CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20210126 Raadsbrief Plan van aanpak Grip op de kosten Wmo - bijlage 2

Gemeenteraad 25 februari 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken5.060 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Plan van aanpak ‘Grip op kosten Wmo’ Versie 0.4 9-1-2021

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 – onderzoek en analyse Berenschot..........................................................................................4 1.1 Bevindingen op hoofdlijnen.................................................................................................................. 4 1.2 Geadviseerde maatregelen.................................................................................................................. 4 1.3 Uitvoering van maatregelen in regionale context.................................................................................5 1.4 Het rapport Grip op de Wmo sluit aan op de ingezette lijn van Schouwen-Duiveland..........................6 2. Maatregelen korte en (middel)lange termijn...............................................................................................7 2.1 Aansluiting op actieplan Jeugd............................................................................................................. 7 2.1.1 Maatregelen borgen in de bedrijfsvoering......................................................................................8 2.2 Maatregelen interne organisatie........................................................................................................... 8 2.2 Maatregelen externe organisatie........................................................................................................

10 2.3 Monitoring voortgang.......................................................................................................................... 11 2.4 Capaciteit en planning....................................................................................................................... 12

Inleiding In 2015 heeft de gemeente er een groot takenpakket bijgekregen op het gebied van jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en arbeidsparticipatie. Bij de decentralisatie van taken heeft het Rijk alvast flinke efficiencykortingen toegepast. De gedachte was dat de lokale overheid beter in staat is vroeg te signaleren waar hulp nodig is, waardoor minder dure trajecten toereikend zijn. Door een integrale aanpak, het inzetten van het eigen netwerk van inwoners en het versterken van voorliggende, algemene voorzieningen, zouden de alsmaar groeiende zorgkosten kunnen worden ingeperkt. De eerste jaren heeft de gemeente Schouwen-Duiveland een overschot gehad op het Wmo-budget. De laatste twee jaar is het overschot echter veranderd in een tekort. Door sterk stijgend gebruik van Wmo-maatwerkvoorzieningen zien we de afgelopen jaren de kosten steeds verder toenemen. Dit gegeven is voor ons aanleiding geweest om een actieplan ‘Grip op kosten Wmo’ te ontwikkelen. Om de goede keuzes te maken in de aanpak hiervan, is het nodig goed zicht te hebben op de oorzaken van de stijgende uitgaven en wat consequenties zijn. En ook om te weten op welk aandeel in de kostentoename we als gemeente invloed kunnen uitoefenen en waar niet of maar beperkt.

Verschillende invloeden binnen de Wmo maken dit lastig, zoals de demografische ontwikkeling, het abonnementstarief, strenger Rijksbeleid op intramurale zorg en strenger beleid bij de Wet langdurige zorg waardoor inwoners sneller voor hulp bij de gemeente terechtkomen, plus nieuwe decentralisaties als de WvGGZ en Beschermd Wonen. Dit alles maakt het ingewikkeld om realistische verwachtingen uit te spreken in financiële zin. Met het actieplan ‘Grip op kosten Wmo’ hebben we nu een plan opgeleverd waarmee de uitgaven worden teruggedrongen. We maken inzichtelijk hoe we de kosten terug kunnen dringen en/ of kunnen beheersen. Focus daarbij is dat er een duurzaam financieel perspectief is en ondersteuning beschikbaar blijft voor degenen die dit het hardst nodig hebben. Bij de begrotingsbehandelingen 2020-2023 heeft de gemeenteraad het amendement ‘Transformatie Sociaal Domein’ aangenomen. De strekking van het amendement gericht op de bestuursopdracht ‘aanpak tekorten jeugdhulp’ nemen we mee in deze bestuursopdracht, zodat de aanpak:  resulteert in het terugdringen van de tekorten in de Wmo  concrete beleidsdoelen oplevert (incl. doorrekeningen) om dat te bereiken De voortgang van de aanpak wordt via raadsbrieven en de managementrapportage sociaal domein met de gemeenteraad gecommuniceerd.

Met het vaststellen van dit actieplan hebben we op de drie grote decentralisaties een plan liggen om de kosten te beheersen en terug te dringen. Eerder is namelijk al een aanpak tekorten Jeugd vastgesteld en voor de Participatiewet is dit vastgelegd in de hoofdlijnennotitie Participatiewet. Leeswijzer Hierin kunt u op hoofdlijnen lezen voor welke aanpak we kiezen, wat onderzoek ons heeft opgeleverd, welke keuzes we maken en wat dat financieel en inhoudelijk moet opleveren. Hoofdstuk 1 gaat in op het gezamenlijke onderzoek in de Oosterschelde-regio wat we in SWVO-verband hebben opgeleverd en hoe we hier gezamenlijk mee verder gaan. Hoofdstuk 2 borduurt voort op dit onderzoek en bevat de onderdelen waarop wordt ingezet om de beoogde doelstellingen uit de bestuursopdracht te halen. Deze aanpak is vanuit de eigen organisatie geschreven, waarin we de regionale maatregelen geïntegreerd hebben. We laten per maatregel zien hoe deze correspondeert met de geadviseerde maatregelen uit het eindrapport van Berenschot ‘Grip op de Wmo’.

