1639122 Bijlage 4 BOPA - Rapport Quickscan Natuurwaarden onderzoek, Sweco
Tekst van het document
Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
Lijst met aanpassingen Versie
Datum
Beschrijving van de wijziging
Herzien door
Gecontroleerd door
2
07-05-2025
Tekstuele aanpassingen en figuren
Manouk van der Aa
Jim Takahashi
Status van het document:
Definitief Datum:
30-04-2025
Sweco Nederland B.V. Onderwerp
Projectnummer Klant Auteur Gecontroleerd door Vrijgegeven door Datum Versie Documentreferentie
Handelsregister 30129769 quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland 51030301 Gemeente Schouwen-Duiveland Manouk van der Aa Jim Takahashi Olaf Streng 07-05-2025 2 quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
2/36
Inhoudsopgave 1 2
Inleiding ......................................................................................................................... 4 Gebiedsbeschrijving ...................................................................................................... 5 2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ................................................. 5 2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ....... 7
3 4
Onderzoeksmethodiek .................................................................................................. 9 Aangetroffen en te verwachten beschermde soorten ................................................. 10 4.1 Vogels ............................................................................................................... 10 4.1.1 Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) ....................................... 10 4.1.2 Broedvogels (nesten soms jaarrond beschermd) .............................. 11 4.1.3 Overige broedvogels .......................................................................... 11 4.2 Vleermuizen ...................................................................................................... 11 4.3 Overige zoogdieren ........................................................................................... 13 4.4 Reptielen ........................................................................................................... 15 4.5 Amfibieën .......................................................................................................... 15 4.6 Vissen ................................................................................................................ 16 4.7 Ongewervelden .................................................................................................
16 4.8 Planten .............................................................................................................. 17 4.9 Specifieke zorgplicht ......................................................................................... 17
5
Toetsing aan soortenbescherming .............................................................................. 18 5.1 Broedvogels ...................................................................................................... 18 5.1.1 Huismus ............................................................................................. 18 5.1.2 Algemene broedvogels ...................................................................... 18 5.2 Vleermuizen ...................................................................................................... 19 5.3 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën ....................................... 19 5.4 Specifieke zorgplicht ......................................................................................... 20 5.5 Overige soort(groep)en ..................................................................................... 20
6
Toetsing aan gebiedsbescherming ............................................................................. 21 6.1 Natura 2000....................................................................................................... 21 6.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................. 22
7 8
Houtopstanden ............................................................................................................ 23 Samenvatting en conclusies ........................................................................................ 24 GERAADPLEEGDE BRONNEN ......................................................................................... 27 Bijlage 1 Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 ...................................................... 28 Bijlage 2 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland................................................. 30 Bijlage 3 Omgevingswet ................................................................................................ 31 Omgevingswet................................................................................................... 31 Besluit kwaliteit leefomgeving ........................................................................... 32 Besluit activiteiten leefomgeving ....................................................................... 33
3/36
1
Inleiding
Sweco heeft van Gemeente Schouwen-Duiveland opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaardenonderzoek aan de Weelstraat en omgeving te Oosterland.
De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling, sloop en nieuwbouw van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie plantenen diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
4/36
2
Gebiedsbeschrijving
2.1
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 1,9 ha) ligt aan de Weelstraat en omgeving te Oosterland. In figuur 2.1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1
Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een terrein bebouwd met twee basisscholen, een kinderopvang en een sporthal en is gelegen naast een sportterrein. De bebouwing is gelijkvloers en is opgetrokken uit baksteen. De school en school met kinderopvang hebben een plat bitumen dak. De noordelijker gelegen Ds. J. Bogermanschool heeft enkele schuine dakdelen. De sporthal is een wat hoger gebouw, waarbij het bovenste gedeelte en het zadeldak een afwerking hebben van metalen platen. Het terrein bevat meerdere (school)pleinen, parkeerplaatsen, onderhouden groenstroken en aan de noordzijde een trapveldje en daar ten noorden van nog een grasveld. Langs de grasvelden is wat meer ruigte aanwezig. Ten noorden van de onderzoekslocatie zijn nog meer sportvelden aanwezig en daarachter begint het buitengebied met akkerlanden. Hier ligt een smalle watergang tussen. Op 300 meter ten noordwesten is de Rijksweg de N59 gelegen. Ten westen, zuiden en oosten zijn woonwijken gelegen. Dit betreffen voornamelijk rijtjeswoningen en twee-onder-een-kapwoningen met een dakpannen zadeldak.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
5/36
In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek (d.d. 25 april 2025).
