CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1626881 Bijlage 2 TOELICHTING Algemene Subsidieverordening 2026 Schouwen-Duiveland

Gemeenteraad 5 maart 2026, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Vaststellen Algemene Subsidieverordening 2026 (1626881)6.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TOELICHTING ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING 2026

Toelichting Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2026 In de volgende hoofdstukken leest u eerst wat meer over de Algemene subsidieverordening 2026 (ASV) in het algemeen. Vervolgens vindt u toelichtingen van de artikelen uit de ASV 2026.

Algemeen In dit hoofdstuk vindt u eerst een uitleg van wat de ASV inhoudt. Vervolgens leest u over hoe u verantwoording aflegt over de subsidie.

TOELICHTING ASV De ASV is een wettelijk voorschrift dat door de gemeenteraad is vastgesteld De ASV stelt grenzen over het beleid en het budget voor subsidieverstrekking. Ook legt de gemeenteraad met de ASV de belangrijkste spelregels vast. Het college moet zich hieraan houden bij de subsidieverstrekking.

U kunt de ASV niet los zien van titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) In titel 4.2 van de Awb leest u ook wanneer u subsidie krijgt. De bepalingen in de ASV zijn voor een deel een aanvulling en voor een deel een uitwerking van de Awb. Staat de bepaling ook al in de Awb? Dan is het uitgangspunt dat dit niet ook in de ASV staat.

De informatie in de ASV is niet gelijk aan de informatie in wettelijke voorschriften (subsidieregelingen) In de Awb staat namelijk specifiek beschreven voor welke activiteiten subsidie verstrekt kan worden. Het uitgangspunt van de Awb is dat subsidieverlening een wettelijke grondslag heeft. De ASV biedt meer duidelijkheid over de rechten en plichten van de subsidieverlener en subsidieontvanger. Dit verbetert niet alleen de rechtszekerheid, maar ook de afwikkeling van de subsidierelatie. Een wettelijk voorschrift dwingt de subsidieverstrekker om zich af te vragen: 1. wat de doeleinden van de subsidieverstrekking zijn; 2. welke voorschriften er nodig zijn; 3. welke bevoegdheden er nodig zijn.

Het wettelijk voorschrift (subsidieregeling) moet aan twee minimumeisen voldoen Alleen hiermee bereik je de beoogde doelmatigheid en de rechtszekerheid. Beoogde doelmatigheid betekent dat de subsidie ook daadwerkelijk wordt besteed aan de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend en dat hiermee de doelen worden gehaald die de subsidieverstrekker met de subsidieverlening voor ogen heeft. De twee eisen zijn: 1. Beschrijf de activiteiten waarvoor de subsidie verleend kan worden. 2. De wettelijke regeling moet een basis bieden voor de verplichtingen die de subsidieverstrekker aan de subsidieontvanger oplegt. Dit geldt alleen als dit niet in de Awb zelf staat. Voor deze twee eisen gelden wel uitzonderingen. Deze zijn vastgelegd in artikel 4:23, derde lid, van de Awb.

Verantwoording van de subsidies De verantwoording van de subsidie gaat uit van de volgende vier punten: 1. Een redelijke verhouding (proportionaliteit) tussen het subsidiebedrag en de administratieve lasten. 2. Sturing op activiteiten en hoofdlijnen. 3. De definities, processtappen en verplichtingen zijn eenvoudig en uniform beschreven. 4. Het beleid om misbruik te voorkomen. Hierbij houden we door risicoanalyses toezicht en controle.

1. Proportionaliteit door drie standaard uitvoerings- en verantwoordingsarrangementen Welk arrangement (regeling) voor u geldt, heeft te maken met de hoogte van het subsidiebedrag. De ASV gaat uit van een redelijke verhouding (proportionaliteit) tussen het subsidiebedrag en de administratieve lasten. Hoe lager het subsidiebedrag, hoe makkelijker de aanvraagprocedure en de verantwoording is. Dit doen wij door drie standaard uitvoeringsen verantwoordingsarrangementen in te voeren. Welke arrangement wij gebruiken, hangt af van de hoogte van het subsidiebedrag: • Tot een bedrag van € 10.000 stellen we de subsidie direct of na verlening officieel vast. • Van € 10.000 tot € 100.000 vindt verantwoording over de activiteit(en) plaats. • Vanaf € 100.000 legt u verantwoording af over de kosten en activiteit(en). Voor kleine subsidiebedragen nemen we meer risico en gaan we uit van vertrouwen. Dit betekent dat we bij kleine subsidies niet standaard om een verantwoording vragen. Komt de ontvanger de verplichtingen niet na? Of kan de ontvanger de activiteit waarvoor de subsidie is verleend niet (helemaal) leveren? Dan geldt er een actieve meldingsplicht voor de ontvanger. Wij controleren dit achteraf via steekproeven.

2. Sturing op activiteiten en hoofdlijnen In het verleden was de verantwoording van de meeste subsidies gericht op een verantwoording van de kosten. Doordat de overheid administratieve verplichtingen oplegde, kregen burgers, bedrijven en instellingen te maken met hoge administratieve kosten en uitvoeringskosten. Twee voorbeelden hiervan zijn: • gedetailleerde kostenverantwoordingen; • verplichtingen over het bijhouden van een urenadministratie.

We verminderen de administratieve lasten fors door: • meer te kijken naar de afrekening op basis van activiteiten; • door de details van de financiële verantwoording bij kleine subsidies weg te laten.

