20220322 Raadsbrief Ontwerpbestemmingsplan 'Bosblokdreef 5 en Lange Achterweg 2-10 Oosterland bijlage 2
Tekst van het document
BIJLAGEN BIJLAGE 1. FLORA- EN FAUNAONDERZOEK Natuur Wetenschappelijk Centrum NWC d.d. feb 2022
Quickscan flora en fauna Bosblokdreef 5 te Oosterland
December 2021 P21-211/W2093 Auteur : J. Lips Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl
Quickscan flora en fauna Bosblokdreef 5 te Oosterland
Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht
Quickscan flora en fauna Bosblokdreef 5 te Oosterland
Opdrachtgever:
Erik van den Bos Architect B.V.
Uitvoering:
Natuur-Wetenschappelijk Centrum
Veldwerk:
Danny van den Heuvel & Karen Smets
Samenstelling:
Jelle Lips
Foto’s:
NWC
Quickscan flora en fauna Bosblokdreef 5 te Oosterland [Samenst.: Lips, J.] [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC.
Trefw.: Wet natuurbescherming, Quickscan, Bosblokdreef, Oosterland, Rugstreeppad.
W2093/P21-211
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.
Dordrecht, december 2021
Inhoud
Samenvatting
1
Inleiding
7
2
Gebiedsbeschrijving
9
3
Wettelijk kader
13
4
Methode
19
5
Resultaten
21
6
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen
23
Referenties Bijlagen: Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen
Samenvatting Onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden.
Soortgroep
Effecten beschermde soorten
Verplichtingen en aanbevelingen
Vleermuizen
Geen.
Zorgplicht.
Vogels vaste
Geen.
Zorgplicht.
Mogelijke verstoring of vernieling
Zorgplicht; Werken buiten broedseizoen
legsels.
en/of check door ecologisch deskundige.
Grondgebonden zoogdieren
Geen.
Zorgplicht.
Herpetofauna
Geen mits wordt voorkomen dat
Zorgplicht; Voorkomen dat tijdens de
geschikt voortplantingswater voor de Rugstreeppad in het plange-
bouwwerkzaamheden geschikt voortplantingswater voor de Rugstreeppad in
bied ontstaat.
het plangebied ontstaat en voorkomen dat er bij eventuele voorbelasting over-
Verblijfplaats Overige vogels
winteringsbiotoop ontstaat. Vaatplanten
Geen.
Zorgplicht.
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
1.
Inleiding Er zijn plannen om een nieuwe woning te ontwikkelen aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland. De geplande werkzaamheden kunnen van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. In het kader van de Wet natuurbescherming dient hiervoor daarom eerst een quickscan (en mogelijk aanvullend onderzoek) naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden plaats te vinden en moet een beoordeling van de effecten op deze natuurwaarden gemaakt worden, inclusief maatregelen om eventuele schade en verstoring te verzachten en er zorg voor te dragen dat de functionaliteit van het gebied voor aanwezige beschermde soorten gewaarborgd blijft. In juni 2020 is reeds een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het plangebied (de Haan-Zaalberg en de Haan, 2020). De resultaten uit de eerder uitgevoerde quickscan zijn niet meer representatief door veranderende wetgeving. Sinds het uitgevoerde onderzoek in juni 2020 is de lijst met vrijgestelde (nationale) soorten bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen voor de provincie Zeeland gewijzigd (artikel 6.21/bijlage L Omgevingsverordening Zeeland 2018). De onderhavige rapportage betreft een nieuwe quickscan flora en fauna voor het perceel aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland. Erik van den Bos Architect B.V.
heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd een quickscan flora en fauna op deze locatie uit te voeren en om te adviseren omtrent de relevante natuurwetgeving.
7
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
8
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
2.
Gebiedsbeschrijving en beschermde gebieden Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich in het oosten van Oosterland aan de Bosblokdreef 5 (Provincie Zeeland; figuur 1 en 2). Het gebied bestaat deels uit een omheind grasveld en deels uit land van en oude plantenkwekerij. De vegetatie binnen het plangebied bestaat voornamelijk uit een gemaaid grasveld en het gazon wordt begrensd met Rode kornoelje. De bovenlaag van de grond in het plangebied bestaat uit een combinatie van klei en zand.
Figuur 1: Ligging van het plangebied (Blauwe stip) in de omgeving.
Bron: PDOK Viewer
Figuur 2: Plangebied in detail (rood omlijnd).
Bron: PDOK Viewer
9
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Voorgenomen plannen Binnen het plangebied zal een woning met één woonlaag en een kap worden ontwikkeld (figuur 3). De ruimte om de woning zal als tuin en erfverharding worden ingericht.
