 1 en afbeelding 14) dat op haar beurt een actualisatie en uitbreiding vormde van een ouder bureau‐ en booronderzoek dat eerder in 2002 ten zuiden van het huidig plangebied werd uitgevoerd (nr. 2 op tabel 1 en afbeelding 14). In het kader van in 2010 uitgevoerde bureauonderzoek werd voor wat betreft het noorden van het toenmalig onderzoeksgebied, waarbinnen ook het huidig plangebied gelegen is, de volgende archeologische verwachting geformuleerd: Indien de top van het Hollandveen intact is kunnen er resten uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd worden aangetroffen. Waar het veen is gemoerneerd zijn de mogelijke archeologische resten verdwenen [binnen het onderzoeksgebied uit 2002 was namelijk de bodem grotendeels is verstoord door moernering].

De top van het veen werd aangetroffen op een diepte van variërend tussen 1,1 m ‐ mv en 2,2 m ‐mv. Gelet op de waarnemingen en resultaten van het voorgaand veldonderzoek uit 2002, op de onderzoekslocatie, geldt een lage verwachting op sporen en/of vondsten uit deze perioden. Mogelijk kunnen losse vondsten (verloren voorwerpen) aangetroffen worden die te maken hebben met moernering. Op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren was bewoning mogelijk vanaf de vroege middeleeuwen. De top van het Laagpakket van Walcheren is direct vanaf het maaiveld aanwezig. De onderzoekslocatie is geëgaliseerd waarbij mogelijk aanwezige resten zijn verstoord/ verdwenen. Afhankelijk van of bij de egalisatie grond is opgebracht of afgegraven zouden op een dieper niveau nog archeologische resten uit deze perioden aanwezig kunnen zijn. De bodemopbouw zoals aangetroffen in 2002 duidt echter ook voor deze lagen op moernering waarbij eerst de klei van het veen werd gehaald en na het moerneren weer werd teruggestort. Voor deze periode geldt een lage verwachting op sporen en/ of

23

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

resten. Mogelijk kunnen losse vondsten (verloren voorwerpen) aangetroffen worden die te maken hebben met moernering. Deze verstoringen doen veronderstellen dat vindplaatsen vanaf de late‐ ijzertijd/Romeinse tijd tot de nieuwe tijd niet meer aanwezig zijn op de onderzoekslocatie.16 Er werd op basis van het bureauonderzoek uit 2010 dan ook geen vervolgonderzoek aanbevolen. Deze verwachting werd naderhand niet getoetst aan de hand van een booronderzoek. Bij de in dit archeologisch bureauonderzoek opgestelde verwachting dient echter de bedenking te worden dat bij het interpreteren en extrapoleren van de gegevens uit 2002 voorbij lijkt gegaan te zijn aan de specifieke geologische situatie in het noorden van het toenmalig onderzoeksgebied (en huidig plangebied). Het in 2002 uitgevoerde booronderzoek vondst namelijk plaats in een gebied waarbinnen de ondergrond bestaat uit afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op afzettingen van het Laagpakket van Wormer met in het noordwesten van het in 2002 onderzochte gebied Oude Duin‐ en Strandzanden (Laagpakket van Schoorl en Zandvoort).

Het noorden van het in 2010 onderzochte gebied (en het huidig plangebied) liggen echter in een gebied waar bovenop het Laagpakket van Wormer Jonge Duin‐ en Strandzanden (Laagpakket van Schoorl en Zandvoort) voor komen met plaatselijk hiertussen Hallenveen en afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. De aanname dat in dit gebied ook moernering (en verstoring van het Laagpakket van Walcheren) zal hebben plaatsgevonden is dan ook niet volledig te volgen omdat onbekend is in welke mate de aanwezigheid van Jongere Duinzanden een belemmerende factor zullen hebben gespeeld bij het moeren van de gebieden. Het is niet uitgesloten dat het moeren gestopt is bij de duinen. Bij een in 2010 ten westen van het huidig plangebied uitgevoerd booronderzoek (nr. 3 op tabel 1 en afbeelding 14) is gebleken dat in de zone waarvoor op de geologische kaart (zie hoofdstuk 2.1) en gelijkaardige profielopbouw aanwezig is als in het huidig plangebied het boorprofiel bestond uit Jonge Duin‐ en Strandafzettingen met bovenin aan laagje vergraven of opgebrachte grond. Deze vormden hier het vellige boorprofiel.

