CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20210309 Raadsbrief onderzoek externe aanvoer zoetwater naar S-D bijlage 3 verkenning

Gemeenteraad 25 maart 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken1.558 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verkenning mogelijkheden zoetwateraanvoer Schouwen-Duiveland Zes varianten Schouwen-Duiveland is volledig omringd door zout water en is voor zijn zoete water volledig afhankelijk van lokale neerslag. De afgelopen jaren is de roep om een eigen aanvoerleiding met extern zoet water sterker geworden. Ingenieursbureau Witteveen + Bos (W+B) heeft de mogelijkheden daartoe verkend. Concreet zijn zes verschillende varianten beschouwd, zijnde de combinaties van drie verschillende bronlocaties en twee verschillende distributiesystemen op het eiland. Deze zes varianten zijn met elkaar vergeleken qua functionaliteit, effecten op de omgeving, duurzaamheid van de bron, realisatietijd en kosten. De keuzeopties zijn: • Bron 1 = Noorder Krammer (hoek Grevelingendam/Philipsdam) • Bron 2 = Eendracht bij het innamepunt van Sint-Philipsland • Bron 3 = Haringvliet nabij Den Bommel • Distributie a = met een gesloten ringleiding, dit betreft een aanvoer van 2 m3 /s • Distributie b = via het regionale oppervlaktewatersysteem, dit betreft een aanvoer van 5 m3 /s. Prestaties Het verschil tussen de distributiesystemen is groot; systeem a is een “clean” gesloten systeem waarmee het bronwater via buizen tot aan de gebruiker wordt gebracht. Groot voordeel daarvan is dat de waterkwaliteit op de plaats van bestemming onafhankelijk is van de afstand die het water daarvoor heeft moeten afleggen.

Feitelijk geldt voor elke gebruiker dat de kwaliteit van het water uit de tap gelijk is aan die van het bronwater. Een tweede voordeel is dat de waterafname per gebruiker nauwkeurig kan worden gemeten en verrekend. De aanvoercapaciteit waar in deze studie vanuit is gegaan bedraagt 2 m3 /s, waarmee tijdens piekvraag ruim 100 haspels een debiet van 80 m3 /uur kunnen afnemen. In totaal is uitgegaan van 340 tappunten verdeeld over 200 gebruikers. Op seizoensbasis is uitgegaan van 60 dagen1 maximale aanvoer wat zich vertaalt in een totale watergift van 10,4 miljoen m3 . Dit volume is beschikbaar voor de irrigatie van 10.000 ha wat neerkomt op een gemiddelde watergift van 104 mm per groeiseizoen. Systeem b wijkt sterk af van systeem a, omdat het irrigatiewater niet via een leiding tot bij de percelen wordt gebracht, maar via de watergangen en sloten in het gebied. Het is daarmee vergelijkbaar met de situatie die in Tholen en Sint Philipsland en de Reigersbergsche polder bestaat. Voor Schouwen-Duiveland is er vanuitgegaan dat het bronwater via een leiding naar een relatief hooggelegen punt wordt geleid (iets westelijk van het Dijkwater) van waaruit het zich via het regionaal watersysteem onder vrij verval verspreidt over een behoorlijk groot deel van het eiland.

Om ook het westelijke deel van Schouwen te bereiken is een extra leiding met opmaling nodig tussen Brouwershaven en Scharendijke. Omdat het water wanneer het eenmaal in de sloten zit, mengt met zilt (kwel)water, neemt de zoetheid van het water af naarmate het een langer traject aflegt. Om die reden is ook uitgegaan van een fors hoger debiet, namelijk 5 m3 /s. Maar zelfs met dit debiet zal het zoutgehalte, zeker in het Schouwse voorzieningsgebied, aanzienlijk boven het zoutgehalte van het bronwater liggen. Voor systeem b geldt dus dat de zoetheid van het bronwater extra van belang is om een acceptabele kwaliteit irrigatiewater te kunnen bieden. Een voordeel van dit open systeem t.o.v. het gesloten systeem is dat er ook peilbeheer mee kan worden uitgevoerd, daar waar normaliter het uitzakken van het peil niet voorkomen kan worden. Met het externe water kan het waterpeil in de sloten ’s zomers hooggehouden worden, waardoor de ontwatering van landbouwpercelen wordt beperkt. De periode waarin het regionaal watersysteem moet worden doorgespoeld is langer dan de aanvoerperiode voor systeem a, dit omdat het zout dat zich in de winter in de sloten ophoopt in het voorjaar eerst moet worden geflusht. Er is uitgegaan van het equivalent van 90 dagen maximale aanvoer waarmee het totale aanvoervolume per groeiseizoen uitkomt op 38,9 miljoen m3 .

In tegenstelling tot systeem a is bij systeem b niet nauwkeurig aan te geven hoeveel gebruikers daadwerkelijk zullen irrigeren met water uit de sloten. In theorie kan het totale landbouwoppervlak van 14.000 ha voorzien worden. Qua effecten op de omgeving zijn de b-varianten invloedrijker dan de a-varianten. Het water dat door het leidingsysteem stroomt is immers geïsoleerd van de omgeving en beïnvloedt die niet. Dat geldt niet voor het open systeem waarmee gedurende het groeiseizoen 5 m3 /s door het gebied wordt geleid en daar interactie heeft met de omgeving. Die doorspoeling stopt na het groeiseizoen waardoor de omgeving plotseling te maken krijgt met geheel andere condities. Die schommelingen gelden als negatief, dus vanuit dit perspectief scoren de b-varianten wat slechter dan de a-varianten. De drie bronnen verschillen aanzienlijk qua zoetheid, waarbij de Noorder Krammer eigenlijk al een behoorlijk hoog zoutgehalte heeft en de Haringvliet juist extreem zoet water biedt. De Eendracht zit daar tussenin. Het belang van de bron is groter bij distributiesysteem b dan a. Het onderscheid tussen de bronnen geldt ook voor wat betreft hun duurzaamheid. Het Haringvliet is zonder twijfel op de lange termijn de meest zekere zoetwaterbron. De Eendracht scoort minder goed, omdat het afhankelijk is van de doorspoeling van het Volkerak-Zoommeer en de zoutdruk o.i.v. zeespiegelstijging.