Figuur 3: Plantekening van de ontwikkeling van de woning in het plangebied.
Bron: De Brabantse Wal
Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich binnen 250 meter afstand van de Natura 2000-gebied ‘Oosterschelde’ en ruim 3 kilometer afstand van de ‘Grevelingen’ (figuur 4, p 11). Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere storingsfactoren. Mogelijk is er een Aerius-berekening benodigd maar deze is niet meegenomen in onderhavige rapportage. Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van een gebied dat opgenomen is in het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
10
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Figuur 4: Ligging van het plangebied (blauwe stip) ten opzichte van het Natura 2000-gebied: Oosterschelde. Bron: PDOK Viewer
11
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
12
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
3.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; - de aanwezigheid van beschermde soorten; - de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; - het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; - de effecten van plannen op deze soorten; - de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.
Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen
13
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: - Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; - Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; - Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren. De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1.
Soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: - Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; - Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven.
14
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk voorkomen, dan wel beperkt worden.
15
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via (Europese) Natura 2000-gebieden.
De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en -Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplicht of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen drie mogelijkheden volgen: - Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; - Er is sprake van een nadelig effect in de vorm van verstoring, maar dit is niet significant en er is geen sprake van verslechtering van aangewezen habitats. Hieruit volgt
16
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
dat een vergunningaanvraag niet aan de orde is. Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag nodig; - Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig. Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten worden in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden. De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op de economische belangen.
Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit Natuurnetwerk. De bescherming van het Natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de desbetreffende provincie en valt hiermee buiten de Wet natuurbescherming. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren.
Waar Natura 2000-gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.
17
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
18
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
4.
Methode In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voor het literatuuronderzoek is gebruikgemaakt van verspreidingsgegevens van soorten verzameld door de verschillende soortenorganisaties. Op basis van het literatuuronderzoek is o.a. bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of de geschiktheid van het plangebied onderzocht diende te worden. Tijdens de quickscan is daarom specifiek rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van beschermde vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats, grondgebonden zoogdieren, herpetofauna en flora. Op basis van habitateisen, verspreidingsgegevens en kenmerken van het plangebied worden beschermde dagvlinders niet verwacht. Bovendien komen de meeste beschermde vlindersoorten op slechts een aantal locaties in Nederland voor (voornamelijk natuurgebieden). Om deze redenen is deze soortgroep buiten beschouwing van de quickscan gelaten. Beschermde aquatische fauna door het ontbreken van waterpartijen in het plangebied niet verwacht. Om deze reden kon de aanwezigheid van beschermde soorten uit deze soortgroep eveneens op voorhand worden uitgesloten. Het veldbezoek is op 10 december 2021 uitgevoerd door medewerkers van het NWC.
De temperatuur tijdens het veldbezoek bedroeg 3 °C, er was dichte bewolking en de windkracht was 2 Bft. Deze gegevens zijn door de medewerkers in het veld gemeten of ingeschat. Vleermuizen Alle vleermuissoorten worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Het plangebied is daarom beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is beoordeeld of verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Ook is gelet op sporen van vleermuizen, zoals keuteltjes, afgebeten insectenvleugels. Daarnaast is er tijdens het veldbezoek beoordeeld of er in en in de directe omgeving van het plangebied potentieel belangrijke vliegroutes en/of foerageergebied aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijnvormige landschapselementen, en kleinschalige weilanden en andere half open gebieden. Hierbij is tevens gelet op het aanbod van geschikt foerageergebied in en in de omgeving van het plangebied. Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving (bijlage 3). Voorbeelden van deze soorten zijn de Buizerd (Buteo buteo) en de Sperwer (Accipiter nisus).
Tijdens de quickscan is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals verstoring door geluid). Er is onder
19
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
meer gelet op sporen (braakballen, veren, uitwerpselen, etc), nesten (o.a. oude kraaiennesten) en waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht/territorium indicerend gedrag). Tevens is bekeken of het plangebied een significant onderdeel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is er beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied vormt voor strikt beschermde marterachtigen en andere beschermde grondgebonden zoogdieren. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van sporen van deze soorten, holtes in de bomen, holen, burchten en de aanwezigheid van functionele leefomgeving voor deze soorten. Herpetofauna Tijdens de quickscan is beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt is als leefgebied voor deze soorten. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater, een zandige, goed vergraafbare bodem, een pioniersvegetatie, een goed ontwikkelde onderwatervegetatie en/of schuilplaatsen in de vorm van stenen, stukken hout of holen. Vaatplanten Ook is er gelet op de aanwezigheid van en geschiktheid van het gebied voor beschermde soorten vaatplanten.
