20211116 Raadsbrief Notitie gebruik knalapparatuur bijlage 2 antwoordnotitie
Tekst van het document
Antwoordnotitie algemene regels gebruik knalapparatuur voor het verjagen van vogels 2021
1. Inleiding Sinds 2012 werkt de gemeente met algemene regels voor knalapparatuur. Zonder ontheffing kan gebruik worden gemaakt van knalapparatuur in de land- en tuinbouw. Onlangs zijn de algemene regels geëvalueerd en is een nieuwe concept-beleidsnotitie vastgesteld. Hierbij is onder meer gekeken naar de klachten van afgelopen jaren en de ervaringen van de brancheorganisatie van de land-en tuinbouw. De nieuwe algemene regels bieden wat minder ruimte voor de duur van het gebruik van knalapparatuur en in meer gevallen zal een ontheffing moeten worden aangevraagd. Met deze nieuwe algemene regels zoeken we een verbeterde balans tussen het gebruik van knalapparatuur en woon- en verblijfgenot. De concept-beleidsnotitie is van 12 april tot en met 23 mei 2021 in de gemeentelijke website opgenomen voor inspraak. Hiervan is door 5 personen en 4 instanties/verenigingen/stichtingen binnen de termijn gebruik gemaakt. Daarmee zijn de zienswijzen ontvankelijk. Deze notitie beschrijft de resultaten van de inspraakprocedure. De binnengekomen reacties zijn na een complete beoordeling, samengevat, beantwoord en van een conclusie voorzien. Bij de beantwoording is de complete zienswijze betrokken. In de conclusie is opgenomen of en zo ja op welke wijze de beleidsnotitie is aangepast.
2. Zienswijzen Reclamant 1 zaak 437844 Mw. Verschoore de la Houssaije Poststraat 47 Zierikzee Samenvatting 1. Volgens mw. Verschoore de la Houssaije zorgen die knalapparaten voor veel onrust in de omgeving, voor zowel andere dieren dan alleen vogels als voor de bewoners. Denk hierbij aan honden en poezen die angst hebben voor knallen en bewoners die nachtdiensten doen en overdag proberen te slapen. Het seizoen van de knalapparaten op het land loopt jaarlijks van april t/m oktober. In het voorjaar van 2020 stonden volgens mw. Verschoore rondom de binnenstad van Zierikzee verschillende apparaten opgesteld, die ondanks dat ze 's nachts uit moesten staan, gewoon de hele nacht door knalden. Hiervan zou ze ook melding hebben gemaakt op de servicelijn. Zij kwam amper aan haar nachtrust toe. Ze heeft een hond die bang is voor knallen dus voor de hond was dit enorm traumatiserend, voelde zij zich in eigen huis niet veilig en liep hele nachten rondjes door het huis en probeerde door te krauwen/graven op de houten vloer, een veilige plaats/dekking te zoeken. 2. Eigenlijk zijn er het hele jaar door knallen te horen, van september tot en met februari vuurwerkknallen en vervolgens de knalapparaten van april t/m oktober. Wat haar betreft mag er een verbod komen op de knalapparaten.
Indien knalapparaten toegestaan blijven, dan graag alleen knallen tussen 8-18 uur wanneer er nog andere daggeluiden zijn. Daarna is rust zeer wenselijk, aldus mw. Verschoore.
Beantwoording 1. De normen die we in de beleidsnotitie hanteren op wat nog als aanvaardbare overlast mag worden genoemd resulteren in een geluidsbelasting van een enkelvoudige knal van maximaal 72,5 dB(A) en bij 8 knallen per uur 48 dB(A) gemiddeld op de gevel van de dichtstbij zijnde gevoelige objecten/woningen. Het feit dat met 8 knallen per uur op 250 meter afstand het geluidsniveau gemiddeld 48 dB(A) bedraagt en 3 dB(A) hoger is dan het achtergrondgeluid van 45 dB(A), zal niet tot onevenredig meer hinder leiden voor omwonenden. Deze normen
Aangezien mw. Verschoore in de Poststraat in Zierikzee woont zou het geluid redelijkerwijs een veel lager niveau moeten hebben gehad bij haar woning of de gebruikte apparatuur had een onaanvaardbaar hoog bronniveau (niveau direct bij het knalapparaat) gehad. Het is niet vast te stellen in hoeverre honden en andere dieren lijden onder dit soort geluidsoverlast. Het is wel aannemelijk dat honden hier onder kunnen lijden, zoals dat bij vuurwerk ook vaak het geval is. Het pleit er wel voor om het gebruik van knalapparatuur beperkt toe te staan en niet langer perioden van zes weken te verlengen met nog eens zes weken. Hoe dan ook in de nacht mag niet worden geknald. Alleen tussen 07.00 en 21.00 uur mag van de knalapparatuur gebruik worden gemaakt. 2. Het door mw. Verschoor gewenste verbod en beperking in tijd is naar onze mening te beperkend voor de akkerbouwer. De gemeente zou wel meer kunnen doen door actiever te handhaven op gebruik van de apparatuur buiten de toegestane normen en tijden. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de notitie en de algemene regels. We overwegen om het toezicht en de handhaving op het gebruik van knalapparatuur meer prioriteit te geven.
