20220913 Raadsbrief herontw Bona Fide en Karavaan Renesse bijlage 2 - einddocument deel 1
Tekst van het document
Aan de zeezijde van het binnenduingebied bevinden zich de Verklikkerduinen, het jongste gedeelte van de Kop van Schouwen. Deze liggen op een plaats waar tot in de 17de eeuw een waterloop vrij afstroomde naar zee, het Palinxgat. De zee had hier via een breed zandstrand vrij toegang tot de
29
vroongronden. In de 17de eeuw is dit zeegat dichtgestoven, waarbij ook de vroongronden deels met zand bedekt raakten. Bij de Verklikkerduinen groeit de kust nu aan, zodat hier jonge duintjes en een reeks van afgesnoerde strandvlakten zijn gevormd, te midden van hoge duinruggen. Het gebied achter de Verklikkerduinen (Palinxgat) ligt lager dan de landinwaartse vroongronden. De noordoostelijke, smalle uitloper van het Natura 2000-gebied is een duinenrij met daarachter een inlaag, de Zoete en Zoute Haard. Dit deelgebied is verwant aan de vroongronden. het heeft een zandige, oppervlakkig ontkalkte bodem en de grondwaterstanden wisselen hier sterk. In figuur 4.4 is de gebiedsindeling van de Kop van Schouwen opgenomen. Bodem en hoogteligging Binnen de Kop van Schouwen komt grofweg de volgende geologische opbouw voor. Het bovenste watervoerende pakket bestaat voornamelijk uit jonge duinen in het westelijk deel van het duingebied. De hoogste duintoppen reiken tot circa 30 meter boven NAP. De eerste scheidende laag bestaat uit Calais-klei, Hollandveen en Duinkerke-klei en ligt ongeveer op NAP-niveau tot 5 meter beneden NAP. Daaronder ligt het tweede watervoerende pakket tot op circa 10 meter beneden NAP en dit bestaat uit oude strandwallen (Calais). De tweede scheidende laag bestaat op 10 tot 25 meter beneden NAP uit kleiafzettingen van Calais.
Daaronder ligt het derde watervoerende pakket van de Eem-formatie, de Formatie van Twente en de oudste zandige afzettingen van Calais, tot op een diepte van circa 20 tot 45 meter beneden NAP. Daaronder ligt de derde scheidende laag van de Formatie van Tegelen. Deze laag ontbreekt plaatselijk in het noordelijk deel van de duinen en bij Burgh en Haamstede. Het vierde watervoerende pakket (tot circa 70 tot 100 meter beneden NAP) wordt gevormd door de Formatie van Maassluis. Daaronder ligt de vierde scheidende laag van de kleiige afzettingen van de Formatie van Oosterhout. En daaronder, vanaf een diepte van 75 tot 120 meter beneden NAP liggen het vijfde en zesde watervoerende pakket van de Formaties van Breda en Oosterhout. In dit watervoerende pakket bevindt zich de zoet-zout scheiding. In de bovenste Holocene afzettingen zijn de volgende ruimtelijke verschillen in het gebied aanwezig. Aan de (zuid)westzijde bevinden zich onder de jonge duinen waarschijnlijk oude strandwallen. Veen en kleilagen ontbreken hier. Onder de oostelijke helft van het duingebied bevinden zich ook strandwalafzettingen, die op de meeste plaatsen worden afgedekt door veen en/of klei. Het is onduidelijk of deze veen/kleilaag overal aanwezig is. Op dit klei/veenpakket bevindt zich een zandpakket van 2 tot 5 meter dik, dat deels bestaat uit kalkarm, maar deels ook uit kalkrijk of kalkhoudende materiaal.
Het vertoond een vrij sterke gelaagdheid (plaatselijk ook dunne veenlaagjes of humus) en verschilt van plek tot plek. Dit vroeg middeleeuwse kwelderlandschap is in de periode 12e en 13e eeuw deels met jonge duinen bedekt geraakt. De valleien concentreren zich vooral in de Vroongronden tussen Burg-Haamstede en Renesse. de Meeuwenduinen. de Verklikkerduinen en het Zeepe. In de boswachterij zijn ook nog enkele duinvalleien aanwezig.
30
Figuur 4.1: Bodemopbouw (links) en hoogteligging plangebied (rechts) (bron: bestemmingsplan Kop van Schouwen)
Hydrologie Waterhuishouding De Nederlandse kustduinen hebben een bijzondere waterhuishouding. Het duinzand vormt een groot reservoir waarin zoet grondwater ligt opgeslagen. Grote duingebieden als de Kop van Schouwen herbergen een zoetwatervoorraad van vele miljoenen m3. In het midden van het Natura 2000-gebied, op de grens van Boswachterij en Zeepeduinen reikt deze zoetwaterbel tot wel circa 100 meter onder NAP en circa 10 m boven NAP. De zoetwaterbel drukt het zoute grondwater omlaag. Naar de randen van het duingebied toe is de zoetwaterbel dunner en ligt het zoute grondwater dichter onder de oppervlakte. De waterbalans van het duingebied wordt van nature bepaald door neerslag, verdamping, wegzijging en wegstromend oppervlaktewater. De zoetwaterbel wordt gevoed door neerslag. Verdamping en wegzijging naar de ondergrond zijn de verliesposten. In natte jaren en jaargetijden groeit de zoetwaterbel en in droge jaren en jaargetijden krimpt deze weer. Deze fluctuaties van het grondwater zijn kenmerkend voor de natuurlijke duinwaterhuishouding en bepalen het periodiek natte karakter van de duinvalleien en van de duinzoom op Schouwen. De natuurlijke, oppervlakkige afwatering van de duinen vond plaats via de duinzoom en via de Oosteren en Westerenbanpolder. Ten tijde van de afsluiting van het Palinxgat is voor deze beide valleien een afwatering naar de polder gegraven.
De afwatering van de Westerenban loopt via de Maire en camping Duinhoeve naar het Zoomgebied en sluit ten oosten van Haamstede aan op de polder. De afwatering van de Oosterenban loopt via het Watergat en camping Julianahoeve naar Renesse en sluit bij Slot Moermond aan op de polder. Zeewering De zeewering wordt sinds 1872 beheerd door Rijkswaterstaat en vanaf 2000 door het Waterschap Scheldestomen. Waar gevaar voor afkalving dreigde, werden de duinen beschermd door middel van helmaanplant en het aanbrengen van stuifschermen van wilgentenen. Met de afsluiting van de Zeeuwse zeearmen rond 1970 is de situatie veranderd. Echter is nog steeds sprake van erosie als gevolg van zandhonger. Dit heeft voornamelijk consequenties voor het Noorderstrand. Ook ten zuiden van Westenschouwen treedt, vanuit de Oosterschelde erosie op. Sinds eind 20e eeuw wordt het terugwijken van de duinvoet daar gecompenseerd met zandsuppleties. Als gevolg hiervan is de kustlijn de laatste decennia nauwelijks meer achteruitgeweken en heeft de buitenste duinenrij hier een uniforme, massieve structuur. Het Verklikkerstrand ontwikkelt zich daarentegen als een aangroeistrand. Sinds het begin van de 20e eeuw trad hier primaire duinvorming op.