20
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
5.
Resultaten Vleermuizen Binnen het plangebied bevindt zich geen bebouwing en/of bomen waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. Binnen het plangebied zijn verder ook geen hoog opgaande lijnvormige elementen zoals bomenlanen aanwezig welke door vleermuizen als (onderdeel van) een vliegroute benut kunnen worden. Wel biedt de aanwezige vegetatie enige foerageermogelijkheden voor verschillende soorten vleermuizen. Overigens is hier geen sprake van een essentieel foerageergebied gezien de beperkte omvang van de aanwezige vegetatie binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn alternatieve foerageermogelijkheden aanwezig in de vorm van bomenlanen en enkele bosjes zoals in het noorden van Natura-2000 gebied de Grevelingen. Vogels met een vaste verblijfplaats Tijdens de quickscan zijn geen vogels met een vaste verblijfplaats binnen het plangebied waargenomen. Door het ontbreken van bebouwing, hoge bomen en bomen met holtes kan de aanwezigheid van beschermde vaste verblijfplaatsen van vogels worden uitgesloten. De vegetatie in het plangebied is matig geschikt om te fungeren als functionele leefomgeving van de Huismus aangezien deze foerageermogelijkheden biedt. Overigens zijn in de directe omgeving van het plangebied voldoende (meer geschikte) foerageermogelijkheden aanwezig.
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen (keutels) van de Haas (Lepus europaeus) aangetroffen in het plangebied. Overigens kan worden uitgesloten dat het plangebied fungeert als essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving van de Haas. Er zijn geen legers van de Haas aangetroffen in het plangebied. Daarnaast is het oppervlak van het plangebied erg beperkt waar de Haas een leefgebied heeft van enkele tientallen hectares. Verder zijn geen sporen van andere beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen. De lage lijnvormige bosschages in het plangebied kunnen fungeren als foerageergebied voor marterachtigen. Overigens kan gezien de kleine omvang van deze bosschages worden uitgesloten dat het essentieel foerageergebied betreft.
21
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Foto 1: Aangetroffen hazenkeutels tussen het gras in het plangebied.
Herpetofauna In en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen wateroppervlakten waardoor de aanwezigheid van voortplantingsbiotoop van amfibieën kan worden uitgesloten. De bodem in het plangebied bestaat uit een combinatie van zand en klei waardoor deze vergraafbaar is. Hierdoor is het plangebied geschikt als terrestrisch habitat voor de Rugstreeppad aangezien de Rugstreeppad vergraafbare grond kan benutten als verblijfslocatie door zich in te graven. Overigens is de Rugstreeppad een soort die vooral voorkomt op terrein met een hoge natuurlijke of door de mens ingebrachte dynamiek. Dergelijke dynamiek is op het moment afwezig en wegende dat geen voortplantingswateren in en in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn kan de aanwezigheid van de Rugstreeppad op dit moment redelijkerwijs worden uitgesloten. Overigens is het mogelijk dat door de bouwwerkzaamheden voortplantingswater in het plangebied ontstaat, door het ontstaan van laagtes en/of rijsporen waar water in blijft staan. Vaatplanten Tijdens het veldbezoeken zijn geen (strikt) beschermde vaatplanten aangetroffen. Beschermde soorten vaatplanten worden op basis van het actuele beheer van het plangebied ook niet verwacht. Het grasveld binnen het plangebied is strak gemaaid en het overige deel van het plangebied wordt voor agriculturele doeleinden benut.
De kans dat beschermde vaatplanten op het onderzochte intensief onderhouden terrein voorkomen is vrijwel uitgesloten.
22
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
23
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
6.
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Vleermuizen Op basis van de quickscan kan worden uitgesloten dat beschermde elementen van de leefomgeving van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn. Vandaar bestaan voor deze soortengroep geen verdere verplichtingen behalve de zorgplicht. Vogels met een vaste verblijfplaats Op basis van de quickscan kan worden uitgesloten dat beschermde elementen van de functionele leefomgeving van vogels met een vaste verblijfplaats in het plangebied aanwezig zijn. Vandaar bestaan voor deze soortengroep geen verdere verplichtingen behalve de zorgplicht. Grondgebonden zoogdieren Op basis van de quickscan kan worden uitgesloten dat beschermde elementen van de functionele leefomgeving van beschermde grondgebonden zoogdieren in het plangebied aanwezig zijn. Vandaar bestaan voor deze soortengroep geen verdere verplichtingen behalve de zorgplicht. Herpetofauna Op basis van de bevindingen in de quickscan worden geen beschermde herpetofauna in het plangebied verwacht. Overigens dient voorkomen te worden dat als gevolg van de bouwwerkzaamheden geschikt voorplantingsbiotoop voor de Rugstreeppad kan ontstaan in het plangebied. Het voortplantingsseizoen van de Rugstreeppad loopt van begint rond half april en loopt tot medio juli.