Reclamant 2 zaak 435367 Mw. Helsloot Meelstraat 52 Zierikzee Samenvatting 1. Mevrouw Helsloot deelt mee dat de bewoners in de binnenstad van Zierikzee last hebben van de vele apparaten die van s’morgens vroeg tot s’avonds laat te horen zouden zijn. Zij benoemt vooral de huisdieren zoals honden en katten. Voor sommige dieren is zo’n knal een traumatische ervaring. En was dat eerder alleen rondom oud en nieuw, tegenwoordig is dat bijna het hele jaar door, aldus mw. Helsloot. Zij stelt voor om tussen 19.00 en 08.00 uur het knallen niet toe te staan. De zeer angstige dieren, zoals haar eigen hond, kunnen dan toch een paar uur naar buiten om hun behoefte te doen. Beantwoording
1. Deze zienswijze sluit naadloos aan bij de zienswijze van mw. Verschoore. Wat opvalt is dat ook mw. Helsloot in het centrum van Zierikzee woont. Blijkbaar dringt de overlast door tot in het centrum. Ook in deze zienswijze komt naar voren dat blijkbaar in de regio Zierikzee er met enige regelmaat tot in de late uurtjes wordt geknald. De door mw. Helsloot gewenste beperking in tijd is naar onze mening te beperkend voor de akkerbouwer. Alleen tussen 07.00 en 21.00 uur mag van de knalapparatuur gebruik worden gemaakt. De gemeente zou wel meer kunnen doen door actiever te handhaven op gebruik van de apparatuur buiten de toegestane normen en tijden.
Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de notitie en de algemene regels. We overwegen om het toezicht en de handhaving op het gebruik van knalapparatuur meer prioriteit te geven.
Reclamant 3 zaak 437044 Prof. Dr. J.M.G. Leune Azoren 12 Capelle a.d. IJssel Samenvatting De heer Leune heeft een recreatiewoning in park Hoogerwerf te Bruinisse. Hij is een van de omwonenden/belanghebbenden die we hebben uitgenodigd om in de evaluatie mee te denken over actualisatie van de algemene regels. In 2020 heeft de heer Leune een bezwaarschrift ingediend tegen de acceptatie van een melding van gebruik van knalapparatuur nabij zijn recreatiewoning. Deze werd als niet
ontvankelijk beschouwd door de bezwaarcommissie omdat tegen de acceptatie van een melding geen bezwaarmogelijkheid bestaat. Het is immers geen formeel besluit. De heer Leune heeft in de inspraakprocedure tweemaal een zienswijze ingediend (brieven van 21 april en 5 mei 2021) waarbij hij éénmaal verwijst naar een brief van 22 januari 2021 waarin hij zijn gedachten deelt over hoe het beleid zou moeten zijn. Samengevat komt zijn gehele zienswijze op het volgende neer. 1. De mogelijkheid om de knalperiode met nog eens maximaal 3 weken te verlengen is teleurstellend en werkt overlast voor omwonenden in de hand. Feitelijk ontstaat er volop ruimte om 9 weken te knallen. Daar komt bij dat burgers geen bezwaarmogelijkheden hebben bij een verlenging van de knalperiode. Hiermee worden omwonenden ernstig tekort gedaan. Verlengen zou dan ook helemaal niet moeten kunnen. 2. De mogelijkheid om tweemaal per jaar een periode van 6 weken te mogen knallen is een ernstige aantasting van het woon- en leefgenot van omwonenden. Dit is zelfs een verruiming van de mogelijkheden voor de agrariër, daar waar tot nu toe maar éénmaal zes weken mocht worden geknald. Een agrariër zou zijn teelt zo kunnen plannen dat het ook helemaal niet nodig is. 3. Het afwenden van de loop is een verbetering van het beleid, zo ook de afstand van 400 meter voor apparaten met een roterende loop.
De heer Leune pleit voor een afstand van 500 meter, dan is de overlast zeker opgelost. 4. De roterende loop is onbegrijpelijk als de gemeente stelt dat de loop van geluidsgevoelige objecten moet zijn afgewend en gefixeerd is. 5. De eis van een tweede afschrikmethode is een goede ontwikkeling. Echter, ligt het niet meer voor de hand om de agrariër de noodzaak van knalapparatuur te laten bewijzen omdat andere middelen hebben gefaald? 6. Een melding zou beter 3 weken vooraf moeten worden ingediend. Dan kan een knalapparaat nog worden geweigerd voordat overlast optreedt. 7. Een vermindering van 10 naar 8 knallen per uur levert niet veel op voor de heer Leune. Zijn ervaring is dat er 6 knallen per uur worden gegeven waarbij er al erg veel overlast ontstaat. 8. Waarom wordt de meldingsregeling niet vervangen door een vergunningstelsel? De melding lijkt voor de gebruiker te vrijblijvend. Vaak wordt er niet gemeld en handhavend optreden vanuit de gemeente blijft achterwege, aldus de heer Leune. Verder is het ook moeilijk vast te stellen hoe lang het niet gemelde apparaat al in gebruik was. In het nieuwe beleid is het nog steeds mogelijk om meerdere apparaten in een en dezelfde woonomgeving te hebben. Ook dat pleit voor een vergunningsysteem. Dan kun je de apparaten beter spreiden. 9.
Waarom publiceert de gemeente de geaccepteerde melding niet? Zodoende zijn omwonenden beter op de hoogte. 10. Het toezicht en de handhaving op de naleving faalt. Herhaaldelijk en in meerdere jaren heeft de heer Leune de gemeente gevraagd op te treden tegen niet gemelde knalapparatuur in zijn omgeving en de ervaren overlast. Ook heeft hij herhaaldelijk zijn beklag gedaan over de looptijd van een meldingacceptatie. Vaak werd een melding na een klacht alsnog geaccepteerd en voor 6 weken toegestaan terwijl het apparaat er mogelijk al weken stond. Daarnaast is de ervaring van de heer Leune dat de dienstdoende boa’s de regelgeving helemaal niet beheersen. 11. Al in de zomer van 2020 heeft de betrokken ambtenaar aan de heer Leune kenbaar gemaakt dat het beleid zou worden geactualiseerd. Het stelt hem teleur dat het nu pas in concept is vastgesteld terwijl het nieuwe “knalseizoen” al is begonnen. Dat betekent dat op de oude regels nog veel overlast kan ontstaan. 12. Uit het oude knalbeleid blijkt duidelijk dat de belangen van de agrariërs prevaleren boven die van de omwonenden. Dat terwijl de gemeente alle belangen zouden moeten wegen. In de conceptnotitie die nu voorligt ziet hij dat niet anders. De agrariërs krijgen alle ruimte en de bewoners worden niet beter beschermd. Het doel van het stuk om meer balans tussen de belangen te krijgen wordt niet bereikt. 13.