31
Door de aanleg van een stuifdijk werd rond 1930 de Buitenverklikker van zee afgesloten. De Buitenverklikker is daarmee de jongste primaire duinvallei van Schouwen. In 1978 is deze vallei bij stormvloed nog een keer volgelopen. Naar verwachting zal op het Verklikkerstrand de komende decennia een nieuwe primaire duinenrij tot ontwikkeling komen. Grenzend aan het Verklikkerstrand en noordelijk van de Rampweg zijn de duinen van Renesse gelegen. Deze primaire duinenrij tussen het Verklikkerstrand en de Brouwersdam scheiden de Oosterenban van de zee. Begin 20e eeuw werd begonnen met de aanleg van een waterwinsysteem in het zuidwestelijke duingebied. In 1930 was de waterwinning operationeel. Deze bestond uit een stelsel van infiltratieputten en winputten. Sinds die tijd wordt drinkwater gewonnen. De waterwinning is geconcentreerd in de Boswachterij Westerschouwen.
Figuur 4.2: Aandachtsgebieden water 4.2.2 Historische geografie Voor de geologische geschiedenis van Schouwen-Duiveland zijn de gebeurtenissen in het laatste deel van het Pleistoceen en in het Holoceen bepalend geweest voor het huidige landschap. Gedurende het laatste deel van het Pleistoceen (de periode van de ijstijden) is in dit deel van Zeeland een pakket van tien tot vijftien meter dik dekzand afgezet. Het zand werd door de wind aangevoerd uit de toen drooggevallen Noordzee. Na afloop van de laatste ijstijd, zo’n tienduizend jaar geleden, werd het klimaat warmer en vochtiger. Als gevolg van het smelten van de uitgestrekte ijskappen steeg de zeespiegel en rees ook de grondwaterstand. Er ontstonden gunstige omstandigheden voor veenvorming, waardoor de zandafzettingen in de ondergrond bedekt zijn geraakt met een veenlaag (basisveen later Hollandveen). Omstreeks 5000 jaar geleden werd de veenvorming onderbroken, doordat ongeveer ter plekke van de huidige Nederlandse kust een reeks parallelle strandwallen opstoof waarbij jongere strandwallen gevormd werden ten westen van de oudere. Wegens de doorgaande, doch langzamere zeespiegelstijging werden de jongere strandwallen hoger dan de oudere. Tevens werden door aanlandige wind lage duinen gecreëerd op de strandwallen, zoals bij Haamstede. Er ontstond dus een duinenkust, met een waddengebied er achter.
De veenlagen werden bedekt met wadafzettingen, voornamelijk klei en zavel.
32
Circa 3700 jaar geleden was er zo een vrijwel geheel gesloten strandwal langs de gehele Nederlandse kust ontstaan. Op de zo ontstane strandvlaktes tussen de strandwallen ging de ophoging van zand verder in de vorm van duinvorming. Deze strandwallen worden ook wel de oude duinen genoemd. Op de Kop van Schouwen was vanaf dat moment sprake van een duinenlandschap. In het overgrote deel van Zeeland ging de veenvorming verder. Ongeveer 3500 jaar geleden was heel Zeeland bedekt onder een dikke veenlaag. Deze veenlaag zou een paar duizend jaar stand houden. Door een sterke aanvoer van zand vanuit de zee werden tussen 1000 en 1300 de aanwezige oude duinen overstoven, evenals het achterliggende zeekleilandschap. Er vormden zich grote paraboolduinen, die steeds verder naar het oosten schoven. De restanten van deze paraboolduinen liggen nu ten zuiden van Nieuw-Haamstede en ten westen van Haamstede. Vanaf de 17de tot en met de 19de eeuw is hier opnieuw zand overheen gestoven waarbij de hoge Meeuwenduinen zijn gevormd. De verstuivingen werden vanaf 1923 aan banden gelegd door de aanplant van helmgras en duinbebossing. De hoogste duintoppen reiken tot circa 30 meter boven NAP. Het noordelijke deel van de Kop van Schouwen bestaat uit een smalle zone jonge duinen en een brede strook oudere binnenduinen.
Deze gronden werden vroeger als cultuurland (vroongronden) gebruikt voor graanteelt, hakhout en beweiding. Sterke verstuiving en agrarisch gebruik hebben geleid tot een licht geaccidenteerd landschap van lage duinkopjes en ondiepe laagten. Vooral in het oostelijke deel, langs de voormalige Vroonweg, is het reliëf goed behouden. De vroongronden zijn plaatselijk geheel ontkalkt en bestaan uit droge en vochtige graslanden, afgewisseld met wat bosjes. Op veel plaatsen bevindt zich op een diepte van 2-3 meter nog kalkhoudend materiaal in de ondergrond. De diepste valleien krijgen toestroom van grondwater dat in contact staat met deze kalkrijke lagen. Het gebied kent van oudsher een hoge grondwaterstand. Tot 1683 werd het overtollige water afgevoerd naar het strand via het Palinxgat. Toen dat door duinvorming werd afgesloten, werd het water via duinwateringen naar de lager gelegen polder Schouwen afgevoerd. De bodem in het plangebied bestaat deels uit zand en deels uit zware zavel (zie figuur 4.1). 4.2.3 Historische ecologie Door de grote variatie in gradiënten (=overgangen) heeft de duinzoom een rijke flora. Naast de vegetaties van natte duinvalleien en open vronen in het noordelijk deel, komen hier ook vegetaties voor die gebonden zijn aan het uittreden van zoet kwelwater (tussen Hoge en Lagezoom).
De voorkomende vegetatietypen van het duinlandschap zijn internationaal gezien zeldzaam. Vandaar dat de Kop van Schouwen op grond van het voorkomen van deze vegetatietypen is aangewezen als beschermd natuurgebied dat deel uitmaakt van het Natura-2000 gebied 'Kop van Schouwen', waar het noordelijk deel van het plangebied aan de oostkant aan grenst. Dit betekent dat bij werkzaamheden in het gebied de beschermde vegetaties geen schade mogen ondervinden. Een prioritaire soort is de Groenknolorchis. Hiervoor is de zoete kwel van belang. Een andere belangrijk soort, en tevens aandachtssoort in de nota Soortenbeleid van Provincie Zeeland, is de Noordse Woelmuis. Het plangebied is gecultiveerd. In paragraaf 5.10 wordt nader ingegaan op het aspect ecologie. 4.2.4 Archeologie De archeologische rijkdom van een gebied is sterk afhankelijk van de ontwikkeling van het landschap. Het aantreffen van archeologische resten is immers sterk afhankelijk van de mogelijkheden tot bewoning en gebruik van het landschap in het verleden. Op Schouwen-Duiveland is de invloed van de zee een zeer belangrijke factor. Het landschap heeft door de eeuwen heen een sterk dynamisch karakter gehad. Deze ontwikkelingsdynamiek heeft de mogelijkheden van gebruik sterk beïnvloed.