Meer naar het zuiden werden afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen (plaatselijk gemoerd en/of geërodeerd) op afzettingen van het Laagpakket van Wormer aangetroffen.17 In 2011 is onmiddellijk ten oosten van het huidig plangebied een bureauonderzoek en vervolgens booronderzoek uitgevoerd (nr. 7 op tabel 1 en afbeelding 14). Tijdens het booronderzoek werd Jong Duinzand, op afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (op een diepte van 0,35 ‐ 1 m ‐mv/ 0 – 1,3 m –NAP) aangetroffen. Dit Laagpakket van Walcheren bestond enerzijds uit komafzettingen en anderzijds uit geulafzettingen. Waar komafzettingen werden aangetroffen lag hieronder op een diepte van 1 – 1,65 m ‐mv (1,10 – 1,95 m –NAP) Hollandveen. Plaatselijk was de top van het Hollandveen veraard. De top van het Laagpakket van Wormer werd aangetroffen op een diepte van 1,95 ‐ 3 m ‐mv 1,.9 – 2,7 m –NAP). Waar geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren werden aangeboord ontbrak het Hollandveen en de bovenzijde van het Laagpakket van Wormer. De top van het Jonge Duinzand was verstoord door graafwerkzaamheden en bodembewerking, tot op een diepte van 0,3 tot 0,7 m ‐mv. Er werd vervolgonderzoek aanbevolen indien toekomstige graafwerkzaamheden dieper zouden reiken dan 0,9 m ‐mv.18 Nabij het huidig plangebied werden zowel kom‐ als geulafzettingen aangetroffen onder de Jonge Duinzanden.

Eerder vond al in 2006 een bureau‐ en booronderzoek plaats onmiddellijk langs de oostelijke zijde van de Roelandsweg (nr. 8 op tabel 1 en afbeelding 14, grenzend aan het onderzoekgebied dat later in 2011 zou onderzocht worden). Bij dit onderzoek in 2006 werden 8 boringen gezet tot maximaal 2 m ‐mv. Hier bestond de 16 Engels, 2011, 16. 17 Mientjes, 2016 18 Ras, 2014.

24

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

bovengrond, onder een verstoord pakket van circa 0,4 m dik, uit Jonge Duinafzettingen tot circa 0,70 m ‐mv in het noordoosten en circa 1,25 m ‐mv in het westen van het toenmalig onderzoeksgebied. Deze laag bestond uit kalkhoudend zand. De duinafzettingen lagen op een verstoord pakket, ontstaan als gevolg van moernering. Een restant rietveen werd op circa 1,5 m ‐mv aangetroffen. In een tweetal boringen in het noorden en oosten van het toenmalig onderzoeksgebied werd geen sporen van moernering aangetroffen. Hier was het veenpakket deels geërodeerd maar wel dikker. Onder het Hollandveen bevonden zich zandig afzettingen van het Laagpakket van Wormer. De top van deze laag bevond zich op circa 1,80 m ‐mv.19 Tabel 1 Overzicht onderzoeksmeldingen in de omgeving van het plangebied. Opeenvolgende onderzoeken op dezelfde locatie worden onder één nummer in de tabel opgenomen, de individuele onderzoeksmeldingsnummers worden wel behouden. Nr. 1

