20210126 Raadsbrief vervolg Zeeuwse samenwerking in het sociaal domein- bijlage 2
Tekst van het document
Raadsmemo: Informatie vervolg en besluitvorming n.a.v. het rapport van Berenschot over de Zeeuwse Samenwerking in het Sociaal Domein
Inleiding In 2018 en 2019 hebben de gemeenten in het traject Zeeuwse Samenwerking in het Sociaal Domein eerst duidelijkheid geschapen over op welke onderwerpen de gemeenten willen samenwerken en op welk niveau. De eerste stap is toen gezet. Er is een overzicht (‘kruisjeslijst’) opgesteld van de onderwerpen waarbij we willen samenwerken op provinciaal (gezamenlijk) niveau, op regionaal niveau of waarvan we de uitvoering liever zelf willen oppakken. Op 1 september 2019 hebben alle 13 colleges dit overzicht van onderwerpen vastgesteld. De colleges hebben ook besloten dat de volgende stap is dat een onafhankelijk landelijk bureau wordt gevraagd om de Zeeuwse gemeenten ten aanzien van dit vraagstuk een advies te geven. Berenschot is gevraagd een onderzoek te doen (start onderzoek 6 januari 2020, oplevering rapport mei 2020) en een advies te geven over hoe dit het best georganiseerd kan worden. Ook is gevraagd advies te geven over de meest passende governance- en overlegstructuur. De bestuurders wilden goed geadviseerd worden om de organisatie en de bestuurbaarheid binnen het sociaal domein structureel de verbeteren. Het resultaat hiervan moet zijn dat er een aanzienlijke vermindering is van bestuurlijke en ambtelijke drukte (opruimen/ontwarren van de ‘bestuurlijke spaghetti’).
Er moet een overzichtelijke en eenvoudige besluitvormingsstructuur komen, waarbij er op strategisch niveau integrale sturing plaatsvindt en de samenhang voortdurend wordt bewaakt. Het geheel moet efficiënt en effectief zijn georganiseerd (geen dubbelingen meer, er is focus en er worden duidelijke prioriteiten gesteld). De rol van opdrachtgever (vanuit de gemeenten) wordt duidelijk en daadkrachtig ingevuld. Naast het inhoudelijk resultaat is vooral ook belangrijk dat er een breed draagvlak (zowel bij bestuurders als bij ambtenaren) is voor de geadviseerde meest passende organisatievorm(en) en de hierbij behorende overlegen besluitvormingsstructuur op provinciaal niveau. Op 22 juni 2020 is het adviesrapport van Berenschot: ‘Naar een werkende samenwerking in het sociaal domein’ gepresenteerd en ook aan de gemeenten aangeboden. Op basis van dit rapport is aan het provinciaal management in het sociaal domein (PMO) gevraagd een advies op te stellen over welke aanbevelingen uit het rapport kunnen worden overgenomen en welke concrete stappen kunnen worden gezet om de samenwerking in het sociaal domein beter te organiseren. Dit advies/voorstel van het PMO n.a.v. het rapport van Berenschot wordt nu (december 2020) aan de colleges van B&W van de 13 gemeenten ter besluitvorming aangeboden.
Samenvatting rapport van Berenschot De 13 gemeenten in Zeeland hebben Berenschot gevraagd onderzoek te doen naar de organisatie (en governance) van het sociaal domein. In dit onderzoek stonden de volgende twee vragen centraal:
1
1. Wat is (zijn) de best passende organisatievorm(en) voor het uitvoeren van de taken en onderwerpen waarop we willen samenwerken in het sociaal domein als 13 Zeeuwse gemeenten? 2. Wat is hiervoor de meest de passende governance-structuur? Voor de beantwoording van deze vragen heeft Berenschot de drieslag inventarisatie, beoordeling en advisering gehanteerd.
Belangrijkste bevindingen: Op basis van de vraagstelling van de gemeenten en de vastgestelde ‘kruisjeslijst’ komt Berenschot tot de volgende bevindingen: • De uitvoering van taken functioneert (in vergelijking met de rest van het land) goed tot bovengemiddeld. Voor de uitvoering zijn de organisatievormen goed. Deze organisaties zijn zelfs nog in staat om verder te groeien en nieuwe taken uit te voeren. • De samenwerking tussen de organisaties is niet optimaal ingericht. Dit komt door het ontbreken van governance op de samenwerking. • Vier scenario’s uitgewerkt om het probleem op te lossen en de onderzoeksvragen te beantwoorden.