Om te voorkomen dat Rugstreeppadden water in terreinlaagtes of karresporen gebruiken om erin te gaan voorplanten zal voorafgaand aan en tijdens de bouw voorkomen moeten worden dat dergelijke situaties kunnen ontstaan. Indien bij de bouwwerkzaamheden voorbelasting wordt gebruikt dient te worden voorkomen dat overwinteringsbiotoop ontstaat. Individuen van de Rugstreeppad zijn namelijk strikt beschermd (Wet natuurbescherming artikel 3.5) en verstoring van individuen van de Rugstreeppad leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Vaatplanten Beschermde vaatplanten zijn binnen het plangebied niet aangetroffen en worden op basis van het (actuele) intensieve beheer ook niet verwacht. Vandaar kan het worden uitgesloten dat de voorgenomen plannen zullen leiden tot negatieve effecten op beschermde vaatplanten. Algemene (broed)vogels De aanwezige vegetatie binnen het plangebied biedt enige broedgelegenheid voor algemene vogelsoorten. Alle nesten die in gebruik zijn (vanaf de nestbouw tot het moment dat de jongen het nest definitief hebben verlaten) vallen onder de verbodsbepaling van
24
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
artikel 3.1, tweede lid van de Wet natuurbescherming. Bij eventuele groenverwijdering kan mogelijk verstoring of vernieling van legsels optreden. Om overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd de vegetatie buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor het broedseizoen kan globaal de periode maart tot en met augustus worden aangehouden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient vóór aanvang een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige. Zorgplicht Onder de zorgplicht wordt volstaan dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat wanneer kan worden vermoed dat door handelen of nalaten ‘wezenlijke’ nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt, deze handelingen achterwege gelaten worden, of dat maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt in Nederland voor alle in het wild voorkomende dieren en planten, ook als zij geen beschermingsstatus volgens de Wet Natuurbescherming hebben. In het kader van de zorgplicht kunnen de volgende maatregelen genomen worden: - Zoveel mogelijk buiten de kwetsbare perioden van aanwezige soorten werken. - De werkzaamheden dienen zoveel mogelijk tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats te vinden.
- Indien er tussen zonsondergang en zonsopkomst gewerkt wordt dient het werkterrein en de directe omgeving zo min mogelijk verlicht te worden, om verstoring voor aanwezige dieren rondom het plangebied zoveel mogelijk te voorkomen. - Voordat vegetatie verwijderd wordt controleren op de aanwezigheid van dieren (zoals egels) en indien aanwezig deze zorgvuldig te verplaatsen naar een geschikte locatie in de directe omgeving. - Wanneer mogelijke schuilplekken van dieren, zoals blad- en takkenhopen, houtstronken en houtwallen, worden verwijderd, dient dit met zorg te gebeuren. - Er moet worden voorkomen dat aanwezige dieren worden verdrukt of gedood. - Blad- en takkenhopen, houtstronken en houtwallen dienen langzaam en zorgvuldig weggehaald te worden. - Het materieel/de persoon die de ingreep uitvoert dient zodanig gepositioneerd te zijn dat eventueel aanwezige dieren een vrije vluchtroute hebben naar een bereikbaar en veilig alternatief habitat. - Indien dit niet mogelijk is, dienen aanwezige dieren zorgvuldig te worden verplaatst naar een geschikte locatie in de directe omgeving.