3. De definities, processtappen en verplichtingen zijn eenvoudig en uniform beschreven Dit betekent dat definities, processtappen en verplichtingen bij iedere subsidie eenvoudig en op dezelfde manier zijn beschreven. Bij verplichtingen gaat het om standaard termijnen voor: • de subsidieontvanger en de subsidieverstrekker; • het toepassen van dezelfde berekeningen van uurtarieven en andere kosten.

4. Het beleid om misbruik te voorkomen. Het vierde uitgangspunt is het werken vanuit vertrouwen in plaats van wantrouwen. We belasten niet meer alle subsidieontvangers in alle gevallen met verantwoordingen, verslagen en controles. We geven meer aandacht aan de risicogebieden en -groepen en aan de uitzonderingen. Dit betekent dat de subsidieontvanger meer eigen verantwoordelijkheid krijgt. Verricht de subsidieontvanger de activiteiten niet waarvoor subsidie is ontvangen? Of voldoet de subsidieontvanger niet aan de subsidieverplichtingen? Dan moet de subsidieontvanger dit direct schriftelijk melden. Om misbruik te voorkomen, moet de subsidieontvanger aan verplichtingen voldoen. Hierdoor kunnen we op verantwoorde wijze een deel van de sturing loslaten.

Toelichting per artikel

In dit hoofdstuk leest u van elk artikel een toelichting. Alleen de leden van de artikelen die een toelichting nodig hadden, zijn meegenomen.

ARTIKEL 1. DEFINITIES In dit artikel staan de definities weergegeven uit de verordening. Deze definities gelden niet alleen voor de ASV 2026, maar ook voor de wettelijke subsidieregelingen. De definities staan daarom alleen in de ASV 2026 beschreven. Wij mogen verder niet van deze definities afwijken. Voor de definitie van ‘subsidie’ geldt een uitzondering Deze definitie staat niet in de ASV 2026. De definitie van ‘subsidie’ staat namelijk alleen beschreven in artikel 4:21 van de Awb: “de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.” Ook garanties en leningen kunnen vallen onder het begrip ‘subsidie’. Zie CBb 06-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:317, en CBb 01-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:237.

ARTIKEL 2. REIKWIJDTE In dit artikel staat beschreven voor welke subsidies de ASV geldt. Lid 1. De ASV geldt voor bijna alle subsidies die het college verstrekt De ASV geldt niet voor: 1. Subsidies waarop een andere subsidieverordening van toepassing is en waarin alle onderwerpen over die subsidie zijn opgenomen; 2. Subsidies waarvoor geen wettelijke basis nodig is (artikel 4:23, derde lid, onder a, b en d van de Awb). Lid 2. Het college krijgt de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te verklaren op incidentele subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is (artikel 4:23, derde lid, onder d van de Awb). Dit geldt alleen als daar een aanleiding voor is. Een incidentele subsidie is bedoeld voor gevallen waarin zowel het aantal subsidieontvangers als het tijdvak van subsidiëring beperkt is. Uit de jurisprudentie volgt dat een subsidie incidenteel is als er geen wettelijk voorschrift, beleidsregel of vaste bestuurspraktijk is omtrent het door het subsidiërend bestuursorgaan verstrekken van subsidie voor de gesubsidieerde activiteit. De incidentele subsidie is dus bedoeld voor gevallen waarin er geen wetgeving of beleid is voor de activiteiten waarvoor de subsidie is aangevraagd, maar het bestuursorgaan de betreffende activiteit toch graag wil subsidiëren.

Een duidelijk voorbeeld van een incidentele subsidie is een subsidie voor de viering van een jubileum van een vereniging. Het verstrekken van incidentele subsidie behoort tot de beleidsvrijheid van het college. ARTIKEL 3. BEVOEGDHEID

Lid 1. Het college is bevoegd te beslissen tot subsidieverstrekking Hiermee bedoelen we dat het college beslissingen mag nemen over het verlenen van subsidie. Het begrip ‘subsidieverstrekking’ gaat over alle besluiten en handelingen met betrekking tot subsidies. Denk hierbij aan subsidieverlening en subsidievaststelling. Hieronder vallen de volgende onderdelen: • Weigering • Bevoorschotting • Betaling • Terugvordering • Wijziging • Intrekking • Het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures De bevoegdheid van het college tot subsidieverstrekking geldt niet onbeperkt Dit komt doordat de gemeenteraad de ASV vaststelt. Hierdoor bepalen zij wat de buitengrens is voor de bevoegdheid tot subsidieverstrekking. Als eerste is deze grens te zien in het gemeentelijk beleid. Hierin staat beschreven dat de gemeenteraad een kaderstellende rol heeft. Ook beschikt de gemeenteraad over het exclusieve budgetrecht. Het college kan alleen subsidie verstrekken als de gemeenteraad daarvoor middelen heeft. Door rekening te houden met deze middelen kan het college de subsidieplafonds vaststellen. Het subsidieplafond is het hoogste bedrag dat beschikbaar is voor een subsidie. Het college weet zo precies welk geld beschikbaar is voor de activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie (artikel 5). Lid 2.