Hoofdstuk 1 – onderzoek en analyse Berenschot Berenschot heeft een onderzoek opgeleverd dat inzicht geeft in de stijging van de kosten en concrete maatregelen waarmee we deze stijging kunnen beheersen en terugdringen. Dit is gedaan door onderzoek van de bestaande beleidsdocumenten, beschikbare data, naar de uitvoeringskosten, gesprekken met bestuurders, toegang- en beleidsmedewerkers, cliëntvertegenwoordigers, zorgaanbieders en op basis hiervan het doorlichten van enkele casussen. In dit hoofdstuk laten we de resultaten en maatregelen op hoofdlijnen zien. Daarbij maken we inzichtelijk dat het rapport aansluit bij de door ons ingezette werkwijze.

1.1 Bevindingen op hoofdlijnen 

 

De kosten en aantallen cliënten stijgen fors. Voor Schouwen-Duiveland zijn de kosten per inwoner van € 103,- in 2017 gestegen naar € 158,- in 2019. Dit wordt veroorzaakt door een vergrote vraag door het abonnementstarief en de vergrijzing. Het abonnementstarief heeft gezorgd voor een claimcultuur op zorg. Qua vergrijzing geeft Berenschot aan dat wij in 2035 in Zeeland rekening moeten houden met een verdubbeling van het aantal 85-plussers. De tarieven zijn marktconform, de gemiddelde zorginzet en intensiteit van de afgegeven zorg varieert per gemeente. Dit laatste kan te maken hebben met de sociaal-economische en demografische verschillen per gemeente. Een ander inzicht is dat de gemeenten beperkte beleidskaders hebben waardoor er ruimte is voor de interpretatie van af te geven zorg en in de toekenning ruimte is voor subjectieve afwegingen. Tot slot constateren de onderzoekers dat er stapeling van zorg lijkt te zijn en dat er door de combinatie van voorzieningen, beter op elkaar aangesloten kan worden. Volgend op bovenstaand punt wordt geconstateerd dat voorliggende voorzieningen nog onvoldoende deel uitmaken van de oplossing. Dit komt deels doordat consulenten lokaal onvoldoende zichtbaar zijn waardoor de kennis en aansluiting van het voorliggend veld onvoldoende is. Ook sluit een deel van de voorliggende voorzieningen niet aan op de vraag.

Aanbieders worden onvoldoende uitgedaagd om cliëntdoelen te realiseren. Er wordt onvoldoende gestuurd op de voortgang en doelen van het afgegeven ondersteuningsaanbod. Dit wordt onderkent door de zorgaanbieders. De financiële schaarste is niet overal voelbaar. Onder inwoners is een claimcultuur op zorg ontstaan en consulenten zijn onvoldoende toegerust om eigen handelen in beeld te kunnen brengen (afgegeven beschikkingen, kosten etc.). De cijfermatige inzichten zijn beperkt. Geconstateerd wordt dat de huidige sturingsinformatie onvoldoende informatie biedt voor gerichte sturing. De uitvoeringskosten zijn ten opzichte van het gemiddelde relatief hoog voor de Oosterschelderegio (+14%). Als Schouwen-Duiveland zitten we aan de bovenkant in onze regio.

De verdieping van deze informatie is te vinden in het rapport ‘Grip op de Wmo’. Opgenomen als bijlage bij dit actieplan.

1.2 Geadviseerde maatregelen De concrete maatregelen die zijn geformuleerd komen voort uit het leidende principe in het onderzoek: terug naar de bedoeling van de Wmo. Kort gezegd betekent dit 'vanuit eigen verantwoordelijkheid leven, elkaar naar vermogen bijstaan en waar nodig ondersteuning met professionele zorg.' De concrete maatregelen die geadviseerd worden, zijn: 

Doe als gemeenten een groter en nadrukkelijker beroep op draagkracht van inwoners. Inwoners worden in het aanvraagproces gevraagd naar hun eigen mogelijkheden om hun ondersteuningsvraag op te lossen. Berenschot adviseert hier verder in te gaan door de cliënten nadrukkelijk te vragen naar hun mogelijkheden om wat terug te doen naar de samenleving voor het beroep dat ze doen op de draagkracht van de gemeente. Op deze manier wordt duidelijk dat een beroep doen op de

