20221129 Raadsbrief ontwerpbestemmingsplan camping De Oase Renesse Bijlage 15 Rapport quickscan flora en fauna centrumgebouw
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING ROELANDSWEG 8 TE RENESSE
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Roelandsweg 8 te Renesse Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Postbus 430 4330 AK Middelburg
Rapportnummer Versienummer
16054.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
1 juli 2021
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088-5001600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw A.M. Vergeer, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw K.J. van der Hulst, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 16 Ongewervelden............................................................................................................... 16 Vaatplanten..................................................................................................................... 17
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 19 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9
Broedvogels .................................................................................................................... 19 Vleermuizen .................................................................................................................... 19 Kleine marterachtigen ..................................................................................................... 20 Konijn .............................................................................................................................. 21 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 21 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 22
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 23 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 23 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 24
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 25
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 26
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 16054.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Roelandsweg 8 te Renesse. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
R 16054.001 versie D1
Pagina 1 van 27
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 6.500 m²) ligt aan de Roelandsweg 8, circa 300 meter ten zuiden van de kern van Renesse. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft het receptieterrein van Camping de Oase. De onderzoekslocatie bestaat uit de ingang van de camping, verschillende opstallen, kampeerplaatsen, stacaravans en een zandbak met speeltoestel. De ingang van de camping bevindt zich aan de noordoostzijde van de onderzoekslocatie en is geasfalteerd. Ten noordwesten en noordoosten van de ingang wordt de onderzoekslocatie begrensd door een haag. Ten zuidoosten van de ingang staat het receptiegebouw (figuur 2, nummer 1). Het receptiegebouw betreft een enkellaagse opstal opgetrokken uit bakstenen met een met shingles bedekt hellend dak. De noordelijke gevel is afgewerkt met kunststof betimmering. Ten noordoosten en ten oosten van het receptiegebouw staan drie showroom stacaravans opgetrokken uit kunststof met aluminium dakbedekking. Deze stacaravans staan 30 cm verhoogd boven de grond. In de oosthoek van de onderzoekslocatie staan twee stacaravans van aluminium waarvan de tuinen met een haag zijn begrensd (figuur 2, nummer 2). Onder de stacaravans liggen verschillende materialen opgeslagen zoals palen, potten en bakken. De tuin van de oostelijke stacaravan is deels met tegels verhard en deels begroeid met gras. Hier staat een eik en een fietsenschuurtje waar een aantal vogelhuisjes aan zijn bevestigd. De ruimte onder de tweede stacaravan is afgeschermd met grofmazig gaas.
De tuin is begroeid met gras en deels betegeld. De noordoostzijde van de onderzoekslocatie is omheind.
R 16054.001 versie D1
Pagina 2 van 27
Ten zuidwesten van de stacaravans ligt een kampeerveld begroeid met gras (figuur 2, nummer 3). Hier liggen enkele stapels tegels. De zuidoostelijke en zuidwestelijke zijdes van het kampeerveld worden begrensd door een ondiepe greppel en een haag. In het midden van de onderzoekslocatie staat een enkellaagse opstal opgetrokken uit bakstenen met een plat dak. Dit gebouw is onder te verdelen in drie delen met verschillende gevels. De winkel (figuur 2, nummer 4) heeft een oude, overhangende daklijst met enkele gaten. Hieraan grenst de werkschuur (figuur 2, nummer 5), waar in de gevel enkele open stootvoegen aanwezig zijn. Aan de westzijde van de winkel en de werkschuur bevindt zich het toiletgebouw (figuur 2, nummer 6). Aan de bovenzijde van deze gevel zitten doorlopende ramen. Naast het toiletgebouw is een kampeerplaats aanwezig. In de zuidhoek van de onderzoekslocatie bevindt zich een zandbak met daarin een speeltoestel (figuur 2, nummer 7). In de westhoek van de onderzoekslocatie staat een klein schuurtje dat is opgetrokken uit bakstenen met een plat dak (figuur 2, nummer 8). Hier tegenaan staat een schutting. Ten noordwesten van de onderzoekslocatie staat een woning met een groene tuin. Ten noordoosten van de onderzoekslocatie ligt een ondiepe, niet beschoeide sloot met daarachter de Roelandsweg en een parkeerterrein.