De heer Leune is teleurgesteld over de wijze waarop zijn adviezen zijn gewogen. Hij heeft met zijn brief van 22 januari 2021 gereageerd op de mogelijke aanpassingen in het beleid. Hij ziet er weinig tot niets van terug in het concept. 14. De heer Leune bepleit het loslaten van de norm van minimaal 250 meter afstand tussen knalapparaat en gevoelige objecten/bestemmingen zoals woningen. Deze norm dateert uit 2004, sindsdien is er in het land al veel geleerd over hoe we nu tegen overlast aankijken. Hij begrijpt ook niet waarom we aansluiten bij de aannames van geluidsnormen van de gemeente Horst aan de Maas. Meer nog omdat een, volgens de heer Leune, met onze gemeente vergelijkbare gemeente
als Tholen meer actuele aannames van geluidsnormen kent. Die dateren uit 2014 en resulteren in een afstandseis van 490 meter binnen de bebouwde kom. Een kortere afstand zou tot onaanvaardbare overlast leiden. Beantwoording 1. Van volop ruimte om de 6 wekenperiode te verlengen is geen sprake. Bij het toetsen zal nadrukkelijk naar de noodzaak voor verlengen en de lengte in tijd worden gekeken. Ook de omgeving waar het apparaat staat is van belang of een verlenging tot de mogelijkheden behoort. Daar komt bij dat het verlengen van de gemelde 6 wekenperiode wel met een ontheffingsaanvraag dient te geschieden. Vervolgens wordt een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit verstrekt. 2. In het oude beleid was het mogelijk om meerdere perioden van 6 weken een knalapparaat te gebruiken en te melden. Nu, in het nieuwe beleid, stellen we hieraan een maximum van 2 maal 6 weken per perceel en teelt met tussen die perioden een rusttijd van 2 maanden. 3. Het voorstel op dit onderdeel is te beperkend voor de akkerbouwer. 4. We hebben een onderscheid gemaakt in vaste loop (moet zijn afgewend) en roterende loop. Bij een roterende loop is de minimumafstand tot onder meer woningen aanzienlijk hoger. 5. Het stellen van deze eis is te zwaar. Daarbij komt dat de melder makkelijk kan beweren dat hij andere middelen al heeft geprobeerd. 6.
Knalapparaten worden vaak plotseling opgesteld nadat vogels in de teelt zijn aangetroffen. De schade is meestal niet voorzienbaar en daarmee kun je redelijkerwijs niet eisen dat een aanvraag of melding 3 weken vooraf moet zijn ingediend. 7. Het teruggaan van 10 naar 8 knallen heeft toch wel belang. Het aantal van 8 knallen resulteert in een meer acceptabel gemiddeld geluidsniveau van 48 dB(A) dan bij 10 knallen. 8. Een vergunningsysteem voorkomt niet dat er zonder toestemming knalapparatuur wordt gebruikt. Ook bij een vergunningsysteem kun je niet weken vooraf knalapparatuur inplannen. Wie zou er trouwens dan recht krijgen op een vergunning in een gegeven periode, in dezelfde woonomgeving? Op volgorde van binnenkomst? Een meldingsregeling voor de gangbare 6 wekenperiode en daarnaast een ontheffingsregeling voor verlenging of afwijken van het beleid voldoen naar onze mening prima. Wel moet er aandacht blijven voor een goede kritische toetsing en eventuele handhaving. 9. Het publiceren van de melding nemen we op in onze uitvoeringspraktijk. Dat is een goed idee. 10. Het handhavend optreden verdient verbetering maar om van volledig falen te spreken gaat wat ver. Verder gaan we bij de toetsing beter kijken naar de daadwerkelijke eerste dag van plaatsing en niet op basis van de dag dat het knalapparaat is aangetroffen n.a.v. een klacht. 11.
De behandeling van de actualisatie van ons knalbeleid neemt meer tijd in beslag dan verwacht, mede doordat we aanvullend onderzoek hebben laten doen bij een milieuadviesbureau. Daar komt bij dat de vakafdeling afgelopen anderhalf jaar extra belast is met corona gerelateerde vraagstukken. Dat heeft gevolgen voor enkele andere dossiers gehad. Van extra overlast die zou ontstaan is niets gebleken. 12. Wij willen graag mogelijkheden blijven scheppen voor de landbouwsector om in geval van gewasschadebeheersing knalapparatuur in te kunnen zetten. Om de belangen van omwonenden en andere belanghebbenden te dienen maken we nu wel de stap dat er eerder een ontheffing moet worden aangevraagd i.p.v. een melding indienen. Dat geeft de mogelijkheid om formeel bezwaar te maken. Verder is de norm van maximaal 72,5 dB(A) op de gevel van woningen nog eens herbeoordeeld na afloop van de inspraakprocedure. Deze norm is gebaseerd op de circulaire schietlawaai uit 2004. Een akoestisch deskundige heeft geoordeeld dat die nog steeds in redelijkheid kan worden gehanteerd. Daar komt bij dat we van 10 naar maximaal 8 knallen per uur gaan en de melder/aanvrager moet minstens één andere verjaagmethode toepassen. 13. De adviezen zijn wel in ogenschouw genomen maar niet alles is te verwezenlijken.