Het college mag subsidieregelingen vaststellen voor het verstrekken van subsidies Het college bepaalt hierbij wat de regels zijn voor de activiteiten waar subsidie voor wordt verleend. Als het college iets wil regelen over bepaalde onderwerpen, moet dit in de subsidieregeling vastgesteld zijn. Denk hierbij aan: • de doelgroepen die voor de subsidie in aanmerking komen; • de berekening van de subsidie; • de wijze van uitbetalen. In de andere artikelen van de ASV staat dat het college in bepaalde gevallen mag afwijken van de ASV Soms mag het college in de subsidieregeling afwijken van de ASV, zoals: • de artikelen over het afwijken van termijnen; • het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie; • de wijze van verdelen van het subsidieplafond. Maakt het college geen gebruik van de bevoegdheid om subsidieregelingen vast te stellen?

Dan is het doorgaans niet mogelijk om subsidie te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat de subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieregeling. In deze subsidieregeling staan de activiteiten vermeld waarvoor het college subsidie verleent.

ARTIKEL 4. BEGROTINGSSUBSIDIES Begrotingssubsidies hebben met name betrekking op subsidies met een gering aantal ontvangers. Door in de begroting de subsidieontvanger en de maximumsubsidie te vermelden, is reeds publieke controle op de subsidiëring mogelijk. De op het gelijkheidsbeginsel en het bieden van gelijke kansen berustende rechtsnorm dat bij verdeling van schaarse subsidiemiddelen door het bestuur op enige wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare subsidiemiddelen mee te dingen geldt ook voor begrotingssubsidies, waarbij een beperking van mededingingsruimte dan op andere wijze dan in een wettelijk voorschrift moet worden geregeld (ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3399). Deze rechtspraak is in dit artikel verwerkt.

ARTIKEL 5. STAATSSTEUNREGELS Lid 1. Het college is bevoegd om af te wijken van de ASV om te voldoen aan het Europees steunkader Om ervoor te zorgen dat subsidies in overeenstemming zijn met het Europees steunkader, moet de subsidie voldoen aan het toepasselijke steunkader. Wat een steunkader is leest u bij definities. Lid 2 en 3. Het toepasselijke kader moet vermeld staan bij subsidies met een steunkader Maken subsidieregelingen en -beschikkingen gebruik van het Europees steunkader? Dan moet het toepasselijke kader expliciet vermeld staan. Lid 4 en 5. Steun die valt onder het Europees steunkader moet voldoen aan eisen en voorwaarden Activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie moeten dan voldoen aan de eisen en voorwaarden van het steunkader (lid 4). Ook ondernemingen komen alleen in aanmerking voor subsidie als de subsidievertrekking voldoet aan de voorwaarden van het steunkader (lid 5).

ARTIKEL 6. SUBSIDIEPLAFOND EN BEGROTINGSVOORBEHOUD Lid 1 en 3. Het college stelt de subsidieplafonds vast en bepaalt dan de wijze van verdeling Het college stelt binnen de door de raad gestelde kaders (budgetrecht) het subsidieplafond voor het gehele subsidieprogramma vast. Per subsidieregeling kan daarbij nog een apart subsidieplafond worden ingesteld (uiteraard passend binnen het gehele subsidieplafond). Wanneer het college de subsidieplafonds bekendmaakt, maakt het college ook duidelijk hoe

het de subsidies verdeelt. Deze informatie staat ook vermeld in artikel 4:26, lid 2 van de Awb. In de ASV staat verder niet beschreven wat de verdeling is van de subsidies. Het bekendmaken van subsidieplafonds kan ook gedaan worden door te verwijzen naar de subsidieregeling. In de subsidieregeling staat de verdeling van de subsidies namelijk ook vastgelegd. Hierbij is het belangrijk dat het om een geldende subsidieregeling gaat. Is dit niet het geval? Dan moeten de subsidieregeling en het subsidieplafond tegelijk in werking treden. Ook kan de subsidieregeling in werking treden voor het vaststellen van het subsidieplafond. Alleen kunnen hierbij de aanvragen wel pas na het vaststellen van het subsidieplafond ingediend worden. Dienen subsidieaanvragers een aanvraag in voordat het subsidieplafond is vastgesteld? Dan kunnen zij geen bezwaar maken tegen het subsidieplafond. Zie hiervoor ook artikel 4:27, lid 2 van de Awb. Lid 4. Het college is in bepaalde gevallen verplicht om een begrotingsvoorbehoud te maken als zij de bevoegdheid heeft voor subsidieverlening Dit betekent dat als het college een subsidie verleent op basis van de gemeentelijke begroting die nog niet is vastgesteld, in de subsidieverleningsbeschikking een voorbehoud moet worden gemaakt voor het verlenen van de subsidie.

Dit betekent dat als blijkt dat er onvoldoende geld beschikbaar is gesteld door de gemeenteraad, het college de subsidieverlening kan intrekken. Deze informatie staat ook in artikel 4:34, lid 1 van de Awb.