Ten westen en oosten van de onderzoekslocatie strekt de camping zich verder uit. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 14 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving. Onderdelen zijn genummerd: receptiegebouw (1), stacaravans (2), kampeerveld (3), winkel (4), werkschuur (5), toiletgebouw (6), zandbak met speeltoestel (7) en schuurtje (8).
R 16054.001 versie D1
Pagina 3 van 27
Figuur 3. Overzichtsfoto van de ingang van de camping op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 4. Overzichtsfoto van het receptiegebouw op de onderzoekslocatie.
Figuur 5. De noordoostzijde van de onderzoekslocatie, kijkrichting naar het noordwesten.
Figuur 6. Overzichtsfoto van het kampeerveld aan de zuidoostkant van de onderzoekslocatie.
Figuur 7. Eén van de showroom stacaravans op de onderzoekslocatie.
Figuur 8. Stacaravan en terras in de oostelijke hoek van de onderzoekslocatie.
Figuur 9. Overzichtsfoto van de achterzijde van het receptiegebouw.
Figuur 10. Noordoostelijke gevel van de werkschuur met bovenaan de gevel open stootvoegen.
Figuur 11. Overzichtsfoto vanuit de westhoek, kijkrichting naar het zuidoosten.
Figuur 12. Kampeerplaats met daarachter de zuidwestelijke gevel van het toiletgebouw.
Figuur 13. Zandbak met speeltoestel op de onderzoekslocatie.
Figuur 14. Noordwestzijde van de onderzoekslocatie begrensd door een haag met daarachter een woning.
R 16054.001 versie D1
Pagina 4 van 27
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens alle huidige opstallen binnen de onderzoekslocatie te amoveren en de locatie in te richten als nieuw showroomterrein (figuur 15).
Figuur 15. Conceptontwerp nieuwe situatie showroom Roelandsweg.
R 16054.001 versie D1
Pagina 5 van 27
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 26 mei 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zeeland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
R 16054.001 versie D1
Pagina 6 van 27
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
R 16054.001 versie D1
Pagina 7 van 27
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
R 16054.001 versie D1
Pagina 8 van 27
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
R 16054.001 versie D1
Pagina 9 van 27
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze categorie 1-4 broedvogelsoorten zijn: gierzwaluw, huismus, roek, grote gele kwikstaart, kerkuil, ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. Op voorhand kan het voorkomen van gierzwaluw uitgesloten worden als broedvogels op de onderzoekslocatie. Deze soort maakt gebruik van nissen in het dak, onder (overhangende) dakpannen of andere geschikte invliegopeningen om te broeden. De aanwezige opstallen zijn hiervoor niet geschikt, doordat de daken plat zijn of bedekt zijn met shingles. Tevens is de aluminium dakbedekking van de showroom stacaravans ongeschikt voor gebruik als broedlocatie van gierzwaluw. Nader onderzoek naar de gierzwaluw wordt niet nodig geacht. De huismus maakt gebruik van de onderzoekslocatie als territorium, maar geschikte broedlocaties zijn niet aanwezig. Huismussen maken gebruik van openingen onder dakpannen om te broeden, deze zijn enkel aanwezig op de showroom stacaravans. Doordat de quickscan is uitgevoerd in het broedseizoen, waarin de huismus erg actief is, kon worden gezien waar de huismus zich bevindt.
De huismus gebruikt twee eiken en andere begroeiing op de onderzoekslocatie als kwetterplek (figuur 16). Langs de haag aan de noordwestgrens van de onderzoekslocatie is een perkje aanwezig wat gebruikt wordt door de huismus als zandbad (figuur 17). In de dakgoot en op het dak van de woning ten noordwesten van de onderzoekslocatie zijn zowel mannelijke als vrouwelijke huismussen gezien (figuur 18). De aanwezige showroom stacaravans zijn geïnspecteerd en zijn tevens ongeschikt bevonden als broedlocatie voor de huismus door het gebrek aan temperatuurbuffering onder de metalen dakbeplating. Tijdens het veldbezoek is gebouwgebonden gedrag van de huismus enkel buiten de onderzoekslocatie waargenomen. Het gebruik van de onderzoekslocatie door de huismus als functioneel leefgebied kan op voorhand niet worden uitgesloten. Indien de onderzoekslocatie door de huismus gebruikt wordt als territorium, dan kan de voorgenomen ingreep verstorend of schadelijk zijn (zie hoofdstuk 6). Nader onderzoek naar de huismus wordt noodzakelijk geacht.