Businesscase (vier scenario’s): Berenschot heeft de volgende vier scenario’s onderzocht: 1. Niets doen -> scoort negatief in de analyse van Berenschot; 2. Centreren in één entiteit -> scoort ook minder in de analyse van Berenschot en diverse partijen hebben aangegeven deze optie onacceptabel te vinden; 3. Verbeteren huidige structuur -> Een acceptabel en haalbaar scenario, lost echter niet alle problemen op; 4. Groeimodel Zeeuwse samenwerking -> scenario sluit het beste aan en heeft het meeste draagvlak, maar is erg uitdagend.
Drie adviezen: Op basis van de belangrijkste bevindingen, beoordelingen en conclusies geeft Berenschot drie hoofdadviezen: Advies I. Richt een nieuwe structuur in voor de gezamenlijke besluitvorming binnen het samenwerkingsstelsel Het nieuwe samenwerkingsstelsel zou volgens Berenschot kunnen bestaan uit de volgende onderdelen: bestuurlijke conferentie, Regiegroep en een ambtelijke stuurgroep. Advies II. Verbeter de huidige structuren en werking van de samenwerking • Verbeter de inrichting van de governance van de IJZ gecombineerd met de GGD. • Verbeter de governance van CZW en CZW-bureau. • Vereenvoudig de ambtelijke overlegstructuur en verbeter de agendering. • Bundel de krachten richting Den Haag (lobby) en zorgaanbieders (samenwerking en inkoop).
2
Advies III. Wendbaar en behoedzaam intensiveren op de samenwerking • Startpunt: gebruik de governance voor belangrijke besluiten voor het vaststellen van een overkoepelend Strategische Agenda voor het sociaal domein in Zeeland - Harmonisering van rollen - Maak een proces om gezamenlijk tot ontwerpprincipes te komen • De voorwaarden voor coalitions of the willing - Vrijwilligheid - Eenvoudig te beëindigen - Tijdelijke insteek - Snelle evaluatie met vooraf bepaalde criteria • Neem pas besluiten over het samenvoegen van de zelfstandige organisaties binnen de samenwerking na Haagse besluitvorming rond de inrichting van de jeugdzorg • Kies nieuwe juridische structuren en vormen van aansturing met de vraag: - Hebben de dertien Zeeuwse gemeenten voldoende strategisch vermogen om adequaat te sturen op eventuele nieuwe juridische structuren? - Wat is op korte en lange termijn de impact van de nieuwe juridische inrichting op de dienstverlening aan de Zeeuwse burger? - Staat de bestuurlijke en ambtelijke energie die het kost om tot een nieuwe juridische inrichting te komen in verhouding tot de verbetering die het oplevert in de sturing door de Zeeuwse gemeenten? Berenschot verwacht dat met het voorgaande de positie van de gemeenten (colleges en raden) duidelijker en beter wordt. Het vraagt nog steeds wel om een goed samenspel en het wederzijds investeren van tijd en aandacht in elkaar.
Dat is wel de randvoorwaarde waaronder het moet gaan werken.
Algemene reactie op de opbrengst van het advies van Berenschot Zowel bestuurlijk als ambtelijk zijn er diverse algemene reacties op het rapport van Berenschot geuit. Enkele gedeelde reacties zijn: -
-
-
Een goede weergave van de structuur en problematiek in het sociaal domein in Zeeland. Er gaan zaken goed (vooral uitvoeringszaken), maar er is wel veel onduidelijkheid en efficiency in de aansturing op de diverse niveaus tussen de verschillende lagen bij de gemeenten en bij de uitvoeringsorganisaties. Berenschot geeft een aantal zaken aan die voor verbetering vatbaar zijn en ze geven ook een aantal suggesties in welke richting de verbeteringen kunnen worden gevonden. De belangrijkste suggestie is het inrichten van een samenwerkingsstelsel (een goede sturing op de samenwerking in z’n geheel, zowel ambtelijk, bestuurlijk als de betrokkenheid van de raden). Op een aantal gebieden benoemt Berenschot wel dat er zaken verbeterd moeten worden, maar het ontbreekt dan hoe dat concreet zou moeten (is wel gevraagd). In die zin is Beterschot minder ambitieus en minder concreet dan wij als gemeenten dat graag hadden gezien. Berenschot is in het onderzoek ook onvoldoende ingegaan op de nadrukkelijke wens van een aantal gemeenten (o.a. vanuit Zeeuws-Vlaanderen) om een aantal zaken meer in de regio op te pakken. Ook dit is wel gevraagd met name als het gaat over de categorie 3 taken. Hoe richt je dat in?