25
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Referenties BIJ12, 2017a. Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita. Versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd via: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-017-Kennisdocument-Rugstreeppad-1.0.pdf de Haan-Zaalberg, M. & de Haan, W. (2020). Quickscan flora en fauna ten behoeve van de bouw van een woning aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland. Versie 1.0. Rapportnr. 20.06.01. De Brabantse Wal. Ravon.nl Waarneming.nl Zoogdiervereniging.nl
26
Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild levende vogels en onderstaande soorten uit overige soortgroepen beschermd: Amfibieen Habitatrichtlijn Boomkikker Geelbuikvuurpad Heikikker Kamsalamander Knoflookpad
Dwergvinvis Gewone dolfijn Gewone spitsdolfijn Gewone vinvis Griend Grijze dolfijn Kleine zwaardwalvis
Otter Wilde kat Wolf
Poelkikker Rugstreeppad Vroedmeesterpad
Narwal Noordse vinvis
Habitatrichtlijn Kleine vlotvaren
Overige soorten Alpenwatersalamander Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander
Vleermuizen Habitatrichtlijn Baardvleermuis Brechsteins vleermuis Bosvleermuis
Bosmuis Bunzing Damhert Das Dwergmuis Dwergspitsmuis Edelhert Eekhoorn Egel
Meerkikker Middelste groene kikker Vinpootsalamander Vuursalamander
Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Grote hoefijzerneus Grote rosse vleermuis Ingekorven vleermuis
Eikelmuis Gewone Bosspitsmuis Gewone zeehond Grote bosmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn
Zaadplanten Habitatrichtlijn Drijvende waterweegbree Groenknolorchis Kruipend moerasscherm Liggende raket Zomerschroeforchis
Overige soorten Beekdonderpad Beekprik Elrits Gestippelde alver
Kleine dwergvleermuis Kleine hoefijzerneus Laatvlieger Meervleermuis Mopsvleermuis Noordse vleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis
Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Veldspitsmuis Wezel
Overige soorten Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis Blauw guichelheil
Grote modderkruiper
Tweekleurige vleermuis
Waterspitsmuis
Bokkenorchis
Kwabaal
Vale vleermuis
Wezel Wild zwijn
Bosboterbloem Bosdravik
Woelrat
Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps Echte gamander Franjegentiaan
Vissen Habitatrichtlijn Houting Steur
Zeezoogdieren Habitatrichtlijn Bruinvis Bultrug Butskop Dwergpotvis Gestreepte dolfijn
Landzoogdieren Habitatrichtlijn Bever Hamster Hazelmuis Lynx Noordse woelmuis
Overige soorten Aardmuis Boommarter
Kreeftachtige Overige soorten Europese rivierkreeft
Weekdieren Overige soorten Bataafse stoommossel Platte schijfhoren
Sporenplanten/mossen
Overige soorten Blaasvaren Groensteel Schubvaren
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
Geelgroene Wespenorchis Geplooide vrouwenmantel Getande veldsla Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid
Vliegenorchis Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde riddderspoor Wilde weit
Haften Habitatrichtlijn Oeveraas
Gladde zegge Groene nachtorchis Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw
Wolfskers Zandwolfsmelk Zinkviooltje Zweedse kornoelje
Libellen Habitatrichtlijn Bronslibel Gaffellibel Gevlekte witsnuitlibel
Soepschildpad Zandhagedis Overige soorten Adder
28
Hazelworm Levendbarende hagedis Ringslang
Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en gebouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paar-verblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waar tussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.
Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel geschikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: •
indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of;
•
indien vleermuizen aangetroffen zijn.
Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: •
er sprake is van een kraamkolonie;
•
er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats;
•
er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn;
•
de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.
De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan. Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitigerende maatregelen nodig zijn:
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
•
niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);
•
vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.
Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd worden bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden overtreden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet voldoende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebied en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van de verblijfplaats(en) in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.
30
Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen Als mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen, hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn en er inderdaad geen ontheffing nodig is, kan een ontheffing aangevraagd worden om de maatregelen (goed) te laten keuren. Indien goedgekeurd, wordt door de provincie een “positieve afwijzing” afgegeven. Als geen maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of rusten verblijfplaats te garanderen of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), dient een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende punten: •
Is er een wettelijk belang?
•
Is er een andere bevredigende oplossing?
•
Komt de gunstige staat van instandhouding in gevaar?
“Ruimtelijke inrichting en ontwikkeling” of een “dwingende reden van groot openbaar belang” gelden echter niet als een wettelijk belang. Dit betekent dat de provincie in het kader van ruimtelijke ingrepen alleen een positieve afwijzing af kan geven. Bescherming van vogelnesten Artikel 3.1 lid 2 uit de Wet natuurbescherming luidt: “Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen”. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met eventueel aanwezige vogelnesten. Er is sprake van een nest wanneer er nestindicatief gedrag is waargenomen en/of er een broedsel aanwezig is. Het vernielen of beschadigen van een nest is verboden. Dit geldt voor alle vogelsoorten. De meeste vogels maken echter elk broedseizoen een nieuw nest of zijn goed in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen onder de bescherming van de Wnb wanneer het in gebruik is (tijdens het broedseizoen). Wanneer een dergelijk nest niet in gebruik is, is geen ontheffing nodig voor het vernielen of beschadigen ervan. Verstoring van vogels is ook verboden, maar er bestaat een uitzondering voor verstoring die niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5 Wnb).