Verder kunnen door het dynamische landschap tevens eventuele archeologische resten aan het oog zijn onttrokken door erosie of juist bedekking met sedimenten. Voorbeelden hiervan zijn weggespoelde nederzettingen die in de geul van de Oosterschelde zijn verdwenen of nederzettingen die overstoven zijn met duinzand.
33
Het is dan ook niet vreemd dat de hoogste archeologische waarden te vinden zijn op de plekken die als eerste bewoond werden. Een groot archeologisch monument ligt dan ook in het duingebied bij Haamstede, waar al vanaf het Neolithicum (4000 - 3100 v.C.) bewoning heeft plaatsgevonden. Ook op de voormalige eilanden Duiveland en Dreischor liggen diverse terreinen met hoge archeologische waarde. In het gemeentelijke Beleidsplan Archeologie is voor het gehele eiland vastgelegd welke archeologische verwachtingswaarden er zijn. Hieraan zijn beleidsadviezen gekoppeld die als basis dienen voor de voorwaarden bij op te stellen bestemmingsplannen. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen, van archeologische monumenten tot gebieden waar geen enkele archeologische verwachtingswaarde is. Voor ieder gebiedstype gelden eigen uitgangspunten, randvoorwaarden en drempelwaarden.
In het plangebied komt het volgende gebiedstype voor: Onderzoeksgebied A. Binnen het vigerende bestemmingsplan Kop van Schouwen is dit beleid doorvertaald in de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 6'. Binnen deze dubbelbestemming wordt het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden geregeld en is het belang van de aanwezige archeologische waarde binnen het plangebied beschermd.
34
Figuur 4.3: Archeologische beleidskaart Schouwen-Duiveland
In het kader van het bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Het resultaat van het archeologisch bureauonderzoek is hieronder samengevat. Voor het plangebied geldt in principe een verwachting voor de periode laat-neolithicum tot en met nieuwe tijd. Deze verwachting is sterk afhankelijk van de aard en diepteligging van de verschillende afzettingen in het gebied, alsmede de ontgravingsdiepte van de voorgenomen werkzaamheden. Naar aanleiding van eerder onderzoek in het gebied wordt het Laagpakket van Wormer (verwachting: neolithicum) op een gemiddelde diepte van 2 m-mv verwacht. De top van het Hollandveen (verwachting: late bronstijd t/m Romeinse tijd) is bij het eerdere onderzoek op een gemiddelde diepte van 1,5 m-mv aangetroffen, maar plaatselijk ook hoger (vanaf 0,85 m-mv). Het Laagpakket van Walcheren (verwachting: vroege middeleeuwen) wordt in het oostelijke gedeelte van het plangebied direct onder de
35
bouwvoor/omgewerkte grond verwacht, vanaf circa 0,3 m-mv. In het westelijke gedeelte van het plangebied ligt het jonge duinzand (verwachting: late middeleeuwen – nieuwe tijd) direct onder de bouwvoor/omgewerkte grond. Naar verwachting zal de bodem met de voorgenomen werkzaamheden niet dieper dan 1 m-mv worden verstoord. De hoogste verwachting geldt daarbij, op basis van de diepte van de ingrepen, voor de periode late-middeleeuwen – nieuwe tijd. Bij het eerder uitgevoerde booronderzoek is echter gebleken dat de top van het jonge duinzand, het Laagpakket van Walcheren en het Hollandveen, grotendeels verstoord is. In het gebied zijn duidelijke tekenen van veenafgraving en moernering waargenomen. De aangetroffen afzettingen van het Laagpakket van Walcheren zijn in deze gebruikt om de moerneringsputten te dichten. Verder zijn er in het jonge duinzand geen duidelijke vegetatieniveaus aangetroffen (met uitzondering van één boring, zie onder). Dit onderzoek is weliswaar vlakdekkend uitgevoerd, maar voldoet niet aan de actuele provinciale eisen, waarbij een minimaal aantal van 8 boringen per hectare dient te worden uitgevoerd. Desalniettemin laat het reeds uitgevoerde booronderzoek een duidelijke trend zien, waarbij de bodem in ieder geval tot de maximale verstoringsdiepte van 1 m-mv geen intacte archeologische lagen of pakketten laat zien.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat op basis van het historische kaartmateriaal te zien is dat het uiterste noordwestelijke gedeelte van het plangebied nooit bebouwd is geweest en ook geen versnipperd verkavelingspatroon laat zien. In deze zone is tijdens het eerder uitgevoerde booronderzoek op grotere diepte (2,16 m-mv) een vegetatieniveau in het jonge duinzand aangetroffen. (Selectie)advies: Op basis van het onderzoek wordt geadviseerd om in een geselecteerd deel van het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van (karterende) controle boringen uit te voeren. In de uiterst noordwestelijke hoek van het plangebied is de bodem naar verwachting minder verstoord dan in de overige gedeeltes van het plangebied. Ook dit gedeelte is onderdeel van het eerder uitgevoerde booronderzoek, maar een blik op de boorpuntenkaart laat zien dat met name in het uiterste noorden het grid ontoereikend is. Ook is in deze zone een boorprofiel beschreven waarin een vegetatieniveau aanwezig was in het jong duinzand. Geadviseerd wordt om boringen met vegetatieniveau uit te zeven om eventuele vindplaatsen te karteren. Daarnaast wordt geadviseerd in eerste instantie de rest van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Hierbij wordt nadrukkelijk opgemerkt dat deze vrijstelling niet van kracht is, indien de ontgravingen dieper zullen reiken dan 1 m-mv.
Uit eerder onderzoek is gebleken dat de top van het Laagpakket van Wormer wel intact en op een relatief gezien ondiepte ligging in de vorm van een rug/welving in het plangebied te vinden is. Mochten de graafwerkzaamheden dieper reiken dan 1 m-mv, dan wordt vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek geadviseerd (minimaal 8 boringen per hectare). Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Het nader onderzoek wordt uitgevoerd. De resultaten worden zodra deze beschikbaar zijn in het bestemmingsplan verwerkt. 4.2.5 Historische bouwkunde Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of historisch waardevolle agrarische objecten aanwezig. Ook zijn de gronden niet gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht of in een molenbiotoop.
36
4.2.6 Cultuurhistorie Voor de cultuurhistorische waarde van het gebied is de Cultuurhistorische kaart Zeeland geraadpleegd. Cultuurhistorische infrastructuur Tussen het plangebied en de Vroonweg ligt de trambaan (Haamstede - Renesse). Deze trambaan ligt buiten het plangebied en is in het geldende bestemmingsplan Kop van Schouwen bestemd als Groen Landschappelijk en beschermd via de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' en een bijbehorend vergunningenstelsel. Deze gronden liggen buiten het plangebied. De Hogezoom is aangeduid als klinkerweg en omschreven als weg in het buitengebied bestraat met klinkers, een type baksteen dat geen water opzuigt, dus zich leent voor fundamenten, bestratingen e.d. Deze weg wordt door het plan niet aangetast. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande ontsluitingen. Groen erfgoed Ten westen van het plangebied ligt aan de overzijde van de Kabbelaarsweg een houtwal (groen erfgoed) op gronden met de bestemming Natuur. Voorliggend plan heeft geen effect op die houtwal. Landschap Kustzone, duingebied De gronden ten noorden van de Hogezoom zijn aangeduid als landschapstype Kustzone, duingebied en is onderdeel van het gebied dat wordt omschreven als een gebied van de duinen en hun onmiddellijke omgeving. De kustzone bestaat uit het strand, de zeereep, de (Jonge) duinen en de binnenduinrand (‘manteling’ of ‘zoom’).