R 16054.001 versie D1
Pagina 10 van 27
Figuur 16. Haag aan noordwestzijde die gebruikt wordt als kwetterplek met daarnaast een perk met geschikte zandbaden voor de huismus.
Figuur 17. Een mannelijke en vrouwelijke huismus die gebruik maken van de zandbaden in het perk op de onderzoekslocatie.
Figuur 18. Mannelijke huismus op het dak van de woning ten noordwesten van de onderzoekslocatie.
De roek is een koloniebroeder. De nesten worden in de toppen van hoge bomen gebouwd. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen die in gebruik kunnen zijn door een roekenkolonie. Hiermee kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de roek broedt binnen de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de roek wordt niet nodig geacht. De grote gele kwikstaart nestelt graag bij stromend water in een nis in de muur, bij bomenwortels in natuurlijke oevers en onder bruggen. Dit is niet in geschikte vorm aanwezig op de onderzoekslocatie. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de grote gele kwikstaart de afgelopen jaren meerdere malen in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Deze waarnemingen zijn met name in de wintermaanden, wanneer de mannetjes zich door het hele land verspreiden. De grote gele kwikstaart broedt voornamelijk in het (zuid)oosten van het land. Hiermee kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de grote gele kwikstaart broedt binnen de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart wordt niet nodig geacht. De kerkuil, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief broeden in grote nesten, bijvoorbeeld ekster- en kraaiennesten, nestkasten of nestclusters. De ooievaar broedt op hoge, torenvormige structuren en maakt of gebruikt tevens grote nesten.
De bebouwing en bomen op de onderzoekslocatie zijn volledig geïnspecteerd op (indicaties van) nesten en nestkasten. Op de onderzoekslocatie zijn geen grote nesten waargenomen in de bomen en bebouwing die kunnen functioneren als geschikte broedlocatie voor bovengenoemde soorten. Hiermee kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat deze vogels niet broeden binnen de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar deze soorten wordt niet nodig geacht. 5.1.2
Broedvogels categorie 5 (nesten in sommige gevallen jaarrond beschermd)
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Op de onderzoekslocatie zijn geen holen of grote nesten in bomen waargenomen. De vogelhuisjes die aan de schuur en eik zijn bevestigd in de tuin van de oostelijke stacaravan laten gebruikssporen zien (figuur 19 t/m 21) en zijn mogelijk in gebruik door soorten als koolmees en pimpelmees. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
R 16054.001 versie D1
Pagina 11 van 27
Figuur 19. Vogelhuisje met gebruikssporen bevestigd aan de zomereik in de tuin van de oostelijke stacaravan.
5.1.3
Figuur 20. Schuurtje in de tuin van de oostelijke stacaravan met daaran twee vogelhuisjes bevestigd.
Figuur 21. Vogelhuisje met gebruikssporen bevestigd aan de schuur in de tuin van de oostelijke stacaravan.
Overige broedvogels
De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, vink en heggenmus. Tijdens het veldbezoek van de quickscan zijn algemene vogels waargenomen zoals houtduif, merel en zanglijster. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Sommige bebouwing op de onderzoekslocatie is in potentie geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren. De gevels en daken van de receptie en stacaravans zijn ongeschikt voor gebruik door vleermuizen. De gaten en openingen in de daklijsten van de winkel (figuur 22 en 23), de open stootvoegen in de gevel (figuur 24) en de ruimte tussen het boeiboord en de gevel van de werkschuur geven toegang tot ruimte in de daklijsten en de spouwmuur, die als verblijfplaatsen kunnen worden gebruikt door gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf en als paarverblijf. Door het open, verlichte en verstoorde karakter van de onderzoekslocatie in combinatie met het ontbreken van typische verblijfsopties, kunnen verblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis op voorhand uitgesloten worden.