ARTIKEL 7. AANVRAAG Lid 1. Een subsidieaanvraag gebeurt via de website van de gemeente met eHerkenning of DigiD/eIDAS Is hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld? Dan moet dit formulier gebruikt worden voor de aanvraag van de subsidie. Lid 2 en 3. In deze leden staat welke gegevens nodig zijn vanuit de aanvrager In deze leden staat welke gegevens en documenten een aanvrager in ieder geval moet aanleveren bij een subsidieaanvraag. Dit zorgt ervoor dat het college uw aanvraag goed en volledig kan beoordelen. Het gaat onder andere om een beschrijving van de activiteit (sub a), de doelen (sub b) en de statuten van uw organisatie als u voor het eerst subsidie aanvraagt (lid 3). Hieronder lichten we enkele onderdelen verder toe. Lid 2 sub c. De begroting en de controleverklaring Elke aanvraag moet een begroting en een dekkingsplan bevatten. In de begroting laat u zien wat de verwachte kosten zijn. In het dekkingsplan laat u zien hoe u deze kosten gaat betalen (bijvoorbeeld met de aangevraagde subsidie, eigen inkomsten of subsidies van andere organisaties). Voor subsidies boven een bepaald bedrag (zie artikel17) stelt de gemeente een controleverklaring van een accountant verplicht. Deze verklaring geeft de gemeente zekerheid dat de subsidie correct is besteed. Lid 2 sub e. Voor ondernemingen zijn er twee extra eisen voor het aanvragen van subsidie

Bij het verstrekken van subsidie aan een onderneming moet de regeling namelijk overeenkomen met de gegevens in de artikelen 107 en 108 van het VWEU. Het VWEU is het Verdrag over de werking van de Europese Unie. De twee eisen zijn: 1. Zorg voor een overzicht van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen voor de activiteiten waar subsidie voor is aangevraagd. Het gaat hierbij om elke vorm die met staatsmiddelen betaald of ontvangen zijn. Hiermee voorkomen we dat ondernemingen subsidies aanvragen die wettelijk niet zijn toegestaan (lid 2, onder e, sub 1°). 2. Een subsidie onder een de-minimisverordening verlenen? Dan moet de onderneming een de-minimisverklaring overleggen (lid 2, onder e, sub 2°). Met een ingeleverde deminimisverklaring moet het college controleren of de subsidie overeenkomt met de deminimisverordening. Lid 4. Bij de subsidieregeling kan het college besluiten om af te wijken van de informatie in artikel 6 Dit kan bijvoorbeeld bij het aanvragen van bepaalde subsidies, waarbij het college meer of andere gegevens en documenten eist.

ARTIKEL 8. AANVRAAGTERMIJN In dit artikel staat wanneer de subsidieaanvraag uiterlijk moet zijn ingediend. Lid 1, 2, 3 en 4. De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie De ASV maakt onderscheid tussen subsidies die voor één of meerdere kalenderjaren (een tijdvak) worden verstrekt en andere soorten subsidies. Andere soorten subsidies zijn bijvoorbeeld subsidies voor projecten of activiteiten die incidenteel zijn. Deze subsidies verstrekken we niet voor een bepaald tijdvak zoals één of meerdere kalenderjaren. De aanvragen voor de andere soorten subsidies kunnen in principe het hele jaar door worden ingediend, tenzij een subsidieregeling een termijn of uiterste datum heeft. Dan kan de aanvraag niet het hele jaar ingediend worden (lid 4).

ARTIKEL 9. BESLISTERMIJN EN BESLISSING OP DE AANVRAAG In artikel 9 staat wat de termijnen voor het college zijn om beslissingen te nemen over een subsidieaanvraag. Lid 1, 2 en 3. De beslistermijn is afhankelijk van het soort subsidie Ook hierbij maakt de ASV onderscheid tussen subsidies die voor een of meerdere kalenderjaren (een tijdvak) worden verstrekt en andere soorten subsidies. 1. Voor kalenderjaarsubsidies geldt dat het college uiterlijk op 31 oktober een beslissing neemt (lid 1). Dit is voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarvoor de aanvraag geldt. De subsidieverlening is uiterlijk op 31 december definitief indien: - de gemeenteraad de begroting heeft vastgesteld; - geen beroep is gedaan op het begrotingsvoorbehoud. 2. Voor andere soorten subsidies moet het college de beslissing binnen 12 weken na ontvangst de aanvraag beslissen (lid 2).

Bij de subsidieregeling kan het college besluiten om af te wijken van de beslistermijnen uit het eerste en tweede lid (lid 3). Lid 4. Wordt de aanvraag voor de subsidie aangemeld bij de Europese Commissie? Dan stellen we de beslistermijn uit totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen. Hierdoor voorkomen we dat de subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU.

ARTIKEL 10. WEIGERINGSGRONDEN Lid 1. Hierin staat wat de algemeen geldende redenen zijn om een subsidie te weigeren Deze redenen (gronden) zijn een aanvulling op de redenen in de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb. Hoewel het om staatssteun gaat, is het soms mogelijk om steun te verlenen via een vrijstellingsverordening. In dat geval kan het college genoegen nemen met een lichte kennisgevingsprocedure. Bij een kennisgevingsprocedure wordt de Europese Commissie op de hoogte gesteld van de steun. Kan er geen steun verstrekt worden via de vrijstellingsverordening? Dan moet er goedkeuring vanuit de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Keurt de Europese Commissie de steun niet goed? Dan moet het college de steun ook weigeren (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a). Staat er een bevel tot terugvordering uit? Dan verbieden bepaalde Europese steunkaders alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening (dit kan de ASV zijn of een subsidieregeling). Ze verbieden dan niet het verlenen van subsidies in het algemeen. De weigeringsgronden in de ASV zijn hier een verbreding van. Door de formulering in het eerste lid, onder b, geldt dit ook voor subsidies in het algemeen en als er een bevel tot terugvordering uitstaat en niet alleen voor subsidies die op grond van de ASV worden verstrekt. Lid 2.