 

gemeentelijke draagkracht niet (langer) vanzelfsprekend is en dat je samen met inwoners zoekt naar een manier om het systeem in stand en betaalbaar te houden. Voer een communicatieboodschap door in alle geledingen gericht op de beperkte gemeentelijke middelen en maak kosten van de voorzieningen transparant voor zorgaanbieder, inwoner en consulent. Zet consulenten gebieds- en kerngericht in. Hiermee wordt kennis over voorliggende voorzieningen en binding met de samenleving versterkt. Dit brengt de consulent naar de essentie van hun vak: samen met inwoners zoeken naar lokale mogelijkheden om hun zorgvraag te beantwoorden. Creëer meer algemene voorzieningen zodat het gebruik van maatwerkvoorzieningen kan afnemen. Concreet wordt voorgesteld om individuele begeleiding beschikbaar te stellen als algemene voorzieningen met de inzet van maatschappelijk werkers. Ervaring uit andere gemeenten leert dat begeleiding sneller opgestart kan worden, meer ondersteuningsvragen opgepakt kunnen worden en tegen lagere kosten (trajecten duren minder lang en zijn minder intensief). Ga over tot doelgericht beschikken, maak resultaatafspraken met zorgaanbieders en evalueer deze consequent. Dit zorgt ervoor dat de ondersteuning minder vrijblijvend is en aanbieders nadrukkelijk worden gestimuleerd om doelen te realiseren. Daarnaast ontstaat er een zakelijkere houding tussen consulenten en aanbieders.

Wanneer aanbieders onvoldoende in staat zijn om de gewenste doelen te realiseren dan moet dit onderdeel zijn van het contractmanagement. Stel consulenten beter in staat om te kunnen afschalen naar minder zware zorg. Door meer informatie en betere kaders te geven over de intensiteit van de verschillende producten, bekendheid met voorliggende voorzieningen te vergroten en het proces tot afgeven van zorg beter in zicht te brengen is het mogelijk om verhoudingsgewijs minder zware zorg de komende jaren in te zetten. Het blijft dan mogelijk om de inwoner nog steeds passende zorg te bieden, maar dan wel tegen lagere kosten. Bekijk gericht de duurdere casussen op stapeling van zorg en of de ondersteuningsvraag niet thuishoort in de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg. Overweeg een andere wijze van contracteren en afspraken met zorgaanbieders (o.a. verbod op marketing). De bovenstaande maatregelen zijn alleen uit te voeren met medewerking van de zorgaanbieders en daarover concrete afspraken te maken. Tevens wordt geadviseerd met budgetplafonds te werken, zodat zorgaanbieders gestimuleerd worden na te denken over o.a. tussentijds afschalen. Beter inzicht en meer cijfermatige sturing (datagedreven werken). Berenschot sluit het onderzoeksrapport af met een hoofdstuk over hoe dit vorm te geven. Advies is klein te beginnen en eerst de basisadministratie goed in beeld te brengen.

Alle maatregelen samen bieden een besparing van mogelijk € 550.000,- in 2021 tot bijna € 900.000,- in 2025. Hierbij is geen rekening gehouden met het feit dat alle maatregelen tezamen elkaar kunnen beïnvloeden en zijn de berekeningen gebaseerd op de aantallen van 2019. Een groei van het aantal cliënten door de vergrijzing doet een deel van deze besparing teniet. In de gemeentelijke begroting is al een taakstelling opgenomen voor de Wmo van € 156.000,-. De mogelijk te besparen bedragen vanuit het onderzoeksrapport zijn op te vatten als bedragen met een bepaalde bandbreedte, inclusief de taakstelling.

1.3 Uitvoering van maatregelen in regionale context Op basis van het eindrapport ‘Grip op de Wmo’ is Berenschot gevraagd een procesvoorstel met projectstructuur uit te werken op basis waarvan de zeven gemeenten in gezamenlijkheid de maatregelen kunnen uitvoeren. Het Algemeen Bestuur heeft op dit voorstel besloten deels centrale en deels lokale uitvoering en sturing, afhankelijk van de te nemen maatregelen. Deze structuur gaat ervan uit dat binnen een centrale projectgroep de kaders en monitoring worden georganiseerd, maar dat het mandaat en de sturing bij de individuele gemeenten ligt. Concreet betekent dit dat elke gemeente zelfstandig aan de slag gaat met de maatregelen en hiervoor intern één verantwoordelijke projectleider benoemen. Deze projectleider kan vervolgens deel uitmaken van een centrale projectgroep om op deze manier zoveel mogelijk integraliteit te waarborgen. Per combinatie van maatregelen wordt een projectstructuur gevormd, waarbij de projectleiders aan de slag gaan met het realiseren van de maatregelen. Een afgevaardigde van de projectgroep stuurt aan. Maatregel 1 wordt centraal voorbereid, waarbij een van de individuele gemeenten de implementatie

verzorgt. Maatregelen 2, 3 en 4 worden op het niveau van de verschillende toegangsorganisaties uitgevoerd. Maatregelen 5 en 6 worden centraal door het SWVO uitgevoerd en geïmplementeerd. Onderstaand figuur schetst de projectstructuur.