Dit betekent dat verstoring tijdens het broedseizoen toegestaan is, mits de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort gewaarborgd blijft. Een (beperkt) aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijfplaatsen van deze vogelsoorten zijn niet alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn, maar het hele jaar: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: Steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de
Quickscan flora en fauna aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland
nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Roek, Gierzwaluw en Huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Ooievaar, Kerkuil en Slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: Boomvalk, Buizerd en Ransuil). Tot slot is er nog een categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is extra onderzoek nodig, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd; deze soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Hieronder de lijst met jaarrond beschermde vogelnesten:
Nesten van de volgende soorten zijn jaarrond beschermd indien ze nog in functie zijn: Boomvalk Buizerd
Falco subbuteo Buteo buteo
Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Apus apus Motacilla cinerea
Havik Huismus
Accipiter gentilis Passer domesticus
Kerkuil
Tyto alba
Oehoe Ooievaar
Bubo bubo Ciconia ciconia
Ransuil Roek
Asio otus Corvus frugilegus
Slechtvalk Sperwer
Falco peregrinus Accipiter nisus
Steenuil
Athene noctua
Wespendief Zwarte wouw
Pernis apivorus Milvus migrans
32
Nesten van de volgende soorten zijn niet jaarrond beschermd (categorie 5), maar hiervan is inventarisatie wel gewenst: Blauwe reiger Boerenzwaluw
Ardea cinerea Hirundo rustica
Bonte vliegenvanger Boomklever
Ficedula hypoleuca Sitta europaea
Boomkruiper Bosuil
Certhia brachydactyla Strix aluco
Brilduiker
Bucephala clangula
Draaihals Eider
Jynx torquilla Somateria mollissima
Ekster Gekraagde roodstaart
Pica pica Phoenicurus phoenicurus
Glanskop
Parus palustris
Grauwe vliegenvanger Groene specht
Muscicapa striata Picus viridis
Grote bonte specht Hop
Dendrocopos major Upupa epops
Huiszwaluw IJsvogel
Delichon urbica Alcedo atthis
Kleine bonte specht
Dendrocopos minor
Kleine vliegenvanger Koolmees
Ficedula parva Parus major
Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw
Certhia familiaris macrodactyla Riparia riparia
Pimpelmees Raaf
Parus caeruleus Corvus corax
Ruigpootuil
Aegolius funereus
Spreeuw Tapuit
Sturnus vulgaris Oenanthe oenanthe
Torenvalk Zeearend
Falco tinnunculus Haliaeëtus albicilla
Zwarte kraai Zwarte mees
Corvus corone Parus ater
Zwarte roodstaart
Phoenicurus ochruros
Zwarte specht
Dryocopus martius
BIJLAGEN BIJLAGE 2. INRICHTINGS- EN BEPLANTINGSPLAN BOSBLOKDREEF 5 OOSTERLAND Ruimte & Groen Tuin- en Landschapsarchitectuur BV d.d. december 2021
9. 8.
10.
14.
13. 11.
7.
bijkeuken
woonkamer / keuken
veranda
toilet
slaapkamer
berging
6.
woonkamer / keuken
badkamer
hal
slaapkamer
badkamer
woning 2
slaapkamer
8. hal
slaapkamer
woning 1
5.
4.
3.
2.
1.
INRICHTINGS- EN BEPLANTINGSPLAN BOSBLOKDREEF 5 - OOSTERLAND 15 december 2021 - schaal 1:375
12.
INRICHTINGS- EN BEPLANTINGSPLAN BOSBLOKDREEF 5 - OOSTERLAND schaal 1:375 - 15 december 2021
2.65
Zeeuwse haag
Qr
Ac
Pa
Ap Ul
PcG
Hoogstam t fruitbomen/sierfrui
Ul
PcC
Te
6
Ac
Me Me
singelbeplanting oostzijde
gsel inzaai kruidenmen
Jr
Qr
6
Fe
Te
10.37
Pa
Pa singelbeplanting westzijde 10
Qr
Te
Fe Ap
Ps Fe
Pa Hoogstam
t fruitbomen/sierfrui
Ul
7.02
Pa
Me
Qr bijkeuken
Ac
woonkamer / keuken
bijkeuken
SA
veranda
SA
SA
toilet
slaapkamer
knotbomen
berging
woonkamer / keuken
SA
hal slaapkamer
badkamer
woning 2
slaapkamer
haag
SA
SA SA SA
SA
hal
slaapkamer
SA
woning 1
Ac Ac Ac
Ps
haag
knotbomen
badkamer
SA8.