Hierin is een verplichte weigeringsgrond opgenomen voor subsidieverstrekkingen die in strijd zijn met het Europees Steunkader Het college moet de subsidie in deze gevallen weigeren, omdat zij anders subsidie verstrekken aan een aanvrager met een onderneming die in moeilijkheden verkeert of omdat de subsidie geen stimulerend effect heeft. Dit blijkt uit het toepasselijke steunkader. Een stimulerend effect betekent dat de aanvrager door de steun in staat is om activiteiten of projecten uit te voeren die zij zonder de steun niet kan uitvoeren. Dit betekent ook dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit start. De Europese Commissie oordeelt of een onderneming in moeilijkheden verkeert. Dit is het geval als de onderneming vrijwel zeker verdwijnt als de overheid niet ingrijpt op korte of middellange termijn. Meer informatie hierover is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren (van de Europese Commissie) voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Lid 3. Hierin staan een paar niet verplichte weigeringsgronden

Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is niet verplicht om te weigeren. Deze weigeringsgronden zijn een aanvulling op de regels in artikel 6 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Onder c bij lid 3 staat dat het college een aanvraag kan weigeren als de subsidieverstrekking niet is toegestaan, dan nadat deze volgens artikel 108 (derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure)) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidievertrekking die niet is toegestaan, omdat deze óf in strijd is met de toepasselijke cumulatieregels óf een overschrijding is van het toegestane bedrag aan de-minussteun. Het college kan in deze gevallen weigeren de subsidie te verstrekken of de subsidie melden bij de Europese Commissie. Via de Europese Commissie kan eventueel goedkeuring verkregen worden. Gaat het college over tot melding? Dan wordt door de standstill-verplichting de beslistermijn uitgesteld totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, lid 4). Besluit de Europese Commissie om de subsidieverstrekking niet goed te keuren? Dan weigert het college de aanvraag alsnog (zie het eerste lid, onder a). Een subsidie die goedgekeurd is, kunnen we uiteraard ook om een andere reden weigeren.

Komt de Europese Commissie tot het oordeel dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU? Dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Dit blijkt uit artikel 3 van de Wet terugvordering staatssteun. Hierover staat verder geen bepaling in de ASV, omdat deze verplichting rechtstreeks uit de Wet terugvordering staatssteun komt. Bij d van lid 3 staat dat het college bevoegd is om in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen. Denk hierbij aan weigeringsgronden die specifiek samenhangen met de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd.

ARTIKEL 11. BETALING VOORSCHOTTEN SUBSIDIES In dit artikel zijn de betalingstermijnen van voorschotten vastgelegd.

ARTIKEL 12. ALGEMENE MELDINGS- EN INFORMATIEPLICHT SUBSIDIEONTVANGER Lid 1. De subsidieontvanger heeft een meldingsplicht aan het college Voert de ontvanger de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet op tijd uit? Dan moet de subsidieontvanger dit altijd meteen melden aan het college. Lid 2. De subsidieontvanger heeft een informatieplicht De subsidieontvanger informeert het college schriftelijk over bijvoorbeeld procedures en wijzigingen. Onder ‘schriftelijk’ wordt ook digitale communicatie verstaan, indien door het college aangeboden.

ARTIKEL 13. AAN EEN SUBSIDIE TE VERBINDEN BIJZONDERE VERPLICHTINGEN Lid 2. De mogelijkheid om een tussenrapportage te vragen is voor het college beperkt

Dit heeft te maken met het beperken van de administratieve lasten. Is er voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend meer dan 12 maanden nodig? Dan mag het college een tussentijdse voortgangsrapportage vragen. Dit geldt alleen niet voor subsidies lager dan € 50.000. Lid 3. Het college mag in bepaalde gevallen ‘bijzondere’ verplichtingen verbinden aan de subsidie Dit is een aanvulling op wat staat in artikel 4:37 van de Awb. Zo kan het college verplichtingen opleggen die helpen bij het behalen van het doel van de subsidie. Dit kunnen bijvoorbeeld eisen zijn over de deskundigheid van de personen die de activiteit uitvoeren waar subsidie voor wordt verleend. Lid 4. Het college mag verplichtingen opleggen die niet te maken hebben met het behalen van het eigenlijke doel van de activiteit Dit mag het college verder niet zien als een vrijbrief. De verplichtingen moeten namelijk wel een verband hebben met de activiteit waarvoor de subsidie wordt verleend. Deze verplichtingen kunnen bijvoorbeeld gaan over het leveren van extra inspanning om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de activiteiten waarvoor we de subsidie verlenen. Of om activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te voeren.

Uit de toelichting op de Awb blijkt dat we met subsidieverplichtingen die geen relatie hebben met het doel van de activiteit waarvoor subsidie wordt verleend, voorzichtig moeten zijn (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Maakt het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik? Dan moeten zij dat duidelijk motiveren. Lid 5. Heeft het verstrekken van subsidie geleid tot vermogensvorming? Dan is de subsidieontvanger aan de gemeente Schouwen-Duiveland een vergoeding verschuldigd. Dit staat ook in artikel 4:41 van de Awb. Het gaat hierbij om de volgende gevallen: 1. De subsidieontvanger vervreemdt, bezwaart of wijzigt de bestemming van de gebruikte of bestemde goederen. Deze goederen gebruikt de subsidieontvanger voor de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend. 2. De subsidieontvanger ontvangt een schadevergoeding voor verlies of diefstal van de gebruikte of bestemde goederen. 3. De subsidieontvanger stopt helemaal of gedeeltelijk met het uitvoeren van de activiteiten waar de subsidie is verleend. 4. De subsidieontvanger trekt de subsidieverlening of de subsidievaststelling in of beëindigt deze. 5. De rechtspersoon (bijvoorbeeld het bedrijf) die de subsidie ontving, wordt ontbonden. Lid 6 en 7.