Op Schouwen-Duiveland is dit een breed gebied. In het overgangsgebied van de duinen naar de polder komen in Schouwen-Duiveland vroongronden voor: glooiende duingraslanden, waar het zand over het achterliggend kleigebied is gestoven. Vaak werden deze gebieden gebruikt als gemeenschappelijke weidegronden. Een andere typische vorm van ontginning van de duinen was de aanleg van elzenmeten, zoals dit in de binnenduinrand van Schouwen werd gedaan. In de natte terreingedeelten werden percelen van 2 tot 3 ha van greppels voorzien en beplant met elzen. Het hakhout werd gebruikt als brandhout. Om de elzenmeet heen lag vaak een houtwal of sloot. Vanaf de 19e eeuw werd het duingebied een steeds interessanter woon- en recreatiegebied. Naast de al bestaande landgoederen ontwikkelden zich villadorpen en grote badplaatsen, volledig gericht op het toerisme, zoals Renesse en Cadzand-Bad. Eveneens een van oorsprong 19e -eeuwse ontwikkeling is de stichting van duinwaterleidingbedrijven. Het noordelijk deel van het plangebied betreft gronden die vroeger als cultuurland (vroongronden) werd gebruikt voor graanteelt, hakhout en beweiding. De tekenen hiervan zijn nog te zien in de vorm van greppeltjes, walletjes en ploegsporen. Sterke verstuiving en agrarisch gebruik hebben geleid tot een licht geaccidenteerd landschap van lage duinkopjes en ondiepe laagten.
Vooral in het oostelijke deel, langs de voormalige Vroonweg, is het natuurlijke reliëf goed behouden. Doordat het plangebied reeds geruime tijd als verblijfsrecreatieterrein is gebruikt en ingericht zijn er geen kenmerken meer aanwezig. In het plangebied volgens de Cultuurhistorische kaart Zeeland zijn geen elzemeten aanwezig. Zeekleigebied oudland De gronden ten zuiden van de Hogezoom zijn aangeduid als landschapstype Zeeekleigebied oudland. Het oudland omvat de zee-afzettingen uit de Vroege Middeleeuwen (500-1000), bestaand uit zandige kreekruggen en laaggelegen, kalkloze poelgronden. Het ontstaan van kreekruggen heeft te maken met differentiële klink (klink = bodemdaling als gevolg van ontwatering). In eerste instantie lagen de kreken zelf als laagste onderdeel in het landschap. De flankerende oeverwallen, opgebouwd uit relatief grof materiaal, waren wat hoger dan de omgeving die bestond uit het resterende, eerder gevormde veen. Daarop werd veel fijner materiaal afgezet, voornamelijk zware klei. Op deze wijze ontstonden de poelgebieden. Toen de kreken verlandden, vulde de bedding zich met zandig en zavelig materiaal, net
37
zolang tot de bedding dezelfde hoogte had als de oeverwallen. De poelgebieden bestonden inmiddels uit klei op veen, dat bij de ontwatering waarmee de ontginning gepaard ging, begon in te klinken. De bodem daalde. Omdat zand en zavel veel minder inklinken, bleven de voormalige kreekbeddingen als ruggen in het landschap achter. Door moer- en selnering (vergraving voor zout- en turfwinning, zie hieronder) kwamen de poelgebieden steeds lager te liggen, waardoor het hoogteverschil met de kreekruggronden groter werd. De eerste structurele bewoning op de kreekruggen vond plaats vanaf de 9e en 10e eeuw, met name op Walcheren en in het westelijk deel van Schouwen. De bewoners waren afkomstig van de eerder gevormde strandwallen, waar al vanaf de Bronstijd gewoond werd. Op de hoger gelegen ruggen werden akkers aangelegd en dorpen gebouwd; het wegenpatroon was eveneens van oudsher aan de kreekruggen gerelateerd. De poelgebieden werden gebruikt als weide en hooiland. Ook de schorren werden gebruikt als weide. Het plangebied betreft een terrein dat al geruime tijd als verblijfsrecreatieterrein is gebruikt en ingericht. Kenmerkende waarden van dit type landschap inde vorm van karakteristieke hoogteverschillen tussen de kreekruggen en poelgebieden en het patroon en reliëf van kreekruggen zijn niet aanwezig.
4.3
Ruimtelijke analyse
4.3.1 Stedenbouwkundige analyse Het dorp Renesse neemt een bijzondere positie in op het eiland Schouwen-Duiveland. Door de ligging direct achter de jonge duinen op de overgang naar de open kleipolders van Schouwen is Renesse voor velen een aansprekend badplaats waar naar hartenlust gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. De huidige ruimtelijke structuur van het dorp is de optelsom van het rijke verleden en de ontwikkeling van Renesse als woon- en recreatie dorp. Renesse is één van de belangrijkste toeristische kernen van Schouwen-Duiveland. In de kern komen meerdere bebouwingsconcentraties voor. Het dorp heeft een bruisend centrum met veel horeca en winkels. Daarnaast zijn er enkele naoorlogse woonbuurten en een bijzondere woonconcentratie tussen de Oude Moolweg en de Scholderlaan. In dit gebiedje zijn in 1932 de eerste planmatige recreatiewoningen gerealiseerd aan de rand van de vroongronden. De verschillende bebouwingsconcentraties worden van elkaar gescheiden door belangrijke landschappelijke lijnen, die de structuurdragers de ruimtelijke layout zijn. De structuur van historische lange lijnen vormt al eeuwen een stevige kapstok voor de ontwikkeling van het dorp en voor de relaties met de omgeving.
Het plangebied is gelegen aan weerzijden van de Hogezoom, één van de historische wegen (linten) die vroeger vanuit het agrarische landschap en de vroongronden naar de dorpskern liepen. Langs deze wegen zijn vrijstaande, vaak voorname panden te vinden. De panden staan op enige afstand van de openbare weg op diepe, groene percelen. De karakteristieke voorgevels zijn van oudsher rijk gedecoreerd, en staan met de voorgevel meestal parallel aan de straat. Langs de weg staan forse bomen of een opgaande beplanting en houtwallen (Laône) waardoor het straatbeeld een lommerrijke uitstraling heeft. Het wegprofiel is smal en de percelen worden op de meeste plekken van de weg gescheiden door sloten of de duinbeek. De historische en groene sfeer van de dorpslinten Hogezoom, Laône en Stoofweg maakt dat deze gebieden een bijzondere rol hebben in de structuur van het dorp. De linten zijn de schakels tussen het centrum van Renesse en het bijzondere omliggende landschap. Ze hebben tevens een belangrijke rol in de ontsluiting van het dorp, zowel voor autoverkeer als voor fietsers.