Projectopdracht De projectopdracht is het implementeren van alle maatregelen uit het adviesrapport Grip op de Wmo. Vanzelfsprekend kunnen individuele gemeenten kunnen (op onderdelen) afwijkende keuzes maken. Voordat de opdracht start dient er zowel bestuurlijk als politiek draagvlak te zijn voor de beschreven opgaven per gemeenten. De som van de opgaven van de gemeenten vormt de integrale projectopdracht.

1.4 Het rapport Grip op de Wmo sluit aan op de ingezette lijn van Schouwen-Duiveland Wij herkennen de voorgestelde maatregelen uit het rapport ‘Grip op de Wmo’ als noodzakelijk en uitvoerbaar. De maatregelen sluiten aan op acties die wij zelf lokaal al in gang gezet hebben:

Advies Voer een communicatieboodschap door in alle geledingen gericht op de beperkte gemeentelijke middelen en maak kosten van de voorzieningen transparant voor zorgaanbieder, inwoner en consulent.

Ingezette lijn Schouwen-Duiveland 

Campagne 'Veilig en schoon'; waarmee inwoners gestimuleerd worden zaken in en rondom het huis voor eigen gezondheid en veiligheid zelf op orde te brengen. De nieuwe Wmo-verordening bevat nadere regels die consulenten helpen om strakker te sturen op het beschikken van

Zet consulenten gebieds- en kerngericht in.

Creëer meer algemene voorzieningen zodat het gebruik van maatwerkvoorzieningen kan afnemen

Ga over tot doelgericht beschikken, maak resultaatafspraken met zorgaanbieders en evalueer deze consequent.

Stel consulenten beter in staat om te kunnen afschalen naar minder zware zorg.

Beter inzicht en meer cijfermatige sturing (datagedreven werken).

huishoudelijke hulp De Wmo-consulenten zijn toegewezen aan twee gebieden op SchouwenDuiveland: West en Oost. De programmabegroting 2021-2024 bevat een vraag tot uitbreiding van het opbouwen jongerenwerk met voorbehoud van uitgewerkte businesscase. De nieuwe Wmo-verordening bevat de mogelijkheid om over te gaan tot doelgericht beschikken. Consulenten volgen dit najaar een training. Wmo-consulenten werken met het afwegingskader begeleiding dat helpt om strakker te sturen en we zien de eerste resultaten in de dalende kosten voor begeleiding in 2020. We werken binnen de bureaudienst met een vaste set medewerkers die bij aanmelding tot zorg onderzoeken of een oplossing in eigen netwerk of via een voorliggende voorziening voorhanden is. We werken met een data-analist vanuit de bestuursopdracht 'Monitor Sociaal Domein'

Tot slot, we ontwikkelen momenteel een plan dat zich erop richt om een forse kwaliteitsslag te maken binnen het Loket Samenleving en Zorg (zie ook programmabegroting 2021-2024). Het loket is cruciaal om de kosten te beheersen in het sociaal domein, dat wijst ook dit onderzoek weer uit. De extra capaciteit voor het uitvoeren van de door Berenschot geadviseerde maatregelen wordt binnen dit plan opgevangen. Op onderdelen is dit plan al in uitvoering zoals via trainingen, vereenvoudigen van administratieprocessen en wegwerken van de wachtlijst bij het Loket Samenleving en Zorg.

2. Maatregelen korte en (middel)lange termijn Op basis van de bestaande bestuursopdracht en het nu afgeronde rapport ‘Grip op de Wmo’ gaan we in dit hoofdstuk over tot het formuleren van maatregelen. We maken een koppeling met het actieplan Jeugd en gaan daarna over tot het formuleren van concrete maatregelen. We maken hierbij, net als in het actieplan Jeugd, onderscheid in maatregelen voor de interne en externe organisatie. In de bijlage bij dit actieplan is de planning hiervan opgenomen.