Hierin staat hoe de hoogte van de vergoeding vastgesteld moet worden De vergoedingsplicht geldt alleen als dit is weergegeven in de verordening, de subsidieregeling of de subsidiebeschikking. Het college moet hierbij vermelden hoe het de hoogte van de vergoeding heeft berekend. Dit hoeft geen volledige compensatie te zijn. Vaak is dit alleen aan de orde bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het kan ook in andere gevallen voorkomen (lid 6). Daarnaast kan het college zo nodig regels opstellen over het vaststellen van de hoogte van de vergoeding (lid 7).

ARTIKEL 14. EGALISATIERESERVE Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidieontvanger Met een egalisatiereserve kan de subsidieontvanger exploitatierisico’s dekken. De egalisatiereserve werkt als een buffer. Hiermee kunnen tekorten in het ene jaar worden opgevangen met overschotten in het andere jaar. Dit artikel heeft het doel dat de subsidieontvanger de egalisatiereserve doelmatig besteedt Ook zorgt dit artikel voor een doelmatig beheer van de subsidiegelden. Jaarlijks mogen we maximaal 10 % van de subsidie toevoegen aan de egalisatiereserve. De totale egalisatiereserve mag maximaal 25 % bedragen van de laatst vastgestelde subsidie. De egalisatiereserve mag niet minder zijn dan € 0. De figuur van de egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb. Dit artikel is op basis van de artikelen 4:58 en 4:72 van de Awb alleen van toepassing als: 1. een subsidie voor één of meerdere boekjaren is verstrekt aan een rechtspersoon; en 2. dit in de ASV, een subsidieregeling of bij een subsidieverlening van toepassing is verklaard. Het college heeft afdeling 4.2.8 van de Awb en daarmee ook artikel 4:72 niet van toepassing verklaard. Toch is de bepaling wel gewenst. Daarom namen we de bepaling wel op in de ASV. Lid 1 en 2.

Voor het vormen van een egalisatiereserve maken we onderscheid in een subsidie van meer en minder dan € 100.000 per kalenderjaar Als uw organisatie meer dan € 100.000 subsidie per jaar ontvangt, bent u verplicht om een egalisatiereserve op te bouwen. U moet deze reserve duidelijk en apart vermelden in uw boekhouding.

Subsidieontvangers van andere soorten subsidies mogen geen egalisatiereserve vormen. De toepassing van lid 1 en 2 heeft alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt.

Lid 3. Waar mag u het geld voor gebruiken? Het geld uit de egalisatiereserve mag u alleen gebruiken voor de activiteiten waarvoor u de subsidie heeft gekregen. U zet het in als de subsidie van dat jaar niet genoeg is om alle kosten te dekken. Het is dus bedoeld om tekorten op te vangen.

Lid 4. Hoe werkt het vullen en gebruiken van de reserve? Als u aan het eind van het jaar geld overhoudt (een positief resultaat), voegt u dat geld toe aan de egalisatiereserve. Als u aan het eind van het jaar geld tekortkomt (een negatief resultaat), haalt u het benodigde bedrag uit de reserve.

Lid 5 Verantwoording Wanneer u de definitieve vaststelling van de subsidie aanvraagt, moet u ook laten zien wat u met de egalisatiereserve heeft gedaan (hoeveel erin is gestopt of eruit is gehaald).

Lid 6. Limiet op jaarlijks sparen U mag jaarlijks niet meer dan 10% van het subsidiebedrag van dat jaar aan de reserve toevoegen. Kreeg u bijvoorbeeld € 200.000 subsidie, dan mag u dat jaar maximaal € 20.000 in de reserve stoppen, ook al hield u eind van het jaar meer geld over.

Lid 7. Maximale opname en toevoeging U kunt nooit meer geld uit de reserve halen dan erin zit. U kunt ook nooit meer geld aan de reserve toevoegen dan de maximale omvang (zie lid 8).

Lid 8. Maximale grootte van de reserve De totale egalisatiereserve mag nooit groter zijn dan 25% van de laatst ontvangen jaarsubsidie. Is uw laatste subsidie € 200.000, dan mag er in totaal nooit meer dan € 50.000 in uw reservepot zitten. Het minimum is uiteraard € 0.

Lid 9. Wat gebeurt er met geld dat "over" is? Stel, u heeft een meevaller die groter is dan wat u maximaal aan de reserve mag toevoegen. De gemeente kan dit extra bedrag dan in mindering brengen op uw subsidie. U moet dit bedrag dan dus terugbetalen.

ARTIKEL 15. VASTSTELLING SUBSIDIES TOT € 10.000 Lid 1. Subsidies tot € 10.000 stelt het college direct vast Deze subsidies kunnen we namelijk op vertrouwen verstrekken. We vragen dan niet standaard om verantwoording. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij het niet nakomen van de verplichtingen (zie artikel 11). We voeren controles uit om dit na te gaan bij de subsidieontvangers (lid 4). Is de subsidieontvanger al (positief) bekend? Dan kan de subsidie bij een klein bedrag direct worden vastgesteld en uitbetaald. Lid 2. Het college kan bepalen dat eerst een verstrekking voorafgaat aan de vaststelling van de subsidie Hierbij verstrekken we eventueel een voorschot in één termijn. De lasten worden hierdoor voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker verminderd. Het risico blijft hierbij voor de gemeente beperkt. Lid 3. In de subsidiebeschikking legt het college de volgende onderdelen vast:

1. Wanneer de aanvraag tot vaststelling moet worden ingediend; 2. Op welke wijze aangetoond moet worden dat de activiteiten zijn verricht; 3. Op welke wijze de verplichtingen zijn nageleefd; 4. Op welke wijze er rekening en verantwoording wordt afgelegd over de uitgaven en inkomsten van de activiteiten. Lid 4. Achteraf kan een risicogericht controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger Hiermee controleren we of de subsidieontvanger de verplichtingen wel nakomt.