38
4.3.2 Landschap Het plangebied maakt deel uit van een grote landschappelijke eenheid die de gehele kop van Schouwen - Duiveland beslaat. Het landschap op de Kop van Schouwen kenmerkt zich door de karakteristieke overgang van de open kleipolders in het oosten naar de soms besloten en soms open (zanderige) gronden in het westen. Achtereenvolgens ligt, tegen de polder, eerst een zone met bosrijke zoomgronden, vervolgens een zone met meer open vroongronden en tot slot de duinstrook met jonge duinen die sterk geaccidenteerd is. Onderstaand worden deze gebieden afzonderlijk uitgelicht, waarbij geldt dat het noordelijk deel van het plangebied onderdeel is van het zoomgebieden en het zuidelijk deel wordt gekenmerkt als een open polderlandschap. De polder is een primair landbouwgebied. De polder is door het gebruik en de bodemgesteldheid ruim en open. De overgang naar de hoger gelegen zoomgronden is duidelijk aanwezig. In de polder komt over het algemeen maar weinig opgaande beplanting voor. Alleen de agrarische erven zijn als groene, met opgaande beplanting omzoomde eilanden zichtbaar. In tegenstelling tot de polder is het zoomgebied een zeer besloten gebied. Van west naar oost loopt het gebied enigszins af. Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van elzenmeten, singels en hagen, open ruimten en fruitgaarden, dorpskernen en recreatieterreinen.
Dit maakt het gebied tot een kleinschalig en relatief dicht gebied. Soms bevinden zich in het zoomgebied kleinere, open landbouwpercelen. Tussen Haamstede en Renesse is het gebied hierdoor nog redelijk open. Landgoederen zoals Slot Moermond zorgen met de opgaande (laan)beplanting voor een extra groene beslotenheid in het landschap. De overgangen naar de duinen en de vroongronden en de polder zijn rond Renesse vaak nog intact, en daarmee zeldzaam in Nederland. De noordelijke gronden zijn aan te merken als (verstedelijkte) zoomgronden. Ten westen van het plangebied liggen vroongronden.
Figuur 4.4: Landschap - Vroongronden (bron: bestemmingsplan Kop van Schouwen) 4.3.3 Natuur, groen, water en ecologie Natuur Renesse is omringd door het Natura2000-gebied Kop van Schouwen. Daarnaast vallen dezelfde
39
gebieden ook onder het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Deze gebieden liggen niet binnen het plangebied maar zijn aansluitend aan de westkant. Groenstructuren Renesse is een groen dorp. Opvallend is dat het groen vooral bestaat uit landschappelijke elementen die binnen de bebouwde kom de groenstructuur van het dorp vormen. De lange landschappelijke lijnen waaraan later de bebouwing is ontstaat (linten) worden ondersteund door voorname bomenrijen en houtwallen zoals aan de Hogezoom. De bestaande groenstructuren van het noordelijk deel (aan de noord-, oost- en westkant) blijven gehandhaafd. dat geldt ook voor de groene zoom aan de zuidkant die aan alle zijden blijft behouden, waarbij doorkijkjes worden gemaakt ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Water In het noordelijk deel is geen oppervlaktewater aanwezig. in het zuidelijk lopen enkele secundaire watergangen met bijbehorende beschermingszones oppervlaktewaterlichamen (7 meter uit de insteek van de watergang).
Figuur 4.5: Waterstructuur Ecologie Het plangebied is geen onderdeel van Natura 2000-gebieden of het NNN. Het noordelijk deel van het plangebied grenst aan het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen.
40
4.3.4 Verkeer De beoogde verkeerstructuur van Renesse die volgt uit een verkeersstudie uit 2017 is weergegeven in figuur 4.6. Voorliggend plan sluit aan op de bestaande Hogezoom, die is aangeduid als 'ontsluiting bestemmingsverkeer'. Het toerisme in Renesse zorgt voor zeer grote verschillen in de verkeersintensiteiten tussen de zomer en winterperiode. In de winterperiode (1 november tot 1 april) is er sprake van een 'reguliere' situatie. In de zomerperiode (1 april tot 1 november) is in het centrum de Hogezoom tussen kruising Jan van Renesseweg/Hogezoom en kruising Oude Moolweg/Hogezoom afgesloten voor gemotoriseerd verkeer en daardoor in de Zeeanemoonweg éénrichtingsverkeer. Een aantal maanden per jaar is dit deel bovendien ook verboden om doorheen te fietsen, vanwege de drukte. Na herinrichting is de Kerkring (althans het deel aan de Kromme Reke) tweerichtingsverkeer, terwijl dat nu nog eenrichtingsverkeer is.
Figuur 4.6: Verkeersstructuur Renesse 4.3.5 Kabels en leidingen en overige infrastructuur Het aspect leidingen en telecommunicatieverbindingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevant aan te merken solitaire leidingen en geen leidingstroken, hoogspanningsverbindingen en optisch vrije paden voor telecommunicatieverbindingen aanwezig, waarmee bestemmingsplanmatig rekening moet worden gehouden. Met eventueel aanwezige overige (planologische niet relevante) leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Dergelijke kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie
41
met aanwezige infrastructuur. In verband hiermee zal op het moment van daadwerkelijke realisering van de voorgenomen ontwikkeling tenminste drie werkdagen voor de aanvang van graafwerkzaamheden door degene die de graafwerkzaamheden uitvoert contact (moeten) worden opgenomen met het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC), waarbij dient te worden gemeld waar en wanneer wordt gegraven. 4.3.6 Sociale veiligheid Natuurbranden Een aandachtspunt op gebied van veiligheid in Renesse blijft het risico op natuurbranden in de nabij het plangebied gelegen duin- en bosgebieden. Dat risico wordt ook benoemd in de crisisplannen en op de landelijke risicokaart (http://nederland.risicokaart.nl/risicokaart.html) externe veiligheid. Dit speelt met name ten westen van Burg-Haamstede.
Figuur 4.8: Natuurbrandvlak (groen gearceerd, bron: www.risicokaart.nl)
4.4
Functionele analyse
4.4.1 Functionele hoofdstructuur Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Renesse. Renesse is een levendig dorp in het hart van de Kop van Schouwen. Het dorp is een levendige ontmoetingsplek voor bewoners en bezoekers. Renesse is daardoor een belangrijke toeristische bestemming op Schouwen-Duiveland en Zeeland. Het dorpscentrum heeft verschillende maatschappelijke voorzieningen, winkels, evenementen en een goede bereikbaarheid met auto en openbaar vervoer. Renesse ligt relatief dicht bij het strand en mooi ingebed in het karakteristieke duinlandschap. In en rond Renesse liggen daarom vele campings, vakantieparken, hotels en villa's..