2.1 Aansluiting op actieplan Jeugd Uiteraard is de wetgeving en gemeentelijke verantwoordelijkheden voor de Wmo niet hetzelfde als bij de Jeugd. Wij zien wel belangrijke aanknopingspunten in het actieplan Jeugd waar we samen in gaan optrekken. Allereerst delen wij de conclusie in het actieplan Jeugd: De conclusie is dat sturing gericht moet zijn op het beheersen van de instroom …. De mogelijkheden van de gemeente om deze instroom te beïnvloeden kan bereikt worden:  via de eigen toewijzingen;  via het vergroten van het aanbod vrij-toegankelijke hulp (rapport Berenschot: algemene voorzieningen)  door het versterken van het voorliggende veld;  via het inkoopkader (in het geval van Wmo binnen SWVO). De inzet van het actieplan Wmo bevat op eigen wijze ook bovenstaande onderdelen. Op twee onderdelen willen we aansluiten en dit samen oppakken:

-

Intensiveren samenwerking met huisartsen Positionering van het toegangsteam

2.1.1 Maatregelen borgen in de bedrijfsvoering Om de maatregelen structureel te borgen, zetten we in op het optimaliseren van onze bedrijfsvoering. Dat doen we aan de hand van acties op diverse managementgebieden: 1. Governance gericht op aansturing, verantwoordelijkheid, samenwerking zowel intern als extern 2. Beleid gericht op vertalen van provinciaal/lokaal beleid naar operationeel niveau en van operationeel niveau naar provinciaal/lokaal beleid 3. Primair proces gericht op o.a. borgen kwaliteitssysteem, naleving afspraken, goede registraties en processen 4. Planning & Control gericht op management- en bestuursrapportages, financiën 5. ICT gericht op opschonen data en bijdrage aan datagedreven werken 6. HRM gericht op capaciteit en bedrijfsvoering binnen het Loket Samenleving en Zorg (LSZ) De acties zijn nodig voor de borging en beter om in te kunnen spelen op toekomstige ontwikkelingen. Belangrijk is dat de organisatie voldoende flexibel is om in de toekomst veranderingen aan te kunnen. Een belangrijk onderdeel hierin is de oplevering van de nieuwe Wmo-verordening. De noodzaak is toegenomen om daar waar mogelijk de inwoner te wijzen op zijn eigen verantwoordelijkheid om daar waar mogelijk eigen oplossingen te vinden en een - dure- maatwerkvoorziening te voorkomen.

De nieuwe verordening kan beter ingezet worden als handvat voor de toegang om kosten te besparen en het kostenbewustzijn van inwoners te vergroten.

2.2 Maatregelen interne organisatie Deze paragraaf bevat de maatregelen die zich richten op onze eigen toewijzingen van Wmovoorzieningen. Onze eigen lokale toegang verzorgt het verstrekken van maatwerkvoorzieningen door het beoordelen van aanvragen en afgeven van beschikkingen. In dit proces is aandacht nodig voor het verstrekken van passende zorg bij de zorgvraag van inwoners. De maatregelen in deze paragraaf zijn er op gericht om de uitvoering handvaten te geven om dit goed uit te voeren en waar nodig de intensiteit van de afgegeven zorg te verminderen. We doen dit met maatregelen die we op de korte termijn uitvoeren en maatregelen die we voor de (middel)lange termijn nemen. Tot slot houden we rekening de opgave die het Loket Samenleving en Zorg heeft voor de benodigde kwaliteitsslag en doorontwikkeling Maatregel 1: Implementatie van verordening in beschikkingsproces In het rapport van Berenschot ‘Grip op de Wmo’ is geconstateerd dat in het algemeen gemeenten in de Oosterschelderegio consulenten ontbeert aan voldoende kaders bij het beoordelen afgeven van een maatwerkvoorziening. Deze kaders dienen voor een juiste afweging van een juiste intensiteit van zorg voor de inwoner. Met het aanpassen van de verordening hebben wij hier al vooruitlopend op ingespeeld. Dat betekent dat we de volgende stappen gaan zetten: 1.

We richten het beschikkingsproces voor huishoudelijke hulp strakker in. Dit doen we in vervolg op de nadere regels uit de Algemene Bijlage van de nieuwe verordening. Hiermee kunnen consulenten de hoeveelheid en intensiteit van de af te geven beschikkingen tot Huishoudelijke Hulp beter reguleren. 2. Afschalen van zware maatwerkvoorzieningen naar lichte maatwerkvoorzieningen bij nieuwe indicaties en herindicaties begeleiding en dagbesteding. Samen met de aangepaste verordening en het bestaande afwegingskader begeleiding richten we het beschikkingsproces zo in dat consulenten de handvatten krijgen die Berenschot ons adviseert om deze maatregel uit te voeren.