3
Voorstel/advies van het PMO n.a.v. het rapport van Berenschot Meer regie en sturing vanuit gemeenten In het voorstel/advies van het management in het sociaal domein (PMO) van de 13 gemeenten wordt de kern van het advies van Berenschot onderschreven, dat er een sterkere regie en sturing nodig is vanuit de gemeenten bij de aansturing op bestuurlijk, ambtelijk en uitvoerend niveau. Om (rol)onduidelijkheid, onvoldoende inhoudelijke focus en werkdruk aan te pakken, is een verandering in structuur en processen noodzakelijk. De nieuwe advies- en besluitvormingsstructuur moet eenvoudig en eenduidig zijn. Het PMO adviseert dit direct op te pakken. Hier is het grootste effect op korte termijn te behalen. Het risico is te groot dat we verzanden en dat we onvoldoende verandering en verbetering op korte termijn realiseren, als we de drie adviezen uit het rapport Berenschot tegelijk oppakken. Voorgesteld wordt de aanpassingen van de uitvoeringsorganisaties op een later moment op te pakken. Dit moet volgens Berenschot ook ‘wendbaar en behoedzaam’ gebeuren en daarbij hebben gemeenten ook andere belangrijke gezamenlijke prioriteiten, zoals grip op kosten in het sociaal domein.
Essentieel voor dit advies is dat de keuzes voor wat we regionaal, sub-regionaal of lokaal doen, zoals dit vastgelegd en vastgesteld is in de ‘kruisjeslijst’, het uitgangspunt blijft voor alle verdere uitwerkingen in dit advies/voorstel. Dit doet recht aan het lokale primaat en is de basis voor samenwerking met vertrouwen.
Uitgangspunten en principes In het voorstel/advies zijn een aantal belangrijke uitgangspunten en principes geformuleerd, waardoor rollen en verantwoordelijkheden duidelijker worden en de integraliteit en kwaliteit geborgd worden.
Vernieuwd sturingsmodel De uitgangspunten en principes zijn doorvertaald naar een nieuw sturingsmodel. In dit model is de sturing en het opdrachtgeverschap tot de essentie teruggebracht. De bestuurlijke stuurgroepen zijn vervallen en het aantal werkgroepen is teruggebracht om meer inhoudelijke focus te krijgen. Eén of tweemaal per jaar wordt er binnen het Overleg Zeeuwse Overheden (OZO) door alle portefeuillehouders (gezondheid, jeugd en Wmo) een strategisch overleg sociaal domein gehouden. Het vernieuwd sturingsmodel is een groeimodel en kan in de loop van de tijd nog aangepast of bijgeschaafd worden. Uiteraard zijn er nog diverse uitvoeringskwesties, daarom zal er ook een implementatieplan worden opgesteld.
Inhoudelijke focus op opgaven en onderwerpen Bestuurders bepalen de belangrijkste opgaven en onderwerpen in het sociaal domein en deze worden uitgevoerd door de kernteams. Het management en de programmacoördinatoren houden het overzicht en bewaken de voortgang.
Besluitvorming door de 13 colleges van B&W Zowel de Stuurgroep ZSSD als de overige portefeuillehouders in het Sociaal Domein zijn akkoord dat dit voorstel in deze vorm (met de diverse beslispunten zoals die genoemd zijn bij punt 7 van het voorstel) wordt voorgelegd aan de colleges van B&W van de 13 gemeenten. Aan de colleges wordt gevraagd om uiterlijk 1 februari 2021 een standpunt te bepalen over dit voorstel.
4
Vervolgstappen Communicatie: De medewerkers en de uitvoeringsorganisaties kunnen worden geïnformeerd over dit plan. Nu de portefeuillehouders akkoord zijn dat het naar de colleges gaat, kunnen de uitvoeringsorganisaties ook op de hoogte worden gebracht. Er zal actief en intensief worden gecommuniceerd met iedereen die onderdeel uitmaakt van de samenwerking in het sociaal domein. Implementatie: Samen met het PMO, de medewerkers en de uitvoeringsorganisaties zal de huidige projectleider een implementatieplan gaan opstellen. Als er groen licht is van de colleges, kunnen we met het implementatietraject gaan beginnen.
5