ARTIKEL 16. AANVRAAG VASTSTELLING SUBSIDIES TUSSEN € 10.000 EN € 100.000 In dit artikel staat hoe subsidieontvangers subsidie tussen € 10.000 en € 100.000 aan het college moeten verantwoorden. Dit proces heet de 'aanvraag tot vaststelling'. Lid 1. Termijn indiening aanvraag U moet uw aanvraag tot vaststelling uiterlijk op 1 juni indienen in het jaar nadat de activiteiten hebben plaatsgevonden. Als uw subsidie niet voor een heel kalenderjaar is verleend, geldt een termijn van 12 weken na afloop van de activiteit. Lid 2 sub a. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag De aanvraag tot vaststelling moet een compleet beeld geven van wat er met de subsidie is gebeurd. Hiervoor dient u altijd de documenten in genoemd in het tweede lid. In het inhoudelijk verslag (lid 2 sub a) staat in hoeverre de activiteiten zijn verricht waarvoor de subsidie is verkregen. Ook staat in het verslag of de subsidieontvanger aan de verplichtingen heeft voldaan. De subsidieontvanger kan ook al vooraf bij de subsidieverlening aangeven op welke manieren de activiteiten en verplichtingen plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals: 1. bestuurs- en activiteitenverslagen; 2. een managementverklaring; 3. een deskundigenverklaring; 4. andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie).

Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is gebruikt voor het doel waarvoor we de subsidie verlenen. Lid 3 en 4. Deelwaarneming Met een deelwaarneming wordt bedoeld dat het college gericht een nadere controle kan uitvoeren op (een deel van) uw subsidieverantwoording. Dit gebeurt bijvoorbeeld als er onduidelijkheden zijn in het ingediende verslag, als bedragen sterk afwijken van eerdere jaren of als er signalen zijn dat verplichtingen mogelijk niet zijn nagekomen. Het kan ook gaan om een steekproef: in dat geval wordt bij een deel van de subsidieontvangers extra gecontroleerd of de verantwoording juist en volledig is.

Bij een deelwaarneming kan het college u vragen om extra informatie, zoals onderliggende facturen, bankafschriften, contracten, projectadministratie of nadere toelichtingen. U bent verplicht om deze gegevens en bescheiden te verstrekken, zodat het college kan beoordelen of de subsidie rechtmatig is besteed. Het doel van de deelwaarneming is om vast te stellen of uw verantwoording aansluit bij de werkelijkheid en of u zich aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden. Als uit de deelwaarneming blijkt dat uw verantwoording onjuist, onvolledig of in strijd met de subsidievoorwaarden is, kan dat gevolgen hebben voor de hoogte van de definitieve subsidie. In dat geval kan het college besluiten de subsidie lager vast te stellen dan eerder was verleend. Ook kan het college de subsidie (gedeeltelijk) intrekken of reeds uitbetaalde bedragen (gedeeltelijk) terugvorderen. Lid 5. Het college kan in een subsidieregeling of verleningsbeschikking aangeven dat zij andere instrumenten willen zien In een specifieke subsidieregeling of in de 'verleningsbeschikking, kan het college besluiten om andere, meer of juist minder gegevens te vragen. Als dit voor u geldt, staat dit duidelijk in de regeling of in uw beschikking vermeldt.

ARTIKEL 17. AANVRAAG VASTSTELLING SUBSIDIES VAN MEER DAN € 100.000 Lid 2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk en financieel verslag, en een controleverklaring van een accountant Bij subsidies van meer dan € 100.000 is de verantwoording zwaarder dan bij lagere subsidiebedragen. De gemeente verstrekt in deze gevallen aanzienlijke publieke middelen. Wij willen daarom extra zorgvuldig kunnen toetsen of deze rechtmatig en doelmatig zijn besteed. Daarom is naast een inhoudelijk en financieel verslag ook een controleverklaring van een onafhankelijk accountant verplicht. Lid 2 sub a. Inhoudelijk verslag In het inhoudelijk verslag beschrijft u in hoeverre de activiteiten zijn uitgevoerd zoals in de verleningsbeschikking is afgesproken. Ook licht u toe in hoeverre aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. Lid 2 sub b. Financieel verslag Het financieel verslag maakt afzonderlijk en controleerbaar inzichtelijk welke uitgaven en inkomsten verbonden zijn aan de gesubsidieerde activiteiten. Dit betekent dat duidelijk moet zijn welke kosten zijn gemaakt voor de gesubsidieerde activiteit, welke inkomsten (zoals eigen bijdragen, overige subsidies of sponsorgelden) hier tegenover staan, en hoe de gemeentelijke subsidie precies in deze financiële stromen is verwerkt. Lid 2 sub c.