Een belangrijk gevolg uit zijn eerdere adviezen is wel dat we het verlengen van een 6 wekenperiode niet meer middels een melding doen en dat we kritischer toetsen op aanvang van die 6 wekenperiode. 14. Het beleid van de gemeente Tholen is meer beperkend voor de gebruiker van knalapparatuur. De berekeningen die Tholen heeft laten maken zijn gebaseerd op knalapparatuur met een minimaal bronvermogen van 136 dB(A). Dat leidt tot een minimale afstand van 340 meter. Bij onze herberekening door een milieuadviesbureau is gerekend met een bronvermogen van 131 dB(A). Daarbij wordt geconcludeerd dat de norm van een enkelvoudige knal van maximaal 72,5 dB(A) op de gevel van woningen redelijk is bij een minimale afstand van 250 meter en 8 knallen per uur. Het bronvermogen nemen we dan ook mee als een van de vragen die in het meldingsproces worden gesteld. Op basis van het bronniveau kan redelijkerwijs worden berekend of aan de normen kan worden voldaan. Overigens zijn er andere met ons vergelijkbare gemeenten, die ook nog steeds
de circulaire schietlawaai en de normen van de gemeente Horst aan de Maas als normenkader hanteren en een afstandsnorm van 200 of 250 meter hanteren.
Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de notitie en de algemene regels. Enkele van zijn eerdere adviezen hebben we al in de ontwerpversie van deze notitie verwerkt. We overwegen om het toezicht en de handhaving op het gebruik van knalapparatuur meer prioriteit te geven. Reclamant 4 zaak 263184 De heer L.Verton Lageweg 19 Sirjansland Samenvatting De heer Verton laat zich bijna jaarlijks horen als het gaat om de door hem ervaren overlast als gevolg van het gebruik van knalapparatuur. Bij een van die contacten met de gemeente zijn enkele geluidsmetingen uitgevoerd en werd vastgesteld dat de geluidsnormen werden overschreden. Door de jarenlange overlast ontstond ter plaatse een grimmige sfeer ten tijde van de meldingen. Op 11 mei 2021 heeft de heer Verton meegedeeld dat hij graag de informatie die al bekend is bij de gemeente over hoe hij het knalbeleid voor ogen ziet in de inspraak meegenomen wenst te zien. Samengevat komt zijn zienswijze op het volgende neer. 1. Het is een goede zaak dat de een melding niet zomaar met 6 weken kan worden verlengd en dat het wordt teruggebracht naar een kortere periode. 2. Hij pleit voor een veel actiever toezicht en handhaving op het gebruik van de knalapparaten. Hij heeft hemel en aarde moeten bewegen om aandacht te krijgen voor zijn overlast. 3.
Het is nu ook in het nieuwe beleid te makkelijk om na 6 weken het apparaat maar in een naastgelegen perceeltje te plaatsen in een teelt die helemaal niet door vogels wordt bezocht. Het doel is dan de vogels op het eerder bewerkte perceeltje nog langer van knallen te voorzien. 4. Hij is fel tegenstander van de roterende loop omdat dan juist de overlast rondom wordt verspreid. Zeker als de eerste gevoelige objecten of woningen op één of meerdere kilometers afstand liggen kan zonder eisen aan het bronvermogen veel overlast optreden voor passerende fietsers, wandelaars enz. 5. In aansluiting op punt 4 zou hij het wenselijk achten dat bij de melding of aanvraag een foto van het certificaat van het apparaat wordt gevraagd waarop het bronvermogen staat vermeld. Er zou ook een maximaal bronvermogen (ongeacht de afstand van het apparaat) moeten gelden.
Beantwoording 1. Nemen we voor kennisgeving aan. 2. De mate en wijze van toezicht en handhaving in het kader van het gebruik van knalapparatuur kan beter. We overwegen om dat meer prioriteit te geven. 3. Dat is onjuist. We hebben deze regel opgenomen in de algemene regels: “..de knalapparatuur staat in het te beschermen perceel opgesteld, dient van een gefixeerde loop te zijn voorzien en van geluidsgevoelige bestemmingen en woonkernen afgewend te zijn…”. 4. Onze ervaring is dat er meestal van gefixeerde apparatuur gebruik wordt gemaakt. Om het geschetste probleem op te kunnen vangen kunnen we, indien een ongebruikelijk hoog bronniveau is aangegeven op de melding of aanvraag, bij de toetsing i.o.m. de melder meer afstand tot de openbare weg overeenkomen. Deze is nu 50 meter. 5. We willen met één norm werken, 72,5 dB(A) voor een enkelvoudige knal op gevoelige gebouwen en andere geluidsgevoelige locaties. Een verplicht maximum bronvermogen voegt niets toe. We vragen het bronvermogen overigens wel op in de aanvraag. Dat heeft tot doel vast te stellen of redelijkerwijs aan de norm van 72,5 dB(A) voor een enkelvoudige knal kan worden voldaan. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de notitie en de algemene regels. We overwegen om het toezicht en de handhaving op het gebruik van knalapparatuur meer prioriteit te geven.
Reclamant 5 zaak 450666 Maatschap Koppert Rijksweg 3 Oosterland Samenvatting De heer Koppert dient regelmatig een melding in en deelt mee verbaasd te zijn dat de regels op alle fronten zijn verscherpt zonder heldere onderbouwing. Samengevat komt zijn zienswijze op het volgende neer.