Figuur 2.2
Luchtfoto van de onderzoekslocatie.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
6/36
Figuur 2.3 Bomen, struiken en ruigte aan de meest noordoostelijke zijde, kijkrichting zuidoost.
Figuur 2.4 Grasveld en sportveld aan de noordzijde, kijkrichting noordoost.
Figuur 2.5 Grasveld en school midden op het terrein, kijkrichting zuid.
Figuur 2.6 School en sporthal midden op het terrein, kijkrichting west.
Figuur 2.7 Straatbeeld en groen voorzijde school, kijkrichting zuid.
Figuur 2.8 Detailopname open stootvoegen in gevel.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een nieuw schoolgebouw (voor twee scholen) te realiseren in Oosterland; de Oosterburcht en de Bogermanschool (zie figuur 2.9). In de nieuwbouw is ook ruimte voor kinderopvang. Er wordt ook gekeken of er ruimte is voor een gezondheidscentrum op de locatie. De sporthal blijft op de huidige locatie staan. Het is nog niet bekend of er bomen en struiken worden gekapt en welk groen behouden blijft.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
7/36
Figuur 2.9
Voorgenomen inrichting, de voorkeursvariant (bron: Gemeente Schouwen-Duiveland, d.d. 23-4-2025).
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
8/36
3
Onderzoeksmethodiek
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie.
Het veldbezoek is afgelegd op 25 april 2025. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.
Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zeeland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd.
De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Volgens de aanvrager heeft er op de onderzoekslocatie eerder een ecologisch onderzoek plaatsgevonden: een quickscan Wet natuurbescherming door Blom Ecologie (d.d. 27 juli 2023).
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
9/36
4
Aangetroffen en te verwachten beschermde soorten
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
4.1
Vogels
4.1.1
Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn en hierdoor een jaarrond beschermde status hebben. Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF uitvoerportaal zijn er in de afgelopen 5 jaar in een straal van drie kilometer de volgende (categorie 1-4 jaarrond) beschermde vogelsoorten aangetroffen: huismus, gierzwaluw, kerkuil, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief, ooievaar en slechtvalk.
De huismus is een koloniebroeder die sterk gebonden is aan menselijke activiteit. De broedplaatsen zijn vrijwel altijd in of rondom bebouwing. Vaak bouwen ze de nesten onder dakpannen of in kieren en gaten in muren. Deze nesten worden meerdere jaren gebruikt. De bebouwing moet wat rommelig en divers zijn, wil de huismus het zien als geschikte nestlocatie. Op de onderzoekslocatie is geen geschikte bebouwing aangetroffen die mogelijkheid biedt voor een verblijfplaats door het ontbreken van dakpannen en andere geschikte openingen. Hiernaast hebben huismussen groen in de vorm van hoge groenblijvende planten als hagen nodig binnen 100 à 200 meter rond de broedplek. De onderzoekslocatie bevat ruigte, bomen, hagen en struiken welke geschikt zijn als leefgebied voor de soort. Tijdens het veldbezoek (uitgevoerd in het broedseizoen van de huismus als eerste huismusronde) zijn meerdere individuen op de planlocatie aangetroffen. Deze kwamen van de daken van de naast gelegen huizen. Deze huizen zijn geschikt als broedlocatie, maar hebben niet allemaal een groene voortuin. Deze huismussen gebruiken het plein en het groen op de planlocatie als foerageerlocatie en kwetterplek. De huismussen kunnen de struiken en hagen ook gebruiken als rust- en schuilplek. Nader onderzoek naar het functioneel leefgebied van de huismus wordt derhalve noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 5).