Nader onderzoek naar het gebruik van de onderzoekslocatie door gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger wordt noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).
R 16054.001 versie D1
Pagina 12 van 27
Figuur 22. Opening in de daklijst van de winkel.
Figuur 23. Gaten en opening in de daklijst van de winkel.
Figuur 24. Vogelhuisje met gebruikssporen bevestigd aan de schuur in de tuin van de oostelijke stacaravan.
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie, aan de noordwestelijke zijde, bevindt zich een woning die mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie, mits maatregelen worden getroffen (zie hoofdstuk 6). Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk gewone grootoorvleermuis en watervleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft het agrarisch gebied in de omgeving van de onderzoekslocatie.
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3
Overige zoogdieren
Alle wilde zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren: bunzing, wezel, noordse woelmuis, damhert, haas en konijn. De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Kleine marterachtigen komen voor in verschillende landschapstypen, maar de voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. De kleine marterachtigen zijn sterk gebonden aan land-
R 16054.001 versie D1
Pagina 13 van 27
schapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden. Daarnaast komen ze ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Op de onderzoekslocatie zijn beperkte landschapselementen aanwezig die met elkaar in verbinding staan. Het betreft de hagen aan de noordwestzijde van de onderzoekslocatie (figuur 25) en de hagen grenzend aan het kampeerveld (figuur 26). De sloot aan de noordoostelijke zijde van de onderzoekslocatie kan in potentie gebruikt worden als migratieroute en schuilplek door kleine marterachtigen (figuur 27). Er zijn overigens geen wissels aangetroffen in de groenstroken die duiden op gebruik van de onderzoekslocatie als doorgangs- of verbindingsroute.
Figuur 25. Hagen aan de noordoostzijde van de onderzoekslocatie die kunnen fungeren als migratieroute voor kleine marterachtigen.
Figuur 26. Haag grenzend aan het kampeerveld op de onderzoekslocatie die kan fungeren als migratieroute voor kleine marterachtigen.
Figuur 27. Sloot ten noordoosten van de onderzoekslocatie die kan worden gebruikt als migratieroute en schuilmogelijkheid voor kleine marterachtigen.
Kleine marterachtigen maken een schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das, maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Op de onderzoekslocatie zijn dergelijke schuilplaatsen niet aangetroffen. De ruimtes onder de oostelijke stacaravans met daaronder materialen opgeslagen zijn marginaal geschikt als schuilplaats voor kleine marterachtigen (figuur 28). De ruimtes onder de showroom stacaravans zijn geheel open waardoor er weinig dekking wordt geboden. Hierdoor is het niet aannemelijk dat deze ruimtes worden gebruikt als vaste schuilplaats. Het voedsel van kleine marterachtigen bestaat uit allerlei dierlijk voedsel zoals konijnen, (woel)muizen, (woel)ratten en amfibieën, maar ook vogels en vogeleieren. Op de onderzoekslocatie zijn muizenholen aangetroffen (figuur 29). Ook is er een natte greppel aanwezig die mogelijk door amfibieën kan worden gebruikt als voortplantingsplaats (figuur 30). Op de onderzoekslocatie zijn geen sporen van kleine marterachtigen aangetroffen. De onderzoekslocatie kan in gebruik zijn als verblijfsplaats van kleine marterachtigen. Door de aanwezigheid van verbindingselementen en geschikt voedsel op de onderzoekslocatie kan niet worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie wordt gebruikt als foerageergebied, migratieroute en mogelijk als tijdelijke schuilplaatsen door kleine marterachtigen.
Nader onderzoek naar de functie van de onderzoekslocatie voor kleine marterachtigen wordt noodzakelijk geacht. (zie hoofdstuk 6).
R 16054.001 versie D1
Pagina 14 van 27
Figuur 28. Ruimte onder oostelijke stacaravan met enkele opgeslagen spullen.