42
4.4.2 Wonen Het plangebied ligt ten noorden en zuiden van de Hogezoom. Langs de Hogezoom is buiten het plangebied aan beide zijden van de weg lintbebouwing met overwegend de functie wonen aanwezig. Ten noorden van het plangebied bevindt zich bebouwing waarin overwegend de functie wonen voorkomt. 4.4.3 Werken Opvallend aan de functionele opbouw van Renesse is het beperkt aantal bedrijven dat in de kern is gevestigd. In het verleden zijn verschillende bedrijven uit de kern verplaatst naar het bedrijventerrein Duinzoom. Op het adres Hogezoom 140a is volgens het bestemmingsplan een bedrijf aanwezig (electrotechnische industrie), die valt in milieucategorie 2. De gevolgen van de aanwezigheid van dit bedrijf voor het plan zijn beoordeeld in paragraaf 5.3 4.4.4 Voorzieningen Onder invloed van het toerisme is Renesse een dorp met een uitgebreid voorzieningenniveau. In de kern zijn verschillende winkels aanwezig. Het winkelgebied concentreert zich in met name aan de Hogezoom (ten noorden van de rotonde Vroonweg / Roelandsweg), De Zoom en de Lange Reke. De horeca in Renesse loopt uiteen van een restaurant tot een snackbar en discotheken. De consumptieve horecabedrijven zijn geconcentreerd aan de Hogezoom, Lange Reke en Korte Reke. De pensions en hotels liggen meer verspreid over de kern.
Naast detailhandel en horeca zijn er ook maatschappelijke voorzieningen als een basisschool, een kerk, medische voorzieningen als (tand)arts en fysiotherapie en een enkel dienstverlenend bedrijf zoals binnenkort een VVV-kantoor gevestigd. De genoemde voorzieningen liggen buiten dit bestemmingsplan. 4.4.5 Sport en recreatie In Renesse is één sportvoorziening aanwezig, te weten de tennisbanen aan de Mauritsweg. Het plangebied betreft twee bestaande campings Bonafide en de Karavaan die worden heringericht en getransformeerd tot vakantiepark Noordzee Residence Renesse met maximaal 285 recreatiewoningen.
4.5
Conclusie
Het planologisch kader zoals hierboven beschreven, is voor zover relevant doorvertaald in de bestemmingsplanregeling en op de verbeelding van voorliggend plan.
43
Hoofdstuk 5 Milieu- en duurzaamheidskader 5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de milieugevolgen van alle ontwikkelingen behandeld die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Hierbij is uitgegaan van alle activiteiten die in het plan worden toegestaan, zowel rechtstreeks als middels een wijzigingsbevoegdheid.
5.2
Verkeer en parkeren
In de raadsvergadering van de gemeente Schouwen-Duiveland is op 4 juni 2020 de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' vastgesteld door de gemeenteraad en daarmee onderdeel gemaakt van het parkeerbeleid van de gemeente. De kengetallen voor parkeren en verkeer uit de Agenda Toerisme komen daarmee te vervallen. Voor alle recreatieve eenheden wordt gerekend met 1 parkeerplaats per 3 slaapplaatsen en een verkeersgeneratie van 2,2 mvt/etmaal per parkeerplaats. Dit geldt voor alle verschillende typen verblijfsrecreatie m.u.v. hotels. Het voorliggende bestemmingsplan maakt maximaal 285 recreatiewoningen mogelijk. In de planregels is geborgd dat er sprake mag zijn van maximaal 1.850 slaapplekken. Dit leidt tot 617 parkeerplaatsen (1.850 / 3) en 1.357 verkeersbewegingen per etmaal (617*2,2). Het bestaande bestemmingsplan staat 422 permanente standplaatsen voor stacaravans toe en één recreatiewoning. Daarnaast zijn er nog 125 toeristenplekken toegestaan. Indien wordt uitgegaan van 4 slaapplaatsen per recreatieverblijf leidt dat tot 729 parkeerplaatsen en 1.604 verkeersbewegingen per etmaal. Voorliggend plan leidt derhalve tot een afname met 247 verkeersbewegingen ten opzichte van wat nu planologisch acceptabel is geacht. Het plan is derhalve voor wat betreft verkeer een verbetering ten opzicht van de nu toegestane invulling als kampeerterrein.
Opgemerkt wordt dat de centrale voorzieningen uitsluitend zijn bedoeld voor gasten van het recreatiepark. Deze voorzieningen leiden derhalve niet tot extra verkeersbewegingen. Voor de verdeling tussen de verschillende voertuigtypen is aangenomen dat 98%, 1,5% en 0,5% uit respectievelijk licht, middelzwaar en zwaar verkeer bestaat. Dit komt neer op worstcase circa 3 vrachtwagens per dag voor onder andere de levering en afhalen van goederen én afhalen van afval. In de planregels is geborgd dat er per drie slaapplaatsen 1 parkeerplaats moet worden aangelegd.
44
5.3
Bedrijven en milieuzonering
5.3.1 Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De VNG-handreiking bevat een lijst met bedrijven waaraan, afhankelijk van de mate waarin de in de lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), een categorie wordt toegekend. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden. Per bedrijfstype wordt zo een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en percelen waarop gevoelige functies zoals woningen zijn toegestaan en die zijn gelegen in een rustige woonwijk. Wanneer er geen sprake is van een rustige woonwijk, maar van een gemengd gebied, kan één afstandsstap worden teruggedaan. Een bedrijf dat 50 meter afstand tot een rustige woonwijk moet aanhouden, mag zich hierdoor op 30 meter van een gemengd gebied vestigen. Onder een rustige woonwijk wordt verstaan een woongebied met weinig verkeer en praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra. Gemengde gebieden zijn gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Naast wonen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en bedrijvigheid. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Voor dergelijke gebieden kunnen de richtafstanden die gelden ten opzichte van een rustige woonwijk met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Milieucategorie
Minimale richtafstand tot een Minimale richtafstand tot rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m Niet van toepassing 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m Milieucategorieën en richtafstanden (bron: Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009, VNG) De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief worden gezien. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer.
45
5.3.2 Toetsing Het plangebied omvat de functie verblijfsrecreatie met 285 recreatiewoningen en 850 m2 aan centrale voorzieningen. Het plangebied grenst aan het bestemmingsplan Kop van Schouwen en het bestemmingsplan Bebouwde kom Renesse. Daarnaast is het ontwerpbestemmingsplan Renesse ter inzage gelegd, dat na vaststelling het bestemmingsplan Bebouwde kom Renesse vervangt. Dat ontwerpbestemmingsplan is een conserverend plan dat de bestaande situatie vastlegt. Uitgangspunten milieuzonering Om de VNG-handreiking te kunnen toepassen is beoordeeld of het plangebied en de omgeving moet worden gezien als een rustige woonwijk of als gemengd gebied. Het overgrote deel van de omgeving van het plangebied betreft de functie wonen en verblijfsrecreatie. Beiden zijn milieugevoelige functies. Er is aan de Hogezoom 140a één bedrijfsfunctie (een elektrotechnische bedrijf) dat ook specifiek zo is bestemd. Aan de noordkant zijn aan de Vroonweg gronden aanwezig met een horecabestemming. Één perceel is bestemd voor een hotel (wel milieugevoelig) en één voor horecacategorie 1: consumptieve horeca (geen milieugevoelige functie, aangezien er geen nachtverblijf is toegestaan). Er liggen twee percelen met een maatschappelijke bestemming, waarbij op één perceel tevens een brandweerkazerne is toegestaan. Binnen de bestemming Maatschappelijk zijn ook onderwijsvoorzieningen of zorgwoningen toegestaan.