1. De maatschap ziet de volgende verscherpingen van de regels. Het aantal knallen per uur is verminderd naar maximaal 8 knallen per uur ''omdat er in andere gemeentes een lager aantal knallen per uur wordt gehandhaafd''. De knalperiode is verkort naar maximaal 6 weken, zonder mogelijkheid om te verlengen. Voor het verlengen van de knalperiode dient een ontheffing te worden aangevraagd. Bij een ronddraaiend knalapparaat moet er meer afstand worden gehouden tot een aangrenzende woning. Dat er verjagingstechnieken worden beschreven die in theorie zinvol zijn, maar in de praktijk niet uitvoerbaar en/of effectief zijn. 2. Er van uitgaande dat u de belangen van alle partijen behartigd had de maatschap verwacht dat de regels niet alleen maar aangescherpt zouden worden, maar dat er op bepaalde gebieden ook sprake zou zijn van verruiming van de regels. 3. Uit navraag bij het ZLTO zou blijken dat bij het opstellen van de regels er burgers zijn betrokken die een extreme opvatting hebben op het beleid omtrent de kalapparatuur, oftewel er mag wat hen betreft niet geknald worden. “Daarentegen zijn wij als agrariërs niet persoonlijk benaderd om mee te denken in de regels omtrent de knalapparatuur, maar hebben wij veel ervaring met het gebruik van knalapparatuur en het effectief verjagen van schadelijk wild”. 4.
De ervaring van de maatschap is dat zij in de meeste gevallen met de omwonenden van de percelen waar de knalapparatuur wordt gebruikt, tot een goede overeenkomst kunnen komen. Het heeft de maatschap dan ook verbaasd dat in de regelgeving niet is opgenomen dat de mensen die hinder ondervinden van de knalapparatuur in contact worden gebracht met de gebruiker van de knalapparatuur, zodat men samen tot een overeenkomst kan komen. 5. Als laatste heeft het de maatschap verbaasd dat bij het opstellen van de regels gebruik wordt gemaakt van onderzoek uit 2006, 15 jaar geleden. 6. De aanpassingen omtrent de regels van knalapparatuur zijn volgens de maatschap dermate aangescherpt dat het legaal gebruik steeds minder zinvol is en het moeilijker wordt voor de agrariër om schadelijk wild op een effectieve manier te verjagen.
Beantwoording 1. Het aantal knallen per uur is gewijzigd van 10 naar 8, omdat we tot nu toe erg ruim zitten ten opzichte van de veelvuldig voorkomende norm in Nederland van 6 knallen per uur. Die 6 knallen per uur zien we het meest voorkomen bij de Nederlandse gemeenten. Aangenomen wordt dat een knalfrequentie van meer dan 6 geen toegevoegde waarde heeft omdat het schrikeffect dan al snel afneemt. Verder heeft het aantal knallen per uur direct invloed op het toegestane geluidsniveau. Gezien de klachten achten wij het redelijk om dichter naar de meest gebruikte knalfrequentie te gaan. 2. Het is juist dat de regels vooral zijn aangescherpt. Dat heeft te maken met het feit dat de oude regeling erg ruim was. Zo werd een knalperiode van zes weken nagenoeg altijd voor nog eens 6 weken verlengd na een tweede melding, terwijl het knallen voor een zeer kortdurende periode is bedoeld. Ook was er geen maximum in het aantal meldingen voor eenzelfde perceel en een regeling voor een draaiende loop was er niet terwijl die juist potentieel voor meer overlast kan zorgen. Ook het toenemen van het belang van de zorg voor natuur en rust en stilte en de invoering van de Wet Natuurbescherming spelen een rol in het verscherpen van ons beleid. 3. Het is juist dat we een aantal bekende bewoners die zich de laatste jaren hebben laten horen hebben betrokken in de beleidsvorming.
We hebben er voor gekozen om niet alle gebruikers in de ontwerpfase te betrekken maar dat via hun branchevereniging te doen, ZLTO/ASD. ZLTO heeft het conceptbeleid daarna actief onder hun leden kenbaar gemaakt. De individuele gebruikers zouden altijd nog via de inspraakprocedure kunnen reageren. De woordvoerders van ZLTO bleken
zelf ook voldoende ervaring te hebben met de apparatuur en hun input heeft tot significante verbeteringen van ons meldingsproces en het beleid geleid. 4. Op zich is het goed dat de gebruiker enige afstemming zoekt met omwonenden. Echter, we kunnen geen regel opnemen die stelt dat de gebruiker over de randvoorwaarden van het gebruik van de apparatuur afspraken maakt met de omwonenden. De gemeente heeft hier een normstellende rol in. Het moet voor een gebruiker van de knalapparatuur en de omwonenden vooraf duidelijk zijn welke normen er zijn. Die moeten voor ieder gelijk zijn. 5. Wij hebben een milieuadviesbureau, naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze, verzocht te onderzoeken of de basis van onderzoek uit 2006, die onze norm van 250 meter afstand en 72,5 dB(A) heeft bepaald, nog steeds redelijk en valide is. Het geleverde onderzoek onderschrijft dat de normen nog steeds kunnen worden gehanteerd. 6. Wij zijn van mening dat het nog steeds mogelijk is om gebruik te maken van knalapparatuur, maar wel in combinatie met andere afschrikmiddelen en rekening houdend met andere belangen.