Onderzoeksmelding 2320271100

Uitvoerder Archeomedia

2

2077726100

Archeomedia

3

2291282100

Sagro

2420777100

SOB Research

4

2050939100

RAAP

5

4026164100

RAAP

6

2086928100

RAAP

Aard en resultaten onderzoek Bureauonderzoek (2010), actualisatie en uitbreiding van onderzoek 2077726100 (nr. 2 van deze tabel). Zie hierboven. Booronderzoek (2002). In het zuidelijk en oostelijk deel van het onderzochte terrein was een getijdengeul goed zichtbaar aanwezig in de boorprofielen. Deze werd gekenmerkt door klei‐ en zandafzettingen tot een diepte van meer dan 3 m ‐ mv. De geulvulling was aan het oppervlak ook nog duidelijk zichtbaar door de lage, en daardoor zeer natte ligging. Het gebied ten noorden van de geul had een sterk wisselende bodemopbouw. Slechts zeer plaatselijk was hier veen bewaard gebleven. De rest was door moernering verdwenen. Ten zuiden van de geul was nog een smalle strook van de andere oever aanwezig. Ook hier vertoonde de bodem een sterk wisselende gelaagdheid, wat wederom wees op moernering. Er werden dan ook geen archeologische indicatoren aangetroffen. Bureauonderzoek (2010). Vervolgonderzoek (booronderzoek) aanbevolen. Booronderzoek in navolging op onderzoeksmelding 2291282100. Zie hoger. Booronderzoek (2004) het boorprofiel bestond hier uit zand (tot minimaal 2,75 m ‐mv), met in één boring een dun veenlaagje tussen 2,1 en 2,15 m ‐mv. Er werden geen aanwijzingen voor archeologische resten aangetroffen, er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen.20 Booronderzoek (2016).

Het boorprofiel bestond hier uit geroerde bovengrond en vanaf gemiddeld 0,9 m ‐mv (circa 3,3 m +NAP) jonge duinafzettingen (Laagpakket van Schoorl). Afzettingen behorend tot het Laagpakket van Walcheren en/of Hollandveen werden niet aangetroffen binnen de maximale boordiepte van 5 m ‐mv. Er werden in 10 boringen lagen aangetroffen die konden wijzen op (begraven) bodemhorizonten. Deze lagen varieerden van zwak humeus zand tot een veen. Deze lagen duiden erop dat het plangebied in het verleden (mogelijk) geschikt voor bewoning is geweest. Deze lagen werden aangetroffen op een diepte tussen 0,85 en 3,25 m ‐mv (3,21 en 0,63 m +NAP). Er werd vervolgonderzoek aanbevolen bij bodemingrepen die dieper reiken dan 0,5 m ‐mv.21 Booronderzoek (2004). De bodem bestond tot circa 0,2 m ‐mv uit een verstoorde zandlaag bruingrijs. In één boring reikte de verstoring tot 0,9 m ‐mv. Onder de verstoring bevonden zich, tot circa 1,4 m ‐mv, verschillende laagjes kalkloos, zwak siltig zand. Dit