Die gronden zijn derhalve op basis van de planologisch mogelijke invulling milieugevoelig. We gaan uit van de ligging in een rustige woonomgeving. In het kader van de milieuzonering moet ten eerste worden getoetst of er in de omgeving vanwege het plan sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Omdat een verblijfsrecreatieterrein als milieugevoelig wordt beschouwd, met name vanwege het aspect geluid moet ook worden beoordeeld of er op de verblijfsrecreatieve gronden in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Milieuzonering vanwege het plan op de omgeving Een recreatiepark wordt volgens de VNG-handreiking beschouwd als een bedrijf in de milieucategorie 3.1 (SBI-2008 561, Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)). De richtafstanden tussen de bestemmingsgrens van het verblijfsrecreatieterrein en de (maximale) gevel van een milieugevoelige functie bedragen 50 meter voor het aspect geluid, 30 meter voor geur en gevaar en nul meter voor het aspect stof. De geluidemissie van het recreatiepark wordt met name veroorzaakt door geluidemissie vanwege de centrale voorzieningen en ook vanwege het parkeren. Het aspect geur wordt bepaald door de aanwezigheid van een keuken bij de centrale voorzieningen.
Er zijn geen activiteiten op het terrein voorzien die aanleiding geven voor risico met betrekking tot het aspect gevaar. De aspecten geluid en geur worden hieronder beoordeeld. Geluid De woningen aan de noordkant van het plangebied staan op meer dan 50 meter. De afstand vanaf de bestemmingsgrens van het recreatiepark tot de meeste gevels van de bestaande woningen aan de Hogezoom is minder dan 50 meter. De afstand tot de gevel van het hotel aan de Vroonweg 33 is circa 45 meter, tot het bouwvlak van de daarnaast gelegen maatschappelijke bestemming (Vroonweg ong) circa 47 meter en tot de maatschappelijke bestemming Hogezoom 141b circa 10 meter. Daar wordt derhalve niet aan de richtafstand voor geluid voldaan. Ook de afstand tussen de bestemmingsgrens voor verblijfsrecreatie en de bouwvlakken van de woningen in de lintbebouwing aan weerszijde van de Hogezoom is minder dan 50 meter. Dat geldt ook voor de afstand tot de woning aan de Kooimansweg 7. Er kan indien gemotiveerd een kortere afstand worden aangehouden. Zoals hierboven aangegeven wordt geluidhinder met name veroorzaakt door geluidemissie bij de centrale voorzieningen en het parkeren.
Om voldoende afstand te borgen tussen de centrale voorzieningen tot de gevels van de milieugevoelige functies in de omgeving is in het bestemmingsplan een regeling opgenomen dat de centrale voorzieningen uitsluitend op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale
46
voorziening' zijn toegestaan. Deze aanduiding ligt meer dan 50 meter van de gevels van milieugevoelige functies. Om geluidhinder van ondersteunende horeca te voorkomen is op dezelfde wijze een aanduiding 'horeca' opgenomen. Om geluidhinder vanwege parkeren te voorkomen is aangesloten bij de richtlijn die geldt voor autoparkeerterreinen, parkeergarages (SBI 2008: 5221) waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter voor geluid. In het bestemmingsplan is geregeld dat parkeren uitsluitend is toegestaan op gronden met de aanduiding 'parkeerterrein'. Deze aanduiding ligt op ten minste 30 meter van de gevels van milieugevoelige functies. Met deze regeling is geborgd dat er geen geluidhinder optreedt op de milieugevoelige functies in de omgeving vanwege spelen, parkeren en de horeca / centrale voorzieningen. Recreatiewoningen zijn wel toegestaan binnen de richtafstand van 50 meter. In dat kader geldt, dat verblijfsrecreatie in het plangebied reeds op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Ten opzichte van de rond het plangebied gelegen woningen kan daarom niet worden gesproken van een verslechtering van de milieusituatie als gevolg van de herontwikkeling van de kampeerterreinen. Bovendien wordt rond het recreatiepark een zone van vijf meter uit de bestemmingsgrens aangehouden, waar een grondwal van twee meter met beplanting wordt gerealiseerd.
De aanleg van deze grondwal en de instandhouding ervan is met een voorwaardelijke verplichting geborgd in de planregels. Er ontstaat met de toe te passen bestemmingsregeling geen extra hinder ten opzichte van eerdere situaties in het plangebied vanwege de beoogde recreatieverblijven. Geur Geurhinder treedt met name op vanwege de centrale voorzieningen. Zoals hierboven aangegeven liggen deze voorzieningen op ten minste 50 meter van milieugevoelige functies. Hiermee is hinder vanwege geur van het recreatiepark op milieugevoelige functies in de omgeving uitgesloten. Bovenstaande houdt in dat aan de richtafstanden wordt voldaan en er in de omgeving sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geur, geluid, stof en gevaar. Milieuzonering vanwege de omgeving op park Hotel, Vroonweg 33: Een hotel wordt beschouwd als een bedrijf in milieucategorie 1 (SBI 2008: 5510). Er geld een richtafstand van 10 meter vanwege geur, geluid en gevaar vanaf bestemmingsgrens van het hotel tot de gevels van de recreatiewoningen. De afstand is ruim meer dan 10 meter.
Maatschappelijke bestemming (Vroonweg ong): Op deze gronden zijn volgens het bestemmingsplan Kop van Schouwen educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en hieraan gelieerde kantoren, zorgwoonvormen ten behoeve van sociaal-medische voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening toegestaan, alsmede ondersteunende- en/of horeca-activiteiten uitsluitend ten dienste van deze maatschappelijke voorzieningen. Deze functies vallen in milieucategorie 1 en 2. De aan te houden richtafstand vanaf de bestemmingsgrens bedraagt daarmee ten minste 30 meter. De afstand tot het recreatieterrein is meer dan 30 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Maatschappelijke bestemming, Hogezoom 141b: Op deze gronden zijn voorzieningen op het gebied van onderwijs, welzijns- en gezondheidszorg, levensbeschouwing, openbare dienstverlening en kinder- en jeugddagopvang toegestaan en tevens een brandweerkazerne. De maatschappelijke voorzieningen vallen in milieucategorie 1 en 2. De aan te houden richtafstand vanaf de bestemmingsgrens bedraagt daarmee ten minste 30 meter. Een brandweerkazerne wordt beschouwd als een categorie 3.1-bedrijf, met een richtafstand van 50 meter vanwege geluid. De kazerne dient voor de stalling van een uitrukvoertuig en klein materieel.