Belangrijk Om de implementatie van de verordening te laten slagen is het van belang dat we in 2021 gericht met de zorgaanbieders in gesprek gaan. Gezamenlijk doel hierin is: hoe regelen we samen met de inwoner de zorg thuisnabij? Deze inzet valt samen met maatregel 5. Volgens berekening van Berenschot levert deze inzet geschat de volgende besparingen op (tweede kolom geeft aan welke lokale maatregel samenvalt met Berenschot-maatregelen): Maatregel SD Maatregel 2021 2022 2023 2024 2025 Berenschot 1.1 2 € -15.658 € -31.316 € -46.974 € -46.974 € -46.974 1.2 4 € -13.435 € -70.888 € -124.622 € -177.901 € -189.639 Beide maatregelen worden uitgevoerd binnen het regionale traject van SWVO via centrale opzet en decentrale uitvoering, zoals in paragraaf 1.4 uitgewerkt. Maatregel 2: gerichte aanpak duurdere casussen Berenschot concludeert dat de relatief dure casussen niet altijd overal even goed in beeld zijn geweest. Dit komt deels door de beperkte cijfermatige inzichten en anderzijds doordat er onvoldoende tijd en ruimte was om te zoeken naar integrale oplossingsmogelijkheden. In de analyse van Berenschot is gebleken dat op verschillende situaties onnodig ondersteuning wordt toegewezen en/of dat er sprake is van onnodige stapeling. We ondernemen hierin de volgende stappen: 1.

We beoordelen opnieuw de relatief duurdere casussen (boven de € 10.000,- per jaar á … stuks) en beoordelen tegelijkertijd of de ondersteuningsvraag niet beter aansluit bij de Wet Langdurige Zorg of Zorgverzekeringswet. Berenschot schat in dat een zo’n 1% van de cliënten overgezet kunnen worden naar WLZ of Zvw. 2. We onderzoeken onder 1 ook stapeling van zorg en starten hierbij met casussen waarin begeleiding of dagbesteding met huishoudelijke hulp is afgegeven en bekijken hierin de mogelijkheden of de maatwerkvoorziening huishoudelijke zorg met begeleiding (HZib). 3. We maken gebruik van het ICT-instrument Wmo-signaal dat ons helpt te signaleren of er sprake is van dubbeling in WLZ en Wmo-zorg. We voeren een analyse uit op de dossiers. 4. Tot slot, leert ons de praktijk uit de uitvoering dat op het niveau van duurdere casussen we regelmatig geconfronteerd worden met het feit dat de inwoner deze zorg nu eenmaal nodig heeft en dat dit in het leven van de inwoner naar verwachting niet meer veranderd. Een mogelijkheid om hier wel beweging in te brengen is anders te kijken naar de zorgvraag en de oplossing buiten de standaard aanwezige producten te zoeken. In 2021werken we hiervoor een pilot uit die gericht is op onorthodoxe maatregelen én vermindering van zorgkosten én tegelijkertijd beter aansluit op de vraag van de inwoner.

Volgens berekening van Berenschot levert deze inzet geschat de volgende besparingen op (tweede kolom geeft aan welke lokale maatregel samenvalt met Berenschot-maatregelen): Maatregel SD Maatregel 2021 2022 2023 2024 2025 Berenschot 2.1, 2.2, 2.3 6 € -366.757 € -351.543 € -279.773 € -274.697 € -671 De maatregelen worden uitgevoerd binnen het regionale traject van SWVO via centrale opzet en decentrale uitvoering, zoals in paragraaf 1.4 uitgewerkt. Maatregel 2.4 onderzoeken we lokaal. Maatregel 3: formuleren en sturen op realisatie cliëntdoelen Een maatregel die wij direct op kunnen pakken vanwege de hernieuwde verordening waar met een ‘kanbepaling’ is opgenomen dat consulenten over kunnen gaan tot doelgericht beschikking. Deze ‘kanbepaling’ is ingebracht vanwege het feit dat er scholing van medewerkers moet plaatsvinden plus het vervolgens oefenen met het geleerde in de praktijk te brengen. Het eindresultaat van deze maatregel op de middellange termijn is dat we doelgericht beschikken op in ieder geval begeleiding en dagbesteding. Dit betekent dat we zorgen dat de gewenste doelen concreet zijn geformuleerd, dat de voortgang wordt gemonitord en de resultaten geëvalueerd. Dit regelen we via: 1. Training van de medewerkers 2. Implementatie via werkproces 3. Zorgen voor een eenvoudige wijze van monitoring en

4. Oefening in de praktijk 5. Oefening baart kunst: aanpassing van de verordening van kan-bepaling, naar moet-bepaling. Volgens berekening van Berenschot levert deze inzet geschat de volgende besparingen op (tweede kolom geeft aan welke lokale maatregel samenvalt met Berenschot-maatregelen): Maatregel SD Maatregel 2021 2022 2023 2024 2025 Berenschot 3 3 € -57.754 € -133.290 € -206.560 € -277.632 € -346.572 De maatregel wordt uitgevoerd binnen het regionale traject van SWVO via centrale opzet en decentrale uitvoering, zoals in paragraaf 1.4 uitgewerkt.