Figuur 29. Muizenhol aan rand van het kampeerveld.
Figuur 30. Natte greppel aan de rand van het kampeerveld.
Volgens verspreidingsgegevens van NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie meerdere waarnemingen gedaan van de noordse woelmuis. De waarnemingen zijn allen gedaan op meer dan 1 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. De noordse woelmuis is in ons land een echte moerasbewoner die hier leeft in rietlanden, oeverlanden van meren, langs beken en rivieren, en in drassige, extensief gebruikte hooi- en weilanden. De noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen en wordt daardoor naar natte terreinen verdreven. Dit habitat is op de bebouwde onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de afstand van de waarnemingen tot de onderzoekslocatie en het ontbreken van geschikt habitat op de onderzoekslocatie, kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie wordt gebruikt als verblijfsplaats van noordse woelmuis. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie meerdere waarnemingen gedaan van damhert. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen met een dichte onderbegroeiing. Het damhert heeft geen vaste verblijfplaats. Afhankelijk van het voedselaanbod leven er 3 tot 10 dieren per 100 hectare. Op de onderzoekslocatie zijn uitwerpselen gevonden van een damhert (figuur 31).
Het gaat hoogstwaarschijnlijk om een individu dat kort op de onderzoekslocatie is langs geweest. De camping is omheind en er is weinig toegang voor damherten tot de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocatie zijn verder geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een roedel damherten. Hierdoor kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de damhertpopulatie niet in het geding komt door de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek naar damhert wordt niet noodzakelijk geacht.
Figuur 31. Uitwerpselen van damhert.
De haas en het konijn komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Konijnen wonen in uitgebreide, zelf gegraven gangenstelsels met vele gangen en kamers. Hazen maken legers (ondiepe uithollingen) in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen. Op de onderzoekslocatie zijn geen holen of legers, noch sporen van konijn en haas aangetroffen. De onderzoekslocatie biedt door het gesloten en verstoorde karakter geen geschikt leefgebied voor de haas. Nader onderzoek naar de haas wordt niet noodzakelijk geacht. Aan
R 16054.001 versie D1
Pagina 15 van 27
de zomen van het park is het habitat wel geschikt voor het konijn. Van deze soort zijn tevens geen verblijfplaatsen aangetroffen. Omdat konijnen hun burchten vaak in besloten vegetatie maken, zijn verblijfplaatsen echter niet volledig uit te sluiten. Nader onderzoek naar het konijn wordt daarom noodzakelijk geacht (hoofdstuk 6). Algemene soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. De ruimtes onder de stacaravans en de opslag van materialen zoals tegels en palen vormen voor deze algemene soorten mogelijk schuilen/of verblijfsplaatsen. Bij het verwijderen van deze materialen kunnen deze schuil- en/of verblijfsplaatsen mogelijk verstoord of vernietigd worden (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens gegevens van de NDFF is in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende beschermde reptielsoort waargenomen: de levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De waarnemingen van de beschermde levendbarende hagedis hebben naar verwachting betrekking op het nabijgelegen Natura2000-gebied Kop van Schouwen, waar dit habitat wel aanwezig is. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: boomkikker, heikikker, rugstreeppad, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. De natte greppel aan de rand van het kampeerveld en de sloot die zich aan de noordoostzijde van de onderzoekslocatie bevindt kunnen onderkomen bieden aan beide soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte en onder materialen opgeslagen onder de stacaravans. De waarnemingen van de streng beschermde boomkikker, heikikker en rugstreeppad hebben naar verwachting betrekking op de nabij gelegen Natura2000gebied Kop van Schouwen.
Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6). Vissen Het aanwezige water op de onderzoekslocatie droogt in de zomer op. De sloot, die zich aan de noordoostzijde van de onderzoekslocatie bevindt, kan wel leefgebied vormen voor vissen. De sloot wordt door de ingreep op de onderzoekslocatie niet aangetast, waardoor er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten zijn met betrekking tot beschermde vissoorten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
R 16054.001 versie D1
Pagina 16 van 27
Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende beschermde plantensoorten waargenomen: akkerogentroost, blauw guichelheil, glad biggenkruid en grote leeuwenklauw. Alle waarnemingen zijn gedaan op een afstand van minimaal 1,7 kilometer tot de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie bestaat deels uit gras en een pioniervegetatie met verschillende ruigtesoorten. Op de onderzoekslocatie staan twee zomereiken en een berk. Ook zijn cipres-, beuk- en ligusterhagen aanwezig op de onderzoek. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vaatplanten waargenomen: esdoorn, boterbloem, paardenstaart, kleefkruid, paardenbloem, braam, brandnetel, akkerdistel, madelief, klimop, fluitenkruid, hulst en Japanse duizendknoop. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke pioniersvegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Door de afwezigheid van geschikt habitat en de afstand van de waarnemingen tot de onderzoekslocatie is niet te verwachten dat een populatie van beschermde vaatplanten door de werkzaamheden in het geding komt.
Japanse duizendknoop Op het kampeerveld binnen de onderzoekslocatie is Japanse duizendknoop aangetroffen (figuur 32 en 33). Deze invasieve exoot kan zich explosief ontwikkelen na vestiging en vormt een grote bedreiging voor de biodiversiteit. Daarnaast kan de plant door de sterke wortelstokken veel schade toebrengen aan funderingen en bebouwing. Maaien van Japanse duizendknoop veroorzaakt losse fragmenten van de soort die zich verder verspreiden en opnieuw uitgroeien. Tuinafval dat (fragmenten van) Japanse duizendknoop bevat dient bij het restafval weggegooid te worden, nooit bij het GFT of op de composthoop. De soort valt buiten de Wet natuurbescherming, maar dient op lokale schaal bestreden te worden. Het wordt geadviseerd bij de gemeente of provincie melding te maken van de aanwezigheid van deze soort.
R 16054.001 versie D1
Pagina 17 van 27
Figuur 32. Japanse duizendknoop op Figuur 33. Japanse duizendknoop op het kampeerveld. het kampeerveld.
R 16054.001 versie D1
Pagina 18 van 27
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels
Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Op de onderzoekslocatie is geen geschikte bebouwing voor nestplaatsen van huismussen aanwezig. Wel wordt de onderzoekslocatie gebruikt als territorium in de vorm van kwetterplekken en zandbaden. Het is van belang in beeld te brengen waar welke elementen van het functioneel leefgebied zich bevinden. Het vaststellen van de elementen in het functioneel leefgebied kan gedurende het gehele jaar plaatsvinden. Voor het nader onderzoek naar de huismus dient een gerichte veldbezoek plaats te vinden rond zonsopgang of zonsondergang (Kennisdocument ‘huismus’ van BIJ12). Tijdens dit nader onderzoek zal moeten worden vastgesteld in welke mate de functionaliteit van het leefgebied van de huismus wordt aangetast door de voorgenomen ingreep. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
Een deel van de te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De desbetreffende bebouwing zijn de winkel en de werkschuur. De sloop van de
R 16054.001 versie D1
Pagina 19 van 27
bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.
Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Zeeland, middels een ontheffingsaanvraag. In de woning ten noordwesten van de onderzoekslocatie zijn mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. Hierdoor dient de verlichting tijdens de werkzaamheden en de verlichting in de nieuwe situatie dusdanig ingericht te worden dat de in de omgeving verblijvende vleermuizen niet verstoord worden. Door te werken met vleermuisvriendelijke verlichting kan verstoring van vleermuizen in de omgeving worden voorkomen. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn niet hoger dan de aanwezige openingen in de bebouwing, de armaturen zijn weggericht van dezelfde openingen geschikt voor vleermuizen en de verlichting is zo min mogelijk diffuus. 6.3
Kleine marterachtigen
De bunzing, wezel en hermelijn zijn beschermde inheemse diersoorten volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het is hierdoor verboden om de soorten in hun natuurlijk verspreidingshabitat opzettelijk te doden en vangen, alsook om vaste rustplaatsen en essentieel functioneel leefgebied van de soorten te beschadigen of vernielen. Wanneer op de onderzoekslocatie essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van kleine marterachtigen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De groenstroken op de onderzoekslocatie bieden potentieel habitat en mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen voor de bunzing, wezel en hermelijn. Daarnaast is er geschikt voedsel op de onderzoekslocatie aanwezig. Het verwijderen van de aanwezige beplanting en overige potentieel geschikte schuillocaties en het vergraven van holen kan leiden tot vernietiging van vaste rustplaatsen en/of foerageergebied van deze soorten, wat in strijd is met de wet Natuurbescherming. Het is daarom van belang om vast te stellen dan wel uit te sluiten dat kleine marterachtigen gebruik maken van de onderzoekslocatie.