Conclusie De zienswijze leidt tot een aanpassing van de notitie en de algemene regels. Blz. 8 en 9. We hebben nader onderzoek verricht of de aannames in het rapport van de gemeente Horst aan de Maas nog valide zijn. We hebben de volgende tekst ingevoegd: Om onze keuze van 8 knallen per uur, de norm van 72,5 dB(A) op minimaal 250 meter en de bruikbaarheid van het akoestisch rapport van Horst aan de Maas anno 2021 te toetsen hebben we extra deskundigen-onderzoek verricht en verwerkt in de notitie. Het resultaat is dat een maximaal aantal knallen van 8 per uur redelijk kan worden geacht. Het feit dat met 8 knallen per uur op 250 meter afstand het geluidsniveau gemiddeld 48 dB(A) bedraagt en dus 3 dB(A) hoger is dan het achtergrondgeluid van 45 dB(A), zal niet tot onevenredig meer hinder leiden voor omwonenden. De hinderbeleving zit voornamelijk in de schrikreactie van de enkelvoudige knal. Door voldoende afstand te houden tot de woningen wordt die in voldoende mate beperkt.
Reclamant 6 zaak 445857 Vereniging Natuurmonumenten, Staatbosbeheer, Stichting Duinbehoud, Stichting Het Zeeuwse Landschap
Samenvatting De heer van Zijderveld heeft namens Vereniging Natuurmonumenten, Staatbosbeheer, Stichting Duinbehoud en Stichting Het Zeeuwse Landschap in zijn zienswijze vooral het ontbreken van de focus op natuurbelangen aangekaart. Samengevat komt zijn zienswijze op het volgende neer.
1. In de algemene regels wordt via onder andere regel 6, 7 en 11 getracht overlast in natuurgebieden te beperken. Er is veel onderzoek gedaan naar de effecten van geluidsverstoring op de natuur en in het bijzonder vogels*. Uit deze onderzoeken zijn algemeen geaccepteerde drempelwaarden bekend, hier wordt in de notitie echter niet aan gerefereerd en is ook niet als uitgangspunt gekozen voor het bepalen van de minimale plaatsingsafstanden vanaf een natuurgebied. Er wordt nu geconcludeerd dat een afstand van 250 of 300 meter voldoende is om overlast in natuurgebieden te voorkomen, daarnaast wordt via regel 11 het aantal knallen per uur beperkt. Het gaat niet om de afstand tot het natuurgebied, maar het optredende geluidsniveau dat bepaald of er sprake is van verstoring (en dus overlast). E.e.a. is dus afhankelijk van de locatie, de omstandigheden en de gebruikte apparatuur. *Vanaf 45 dB(A) kan verstoring van broedvogels (in open gebieden) optreden, in gesloten terreinen geldt een drempelwaarde van 42 dB(a) (Reijnen & Foppen, 1992). Voor niet broedvogels is geen empirisch onderzoek naar geluidseffecten beschikbaar, maar wordt meestal 51 dB(A) als grenswaarde aangehouden vanaf waar sprake is van een effect op niet-broedvogels. 2. Conform de Wet Natuurbeheer, hoofdstuk soortbescherming, is opzettelijke verstoring van broedvogels (art. 3.1 lid 4) verboden.
Het is daarnaast verboden zonder vergunning een handeling uit te voeren die -gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied- de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Voorafgaand aan de uitvoering dient de zekerheid te worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Daarnaast wordt voorbij gegaan aan externe werking: ook vogels met een Natura 2000-doelstelling buiten Natura 2000-gebied kunnen worden beschermd, in Schouwen-Duiveland speelt dit zeker een rol bij overwinterende ganzen en eenden. Zo is er winterrust voor ganzen en eenden en een broedeizoen tussen half maart en half juli, afhankelijk van de soort. 3. Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland ligt o.a. de zuidkust van Schouwen, onderdeel van het Natura 2000-gebied Oosterschelde. Het relatieve belang van de Zuidkust van Schouwen als broedhabitat voor kustbroedvogels en rust- en foerageergebied van niet-broedvogels binnen de delta is onverminderd groot. Het gebied heeft een belangrijke opvangfunctie voor overwinterende ganzen en eenden, ook om de omliggende landbouwgebieden te ontzien. Rust in dit gebied in zowel het broedseizoen als de overwinteringsperiode (september – maart) is essentieel. Vorig jaar is in het broedseizoen verstoring van broedvogels geconstateerd in onder andere Pikgat door een knalapparaat. Dit heeft hier in zekere mate een rol gespeeld bij het zeer slechte broedsucces in dit gebied.
Los van de algemene regels is de Wet Natuurbescherming van kracht en dient de initiatiefnemer zich te verzekeren dat effecten op beschermde soorten (met name broedvogels) en Natura 2000-doelsoorten worden voorkomen. Dit moet nadrukkelijker in de notitie terug komen, ruimtelijk inzichtelijk gemaakt en onderbouwd met onderzoeken. Ook de mogelijkheid om de afstand in te korten tot 150 meter zou omschreven moeten worden als ‘indien nodig kan daar (na beoordeling) een uitzondering op worden gemaakt. In de beoordeling moet dan een afweging worden gemaakt tussen de verschillende belangen. De natuurbelangen zijn wettelijk beschermd en duidelijk, zie hierboven. 4. Verder ten aanzien van de beleidsoverwegingen (4.1) is, naast de belangen van agrariërs en omwonenden/bezoekers, er ook een algemeen belang van de natuurwaarden (wettelijke bescherming). 5. Tenslotte staat in de definities, en ook verderop in de tekst, de omschrijving van de dag-, avonden nachtperiode. In dat kader wordt beschreven dat de knalapparatuur niet in werking mag zijn van 21.00 tot 07.00 uur. Om verstoring te voorkomen zou het beter zijn aan te sluiten bij het moment van zonsondergang en -opkomst gedurende het seizoen. Beantwoording
1. Dit onderdeel van de zienswijze treft doel. We hebben naar aanleiding van deze zienswijze het genoemde rapport Reijnen & Foppen, 1992 beoordeeld. Daarbij zou een geluidsnorm van 45 dB(A) gemiddeld voor terreinen met vogels moeten gelden. Naar onze mening is een extra focus in de notitie op natuurgebieden op zijn plaats, zeker gezien het feit dat Schouwen-Duiveland veel natuurgebied kent. De provincie Zeeland is bevoegd gezag ten aanzien van de Wet Natuurbescherming. In samenhang hiermee heeft Gedeputeerde Staten van Zeeland de omgevingsverordening 2018 vastgesteld. In deze verordening zijn milieubeschermingsgebieden (waaronder Natura 2000) aangewezen waarbij is bepaald dat op de grens van die gebieden een gemiddeld geluidsniveau van maximaal 48 dB(A) en in het kerngebied (vanaf 250 meter uit de grens) 40 dB(A) mag heersen. De omgevingsverordening 2021 verkeert in de ontwerpfase maar is op dit punt niet andersluidend. Aangezien in deze regelingen de natuur, waaronder vogels, wordt beschermd ligt het voor de hand aan te sluiten bij die regelingen welke sowieso boven onze beleidsregels gaan. We refereren dan ook niet aan het rapport Reijnen & Foppen.