Dat geldt alleen nog

maar meer voor de Noorder Krammer. Daarnaast is het de vraag hoe het Volkerak-Zoommeer zich ecologisch zal ontwikkelen. Als dat negatief is, zal de optie om het meer zout te maken opnieuw in beeld komen. In dit verband is het ook relevant te beseffen dat de regionale overheden een zout VolkerakZoommeer nog steeds als voorkeursvariant zien. De realisatiesnelheid van de zes varianten is ook door W+B beschouwd, waarbij de complexiteit van de varianten globaal is vergeleken. Omdat distributiesysteem a eenvoudiger is dan het open systeem scoren de a-varianten consequent beter dan de b-varianten. Bovendien geldt dat de aanvoer uit het Haringvliet aanzienlijk langer is, de passage van de Grevelingen als complex wordt beschouwd en bovendien de medewerking van de landeigenaren op Flakkee niet vanzelfsprekend is, zodat Bron 3 slechter scoort dan de andere twee bronnen. Kostenoverzicht Als geld geen beletsel zou vormen, was de keuze voor de bron eenvoudig, want Bron 3 is veruit de beste. Maar geld speelt uiteraard wel een rol en omdat Bron 3 het verst verwijderd is van het eiland, zijn ook de kosten van de varianten 3a en 3b relatief hoog. De zes varianten zijn geraamd volgens de bedrijfseconomische Standaardsystematiek Kostenraming (SSK).

Die methodiek hanteert aanzienlijke risico-opslagen voor projecten in de planfase, omdat in de praktijk blijkt dat projecten nagenoeg altijd te kampen krijgen met onvoorziene problemen waardoor de kosten oplopen. De SSK-methodiek behoedt de samenleving dus voor wensdenken. Die SSK-raming voor de beschouwde varianten kent een 50%nauwkeurigheidsniveau en is daarmee een grove raming van de projectkost. Omdat alle varianten op dezelfde wijze zijn beschouwd, zijn ze onderling wel goed vergelijkbaar. Onderstaande tabel bevat in de lichtblauw gearceerde rijen de SSK-ramingen van W+B. Er is een rij met aanlegkosten en een met gebruikskosten. Omwille van de inzichtelijkheid zijn deze in de onderliggende rijen uitgedrukt in kosten per hectare en per kuub, waardoor de bedrijfsomvang uit de vergelijking valt en iedere betrokkene in een vervolgstap alsnog kan nagaan hoe dit voor zijn/haar bedrijf uitpakt. Daarnaast is voor de overzichtelijkheid geen rekening gehouden met de ranges die wel in het rapport terugkomen. Voor het irrigeerbare landbouwareaal is gerekend met 10.000 ha, zowel voor de a-varianten als de b-varianten. Weliswaar is het totaalareaal groter, maar zoals al aangegeven is het reëel uit te gaan van een minder dan 100% servicegebied.

De laatste rij van de tabel geeft de gebruiksprijzen per kuub op basis van een gebruik van 10,4 miljoen m3 /jaar, oftewel een watergift van 104 mm op het totaalareaal van 10.000 m3.

De bijsluiter bij deze tabel is dat de aannames over het gebruik hoog zijn. De inschatting van 10.000 hectare voorzieningsgebied is overgenomen van het plan De Puupe dat in samenspraak met de landbouwsector op het eiland is opgesteld. De aanname van het benodigde volume is afkomstig van W+B dat zich daarvoor heeft gebaseerd op de irrigatie in het Land van Heusden en Altena. De aangehouden watergift van 104 mm komt aardig overeen met de praktijk in gebieden waar beregend kan worden. Met name de areaalaanname resulteert in prijzen per hectare en kuub die zich gunstig verhouden tot die van de bestaande Landbouwwaterleiding in Zuid-Beveland (LBWL). Bij een kleiner voorzieningsareaal nemen de kosten per hectare of kuub echter toe, waardoor de vergelijking met de LBWL minder florissant wordt. Vergeleken met de aanvoerkosten naar Tholen en Sint Philipsland en de Reigersbergsche polder, zijn die voor Schouwen-Duiveland erg hoog. Daar komt bij dat beseft moet worden dat bij een geringere irrigatie de absolute gebruikskosten per jaar weliswaar (wat) lager zullen uitvallen, maar dat in dergelijke jaren de kosten per hectare of kuub toenemen. In droge jaren is het net andersom, de hogere irrigatie zal de kuubprijs drukken, maar de absolute kosten zullen hoger uitvallen. De aanname is dat die hogere kosten worden gecompenseerd door hogere productprijzen c.q. vermeden schade.

Het rapport van W+B handelt niet over de baten van de watervoorziening, dus over de verhouding van kosten en baten kan aan de hand van dit rapport niets gezegd worden. Slotopmerkingen Alles overziend is er niet één variant die zich meervoudig als gunstigste manifesteert. Het hangt dus af van je perspectief welke variant je voorkeur heeft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9864067/1