Controleverklaring van een onafhankelijk accountant De controleverklaring van een onafhankelijk accountant geeft het college extra zekerheid over de juistheid en rechtmatigheid van de subsidieverantwoording. De accountant toetst of de verantwoording voldoet aan het door het college vastgestelde verantwoording- en accountantscontroleprotocol. De controleverklaring heeft uitsluitend betrekking op de subsidieverantwoording (inhoudelijk en financieel) en bevestigt dat deze een getrouw beeld geeft en voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden.

Lud 2 sub d en e. Bij subsidieverlening van meer dan € 500.000: ook jaarrekening van het betreffende boekjaar Bij een subsidieverlening van meer dan € 500.000 moet u daarnaast de jaarrekening van het betreffende boekjaar meesturen. Deze jaarrekening wordt door het college gebruikt voor de dossiervorming en het bredere financieel beeld van uw organisatie. Het gaat hierbij niet om extra controle-eisen, maar om aanvullende informatie die helpt om de subsidierelatie in context te plaatsen (bijvoorbeeld de financiële positie en continuïteit van de organisatie). Als uw organisatie al beschikt over een controleverklaring bij de volledige jaarrekening, kan in sommige gevallen worden volstaan met die bestaande verklaring. Voorwaarde is dan wel dat de subsidieverantwoording als aparte bijlage bij de jaarstukken is opgenomen én dat de accountant in zijn controleverklaring een expliciet oordeel geeft over die bijlage. Lid 3. In dit lid staat dat we in een subsidieregeling meer of minder informatie mogen vragen In bepaalde gevallen kan worden afgeweken van de eisen zoals opgenomen onder lid 2. Lid 4. Meerdere subsidies, één controleverklaring Ontvangt uw organisatie meerdere subsidies van de gemeente die allemaal boven de drempel van € 125.000 uitkomen? Dan hoeft u niet voor elke subsidie een aparte, volledige accountantscontrole te laten uitvoeren.

U kunt in dat geval volstaan met één controleverklaring die betrekking heeft op alle betreffende subsidies en de jaarrekening. Dit bespaart u aanzienlijke kosten en administratieve lasten.

ARTIKEL 18. SUBSIDIEVASTSTELLING DOOR HET COLLEGE SUBSIDIES VAN MEER DAN € 10.000 Lid 1 en 2. Hierin staat in welke periode het college de beslissing moet nemen Dit staat ook in artikel 4:13 van de Awb. Deze termijn kan met zes weken worden verdaagd. (lid 2). Ingewikkelde aanvragen kosten namelijk meer tijd. Deze zes weken geven het college meer tijd om een beslissing te nemen.

ARTIKEL 19. BEREKENING VAN UURTARIEVEN, UNIFORME KOSTENBEGRIPPEN Lid 1. Maakt het college gebruik van uurtarieven in een subsidiabel kostenoverzicht? Dan moeten zij de manier waarop zij de uurtarieven berekenen en de definities die daarbij horen vastleggen in een subsidieregeling. Lid 3. Is er sprake van een Europees steunkader? Dan mag het college alleen tarieven en kostenbegrippen gebruiken die in het Europees steunkader zijn vermeld.

ARTIKEL 20. INDEXERING Dit artikel heeft tot doel het financiële kader voor structurele subsidies jaarlijks aan te passen aan de door de gemeenteraad vastgestelde indexeringspercentages. De indexering heeft betrekking op het beschikbare subsidiebudget of het subsidieplafond en leidt niet tot een

automatische aanspraak op indexering van het individueel verleende subsidiebedrag. De uiteindelijke hoogte van de subsidie blijft afhankelijk van de ingediende aanvraag en van de jaarlijkse inhoudelijke en financiële afweging door het college en de raad. Verder regelt dit artikel hoe structurele (meerjarige of jaarlijks terugkerende) subsidies automatisch worden aangepast aan kostenontwikkelingen, zoals loon- en prijsstijgingen. De gemeenteraad stelt hiervoor jaarlijks indexeringspercentages vast in de Programmabegroting of in andere financiële besluiten. Deze indexering kan omhoog (positief), omlaag (negatief) of gelijk blijven (nul zijn). In principe past het college deze door de raad vastgestelde indexering automatisch toe op de structureel verleende subsidies. Alleen als de raad in de Programmabegroting of in een ander financieel besluit iets anders bepaalt, of als in een specifieke subsidieregeling van het college uitdrukkelijk is afgeweken, geldt een andere aanpassing. De gemeenteraad kan er bovendien voor kiezen om voor bepaalde programma’s, subsidieregelingen, groepen subsidies of individuele subsidies een afwijkend indexeringspercentage vast te stellen. Dit speciale besluit gaat dan vóór de algemene indexering.

ARTIKEL 21. HARDHEIDSCLAUSULE Lid 1 en 2. Soms mag het college een andere termijn vaststellen voor de subsidieregeling In uitzonderlijke gevallen is het is niet evenredig om aan een termijn in de ASV vast te houden. De termijn uit de subsidieregeling is dan in strijd met bepaalde belangen (lid 1). Het college kan ook een hardheidsclausule opnemen in de subsidieregeling (lid 2).

ARTIKEL 22. SLOTBEPALINGEN In artikel 22 is het overgangsrecht opgenomen voor aanvragen van verlening en vaststelling van subsidies. Deze verordening (ASV 2026) treedt in werking op 1 april 2026. Alle geldende subsidieregelingen en andere regelingen die na de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, zijn gebaseerd op artikel 3, tweede lid, van de ASV.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16481005/1