Er is geen sprake van onderhoudswerkzaamheden, opleidingen, cursussen en oefeningen en geen schoonmaken van voertuigen. Uit de vergunning (Wet milieubeheer) blijkt dat beoordeeld is dat de kazerne voor wat betreft geluid vanwege activiteiten op het terrein en geluid vanwege de verkeersaantrekkende werking past in de omgeving, waar het recreatieterrein ook onderdeel van is. Electrotechnisch bedrijf, Hogezoom 140a: Er is aan de Hogezoom 140a een elektrotechnische bedrijf
47
toegestaan. Dit betreft een bedrijf in milieucategorie 1 (SBI 2008: 293, Elektrotechnische industrie n.e.g.). Een dergelijk bedrijf kent een richtafstand van 30 meter voor geluid en geur en 10 meter voor gevaar en stof. Er liggen recreatiewoningen binnen de richtafstand van 30 meter geprojecteerd. Het bedrijf betreft Hart Automation Europe BV. Het bedrijf grenst aan de oost- en zuidkant aan woonpercelen, waarbij de woningen op circa 10 meter staan van de bedrijfsbestemming. Daarnaast grens het bedrijfsperceel direct aan gronden met de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie Recreatiewoningenterrein. Het betreft een kleinschalig bedrijf met een bedrijfspand van 116 m2. Vanwege het feit dat in de bestaande situatie woningen op zeer korte afstand van het bedrijfsperceel aanwezig zijn en de gronden van het recreatiepark ook in de bestaande situatie al voor verblijfsrecreatie zijn bestemd is het aannemelijk dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.3.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
5.4
Luchtkwaliteit
5.4.1 Toetsingskader Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect stof niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht. Regelgeving De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (hierna Wm), ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd (hierna Wlk). Het doel van de Wlk is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De in de Wlk vastgestelde normen voor luchtkwaliteit mogen niet overschreden of, in geval van een bestaande overschrijding, mag een eventuele toename niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteitsnormen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of een project slechts in 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); of. een project een ander project van gelijke of grotere omvang vervangt. Niet in betekenende mate In de algemene maatregel van bestuur 'Niet In Betekenende Mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3%-grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde
48
concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Een geplande ruimtelijke ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als: het valt onder de beschrijving in de tabellen met categorieën van gevallen in de 'Regeling Niet In Betekenende Mate', of het bevoegd gezag aannemelijk kan maken, bijvoorbeeld door berekeningen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op die locatie de vestiging van een gevoelige bestemming niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. Het plangebied ligt niet binnen een zone van 300 meter van een rijksweg of 50 meter van een provinciale weg. 5.4.2 Toetsing Besluit niet in betekenende mate (NIBM) Zoals in paragraaf 5.2 is aangegeven leidt dit bestemmingsplan op basis van 1.850 slaapplekken per recreatiewoning tot 1.357 verkeersbewegingen per etmaal. Ten opzichte van de planologisch maximaal toegestane invulling op basis van het geldende bestemmingsplan leidt dat tot een afname met 247 verkeersbewegingen ten opzichte van wat nu planologisch acceptabel is geacht. Voor de luchtkwaliteit, waarbij gekeken moet worden naar het extra verkeer vanwege het plan, betekent dat een verbetering. De effecten voor wat betreft luchtkwaliteit zijn voor de zorgvuldigheid getoetst met de zogenaamde NIBM tool (versie 28 maart 2019). De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kunnen worden vastgesteld. Er is daarbij een berekening gemaakt met de verkeersgeneratie van plan op zich (dus niet de toename van het verkeer) uitgaande van in gebruikname na realisatie in 2023. Volgens de NIBM-tool draagt het plan 'niet in betekenden mate bij' aan de verslechtering van de milieukwaliteit (zie figuur 5.1)
49
Figuur 5.1: Resultaten NIMB-tool Luchtk waliteit ter plaatse van het plangebied De Rijksoverheid brengt via de NSL monitoringstool in beeld hoe de luchtkwaliteit zich zal ontwikkelen in Nederland. Via deze monitoringstool kan men op straatniveau inzicht krijgen in de te verwachten luchtkwaliteit ter plaatse. Met de NSL-monitoringskaart (www.nsl-monitoring.nl/viewer/) is een toetsing van het plangebied met betrekking tot de luchtkwaliteit gedaan voor de jaren 2020 en 2030. In onderstaande tabel zijn de resultaten van de toetsing weergegeven voor de waarden langs de Dammenweg en de Serooskerkseweg, waaruit volgt dat aan de onderstaande normen wordt voldaan.
Tabel 5.1: Normen luchtkwaliteit Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. 5.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan
5.5
Geur
5.5.1 Toetsingskader Algemeen Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken. Bij geur gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting (immissie) veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. Geur heeft dus gevolgen voor het leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte. In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect geur niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te
50
worden onderzocht. Regelgeving bedrijven In Nederland is er geen wetgeving voor geur van bedrijven. Voor een aantal bedrijven die onder een algemene maatregel vallen zoals het Activiteitenbesluit, zijn er verplichtingen ten aanzien van te treffen maatregelen. Voor omgevingvergunningplichtige bedrijven geldt de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) als toetsingskader voor het beoordelen van eventuele geurhinder. Wel is in beleid vastgelegd wat een tegen geur te beschermen object is. Naast woningen kunnen dit ook andere locaties zijn waar mensen zich gedurende langere tijd bevinden en waar blootstelling aan geur tot hinder kan leiden, zoals ziekenhuizen, bejaarden- en verpleegtehuizen en recreatiegebieden. Hoewel in principe alle geurgevoelige objecten moeten worden beschermd tegen geuroverlast, kunnen wel verschillen in het niveau van bescherming worden gehanteerd. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een lager beschermingsniveau en dus een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Regelgeving veehouderijen Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij. Verder dienen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de beste beschikbare technieken te worden toegepast.
Veehouderijen die onder het Besluit landbouw milieubeheer vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten. Het Besluit landbouw milieubeheer geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van veevoeder en mest. Zowel in het Besluit landbouw als in de Wet geurhinder en veehouderij is ook vastgelegd wat een geurgevoelig object is. Volgens de Wet geurhinder en veehouderij is dat een gebouw, bestemd voor menselijk gebruik, waar zich gedurende langere periode mensen bevinden. In het Besluit landbouw zijn categorieën van objecten gedefinieerd waartoe een minimaal te houden afstand dient te worden aangehouden. 5.5.2 Toetsing In Renesse wordt op een aantal locaties hobbymatig vee geweid zoals paarden. In sommige gevallen is er een schuilstal aanwezig waarin de aanwezige dieren kunnen schuilen bij extreem weer. De schuilstallen en de weides zijn geen inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer; de dieren worden niet op bedrijfsmatige dan wel gelijk aan bedrijfsmatige wijze gehouden en liggen bovendien niet in de omgeving van het plangebied. Er zijn in de omgeving geen (intensieve) veehouderijen aanwezig. 5.5.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.
5.6
Geluid en stilte
5.6.1 Toetsingskader Algemeen Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van o.a. wegverkeerlawaai en industrielawaai door middel van zonering. In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect geluid niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht.