CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20210713 Raadsbrief Ontwerpbestemmingsplan Schouwse Valleien - Bijlagen toelichting Bijlage 9 Onderzoek soortenbescherming

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken5.431 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

DE SCHOUWSE VALLEIEN Onderzoek soortenbescherming 2 juli 2021

1/18

DATUM KENMERK

2 juli 2021 44002091_20190845

PROJECT PROJECTLEIDER

ir. C.A. Louws

OPDRACHTGEVER Fiorinvest B.V. PROJECTNUMMER 20190845 AUTEUR STATUS

2/18

Risto Louws Concept

INHOUD 1.

2.

3.

4.

5.

6.

inleiding

4

1.1 1.2

Inleiding Leeswijzer

4 4

toetsingskader

5

2.1 2.2

5 5

Referentiesituatie

7

3.1

7

Plangebied

de beoogde ontwikkeling

8

4.1

Algemeen

8

soortenonderzoek

9

5.1 5.2 5.3

9 9 9

Methode quickscan soorten Methode soortgericht onderzoek Resultaten soortgericht onderzoek

effectbeschrijving

13

6.1 6.2 6.3

Effecten tijdens de aanleg Effecten in de gebruiksfase Maatregelen

13 14 15

Bronnen Nader onderzoek beschermde natuurwaarden Burgh-Haamstede

17 18

Bijlage 1 Bijlage 2

3/18

Inleiding Soortenbescherming in de Wet natuurbescherming

1. INLEIDING 1.1

Inleiding

Initiatiefnemer is voornemens het bestaande vakantiepark Duinrand aan de Hogeweg te Burgh-Haamstede te herstructureren. Het voornemen betreft de herstructurering van de bestaande deellocaties West en Oost van Duinrand Recreatie tot vakantiepark 'De Schouwse Valleien'. Het bestaande park biedt planologisch ruimte aan 629 eenheden, waaronder stacaravans, recreatiewoningen, een logeergebouw en kampeerplaatsen en de daarbij behorende centrale voorzieningen. Op dit moment (2021) resteren er daarvan nog 473 recreatieve eenheden die alle met propaangas worden gestookt. Na de beoogde transformatie zal De Schouwse Valleien bestaan uit 246 luxe vakantiewoningen (100 kampeerhuizen en 146 recreatiewoningen ) en één logeergebouw met een aantal centrale voorzieningen, waaronder een nieuw zwembad. Net als in de huidige situatie zal sprake zijn van jaarrond gebruik. In de voorliggende notitie wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan het onderdeel soortenbescherming van de Wet natuurbescherming.

1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is het wettelijk toetsingskader opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de referentiesituatie ten aanzien van beschermde soorten. Hoofdstuk 5 beschrijft het soortenonderzoek . In hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling ten aanzien van de krachtens de Wet natuurbescherming beschermde soorten beschreven. In bijlage 1 zijn de voor dit onderzoek gebruikte bronnen beschreven.

4/18

2. TOETSINGSKADER 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het wettelijk kader uit de Wet natuurbescherming voor het onderdeel soortenbescherming samengevat.

2.2

Soortenbescherming in de Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming (Wnb) maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: Vogelrichtlijnsoorten; Habitatrichtlijnsoorten; andere soorten. Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (artikel 3.1 lid 1). Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of; bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (artikel 3.5 lid 1); en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; bijlage I bij het Verdrag van Bern; (artikel 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten op genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een 'nationale kop' op de Europese bescherming.

Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (artikel 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van Vogelrichtlijnsoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (artikel 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (artikel 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (artikel 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5). Ten aanzien van de Habitatrichtlijnsoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (artikel 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (artikel 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (artikel 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (artikel 3.5 lid 4). Ten aanzien van de plantensoorten van de Habitatrichtlijn verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (artikel 3.5 lid 5).

5/18

Ten aanzien van de andere soorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (artikel 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (artikel 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de planten van de categorie Andere soorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (artikel 3.10 lid 1 onder c). Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (artikel 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale Staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (artikel 3.3 lid 2-4; 3.8 lid 25, 3.10 lid 2).

Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie ). Hieronder is een overzicht opgenomen van de vrijstellingen die in voorliggende situatie gelden. Aardmuis Bastaardkikker/Middelste groene kikker Bosmuis Bruine kikker Bunzing

Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Gewone pad

huisspitsmuis Kleine watersalamander Meerkikker Ondergrondse woelmuis Ree

Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (artikel 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van het antwoord op de vraag of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waar aan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 11.1 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, een ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer sprake is van een wettelijk belang en is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden.

6/18

3. REFERENTIESITUATIE 3.1

Plangebied

Het plangebied bestaat uit het bestaande recreatieterreinen Duinrand in Burgh-Haamstede, in de toekomst De Schouwse Valleien, bestaande uit een deelgebied West en een deelgebied Oost. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 3.1. Op dit moment bevinden zich op de twee recreatieterreinen 473 recreatieve eenheden, in de vorm van vaste standplaatsen met stacaravans, recreatiewoningen en één logeergebouw, met in totaal 2.296 slaapplaatsen. Dit aantal wordt beschouwd als de referentiesituatie voor de toetsing van de ontwikkeling aan de Wnb. De recreatieterreinen zijn jaarrond open. Op het terrein van het westelijk deel is ook circa 1.500 m² ondersteunende horeca, ruimte voor dienstverlening en beheer, een zendmast en een dienstwoning aanwezig. In het oostelijk deel is naast de permanente eenheden ook een traditionele Zeeuwse schuur aanwezig die dienst doet als logiesgebouw.

Figuur 3.1 Ligging plangebied

7/18

4. DE BEOOGDE ONTWIKKELING 4.1 Algemeen Het recreatieterrein Duinrand, bestaande uit de deelgebieden Oost en West, wordt getransformeerd naar een nieuw hoogwaardig recreatiecomplex: De Schouwse Valleien. Dit recreatiepark zal bestaan uit maximaal 246 vakantieverblijven (100 kampeerhuisjes, 146 recreatiewoningen) en één logeergebouw, met een aantal voorzieningen, die ten dienste staan van het park (en geen openbare functie hebben): ondergeschikte dienstverlening, receptie met kantoor, horeca en zwembad. De voorzieningen worden – net als in de huidige situatie – gerealiseerd binnen het deelgebied West. De oppervlakte van park en voorzieningen neemt niet toe. Het karakter van het park wordt in belangrijke mate bepaald door de ligging grenzend aan het natuurgebied Kop van Schouwen. Het gehele park wordt ingebed in een glooiend duinlandschap, dat volledig aansluit op de omgeving. Figuur 4.1 geeft de voorgenomen inrichting weer. In de nieuwe situatie is het park – net als in de bestaande situatie – jaarrond geopend.

Figuur 4.1 Globale inrichting van het nieuwe park

8/18

5. SOORTENONDERZOEK 5.1

Methode quickscan soorten

Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, bestaande uit een bureaustudie en een veldbezoek. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op basis hiervan is een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van verschillende soort(groep)en. Op 17 mei 2017 is een veldbezoek uitgevoerd door dhr. T.E.M. Leerschool, ecoloog van Arcadis. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling (quickscan). Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de fysieke kenmerken van het plangebied en de informatie uit de bureaustudie, een indicatie is gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is hiertoe globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het plangebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen, vliegroutes of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast door de voorgenomen werkzaamheden.

5.2

Methode soortgericht onderzoek

Op basis van de resultaten van de uitgevoerde quickscan flora en fauna, is door Ecologisch Adviesbureau Wieland nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen, nestlocaties van huismus en leefgebied van boomkikker en rugstreeppad. Hiertoe is in 2017 op de volgende data een bezoek gebracht aan de locatie: -

17 mei (ochtend en avond); 27 mei (dag en avond); 9 juni (ochtend en avond); 26 juni (avond); 8 juli (ochtend en avond); 17 september (ochtend en avond); 14 oktober (avond).

Het onderzoek is als volgt uitgevoerd. -

-

-

Vleermuizen: Er is gebruikgemaakt van de batdetectoren Petterson D240x, Petterson D200 en Batcorder 3.1. Opgenomen geluiden zijn geanalyseerd met het programma BatSound en BatExporer. Er is geïnventariseerd vanaf een half uur voor zonsondergang tot 2,5 uur na zonsondergang. Huismus: Het terrein is afgelopen om broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn te inventariseren, met name de huismus. Hiervoor is een bezoek gebracht in de tweede helft van de ochtend wanneer deze soort het meest actief is op 27 mei en 9 juni. De andere bezoeken betroffen inventarisaties voor aanvang van het vleermuisonderzoek. Boomkikker en rugstreeppad: boomkikker en rugstreeppad zijn onderzocht op kooractiviteit tijdens de vleermuisinventarisaties. Daarnaast zijn waterpartijen en beplantingen (braamstruwelen in omgeving van water) overdag afgezocht op zonnende boomkikkers, larven en ei-klompen. Hierbij is gebruik gemaakt van een schepnet (type Ravon).

Het rapport met het soortgerichte onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Gelet op de tijd die inmiddels is verstreken sinds het uitvoeren van het soortenonderzoek wordt in 2021 een actualisatie van het soortenonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten daarvan zijn eind september 2021 beschikbaar.

5.3

Resultaten soortgericht onderzoek

In tabel 4.1 wordt een overzicht gegeven van de uitkomsten van het soortgericht onderzoek, zoals dat in 2017 is uitgevoerd. Per soortgroep wordt beschreven of leefgebied van beschermde soorten aanwezig is. In de laatste kolom is met een kleur aangegeven dat beschermde soorten van de betreffende soortgroep niet voorkomen (met groen), of dat beschermde soorten (mogelijk) voorkomen (oranje). Het gaat daarbij om het voorkomen in de deelgebieden West en Oost.

9/18

Tabel 4.1 Voorkomen van beschermde soorten binnen het plangebied Soortgroep

Leefgebied voor beschermde soorten aanwezig?

Conclusie

Planten

Binnen het plangebied zijn geen beschermde soorten planten in het ka-

Beschermde plantensoorten komen niet voor.

der van de Wnb waargenomen (NDFF). Geschikt biotoop voor beschermde planten is voornamelijk aanwezig in natuurgebieden, bermen, spoortaluds en braakliggende terreinen. De vegetatie binnen het huidige plangebied bestaat uit gazon dat regelmatig wordt gemaaid, dit vormt dan ook geen geschikt biotoop. In de omgeving van het plangebied is wel een waarneming van kleine wolfsmelk bekend. Dit is een akkerplant van kalkhoudende grond welke meestal in de buurt van de grote rivieren groeit. Aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied is dan ook uitgesloten. Vleermuizen

Binnen het plangebied is de gewone dwergvleermuis waargenomen

Het plangebied heeft een functie als vliegroute,

(NDFF). Overige vleermuissoorten zijn niet waargenomen.

foerageergebied en paarplaats voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwerg-

In het plangebied zijn bij het veldonderzoek drie soorten vleermuizen

vleermuis.

waargenomen: gewone vleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het plangebied heeft de volgende functies. - Voor gebouw bewonende soorten vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger, zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig binnen de te slopen bebouwing in het plangebied. Geschikt biotoop in deze bebouwing ontbreekt, het materiaal is veelal ongeschikt om te dienen als verblijfplaats (kunststof wanden) en daarnaast ontbreekt het aan geschikte verblijfsomstandigheden, waaronder een geschikte temperatuur. - De aanwezige groenstructuren en rechtlijnige structuren binnen het plangebied vormen geschikte vliegroutes. Door de groene aard van het plangebied vormt dit daarnaast geschikt foerageergebied. Zowel vliegroutes voor vleermuizen als foerageergebied zijn voornamelijk aanwezig aan de noordzijde van het plangebied, ter plaatse van een aaneengesloten beplantingstrook. Daarnaast tussen de verschillende campings (van zuidoost naar noordwest) en enkele kleinere vliegroutes langs beplantingsstroken (noord-zuid) en langs de weg aan de zuidzijde. Het plangebied heeft een beperkte functie als foerageergebied, de dieren foerageren met name in de omgeving en gebruiken de lijnvormige beplanting binnen het plangebied om zich langs te verplaatsen. - In het plangebied zijn paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuizen aangetroffen.

Deze bevinden zich in de bomen met loszittend schors en/of gaten en staan aan de rand van de recreatieterreinen. grondgebon-

Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn waarnemingen be-

Egel, bunzing, dwergspitsmuis, veldmuis, haas

den zoogdie-

kend van beschermde zoogdieren als egel, bunzing, dwergspitsmuis,

en konijn komen voor. Mogelijk ook andere

ren

veldmuis, haas, konijn, ree en damhert (NDFF). Het plangebied is daar-

soorten, waaronder algemene soorten als huis-

naast gelegen binnen het verspreidingsgebied van algemeen voorko-

spitsmuis, bosmuis, wezel en hermelijn.

mende zoogdieren als huisspitsmuis, bosmuis wezel en hermelijn. Het plangebied vormt beperkt geschikt leefgebied voor de algemeen voorkomende zoogdieren egel, bunzing, dwergspitsmuis, veldmuis, konijn en haas. Hetzelfde geldt voor overige algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren als huisspitsmuis, bosmuis, wezel en hermelijn, het is niet uitgesloten dat deze soorten, al dan niet incidenteel, binnen het plangebied voorkomen om te foerageren. Vanwege de

10/18

Soortgroep

Leefgebied voor beschermde soorten aanwezig?

Conclusie

hoge bebouwings- en gebruiksintensiteit van het recreatieterrein worden vaste rust-, verblijfs- en voortplantingsplaatsen van wezel en hermelijn uitgesloten. Damherten komen voor in lichte loofbossen en gemengde bossen. Reeën komen voor in bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden. Binnen het plangebied ontbreekt geschikt leefgebied voor beide soorten, in de omgeving is wel geschikt leefgebied aanwezig. De aanwezigheid van overige beschermde soorten (zoals noordse woelmuis, veldspitsmuis, eikelmuis, eekhoorn, waterspitsmuis, das en bever) binnen het plangebied is uitgesloten op basis van het ontbreken van geschikt habitat en/of het feit dat het plangebied niet binnen het verspreidingsgebied van de soort ligt. vogels

Algemene broedvogels

Algemene broedvogels komen voor en broeden

Door de aanwezigheid van opgaande vegetatie zoals heggen, is binnen

naar verwachting binnen het plangebied.

het plangebied geschikte broedgelegenheid aanwezig voor broedvogels van struweel. Bijvoorbeeld heggenmus, roodborst, koolmees, pim-

Heggen in het zuidelijk deel van het plangebied

pelmees, houtduif en vink zijn algemene soorten die veel tot broeden

vormen functioneel leefgebied voor huismus.

komen in dergelijke omgevingen. Door de afwisseling tussen bosrand,

Ransuil jaagt soms binnen het plangebied.

groene heggen en grasvelden is het plangebied voor deze soorten tevens geschikt als foerageergebied. Broedvogels met jaarrond beschermd nest De huismus is binnen het plangebied waargenomen (NDFF). De soort is veel aanwezig in het plangebied. Er zijn bij het veldonderzoek echter geen broedlocaties van huismussen vastgesteld. De soort broedt buiten het plangebied. Wel maken de aanwezige hagen in het zuidoostelijk deel van het gebied onderdeel uit van het functionele leefgebied van de huismus. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van buizerd, bruine kiekendief, havik en sperwer (NDFF). Voor deze soorten met jaarrond beschermde nesten is geen geschikte broedgelegenheid aanwezig binnen het plangebied. Hetzelfde geldt voor ransuil, welke buiten het plangebied broedt. De ransuil jaagt soms wel in het plangebied. amfibieën

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn de algemene

Algemeen voorkomende soorten bastaardkik-

soorten bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad waargenomen

ker, bruine kikker en gewone pad komen voor.

(NDFF). In de omgeving zijn daarnaast soorten als bruine kikker, boom-

Daarnaast mogelijk zwervende exemplaren van

kikker en rugstreeppad waargenomen (NDFF).

rugstreeppad/ kolonisatie door rugstreeppad tijdens aanlegfase.

Voor de algemene soorten bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad is binnen het plangebied zowel waterbiotoop in de aanwezige vijvers, als landbiotoop aanwezig. Voor boomkikker en rugstreeppad vormt het plangebied mogelijk geschikt landbiotoop, geschikt waterbiotoop voor deze soorten ont-

11/18

Soortgroep

Leefgebied voor beschermde soorten aanwezig?

Conclusie

breekt. Er zijn roepende exemplaren van boomkikker gehoord net buiten het gebied in tuinvijvers, maar binnen het plangebied zijn geen dieren aangetroffen. Net ten noorden van het plangebied (in een duinpoel) zijn roepende exemplaren van rugstreeppad gehoord. Hier zijn tevens larven waargenomen. Het is mogelijk dat een zwervend exemplaar van rugstreeppad in het plangebied voorkomt. Daarnaast is de rugstreeppad een opportunistische soort, die bij voorkeur pioniershabitat koloniseert. De rugstreeppad geeft de voorkeur aan ondiep (tijdelijk) water waarin vegetatie (grotendeels) ontbreekt en komt voor op zandige terreinen met een hoge dynamiek. Vaak graven de padden zich in de bodem of schuilen onder elementen zoals pallets, takkenrillen of andere losliggende objecten. Tijdens de aanlegfase kunnen dit soort zandige terreinen met losliggende objecten ontstaan waardoor de rugstreeppad mogelijk het terrein koloniseert. reptielen

Er zijn waarnemingen bekend van levendbarende hagedis in de omge-

Reptielen komen niet voor.

ving van het plangebied (NDFF). De levendbarende hagedis komt voor in vochtige heide of structuurrijke weg- en spoorbermen en ruigten. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor deze soort door de afwezigheid van geschikt landbiotoop. Het plangebied ligt niet binnen het verspreidingsgebied van overige reptielen (RAVON). vlinders, li-

Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn niet waargeno-

bellen en an-

men in het plangebied en omgeving (NDFF). Gezien de terreintypen

dere onge-

worden ook geen beschermde ongewervelde diersoorten in het plan-

wervelden

gebied verwacht. Door het ontbreken van kruidenrijke vegetatie en

Beschermde soorten komen niet voor.

zonnige mantel- en zoomvegetatie is de aanwezigheid van beschermde vlinders binnen het plangebied uitgesloten. Het water in de omgeving van het plangebied is niet geschikt voor beschermde soorten libellen of andere beschermde insecten die voornamelijk voorkomen in rivieren en beken of grote stilstaande wateren. vissen

Beschermde vissen zijn niet waargenomen in het plangebied (NDFF). Het plangebied is niet gelegen binnen het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper. De aanwezige vijver vormt ook geen geschikt leefgebied voor overige beschermde vissen die voorkomen in beken en rivieren. Het plangebied overlapt ook niet met het leefgebied van deze soorten (RAVON).

12/18

Beschermde vissen komen niet voor.

6. EFFECTBESCHRIJVING 6.1

Effecten tijdens de aanleg

De aanleg gaat gepaard met verstoring (door licht, geluid en menselijke aanwezigheid) en sterfte van aanwezige soorten die niet vluchten. In onderstaande tabel is per voorkomende soort(groep) beschreven of sprake is van effecten als gevolg van werkzaamheden tijdens de aanleg. Deze effecten uit de aanlegfase kunnen doorwerking hebben tot in de gebruiksfase. In tabel 6.1. worden de effecten per soortgroep beschreven, voor zover op dit moment bekend (lopende het onderzoek 2021). In de laatste kolom is met een kleur aangegeven dat geen sprake is van de overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de betreffende soortgroep (met groen), of dat (mogelijk) sprake is van overtreding van verbodsbepalingen (oranje). Het gaat daarbij om het voorkomen in de deelgebieden West en Oost. Tabel 6.1 Effectbeschrijving per soort(groep) soort(groep)

effectbeschrijving

toetsing

vleermuizen: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis

-

Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren egel, dwergspitsmuis, veldmuis, vos, huisspitsmuis en bosmuis algemeen voorkomende amfibieën bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad Overige grondgebonden zoogdieren bunzing, wezel, hermelijn, konijn

-

Er worden geen bomen met mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen gekapt. Er zijn geen essentiële vliegroutes binnen het plangebied aanwezig die verstoord worden. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring van overvliegende en foeragerende dieren binnen het plangebied doordat werkzaamheden overdag worden uitgevoerd. Daarnaast is in de omgeving van het plangebied voldoende alternatief leefgebied waar de soorten naar kunnen uitwijken om te foerageren. Werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden en verwonden van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën die niet op tijd het gebied kunnen ontvluchten bij de start van de werkzaamheden. De werkzaamheden leiden tot verstoring van leefgebied. Dit effect is tijdelijk en in de omgeving is voldoende alternatief leefgebied aanwezig waar soorten naar kunnen uitwijken. Effecten als gevolg van verstoring zijn dan ook uitgesloten.

Werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden en verwonden van individuen die niet op tijd het gebied kunnen ontvluchten bij de start van de werkzaamheden. De werkzaamheden leiden tot verstoring van leefgebied. Dit effect is tijdelijk en in de omgeving is voldoende alternatief leefgebied aanwezig waar soorten naar kunnen uitwijken. Effecten als gevolg van verstoring zijn dan ook uitgesloten.

broedvogels

-

Voor deze soorten geldt geen provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen. Mogelijk is bij de aanleg sprake van overtreding van de verbodsbepalingen. Als dat het geval is, zal worden bezien of alternatieven beschikbaar zijn, waardoor geen verbodsbepalingen worden overtreden. Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen als beplanting buiten het broedseizoen wordt gerooid.

-

-

-

-

-

13/18

Bij het verwijderen van de groenstructuren binnen het broedseizoen is mogelijk sprake van aantasting van nestlocaties en daarmee van broedsels en nesten van algemene broedvogels die broeden in de aanwezig groenstructuren. Er is mogelijk sprake van verstoring van broedende vogels van verschillende soorten algemene broedvogels.

Voor de binnen het plangebied voorkomende algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een vrijstelling, zie paragraaf Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Zorgplicht is wel van toepassing.

soort(groep)

effectbeschrijving

toetsing

broedvogels met jaarrond beschermd nest

-

Uit het onderzoek volgt dat geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Wanneer in het aanvullend onderzoek nesten worden aangetroffen (dit onderzoek is nog niet gereed) in te slopen gebouwen, is mogelijk sprake van overtreding van de verbodsbepalingen. Dan wordt bezien of alternatieve oplossing mogelijk is, waardoor geen verbodsbepalingen worden overtreden. Mogelijk overtreding van verbodsbepalingen, bij ontstaan van geschikt leefgebied. Maatregelen zullen worden genomen om het ontstaan van geschikt leefgebied te voorkomen.

-

Rugstreeppad en boomkikker

-

-

-

Er is geen sprake van aantasting van nestlocaties, omdat geen nesten aanwezig zijn binnen het plangebied. Indien toch nestlocaties worden aangetroffen, is mogelijk sprake van het overtreden van verbodsbepalingen. Er is mogelijk sprake van verstoring van (niet essentieel) foerageergebied van huismus en ransuil. Voor huismus vormen de groene tuinen in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied tijdens de aanlegfase, hier kunnen zij tijdens de werkzaamheden naar uitwijken. Voor de ransuil is voldoende alternatief en geschikter leefgebied in de omgeving van het plangebied aanwezig, namelijk in de aangrenzende duinen. Er is geen sprake van het overtreden van verbodsbepalingen. Indien gedurende de bouwperiode geschikt leefgebied voor de rugstreeppad ontstaat, kan de soort mogelijk het werkterrein koloniseren, in dat geval leiden werkzaamheden mogelijk tot het doden en verwonden van aanwezige individuen die niet op tijd het gebied kunnen ontvluchten. Hetzelfde geldt voor mogelijk binnen het plangebied voorkomende zwervende exemplaren van de soort.

Indien binnen het plangebied boomkikkers worden aangetroffen, die het plangebied als leefgebied gebruiken, is mogelijk sprake van overtreding van verbodsbepalingen Daarnaast leiden de werkzaamheden mogelijk tot verstoring van leefgebied, maar hiervoor geldt dat in de omgeving voldoende alternatief leefgebied aanwezig is waar dieren naar kunnen uitwijken. Effecten als gevolg van verstoring zijn dan ook uitgesloten.

Conclusie aanlegfase Door de verstorende werkzaamheden buiten de kwetsbare perioden uit te voeren (broedseizoen vogels en baltsseizoen ruige dwergvleermuis) kunnen bovenstaande effecten vergaand worden voorkomen en/of is een overtreding van de verbodsbepalingen niet aan de orde. Vestiging van rugstreeppadden in de aanlegfase kan worden voorkomen door het gebied in deze fase te isoleren met speciale amfibieënschermen. Als voor het overige sprake is van overtreding van verbodsbepalingen, zal worden beoordeeld of alternatieven mogelijk zijn, waardoor geen verbodsbepalingen meer worden overschreden. Indien dat niet mogelijk is, kan voor de betreffende soorten een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Met inachtneming van adequate maatregelen ter voorkoming van het overtreden van verbodsbepalingen (zie par 6.3) mag worden verwacht dat deze ontheffing zal worden verleend. Overig voorkomende beschermde soorten (algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën) met effecten in de aanlegfase zijn vrijgesteld. De Wet natuurbescherming staat de uitvoering van het plan derhalve niet in de weg.

6.2

Effecten in de gebruiksfase

In de gebruiksfase van het nieuwe vakantiepark is er sprake van eenzelfde type recreatief gebruik van het plangebied als in de referentiesituatie. Het aantal recreatieve verblijfseenheden neemt ten opzichte van de referentiesituatie af, door afname van het aantal eenheden. In tabel 6.2 is een overzicht gegeven van de effecten per soort(groep). In de laatste kolom is met een kleur aangegeven dat geen sprake is van de overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de betreffende soortgroep (met groen), of dat (mogelijk) sprake is van overtreding van verbodsbepalingen (oranje). Het gaat daarbij om het voorkomen in de deelgebieden West en Oost. Tabel 6.2 Effectbeschrijving per soort(groep) gebruiksfase soort(groep) vleermuizen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger

14/18

effectbeschrijving - De nieuwe structuren in het park hebben ook een functie als foerageergebied. Door de ruimere opzet van het park kan bij een natuurvriendelijke inrichting en beheer een zeer aantrekkelijk vleermuisbiotoop worden ontwikkeld met een grotere natuurwaarde dan in de referentiesituatie.

toetsing Geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen als gebruik wordt gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting.

soort(groep)

algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren egel, bunzing, dwergspitsmuis, veldmuis, haas, konijn, vos, huisspitsmuis, bosmuis en hermelijn algemeen voorkomende amfibieën bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad algemene broedvogels Overige grondgebonden zoogdieren bunzing, wezel, hermelijn, konijn

broedvogels met jaarrond beschermd nest

effectbeschrijving - Van een toename van verstoring door verlichting is binnen het park mogelijk sprake. Door gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting kan dit effect sterk worden beperkt. - In de gebruiksfase vormt het vakantiepark een vergelijkbaar leefgebied als in de huidige situatie. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren, algemeen voorkomende amfibieën en algemene broedvogels kunnen met name in de tuinen en struwelen in het park voorkomen. Dit verschilt niet van de huidige situatie. Verder nemen geluid en verlichting ook niet wezenlijk toe. Effecten in de gebruiksfase zijn uitgesloten. Bij een natuurvriendelijke inrichting en beheer van het gebied kan zelfs een belangrijke ecologische meerwaarde worden gecreëerd.

-

-

-

rugstreeppad

-

In de gebruiksfase vormt het vakantiepark een vergelijkbaar leefgebied als in de huidige situatie. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren, algemeen voorkomende amfibieën en algemene broedvogels kunnen met name in de tuinen en struwelen in het park voorkomen. Dit verschilt niet van de huidige situatie. Verder nemen geluid en verlichting ook niet wezenlijk toe. Effecten in de gebruiksfase zijn uitgesloten. Bij een natuurvriendelijke inrichting en beheer van het gebied kan zelfs een belangrijke ecologische meerwaarde worden gecreëerd. Voor de huismus verschilt de situatie in de gebruiksfase niet van de huidige situatie. Door de ruimere opzet kan bij een natuurvriendelijke inrichting en beheer de kwaliteit als foerageergebied zelfs worden verbeterd ten opzichte van de referentiesituatie. Er is verder geen verandering van geluid of verlichting in de gebruiksfase. Effecten als gevolg van de veranderingen in de gebruiksfase zijn voor de huismus daarom uitgesloten. De aangrenzende duinen zijn waardevoller jachtgebied voor ransuil dan de recreatieparken, in verband met aanwezigheid van grotere concentraties muizen. Er is geen sprake van een toename van recreanten, geluid of verlichting in dit gebied. Effecten als gevolg van de veranderingen in de gebruiksfase zijn voor de ransuil uitgesloten.

Er is geen sprake van een toename van recreanten in de leefgebieden van de rugstreeppad. Ook nemen geluid en licht in het leefgebied niet toe. Effecten in de gebruiksfase zijn uitgesloten.

toetsing

Geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen.

Geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen. Geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen.

Geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen.

Geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen.

Conclusie gebruiksfase In de gebruiksfase geldt worden geen verbodsbepalingen overtreden. Door de ruimere opzet van het nieuwe park kan bij een natuurvriendelijke inrichting en beheer de ecologische kwaliteit van het gebied zelfs worden verbeterd ten opzichte van de referentiesituatie.

6.3

Maatregelen

In deze paragraaf zijn de maatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

15/18

Maatregelen vleermuizen ter voorkoming van overtreding artikel 3.5 vierde lid Bomen met verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis , worden behouden, zodat geen sprake is van overtreding van verbodsbepalingen. Het is mogelijk om deze bomen te behouden binnen het huidige ontwerp. Aanvullende maatregelen zijn niet vereist. Verder zal vleermuisvriendelijke verlichting worden gerealiseerd en zal de aanleg buiten de baltsperiode van de ruige dwergvleermuis plaatsvinden. Maatregelen algemene broedvogels Het rooien van beplantingen zal plaatsvinden buiten het broedseizoen. Maatregelen rugstreeppad ter voorkoming van overtreding artikel 3.5 eerste en vierde lid Er worden maatregelen getroffen om kolonisatie van de locatie door de soort te voorkomen (bron: Kennisdocument rugstreeppad, BIJ12, 2017): Afschermen terrein met amfibieënschermen voorafgaande aan de start van de werkzaamheden om inloop rugstreeppadden vanuit het duingebied te voorkomen. De aanwezigheid van stagnerend water in de periode april tot en met juli zal worden voorkomen om te voorkomen dat rugstreeppadden dit gebruiken als voortplantingshabitat. Indien stagnerend water ontstaat wordt dit gedempt of afgedekt.

Aanvullende maatregelen in het kader van de zorgplicht (ten behoeve van grondgebonden zoogdieren en amfibieën) ter voorkoming van overtreding artikel 3.10 Werkzaamheden worden uitgevoerd in één richting, in de richting waarin soorten kunnen vluchten.

16/18

Bijlage 1 Bronnen -

-

17/18

Arcadis (2020);'De Schouwse Valleien Burgh-Haamstede, Deelrapport hydrologie' Dobben, H.F. van (2012): 'Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000gebieden' Alterra-rapport 2397Gemeente Schouwen-Duiveland, 2009. Module Licht en Duisternis Onderdeel van het milieubeleidsplan Gemeente Schouwen-Duiveland. Vastgesteld tijdens de raadsvergadering van 25 juni 2009. Krijgsveld, K.L., (2009): 'Verstoringsgevoeligheid van vogels, update literatuurstudie naar de reactie van vogels op recreatie' Ministerie van Economische Zaken, 2013. Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-116 | 116 Kop van Schouwen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008. *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie ('grijze duinen') (H2130) Verkorte naam: Grijze duinen. H2130 versie 1 sept 2008.doc. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009a. Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied (H2180) Verkorte naam: Duinbossen. H2180 versie 18 dec 2008, met erratum 24 maart 2009.doc Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009b. Vochtige duinvalleien (H2190) Verkorte naam: Vochtige duinvalleien. H2190 versie 1 sept 2008, met erratum 24 maart 2009.doc. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2018.

Ontwerp-wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden. Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2018-000 | Aanwezige waarden (ontwerp-wijziging) Provincie Zeeland, 2017. Document PAS-analyse Herstelmaatregelen voor Kop van Schouwen. D.d. 15-12-2017. Provincie Zeeland, 2018. Omgevingsverordening Zeeland 2018. Vastgesteld op 21 september 2018.

Bijlage 2 Nader onderzoek beschermde natuurwaarden Burgh-Haamstede

18/18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10405934/1