Ac haag
Ac bomenlaantje
Jr
Ac
Ac Tc haag 6.68
bomenrijen knotwilgen
BIJLAGEN BIJLAGE 3. WATERTOETSTABEL d.d. 22 april 2021
Aanmeldformulier watertoets waterschap Scheldestromen De watertoets of waterschapstoets geeft inzicht in de consequenties van uw plan voor de taken van Waterschap Scheldestromen. Voorafgaand aan het overleg stuurt u ons een zo volledig mogelijk ingevuld aanmeldformulier. Dit formulier is de agenda voor ons contact met u (in persoon, per mail en/of telefonisch). De watertoetstabel met definitieve invullingen en eventueel aanvullende documenten is inhoudelijk gelijk aan de, wettelijk verplichte, waterparagraaf van het ruimtelijk plan. Het ruimtelijk plan vormt de basis voor ruimtelijke besluitvorming en vergunningverlening.
Uw gegevens Naam: Organisatie: Adres: Postcode + plaats: E-mailadres: Telefoonnummer: Datum aanvraag:
Gegevens initiatiefnemer
Formulier ingevuld door
(particulier/bedrijf)
(werkend voor initiatiefnemer, b.v. adviesbureau)
Erik van den Bos, architect Keersweel 6 4311CT Bruinisse info@erikvandenbos.nl 0612323720 17 april 2021
Gegevens van het plan Wat is de (concept)plannaam: Waar is het plan gelegen:
Bestemmingsplan Bosblokdreef 5 Oosterland Bosblokdreef 5 Oosterland: kadaster Duiveland, sectie H, nummers 533 en 534
Beknopte planomschrijving De bestaande voormalige agrarische bedrijfslocatie wordt via een bestemmingsplanherziening gewijzigd in een woonfunctie. In de bouwregels worden mogelijkheden opgenomen voor het oprichten van een tweeonder-één-kap woning
Wie is de contactpersoon bij de gemeente? Dhr. N. Kampstra
Watertoetstabel De watertoetstabel ondersteunt de onderbouwing van de wateraspecten in uw ruimtelijk plan. Thema en water(beheer)doelstelling
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Uitwerking Het plangebied bevindt zich volgens de Keur (20 juni 2019) en de bijbehorende legger waterkeringen niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Er is geen effect op de waterveiligheid. Vermeld de totale oppervlakken (in m2) van:
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
huidige situatie
na realisatie
dakoppervlak
200
384
dichte bodemverharding
280
doorlatende bodemverharding wateroppervlak
1 2
150
3 4
Ad 3: Indien doorlatende verharding (NB niet bedoeld: natuurlijke bodem!) een rol speelt zal deze apart worden beoordeeld.
2
Thema en water(beheer)doelstelling
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
Overall: geef aan hoe compensatie wordt voorgesteld voor het netto effect van deze veranderingen. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling door sloop van bebouwing en verharding in de uitgangssituatie
Uitwerking Het schone hemelwater wordt gescheiden van het huishoudelijk afvalwater en infiltreert ter plaatse. Het overtollig hemelwater vloeit af via omliggende watergangen. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van opvang in regentonnen. Het afvalwater wordt via een nieuwe aansluiting afgevoerd via het bestaande gemeentelijke rioleringsstelsel. Hiervoor wordt een aansluiting aangevraagd. Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. Er is sprake van een hydrologisch neutrale situatie. Het overtollige regenwater infiltreert ter plaatse zoals in de bestaande situatie het geval is.
Tijdens de bouw wordt gebruik gemaakt van duurzame, niet uitlogende materialen.
Tijdens de bouw wordt gebruik gemaakt van duurzame, niet uitlogende materialen.
De realisatie van 2 woningen heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid.
Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen wijziging plaats van het waterpeil. Het plan heeft geen bodemdaling tot gevolg. In de nieuwe situatie is sprake van een extensivering van het gebruik van het perceel doordat de bestaande bedrijfsmatige activiteiten worden beeindigd. Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde functiewijziging. Ten zuiden van het plangebied, aan de Bosblokdreef bevindt zich een watergang die wordt beschermd op grond van de Keur en de bijbehorende legger oppervlaktewateren. Deze watergang met bijbehorende beschermingszone van 7 meter uit de insteek van de watergang is van secundair belang voor het watersysteem. In de nieuwe situatie zal de bebouwing op grotere afstand van de watergang worden gerealiseerd. De nieuwe heeft geen effect
3
op de watervoerende functie beschermde watergang en de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? * na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
* na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? * na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? * na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
Tot slot Wij verzoeken u het formulier zo volledig mogelijk in te vullen en met een overzichtskaart van het plan te mailen naar waterschap Scheldestromen: info@scheldestromen.nl of postbus 1000, 4330 ZW Middelburg.