2.2 Maatregelen externe organisatie Maatregel 4: consulenten raken vertrouwd met voorliggende voorzieningen Het onderzoek van Berenschot leverde ons ook een bevestiging op van een knelpunt in de uitvoering. Wmo-consulenten zijn beperkt bekend met de beschikbare voorliggende voorzieningen en informele netwerken waar gebruik van gemaakt kan worden om de zorgvraag van de inwoner te beantwoorden. Wij hebben daar zelf al stappen in gezet door de consulenten te verdelen over Oost en West SchouwenDuiveland en te gaan werken met een ‘brede melding’ die binnenkomt in de bureaudienst. Hier wordt goed uitgevraagd of alle mogelijkheden in de eigen omgeving en het voorliggende veld zijn benut. Verdere stappen volgen in de komende jaren vanuit de doorontwikkeling van het Loket Samenleving en Zorg. Voor de korte termijn doen we het volgende: 1. Bij een zorgvraag volgt een vooronderzoek door de consulent 2. Dit vooronderzoek richt zich o.a. op de mogelijkheden van voorliggende voorzieningen en het informele netwerk in de omgeving van de inwoner. 3. Om de bekendheid met deze voorzieningen en netwerken te vergroten, hebben wij in 2020 een workshop verzorgd voor de consulenten, zodat ze hier kennis van kunnen nemen en kennis mee gaan maken. 4. De bredere doorontwikkeling van het Loket Samenleving en Zorg zorgt voor een ontwikkeling van intern naar extern.

Implementatie Berenschot-rapport Deze maatregel valt gelijk met de randvoorwaardelijke maatregel 2 uit het rapport Berenschot. We behouden hierin echter onze lokale keuzevrijheid voor een eigen tijdspad en visie op de doorontwikkeling van ons loket Samenleving en Zorg en gaan nog niet voor één integrale visie ‘gebiedsgericht werken’ voor de hele regio. We participeren wel regionaal om zodoende input te leveren en te halen en waar mogelijk voor nu en in de toekomst afstemming te vinden. Maatregel 5: we communiceren beter met inwoner en zorgaanbieder over ons gezamenlijk belang Halverwege dit jaar hebben we de campagne ‘Veilig en Schoon’ gestart. Hiermee informeren we inwoners welke maatregelen ze zelf kunnen treffen om alles in en rondom het huis schoon en veilig te houden en het werk te vergemakkelijken. Een beoogd bij-effect is dat we hierdoor minder maatwerk hoeven in te zetten, bijvoorbeeld minder uren huishoudelijke hulp. Berenschot adviseert ons de financiële schaarste meer onder de aandacht te brengen van de consulenten, inwoners en zorgaanbieders en daarbij een sterker beroep te doen op de eigen mogelijkheden. Vanaf 2021 gaan we deze boodschap versterken en verbreden: 1. We informeren de Wmo-consulenten vanuit onze Monitor Sociaal Domein per maand over gebruik en ontwikkeling van Wmo-maatwerkvoorzieningen in kosten en aantallen cliënten.

Dit doen we bovenop informatie over de voortgang van dit actieplan. 2. We informeren de inwoner en zorgaanbieder in afgegeven beschikkingen over de afgegeven zorg in uren en kosten. We geven hiermee de inwoner ook meer inzicht in de hoeveelheid en kosten van de afgegeven zorg. 3. We werken een breder samenwerkings- en communicatieplan uit om in gesprek te gaan met onze partners als zorgaanbieders, maar ook inwoners, dorpshuizen en Zeeuwland over het hervinden van de balans tussen zorgvraag en beschikbare financiële middelen. We richten ons hierbij op alles wat voorliggend op maatwerk ingezet kan worden op de voorbereiding van inwoners op het ouder worden en het inrichten van de woonomgeving daarop.

a. In de opzet van dit bredere samenwerkings- en communicatieplan trekken we gezamenlijk op binnen SWVO, zoals beschreven in paragraaf 1.4. Binnen maatregel 5 is immers door Berenschot geconcludeerd: “Wij zijn van mening dat een besparing op de gehele Wmo alleen te realiseren is wanneer aanbieders hierbij actief betrokken worden. Wij adviseren daarom om met hen concrete afspraken te maken over de wijze waarop ze bij kunnen dragen aan kostenbesparingen. Op dit moment hebben aanbieders niet het gevoel hierin altijd even serieus genomen te worden. Belangrijk is echter wel dat elk initiatief of project dat in staat moet stellen om kosten te besparen, ook onderbouwd moet worden aan de hand van een financiële businesscase.” b. Dit is inclusief het voorstel van Berenschot om het wederkerigheidsprincipe uit te werken naar een concept waarin van iedere inwoner bij aanvraag van zorg en ondersteuning gevraagd wordt wat terug te doen voor de samenleving. 4. In het eindrapport ‘Grip op de Wmo’ is de maatregel opgenomen tot het instellen van budgetplafonds en een verbod op marketing. Deze maatregel onderzoeken we in SWVO-verband, zoals weergegeven in paragraaf 1.4. De besparingsmaatregel van Berenschot is berekend op het instellen van budgetplafonds en verbod op marketing. Maatregel SD 5