Om te bepalen of kleine marterachtigen gebruik maken van de onderzoekslocatie, dient conform de methode zoals beschreven in de Handreiking wezel, hermelijn en bunzing van de provincie Zeeland
R 16054.001 versie D1
Pagina 20 van 27
in de periode maart tot en met augustus (voorplantingsperiode) 6 weken onderzoek uitgevoerd te worden met cameravallen. Middels dit nader onderzoek kan worden aangetoond of de beschermde bunzing, wezel en/of hermelijn gebruik maken van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats. 6.4
Konijn
Het konijn is een inheemse diersoort volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het is hierdoor verboden om de soorten in hun natuurlijk verspreidingshabitat opzettelijk te doden en vangen, alsook om vaste rustplaatsen en essentieel functioneel leefgebied van de soorten te beschadigen of vernielen. De haas is op de geactualiseerde Rode Lijst Zoogdieren opgenomen met als status ‘gevoelig’, gepubliceerd op 3 november 2020. Wanneer op de onderzoekslocatie essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van het konijn aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De groenstroken op de onderzoekslocatie bieden potentieel beschutting aan openingen van ondergrondse burchten van konijnen. Daarnaast is er geschikt voedsel op de onderzoekslocatie aanwezig. Het verwijderen van de aanwezige beplanting en het vergraven van holen kan leiden tot vernietiging van vaste rustplaatsen en/of foerageergebied van deze soort, wat in strijd is met de wet Natuurbescherming. Het is daarom van belang om vast te stellen dan wel uit te sluiten dat het konijn gebruik maken van de onderzoekslocatie. Om te bepalen of het konijn gebruik maakt van de onderzoekslocatie, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd te worden.
Voor nader onderzoek naar konijn bestaat nog geen gestandaardiseerd protocol. Aan de hand van expert judgement wordt geadviseerd het nader onderzoek uit te voeren in combinatie met het nader onderzoek naar kleine marterachtigen middels het plaatsen van cameravallen gedurende 6 weken in de periode januari tot en met juli (voortplantingsperiode). In combinatie met het onderzoek naar kleine marterachtigen dient het onderzoek uitgevoerd te worden binnen de periode maart tot en met juli, wat de optimale periode voor alle soorten omvat. Middels dit nader onderzoek kan worden aangetoond of het konijn gebruik maakt van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats. 6.5
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van vegetatie en materialen buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uit te voeren. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
R 16054.001 versie D1
Pagina 21 van 27
6.6
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
R 16054.001 versie D1
Pagina 22 van 27
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Kop van Schouwen, bevindt zich op circa 450 meter afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 34).
Figuur 34. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand en de aard van de ingreep op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
R 16054.001 versie D1
Pagina 23 van 27
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 140 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. In figuur 35 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 359. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Zeeland de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. Door de afstand tussen de onderzoekslocatie en het Natuurnetwerk Nederland kan aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland op voorhand worden uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
R 16054.001 versie D1
Pagina 24 van 27
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie vormen een aantal van minder dan 21 bomen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht. Wel wordt geadviseerd om contact op te nemen met de gemeente Schouwen- Duiveland in het kader van een eventueel vereiste kapvergunning.
R 16054.001 versie D1
Pagina 25 van 27
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Roelandsweg 8 te Renesse. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens alle huidige opstallen binnen de onderzoekslocatie te amoveren en de locatie in te richten als nieuw showroomterrein. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.