19 Henk, 2006. 20 De Waal, 2004. 21 Warning, 2016.

25

ARTEFACT! RAPPORT 453

7

RENESSE ROELANDSWEG 8

2322904100

Sagro

2330697100

SOB Research

8

2135081100

RAAP

9

2050947100

RAAP

10

2440395100/ 4010482100

RAAP

11 12

2230142100 2135098100

SMA RAAP

13

2031069100

RAAP

14

2050930100

RAAP

pakket had lang genoeg aan de oppervlakte gelegen om ontkalkt te raken en kon geschikt zijn geweest voor bewoning. Vanaf circa 1,4 m ‐mv werd kalkrijk zand aangeboord, hierin lag in één boring een dun laagje zwak kleiig veen. Er kon niet dieper geboord worden dan 3,0 m ‐mv. Er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen.22 Bureauonderzoek (2011). Vervolgonderzoek (booronderzoek) aanbevolen. Booronderzoek in navolging op onderzoeksmelding 2322904100. Zie hoger. Booronderzoek (2006). Zie hoger. Er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen. Booronderzoek (2004) net binnen AMK‐monument (13398): de oude dorpskern van Renesse. In 3 boringen werd een archeologische vindplaats uit de nieuwe tijd aangetroffen. De bodem bestond tot circa 0,2 m ‐mv uit een laag opgebracht zand. Hieronder bevindt zich tot circa 1,75 m ‐mv potentieel archeologische niveaus met puin, aardewerk en hout. Vanaf circa 1,75 m ‐mv kwam schoon, natuurlijk, materiaal voor. Dit bestond eveneens uit zand.23 Bureau‐ en booronderzoek (2016). De bodem vertoonde de volgende opbouw: een geroerde bovengrond en vanaf gemiddeld 0,9 m ‐mv (circa 3,3 m +NAP) jonge duinafzettingen (Laagpakket van Schoorl). Afzettingen behorend tot het Laagpakket van Zandvoort (oude duinen) noch afzettingen behorend tot het Laagpakket van Walcheren en/of Schoorl zijn aangetroffen. Er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen.24 Bureauonderzoek (2008).

Archeologische begeleiding aanbevolen. Booronderzoek (2006). In het gehele onderzoeksgebied was de bovengrond in meer of mindere mate verstoord. In alle boringen werden zandige kreekafzettingen aangetroffen, maar in het noordwesten van het onderzoeksgebied lagen deze erosief op een veenpakket (op circa 1,2 m ‐mv). Dit veenpakket ging op circa 1,6 tot 2 m ‐mv over op het laagpakket van Wormer.25 Booronderzoek (2001) over de locatie van de toen nieuw aan te leggen weg tussen Haamstede en Renesse. In vindplaatsen 2 en 3 uit dit onderzoek (gelegen nabij Renesse) werden archeologische indicatoren aangetroffen in de top van het intacte veen. Deze vindplaatsen werden door de geplande ingrepen niet bedreigd, er werd wel een aanvullend booronderzoek aanbevolen.26 Booronderzoek (2004). Er werden onder een verstoorde toplaag (tot 0,7 m ‐mv) Jonge Duinzanden aangetroffen. Er werden geen indicaties voor archeologische niveaus vastgesteld. Re is geen vervolgonderzoek aanbevolen.27

22 De Waal, 2004. 23 De Waal, 2004. 24 Coppens, 2016. 25 Henk, 2006. 26 Müller, 2001. 27 De Waal, 2004.

26

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Afbeelding 14 AMK‐terreinen, waarnemingen en onderzoeksmeldingen in de omgeving van het plangebied (gegevens ontleend aan Archis 3), geprojecteerd op Topografische Kaart van Nederland. Schaal 1:12.000. Bron: Archis/Esri/ Kadaster 2019. Tabel 2 Overzicht van de vondstlocaties in de omgeving van het plangebied. Vondsten die op dezelfde coördinaten gemeld zijn worden onder één nummer in de lijst opgenomen, de verschillende vondstlocatienummers worden wel weergegeven. Nr

Vondstlocaties

Datering (ABR)

Aard van de vondsten

15

2806912100

‐

Meldingen van de resultaten van onderzoek 2420777100 (nr. 3 tabel 1).

27

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

16

1025041/1025333/1025881

LME

Melding van een opgraving door de ROB in 1949.Het onderzoek vond plaats in het schip van de kerk en op het oude kerkhof ten zuiden van de toren en de zuidelijke kerkmuur. Tijdens het onderzoek werden een groot aantal begravingen, enkele grafkelders, een gedeelte van een omgrachting, paalsporen van een palissade binnen deze omgrachting en muurresten van een voorgaande bouwfase van de kerk uit de 13e ‐14e eeuw aangetroffen

17

1072269

LMEA

Melding van de vondst bij een veldkartering van een fragment Pingsdorfaardewerk.

Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD), gemeentelijke verwachtingskaarten en Cultuurhistorie In het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) zijn geen aanvullende gegevens betreffende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied beschikbaar.28 In het kader van dit onderzoek werden ook de kaartbijlagen van de archeologische waarden‐ en verwachtingskaart van de Gemeente Schouwen‐Duiveland29 geraadpleegd. Deze kaartbijlagen bestaan uit verschillende bladen met telkens een andere periode waarvoor een verwachting en de (in 2008) gekende vindplaatsen staan aangegeven. Hieronder wordt per kaart aangegeven wat de verwachting is: ‐

Kaart 4, neolithicum en de bronstijd: middelhoge verwachting.

‐

Kaart 5, ijzertijd en Romeinse tijd: onbekende verwachting.

‐

Kaart 6, vroege en late middeleeuwen: hoge verwachting, bedijkt vóór 1300.

In de Cultuurhistorie Zeeland (raadpleegbaar via Geoweb) is geen informatie voorhanden die niet eerder op basis van het historisch onderzoek aan het licht kwam. Verder komen binnen het plangebied geen gebouwen voor die opgenomen zijn als Rijksmonument of in de lijst met Cultuur Historische Monumenten zoals deze raadpleegbaar zijn via het Geoloket van de provincie. Op de provinciale kaart met historisch landschappelijke waarden wordt de oorspronkelijke kern van Renesse als een ringdorp weergegeven.

2.3.3

Recent gebruik: verstoringen en luchtfoto’s

Volgens de gegevens die verkregen zijn via het kabels en leidingen informatiecentrum (KLIC, kadaster) bevinden zich binnen het grootste deel van het plangebied geen kabels en leidingen. Enkel in het noorden en langs de noordelijke rand van het plangebied is dit wel het geval. Op het terrein aangelegde privé nutsleidingen worden in de KLIC evenwel niet weergegeven. Het is onbekend waar deze gelegen zijn. In het bodemloket worden geen bekende bodemvervuilingen of uitgevoerde saneringen binnen het plangebied weergegeven. Tot slot werden ook de reeksen verticale luchtfoto’s en satellietfoto’s geraadpleegd uit de jaren 1944 (via https://library.wur.nl), 1959, 1970, 1989, 2003, 2005 en 2007 tot en met 2018 (via het Geoloket van de Provincie Zeeland). Het bestuderen van deze digitale archieven leverden geen aanwijzingen op 28 Mededeling H. Jongepier (SCEZ) via mail DD.7‐5‐2019. 29 De Boer, 2008.

28

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

voor de aanwezigheid van eventuele archeologische vindplaatsen in de plangebieden. Op de beschikbare luchtfoto’s wordt een vergelijkbaar beeld geschetst van de situatie zoals kan worden afgeleid aan de hand van de topografische kaarten (zie §2.2.1). Op alle beelden vanaf 1979 is het gebied bebouwd.

Afbeelding 15

2.4

Ligging van het plangebied op de luchtfoto uit 1959. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.

Archeologisch Verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Hierbij werd per geologische eenheid (met dieptematen) aangegeven uit welke perioden archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. Indien mogelijk wordt hierbij informatie verstrekt over het complextype en worden nadere kenmerken van de vindplaats beschreven. Een meer specifieke datering wordt indien bekend ook aangegeven. Daarna kan de verwachting worden bijgesteld door gegevens die uit het verstoringsonderzoek naar voren zijn gekomen of wordt de verwachting genuanceerd door de stand van het onderzoek. Op basis van de geologische kaart en de boorgegevens uit het DINO‐loket bevinden zich in het plangebied dagzomende jonge duinzanden (Laagpakketten van Schoorl). Deze dekken een pakket afzettingen van het Laagpakket van Walcheren met daaronder Hollandveen af. Onder het veen komen afzettingen van het Laagpakket van Wormer en oude duin‐ en strandzanden (Laagpakket van Schoorl en Zandvoort) voor.

Oude duin‐ en strandzanden van het Laagpakketten van Schoorl en Zandvoort en het Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk Binnen het plangebied bevinden zich oude duin‐ en strandzanden (Laagpakketten van Schoorl en Zandvoort) die plaatselijk afgedekt worden door het Laagpakket van Wormer. De aanwezigheid van een afdekkend laagje Hollandveen geeft aan dat dit niveau in zekere mate intact bewaard is gebleven.

29

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Op de oude duin‐ en strandzanden kunnen vindplaatsen vanaf het neolithicum aangetroffen worden. Eerdere vondsten in de omgeving (Brabers) tonen aan dat met name de strandwallen in deze periode bewoond werden. Er wordt dan ook een middelhoge archeologische verwachting vastgesteld voor het neolithicum op de betreffende niveaus. Op basis van het bureauonderzoek is gebleken dat gedurende de bronstijd de duin en strandzanden van de Laagpakketten van Schoorl en Zandvoort overspoeld worden en afgedekt met een dun laagje (of meerdere getand voor komende laagjes) met afzettingen dat toegeschreven kunnen worden aan het Laagpakket van Wormer. In deze overstromingsperioden mag aangenomen worden dat het landschap tijdelijk te nat was om bewoning mogelijk te maken. Omdat zich hier echter mogelijk ook tussentijdse droge perioden hebben voorgedaan en resten uit de bronstijd wel voor komen op in het droger duinengebied en de strandwallen in Westenschouwen wordt de archeologische verwachting voor deze periode middelhoog ingeschat.

Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop In de omgeving is blijkens het bureauonderzoek bovenop het Laagpakket van Wormer of de oude duin‐ en strandzanden (Laagpakket van Schoorl en Zandvoort) veen tot ontwikkeling gekomen. In de periode van de aangroei van dit veen zal het gebeid te nat zijn geweest om bewoning te mogen verwachten. Vindplaatsen uit de latere fasen van de bronstijd en de vroege ijzertijd worden dan ook niet binnen het plangebied verwacht. In de (intacte) top van het Hollandveen kunnen vindplaatsen uit de late ijzertijd en de Romeinse tijd worden verwacht. Mogelijk aan te treffen vindplaatsen uit deze periode kunnen bestaan rurale nederzettingsterreinen: boerderijen (houten palen en paaltjes, greppelstructuren, afvalkuilen, waterputten, paalgaten), infrastructuur, aardewerk, botmateriaal, bewerkte natuursteen (vuursteen, maalstenen). De verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit deze periode in de top van het veen wordt hoog ingeschat op basis van de in de omgeving gedane vondsten en ligging van vrij goed ontwaterde overgangsgrond (met hoofdzakelijk zand onder het veen). Voorwaarde hiervoor is wel dat de veentop intact aanwezig is.

Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk De geologische gesteldheid van het plangebied laat veronderstellen binnen het plangebied afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig zijn die plaatselijk vertand kunnen zijn met een dun laagje Hollandveen of jonge duinzanden (Laagpakket van Schoorl). Voor het plangebied is dat de verwachting hoog voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen. Het landschap is gelegen op de rand van een hoger gelegen, droge zandzone, is goed ontwaterd en bevindt zich ter plaatse van oudland dat reeds voor de 13e eeuw bedijkt was, waardoor het mogelijk reeds in de vroege middeleeuwen interessant was als bewoningszone. In en rond de Duinzoom waarop het plangebied gelegen is zijn namelijk reeds resten aangetroffen uit de 9e eeuw en is en ringwalburg uit deze periode gelegen. Op de Kop van Schouwen zelf zijn in het duingebied vondsten gekend vanaf de 7e eeuw, wat aangeeft dat de regio in deze periode in elk geval bewoond was.

Jonge duinzanden van de Laagpakket van Schoorl, Formatie van Naaldwijk Voor wat betreft de late middeleeuwen en is de verwachting middelhoog. Het gebied was in deze periode onderhevig aan overstuiving, waardoor bewoning slechts moeilijk mogelijk was. Voor wat de

30

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

periode na de 13e eeuw betreft is gebleken dat de laatmiddeleeuwse woonkern rond Renesse zich ten noorden van het plangebied heeft ontwikkeld, op geen van de beschikbare historische bronnen komt dan ook bewoning voor binnen het plangebied Complexen die aangetroffen kunnen worden zijn activiteitenzones en nederzettingsterreinen: houten huizen, afvalputten (beerputten), waterputten, gebruiksmateriaal zoals dierlijk bot, glas, metaal en natuursteen. Voor de nieuwe tijd wordt de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen binnen het plangebied laag ingeschat. De beschikbare historisch informatie en het kaartmateriaal geven namelijk geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van gebouwen uit deze periode. Complexen die aangetroffen kunnen worden zijn hofsteden en huizen (baksteenbouw), afvalputten (beerputten), waterputten, gebruiksmateriaal zoals dierlijk bot, glas, metaal en natuursteen. Wel kunnen resten van infrastructuur worden teruggevonden in de vorm van perceelsloten.

31

ARTEFACT! RAPPORT 453

3

RENESSE ROELANDSWEG 8

Inventariserend veldonderzoek

G.H. de Boer

3.1

Doel en methode

Bij het inventariserend veldonderzoek wordt een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase. De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Een eenvoudige terreininspectie, maar ook geo‐archeologisch booronderzoek behoren tot de middelen. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Tevens kunnen aanvullende methoden worden ingezet om ontbrekende informatie, ten behoeve van een waardestelling, te verzamelen. Bij de keuze voor de uitvoering van het inventariserend veldonderzoek dient altijd de minst destructieve methode te worden gekozen om aantasting van de waarden vóór een eventueel besluit tot beschermen of opgraven, tot een minimum te beperken. Booronderzoek en proefsleuvenonderzoek zijn op dit moment de enige karterende methoden voor het opsporen van (niet zichtbare) sites buiten de historische kern die breed inzetbaar zijn.

Booronderzoek is een geschikte prospectietechniek voor het opsporen van sites die zich kenmerken door een archeologische laag of een vondststrooiing met een voldoende hoge dichtheid. Indien een op te sporen site zich kenmerkt door een lage vondstdichtheid (< 40 vondsten/m²), is booronderzoek minder geschikt. Booronderzoek maakt het verder mogelijk de diepteligging, de dikte en de stratigrafische positie van de archeologische laag of lagen te bepalen. Daarnaast is booronderzoek een betrouwbare methode om de mate van antropogene verstoring en/of natuurlijke bodemerosie van het te onderzoeken gebied, te kunnen bepalen. In beide gevallen kunnen archeologische sporen geheel of gedeeltelijk verdwenen zijn. Proefsleuvenonderzoek is bij lage vondstdichtheden en een grondsporenniveau effectiever in het opsporen van sites dan booronderzoek. Sites met een lage vondstdichtheid maar zonder een grondsporenniveau kunnen het best opgespoord worden door het (handmatig) graven van testputten. Voor onderhavig onderzoek is gekozen voor het uitvoeren van een bureauonderzoek met controleboringen zoals dit in de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland (2017) beschreven staat. Het veldonderzoek had tot doel om middels controleboringen (verkennende boringen) het, op basis van het bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel te toetsen.

Het onderzoek is uitgevoerd conform de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland, de eisen gesteld in de opdrachtaanvraag en het daartoe opgestelde PVA30. Tijdens het veldonderzoek zijn acht boringen verricht verspreid over het plangebied, gelet op de inrichtingsplannen van het plangebied. Deze spreiding werd beperkt door de aanwezigheid van bebouwing, verharding en kabels/ leidingen. 30

Delporte, 24‐04‐2019

33

ARTEFACT! RAPPORT 453

RENESSE ROELANDSWEG 8

Voor de boorpuntenkaart wordt verwezen naar afbeelding 16; voor de boorstaten wordt verwezen naar Bijlage 1. De boringen zijn ingemeten door middel van een dGPS met een maximale horizontale en verticale afwijking van 3 cm. De toplaag is geboord met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm; er is verder verdiept met een gutsboor met een diameter van 3 cm. De maximale diepte van de boringen bedroeg 4,5 m ‐mv (4,0 m ‐NAP).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12120701/1