Maatregel Berenschot 5 + randvoorw #3

2021

2022

2023

2024

2025

€-

€ -53.362

€ -106.190

€ -158.490

€ -210.266

De maatregel wordt uitgevoerd binnen het regionale traject van SWVO via centrale opzet en decentrale uitvoering, zoals in paragraaf 1.4 uitgewerkt. Naast onderzoek en uitvoering van het instellen van budgetplafonds en marketing is de inzet op communicatie en samenwerking met zorgaanbieders van belang. In de opzet van alle maatregelen in regionale context dient hier nadrukkelijk aandacht voor te zijn. Maatregel 6: innoveren op kleine schaal In 2021 werken we twee ideeën verder uit, een andere pilot is al gestart: 1. We onderzoeken de mogelijkheden van opslag en hergebruik van kleinere hulpmiddelen. Hiervoor zoeken we een samenwerkingspartner die ons kan helpen in opslag en hergebruik van dit materiaal. 2. We werken samen met Eilandzorg de businesscase ‘collectieve voorzieningen voor huren met zorg’ uit. Samen met Eilandzorg ontwikkelen we een businesscase waarin een zorgcomplex de totale zorg met elkaar deelt (zoals een scootmobiel en huishoudelijke hulp). We verwachten hiermee efficiëntie en kosten te besparen. 3. WijkSamen: Tijdens de pilot worden in de wijk of in het dorp wijkhulpen ingezet die kunnen inspringen wanneer een bewoner tegen een acuut huishoudelijk probleem aanloopt, die hij of zij niet opgelost krijgt.

Tijdens de pilot ondersteunt de HZ University of Applied Sciences met het monitoren of wijkbewoners geholpen worden door de inzet van de wijkhulp, naar wie ze doorverwezen worden, of er voldoende informele hulp aanwezig is in de wijk en of met informele hulp voldoende kan worden ondersteund zodat er geen maatwerkvoorziening binnen de Wmo nodig is. Op eigen kracht of soms met enige ondersteuning kan vaak een oplossing dichtbij gevonden worden. De pilot duurt één jaar.

2.3 Monitoring voortgang Om te kunnen sturen op de voortgang en resultaten inzichtelijk te maken van uitvoering tot en met bestuur is monitoring noodzakelijk. Hiervoor hebben wij zelf de bestuursopdracht Monitor Sociaal Domein lopen. Deze richt zich in eerste instantie op het inzichtelijk maken van de bedrijfsvoering. Wat betreft de monitoring van de maatregelen participeren we in de regionale opzet met onze eigen data-analist, zodat we vanaf het begin de effecten kunnen volgen.

2.4 Capaciteit en planning Op basis van onderstaande projectstructuur wordt vanuit de regionale aanpak een onafhankelijke projectmanager aangesteld, bekostigd uit regionaal innovatiebudget.

De inzet van projectleiders en medewerkers van deze projectgroepen wordt opgebouwd vanuit de beschikbare capaciteit bij gemeenten en SWVO. Als gemeente hebben we voldoende capaciteit om regionaal te participeren en lokaal uit te voeren. Afhankelijk van verdere regionale afstemming is nog niet bekend waar onze medewerkers op ingezet worden. Het projectteam lokaal bestaat uit: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Strategisch beleidsmedewerker / Senior beleidsmedewerker Wmo – Projectleider Twee beleidsmedewerkers Wmo Procesregisseur Kwaliteitsmedewerker Data-analist Communicatieadviseur

Dit projectteam rapporteert de voortgang aan de stuurgroep Sociaal Domein en vervolgens college en gemeenteraad. De financiële resultaten worden meegenomen in de bestaande monitor Sociaal Domein. Planning Verschillende (onderdelen van) maatregelen hebben we al opgestart. Andere maatregelen volgen nog en/ of worden meegenomen via het regionale plan van aanpak. De planning voor 2021 ziet er daarmee grofweg het volgende uit: Wat Opstarten van lokale maatregelen en opstellen van implementatieplannen regionale aanpak Besluitvorming implementatieplannen regionale aanpak Implementatie maatregelen

Wanneer 1 januari tot 30 maart 2021 (verschillende maatregelen vragen een andere voorbereidingstijd) 30 januari tot 15 april 2021 (per plan verschillend) Januari 2020 tot 30 december 2021 (en verder na borging in regulier werkproces)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9679369/1