Met de oprichting van de twee woningen zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn. nee, de Bosblokdreef is niet aangewezen als waterschapsweg. Bouwmaterialen zullen via de kern van Oosterland worden aangevoerd. Via aan de kern liggende lokale erftoegangswegen in beheer bij het waterschap kunnen bouwmaterialen worden aan- of afgevoerd. Door de kleine schaal van de ontwikkeling heeft dit geen gevolgen voor het onderhoud aan de wegen. nee, er is in de situatie geen sprake van een structureel verkeersaantrekkende werking. Na realisatie resteren twee reguliere woonpercelen. De planlocatie is bereikbaar via de kern Oosterland en de Bosblokdreef. De bestaande wegstructuur hoeft niet te worden gewijzigd. Er is reeds een inrit aanwezig op de Bosblokdreef. Ja, er worden 4 parkeerplaatsen aangelegd. nee, de Bosblokdreef is niet in beheer bij het waterschap..
BIJLAGEN BIJLAGE 4. WATERADVIES Waterschap Scheldestromen d.d. 22 april 2021
BIJLAGEN BIJLAGE 5. RESULTATEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK (LOSSE BIJLAGE)
BIJLAGEN BIJLAGE 6. INRICHTINGSTEKENING NIEUWE SITUATIE Architectenbureau Erik van den Bos d.d. december 2021
BIJLAGEN BIJLAGE 7. STIKSTOFDEPOSITIEBEREKENING De Roever Omgevingsadvies BV d.d. Februari 2022
STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK BOSBLOKDREEF 5 OOSTERLAND
1
De Roever Omgevingsadvies Heidebloemstraat 15 Postbus 64 5480 AB Schijndel T 073 594 10 11 F 073 594 11 20 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 NL21 INGB 0001 0833 26 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01
Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:
Stikstofdepositieonderzoek Bosblokdreef 5, Oosterland 20210661.v04 18 februari 2022 Buro Kours
Stikstofdepositieonderzoek Bosblokdreef 5, Oosterland Datum: 18 februari 2022 ; Referentie: 20210661.v04
2
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 4
1.1. 1.2.
Algemeen ..................................................................................................................................... 4 Ligging van het plan .................................................................................................................... 6
2.
WETTELIJK KADER ...................................................................................................................... 7
2.1. Wet natuurbescherming .............................................................................................................. 7 2.2. Programma Aanpak Stikstof (PAS) ............................................................................................. 7 2.3. Beleidsregels intern en extern salderen ...................................................................................... 7 2.4. Referentiesituatie ......................................................................................................................... 8 Wanneer sprake is van de wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit, gelden de volgende referentiesituaties []: ................................................................................................................................. 8 3.
REKENONDERZOEK ..................................................................................................................... 9
3.1. Uitgangspunten gebruiksfase ...................................................................................................... 9 3.1.1. Verkeer ................................................................................................................................ 9 3.1.2. Stookinstallaties ................................................................................................................. 10 3.2.
Berekeningswijze ....................................................................................................................... 10
4. CONCLUSIES ............................................................................................................................... 11 BIJLAGE I. AERIUS-BEREKENING ............................................................................................... 12
Stikstofdepositieonderzoek Bosblokdreef 5, Oosterland Datum: 18 februari 2022 ; Referentie: 20210661.v04
3
1.
INLEIDING
1.1.
Algemeen
De initiatiefnemer is voornemens om aan de Bosblokdreef 5 te Oosterland de bestaande bedrijfswoning te slopen en een nieuwe tweekapper te realiseren. In het kader van deze ontwikkeling moet een stikstofdepositieonderzoek voor de gebruiksfase worden uitgevoerd. Een berekening van de aanlegfase is sinds invoering van de Wet stikstofreductie en natuurherstel (Wsn) niet langer nodig. De locatie kadastraal bekend als de percelen 533 en 534 sectie H en kadastrale gemeente DVL00 (Duiveland). De locatie van het plangebied is aangegeven op afbeelding 1.
Afbeelding 1. Locatie plangebied
Stikstofdepositieonderzoek Bosblokdreef 5, Oosterland Datum: 18 februari 2022 ; Referentie: 20210661.v04
4
Stikstofdepositieonderzoek Bosblokdreef 5, Oosterland Datum: 18 februari 2022 ; Referentie: 20210661.v04
5
1.2.
Ligging van het plan
De ligging van het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitattypen zijn weergegeven op afbeelding 2. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden met voor stikstof gevoelige habitattypen betreffen ‘Oosterschelde’ en ‘Grevelingen’ en zijn gelegen op een afstand van circa 234 en 3.200 meter.
Afbeelding 2. Ligging van de inrichting ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Stikstofdepositieonderzoek Bosblokdreef 5, Oosterland Datum: 18 februari 2022 ; Referentie: 20210661.v04