De gierzwaluw broedt doorgaans onder nissen van daken, onder (overhangende) kant- en nokpannen en in andere geschikte openingen op en rondom het dak of in de gevel. Gierzwaluwen hebben een vrije in- en uitvliegroute nodig met betrekking tot de nestlocatie met een minimale ruimte van drie meter diep en één meter breed. Er zijn geen geschikte ruimtes waargenomen onder het dak waar mogelijk een nestlocatie van de gierzwaluw aanwezig kan zijn. Nader onderzoek naar nestlocaties van de gierzwaluw wordt niet noodzakelijk geacht.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
10/36
De kerkuil heeft een voorkeur voor halfopen tot open landschap, veelal in het boerenland. Ze vestigen zich graag in gebouwen zoals schuren of kerktorens. Daar zoekt de kerkuil rustige, donkere schuilhoekjes als nestplaats. Vanwege het ontbreken van geschikte bebouwing zijn er geen kerkuilen te verwachten op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de kerkuil wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en zijn roofvogels die hoofdzakelijk broeden in bossen of halfopen landschappen, maar ook in (stads)parken en soms in solitaire bomen. De nesten bevinden zich vaak midden hoog tot hoog in een boomkruin of nestkast, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. De nesten bevinden zich meestal minimaal op zes meter hoogte vanaf de grond. De bomen op en in de omgeving van de onderzoekslocatie zijn te klein in omvang om te fungeren als geschikt broedhabitat voor deze soorten. Deze bomen zijn tijdens het veldbezoek tevens geïnspecteerd op de aanwezigheid van (grote) nesten die potentiële nestlocaties zijn of bieden aan deze roofvogels. Grote nesten zijn niet aangetroffen in de bomen. De onderzoekslocatie en omgeving biedt marginaal geschikt leef- en foerageerhabitat wegens de hoge bebouwingsdichtheid en gebruik als sport- en speelterrein. In de wijdere omgeving is meer leef- en foerageergebied aanwezig van betere kwaliteit. Hierdoor is het niet aannemelijk dat de onderzoekslocatie en directe omgeving een beschermde functie vervult voor deze roofvogelsoorten. Nader onderzoek naar deze soorten wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
De slechtvalk en ooievaar broeden op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens, fabrieksschoorstenen, hoogspanningsmasten of speciale palen voor ooievaars. Gezien het ontbreken van dit type habitat op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten op voorhand worden uitgesloten.
4.1.2
Broedvogels (nesten soms jaarrond beschermd)
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals de zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding op dit punt te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
4.1.3
Overige broedvogels
De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, heggemus en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
4.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
11/36
Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. Voorbeelden van dit soort openingen zijn; ruimte onder loodslabben, openingen onder de kantpannen, open stootvoegen en openingen in de schoorsteen, achter raamluiken of de wat bredere kieren rondom raamkozijnen. De scholen op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen (open stootvoegen) die toegang verlenen tot de spouwmuren. Tevens is er ruimte langs de dakranden, boeiboorden en betimmeringen waar de vleermuizen gebruik van kunnen maken. De bebouwing is daardoor geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en individuele winterverblijfplaats. De sporthal zelf is niet geschikt voor vleermuizen door het ontbreken van geschikte openingen.
De scholen op de onderzoekslocatie zijn niet geschikt als massawinterverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis. Doordat de scholen gelijkvloers zijn en er geen onverwarmde of ongebruikte ruimtes aanwezig zijn, ontbreekt een voldoende warmtebuffering en temperatuurgradiënt om geschikt te worden geacht als massawinterverblijf. De geschiktheid van de scholen op de onderzoekslocatie voor vleermuissoorten is weergegeven in tabel 4.1. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen is niet uit te sluiten. Nader onderzoek naar de genoemde verblijfsfuncties en vleermuissoorten is noodzakelijk (zie hoofdstuk 5).