Om onze keuze van 8 knallen per uur, de norm van 72,5 dB(A) voor een enkelvoudige knal op minimaal 250 meter en de bruikbaarheid van het akoestisch rapport van Horst aan de Maas anno 2021 te toetsen hebben we aanvullend deskundigen-onderzoek verricht. Het resultaat is dat een maximaal aantal knallen van 8 per uur redelijk kan worden geacht. Het feit dat met 8 knallen per uur op 250 meter afstand het geluidsniveau gemiddeld 48 dB(A) bedraagt en dus 3 dB(A) hoger is dan het achtergrondgeluid van 45 dB(A), zal niet tot onevenredig meer hinder leiden. Voor het gebruik van knalapparatuur bij de grens van natuurbeschermingsgebieden sluit die 48 dB(A) volledig aan op de norm die in de omgevingsverordening Zeeland is gesteld. In datzelfde aanvullend onderzoek wordt vastgesteld dat dan een bronvermogen geldt van 131 dB(A) bij 250 meter afstand en voor elke 6 dB(A) toename van het bronniveau dient de afstand van het knalapparaat tot de grens van het milieubeschermingsgebied te worden verdubbeld. Voor de praktijk betekent het dat een knalapparaat op 250 meter afstand van de grens van een milieubeschermingsgebied kan worden gebruikt waarbij de enkelvoudige knal 72,5 dB(A) bedraagt en het gemiddelde geluidsniveau 48 dB(A) gemeten op die grens.
2. Door aan te sluiten bij de normering voor de milieubeschermingsgebieden menen wij in voldoende mate te voorzien in het voorkomen van schade of verstoring van (broed) vogels. Daarbij merken wij op dat de milieubeschermingsgebieden meer omvatten dan alleen de Natura 2000 gebieden. 3. Wij hebben naar aanleiding van deze zienswijze de mogelijkheid om op een afstand van 150 meter van de grens van een milieubeschermingsgebied een knalapparaat te plaatsen geschrapt. Middels een ontheffingaanvraag kan er nog steeds wel een kortere afstand dan 250 meter worden aangevraagd maar die moet zijn voorzien van een akoestische rapportage waaruit blijkt dat men toch beneden de norm van 48 dB(A) blijft. Verder hebben wij in de notitie nu het belang van de natuurwaarden, de Wet Natuurbescherming beter uitgedragen. Belangrijk daarbij is ook de visuele uitwerking van de Milieubeschermingsgebieden, waar de Zuidkust en Pikgat overigens ook deel van uitmaken, in de notitie. Deze visualisatie zal ook in de aanvraag/meldingsprocedure worden gevoegd. Wij kunnen niet van een gebruiker van de knalapparatuur op een perceel dat niet in de omgeving van milieubeschermingsgebied ligt, verlangen dat hij altijd kan voorkomen dat negatieve effecten op beschermde soorten (met name broedvogels) en Natura 2000-doelsoorten plaats vindt. Het zou betekenen dat er constant toezicht op het perceel zou moeten zijn.
Om dit belang toch onder de aandacht van de gebruiker te brengen kunnen we in de meldingacceptatie en de voorschriften van een eventuele ontheffing wel hier aandacht voor vragen door de Wet Natuurbescherming als een van de wettelijke kaders aan te geven. 4. In de notitie zijn de natuurwaarden nu uitdrukkelijk vermeld en als een belang genoemd. 5. Wij willen bewust de tijdsaanduiding van 21.00 tot 07.00 uur aanhouden omdat dat veel eenvoudiger is om te handhaven. Conclusie De zienswijze leidt tot een aanpassing van de notitie en de algemene regels. Blz. 5 en 6. We hebben paragraaf 3 toegevoegd: Wet Natuurbescherming en Omgevingsverordening Zeeland. De Wet Natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Deze wet bevat, naast een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels.
Het belangrijkste rechtgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. Provincies hebben de belangrijkste taken en bevoegdheden voor de uitvoering van de wet, waaronder een duidelijke verplichting om actieve beschermingsmaatregelen te nemen voor soorten die dat nodig hebben en de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden. De provincies hebben daarnaast bevoegdheden om vrijstellingen en ontheffingen te verlenen voor schadebestrijding, overlast, populatiebeheer en andere redenen. In de Omgevingsverordening Zeeland 2018, de omgevingsverordening 2021 verkeert nog in de ontwerpfase, heeft Gedeputeerde Staten milieubeschermingsgebieden aangewezen ter bescherming van de omgevingskwaliteit rust en stilte. Hieronder vallen onder meer Natura 2000 gebieden. In de Omgevingsverordening is opgenomen dat het gebruik van knalapparatuur voor het verjagen van vogels binnen deze gebieden beperkt is toegestaan, dat wil zeggen tot maximaal 3 knallen per uur.
Verder gelden in deze gebieden richtwaarden voor het maximaal gemiddeld toegestane geluid van 40 dB(A) voor het kerngebied (groen in onderstaande afbeelding) en 48 dB(A) voor het overgangsgebied (lichtblauw in onderstaande afbeelding), de eerste 250 meter vanuit de grens. Deze richtwaarden hebben ook tot gevolg dat knalapparatuur die in de nabijheid van de milieubeschermingsgebieden zijn opgesteld gebonden zijn aan die waarden. In de praktijk betekent dit niet dat daarmee het gebruik van knalapparatuur nu onmogelijk is in de nabijheid van milieubeschermingsgebieden. Knalapparatuur met een bronniveau van 131 dB(A) kan nog steeds op minimaal 250 meter afstand van de grens van het natuurgebied of milieubeschermingsgebied worden gebruikt met een enkelvoudige knal van 72,5 dB(A) gemeten op die grens. De nu nog bestaande mogelijkheid om bij een milieubeschermingsgebied op minder dan 250 meter een knalapparaat te kunnen plaatsen is nu nagenoeg niet meer houdbaar. Alleen middels een ontheffing aanvraag met onderbouwing dat met een afstand van minder dan 250 meter toch aan de norm van 48 dB(A) kan worden voldaan kan nog een mogelijkheid bieden.
Bij de melding acceptatie of ontheffing verlening in de nabijheid van milieubeschermingsgebieden toetsen we of er noodzaak is de melder naar de provincie Zeeland te verwijzen voor een ontheffing of omgevingsvergunning.
Blz.8. We hebben nader onderzoek verricht of de aannames in het rapport van de gemeente Horst aan de Maas nog valide zijn. We hebben de volgende tekst ingevoegd: Om onze keuze van 8 knallen per uur, de norm van 72,5 dB(A) op minimaal 250 meter en de bruikbaarheid van het akoestisch rapport van Horst aan de Maas anno 2021 te toetsen hebben we aanvullend deskundigen-onderzoek verricht. Het optredend geluidniveau voor de Lr wordt niet in dB(A)’s genormeerd, maar gerelateerd aan het aantal knallen in relatie tot de afstand. De gemeente SchouwenDuiveland normeert het gebruik van een knalapparaat op 8 knallen per uur. De Lr wordt dan als volgt berekend: Lr = Lknal + 10*log(aantal schoten) – 33. Lr = 72,5+9-33= 48 dB(A).Een overzicht voor de geluidswaarden voor diverse afstandsnormen is in onderstaand schema opgenomen. Lr in dB(A) bij 8 knallen per uur Lr in dB(A) bij een bronvermogen van Afstand (m)
131 dB(A)
137 dB(A)
143 dB(A)
150
53
59
65
200
50
56
62
250
48
54
60
300
46
52
58
350
45
51
57
400
44
50
56
Het resultaat is dat een maximaal aantal schoten van 8 per uur redelijk kan worden geacht. Het feit dat met 8 schoten per uur op 250 meter afstand het geluidsniveau gemiddeld 48 dB(A) bedraagt en dus 3 dB(A) hoger is dan het achtergrondgeluid van 45 dB(A), zal niet tot onevenredig meer hinder leiden voor omwonenden. De hinderbeleving zit voornamelijk in de schrikreactie van de enkelvoudige knal. Door voldoende afstand te houden tot de woningen wordt die in voldoende mate beperkt. Voor het gebruik van knalapparatuur bij de grens van natuurbeschermingsgebieden sluit die 48 dB(A) volledig aan op de norm die in de omgevingsverordening Zeeland is gesteld ten behoeve van bescherming van rust en stilte in en bij milieubeschermingsgebieden. In ons onderzoek wordt vastgesteld dat dan een bronvermogen geldt van 131 dB(A) bij 250 meter afstand en voor elke 6 dB(A) toename van het bronniveau dient de afstand van het knalapparaat tot de grens van het milieubeschermingsgebied te worden verdubbeld. Voor de praktijk betekent het dat een knalapparaat op 250 meter afstand van de grens van een milieubeschermingsgebied
kan worden gebruikt waarbij de enkelvoudige knal 72,5 dB(A) bedraagt en het gemiddelde geluidsniveau 48 dB(A). Daarbij gaan we uit dat het gemiddelde geluidsniveau in het kerngebied van het milieubeschermingsgebied ten hoogste 40 dB(A) bedraagt. Die waarde wordt in de buitendijkse milieubeschermingsgebieden door de dempende werking van de dijken zeker gehaald. Blz.11: We hebben de algemene regels op de volgende punten aangepast. Artikel 9: De knalfrequentie bedraagt maximaal 8 enkelvoudige knallen per uur en maximaal 3 knallen per uur in de milieubeschermingsgebieden. Artikel 13: Het geluidsniveau van een enkelvoudige knal (Lknal) mag op de grens van een milieubeschermingsgebied niet meer bedragen dan 72,5 dB(A) op een hoogte van 1,5 meter en 48 dB(A) gemiddeld (Lr). Artikel 15: In de melding en de ontheffing aanvraag dient het bronniveau en documentatie van het knalapparaat te worden overlegd. Artikel 16: Met het gebruik van knalapparatuur wordt niet gehandeld in strijd met de Wet Natuurbescherming.