Tabel 4.1 Potentiële functies van de scholen voor vleermuissoorten. Soort
Zomerverblijf
Kraamverblijf
Paar/baltsverblijf
Gewone dwergvleermuis
x
x
x
Ruige dwergvleermuis
x
n.v.t.
x
n.v.t.
Laatvlieger
x
x
x
n.v.t.
x
n.v.t.
x
n.v.t.
Meervleermuis
x (satellietverblijf)
Gewone grootoorvleermuis
x
x
Massawinterverblijf
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen (watervleermuis) uit te sluiten.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
12/36
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. Het mogelijke verlies van foerageerhabitat door de voorgenomen ingrepen in de onderzoekslocatie is relatief klein, omdat het grootste gedeelte van het groen blijft behouden. De plannen zullen geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft het water en bosrijke gebied ten zuiden van de Hofweg en de groenstrook ten noorden van de onderzoekslocatie. Wel wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie rekening te houden met foeragerende individuen op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving. Indien werkzaamheden plaatsvinden in de uren voor of na zonsopkomst en/of zonsondergang wordt het aanbevolen om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting. Door gebruik te maken van amberkleurig licht, weggericht van de omgeving, laaggeplaatste verlichtingsarmaturen en verlichtingsarmaturen die naar beneden schijnen wordt zo min mogelijk strooilicht veroorzaakt. Hiermee wordt verstoring van foerageergebieden voorkomen.
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Indien de bomenrij helemaal ten noord-/noordoosten van de onderzoekslocatie behouden blijft en daar rekening wordt gehouden met vleermuisvriendelijke verlichting, dan zal dit lijnvormige element op de onderzoekslocatie, wat als potentiële vliegroute kan fungeren, niet verstoord worden.
4.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten.
Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bunzing, wezel, hermelijn, haas, konijn en Noordse woelmuis.
De bunzing, wezel en hermelijn (kleine marterachtigen) komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De bunzing komt voor in kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie. Voor deze soort vormen dorpen en buitenwijken van steden ook geschikt leefgebied. Als dagrustplaats worden voornamelijk bestaande holen gebruikt, zoals konijnenholen en holen van bijvoorbeeld muskusrat. Ook takken- en steenhopen, duikers en rommelschuurtjes worden als dagrustplaats gebruikt. In de winter zoeken bunzingen vaak warmere plekken op, zoals hooi- en strobalen. De hermelijn komt voor in verschillende landschappen en stelt als enige eis dat voldoende dekking aanwezig is om in te schuilen. De wezel leeft bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap. Deze soort zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook worden oude holen van muizen, ratten en konijnen bewoont door de wezel. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. Kleine marterachtigen, zoals de hermelijn en wezel, zijn sterk gebonden aan landschapselementen Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
13/36
zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Op de onderzoekslocatie is onderhouden groen aanwezig rond de bebouwing en bij de parkeerplaatsen. Dit wordt door het beheerde en onderhouden karakter en door verstoring van mensen niet geschikt geacht voor de kleine marterachtigen. De ruigtestroken aan de noordzijde (meest noordelijke grasveld) zijn potentieel wel geschikt als leefgebied voor bunzing en wezel. Indien de ruigte en bosschages aan de noord- en noordoost zijde blijven behouden (zie figuur 4.1 en 4.2), wordt nader onderzoek naar kleine marterachtigen niet noodzakelijk geacht.
Figuur 4.1
Kaart van de ruigte en bosschages aan de noord- en noordoostkant van onderzoekslocatie.
Figuur 4.2
Luchtfoto van de ruigte en bosschages aan de noord- en noordoostkant van onderzoekslocatie.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
14/36
De haas en konijn (haasachtigen) komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De haas komt onder andere voor in kleinschalig gras- en bouwland, akkers en weilanden. Hazen maken hazenlegers om in te rusten. Dit zijn ondiepe kuilen in de grond in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen. Het konijn komt ander andere voor in halfopen landschappen zoals perken, tuinen en bosranden. Konijn maken burchten (konijnenholen) als verblijf. Op de planlocatie zijn geen kuilen of holen aangetroffen. De grasvelden worden gebruikt om te sporten en spelen, waardoor deze ongeschikt worden geacht als rust- of verblijfplaats. Nader onderzoek naar haas en konijn wordt niet noodzakelijk geacht.
De Noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. De soort komt voornamelijk voor op natte terreinen, zoals moeras, rietland, drassige hooilanden, periodiek overstroomde terreinen, vochtige duinvalleien en zeer extensief gebruikte weilanden, maar kan ook langs bermen en in naaldbossen voorkomen. De Noordse woelmuis kan goed zwemmen, waardoor hij eilandjes kan bereiken en daar vaak als enige soort woelmuis voorkomt. Gelet op het aanwezige habitat is een verblijfplaats van de Noordse woelmuis op de onderzoekslocatie niet aannemelijk. Nader onderzoek naar de Noordse woelmuis wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten.
Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat de verblijfplaatsen van deze soorten worden aangetast (zie hoofdstuk 5).
4.4
Reptielen
Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen streng beschermde reptielen waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig.
4.5
Amfibieën
Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kleine watersalamander, gewone pad, rugstreeppad, meerkikker en bruine kikker. Hiervan is de rugstreeppad streng beschermd. Doordat wateroppervlakten als beken, poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
15/36
De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden in de beplanting tussen de ruigte in het noorden van de onderzoekslocatie. De sloot die grenst aan de noordzijde van de onderzoekslocatie kan voortplantingsmogelijkheden bieden aan beide soorten. Voor de te verwachten algemene soorten geldt op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Omgevingswet, waardoor een omgevingsvergunning bij verstoring niet noodzakelijk is. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen echter negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten, waardoor het wel zaak is om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 5).
Op de onderzoekslocatie bevindt zich geen geschikt habitat voor de rugstreeppad. De rugstreeppad is een streng beschermde soort die graag van ondiepe wateren gebruik maakt. Ondiepe wateren warmen snel op en zijn voor deze moeilijk zwemmende soort toegankelijk. De rugstreeppad plant zich in tijdelijke wateren voort. De enkele waarneming van de streng beschermde rugstreeppad uit 2021, heeft betrekking op het natuurgebied gelegen op 1,5 km ten zuiden van de onderzoekslocatie. Het is op voorhand uit te sluiten dat de soort zich op de onderzoekslocatie voortplant. Door de afstand tot de meest nabij gelegen geschikte gebieden en de waargenomen individuen, zal aantrekking tot de locatie tijdens werkzaamheden niet aan de orde zijn. Nader onderzoek naar de rugstreeppad wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
4.6
Vissen
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
4.7
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie tevens op grond van verspreidingsgegevens uit te sluiten.
Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Deze zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten en ook niet waargenomen. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
16/36
Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
4.8
Planten
De onderzoekslocatie bestaat uit bebouwing, verharding, gras met verschillende ruigtesoorten, bomen en stuiken. Op de onderzoekslocatie zijn geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
4.9
Specifieke zorgplicht
Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten.
Een Rode Lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor amfibieën, bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, korstmossen, land- en zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, reptielen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren.
Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn de volgende, hierboven niet behandelde, Rode Lijst-soorten in de afgelopen 3 jaar waargenomen: huiszwaluw en kaasjeskruiddikkopje. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst. Aanvullend kan, indien de waardplanten aanwezig zijn op locatie, deze voor het kaasjeskruiddikkopje behouden blijven, namelijk: kaasjeskruid en heemst.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
17/36
5
Toetsing aan soortenbescherming
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1
Broedvogels
5.1.1
Huismus
De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op of nabij de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus nabij de onderzoekslocatie aanwezig zijn en de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van essentieel functioneel leefgebied behorend bij deze nesten, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. De eerste ronde is reeds gedaan tijdens het veldbezoek van onderhavige quickscan. De resultaten hiervan worden in een losse rapportage opgenomen.
5.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot en met eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.
Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
18/36
Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
5.2
Vleermuizen
De te slopen scholen op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval.
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn.
Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal nader onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.
Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Omgevingswet naar verwachting niet te vermijden en is daarom een vergunningsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd via het Omgevingsloket, middels een omgevingsvergunning. Zie voor vleermuisvriendelijke verlichting ten behoeve van foerageergebieden en vliegroutes hoofdstuk 4.2.
5.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
19/36
Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer schuil-, rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust (amfibieën) uitgevoerd te worden. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.
5.4
Specifieke zorgplicht
Voor de specifieke zorgplicht soorten geldt dat negatieve gevolgen voor belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats van deze soorten dienen te worden voorkomen. Indien de waardplanten van het kaasjeskruiddikkopje aanwezig zijn op locatie dienen deze zo veel mogelijk behouden te blijven, namelijk: kaasjeskruid en heemst.
5.5
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
20/36
6
Toetsing aan gebiedsbescherming
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
6.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen en tevens stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Oosterschelde, bevindt zich op circa 0,36 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).
Figuur 6.1
Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
21/36
2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de sloop en nieuwbouw op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000-activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
6.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 0,36 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 6.2
Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Zeeland de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. Door de afstand (> 100 m) tussen de onderzoekslocatie en het Natuurnetwerk Nederland kan aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland op voorhand worden uitgesloten. Vervolgonderzoek door middel van een Nee, tenzij toetsing in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
22/36
7
Houtopstanden
In artikel 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap.
De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf in artikel 11.111 (Bal). De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
23/36
8
Samenvatting en conclusies
Sweco heeft in opdracht van Gemeente Schouwen-Duiveland een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd aan de Weelstraat en omgeving te Oosterland.
De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling, sloop en nieuwbouw van de onderzoekslocatie en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een nieuw schoolgebouw (voor twee scholen) te realiseren in Oosterland: de Oosterburcht en de Bogermanschool. In de nieuwbouw is ook ruimte voor kinderopvang. Er wordt ook gekeken of er ruimte is voor een gezondheidscentrum op de locatie. De sporthal blijft op de huidige locatie staan.
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In tabel 8.2 zijn de effecten op beschermde gebieden en houtopstanden weergegeven. In de tabellen is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabellen is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Tabel 8.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Omgevingsvergunning
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het verwijderen van groen en nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of broedvogelinspectie(s) laten uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek naar functioneel leefgebied van de huismus
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwgebonden vleermuizen
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar, rekening houden met verlichting
vliegroutes
ja
nee
nee
nee
rekening houden met verlichting
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten. Indien ruigtestrook en bosschages aan noord- en noordoostzijde aangetast worden is nader onderzoek naar kleine marterachtigen benodigd
Amfibieën
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
24/36
Tabel 8.2
Overzicht effecten t.o.v. beschermde gebieden en houtopstanden en te nemen vervolgstappen.
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Bijzonderheden / opmerkingen*
Natura 2000
0,36 km
mogelijk
ja
mogelijk
AERIUS-berekening laten uitvoeren
Natuurnetwerk Nederland
0,36 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t.
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor huismussen dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd. Indien de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van essentieel functioneel leefgebied van huismussen, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet.
Met betrekking tot algemene broedvogels wordt geadviseerd om buiten de broedtijd te werken (niet werken tussen maart en september). In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot en met eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dienen regelmatig broedvogelinspecties uitgevoerd te worden door een deskundig ecoloog. Bij aanwezigheid van een broedvogel dient minimaal 5 meter afstand gehouden te worden.
Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal nader onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.
Ten aanzien van vleermuizen wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden rekening te houden met foerageergebieden op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving. Indien werkzaamheden plaatsvinden in de uren voor of na zonsopkomst en/of zonsondergang wordt het aanbevolen om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting. Door gebruik te maken van amberkleurig licht, weggericht van de omgeving, laaggeplaatste verlichtingsarmaturen en verlichtingsarmaturen die naar beneden schijnen wordt zo min mogelijk strooilicht veroorzaakt. Hiermee wordt verstoring van foerageergebieden voorkomen.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
25/36
Het wordt aanbevolen om volgens een separaat ecologisch werkprotocol te werken. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd. Hierin kan worden opgenomen om regelmatig een broedvogelinspectie uit te voeren, hoe voorkomen wordt dat algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën verwond en/of gedood worden, hoe voorkomen dat Rode Lijst soorten verwond of gedood worden en welke maatregelen noodzakelijk zijn om verstoring te voorkomen.
Ten aanzien van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden geldt dat een nader onderzoek stikstofdepositie (AERIUS-berekening) uitgevoerd dient te worden voor de onderzoekslocatie.
Algemeen advies Tot slot wordt vrijblijvend geadviseerd om bij de inrichting van de nieuwe situatie rekening te houden met de biodiversiteit door nestkasten in te bouwen, verbindende groenstructuren en ruigte te creëren, gebruik te maken van inheemse soorten of bijvoorbeeld een natuurlijke wadi aan te leggen. Zo kan de natuurinclusiviteit van de nieuwbouw worden vergroot. Over het algemeen trekken inheemse soorten meer insecten aan dan exoten. Dit zal een positieve werking hebben op het voedselaanbod voor vogels, vleermuizen, amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Naast insecten worden natuurlijk ook de bessen en de zaden gegeten en dienen deze planten als schuil- of nestlocatie voor verschillende soorten. Door dit soort simpele maatregelen te treffen kan de achteruitgang van de biodiversiteit in Nederland worden tegengegaan en ontstaat daarnaast een groene leefomgeving, wat een positieve bijdrage heeft op het toekomstige wooncomfort van de nieuwbouw. Ook kan het tijdig implementeren van nestkasten en groenstructuren in de planvorming resulteren in het sneller doorlopen van een eventueel benodigde vergunningsaanvraag.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 07-05-2025
Versie 2
Documentreferentie quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland
26/36
GERAADPLEEGDE BRONNEN (BIJ12 (2023a). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumentensoorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2023b). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soortennatuurbescherming/ BIJ12 (2024). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2024/04/Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-versie-2.0.pdf Bij12 (2024) Kennisdocument Kleine marterachtigen Bunzing – Hermelijn – Wezel. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/01/Kennisdocument-kleine-marterachtigen-v1-1-2.pdf
Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 25 april 2025 van https://www.natura2000.nl/gebieden.
Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Schouwen-Duiveland, periode 2020-2025. NDFF. Geraadpleegd op 25 april 2025 van https://ndff-ecogrid.nl.
Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 25 april 2025 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie
Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 25 april 2025 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten.
Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 25 april 2025 van https://www.verspreidingsatlas.nl/.
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol.
Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 25 april 2025 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders
Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 25 april 2025 van https://www.vogelbescherming.nl/
Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 25 april 2025 van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten
Provinciale bronnen Provincie Zeeland (2022). Natuurnetwerk Zeeland. Opgehaald van https://www.zeeland.nl/natuur-enlandschap/natuurnetwerk-zeeland
Sweco | Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland Projectnummer 51030301 Datum 30-04-2025
Versie 1
Documentreferentie Rapport quickscan natuurwaardenonderzoek Weelstraat en omgeving te Oosterland (51030301, V2, d.d. 07-052025)
Bijlage 1 Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000.
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.
Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).