CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1626881 Bijlage 1 Algemene Subsidieverordening 2026 Gemeente Schouwen-Duiveland

Gemeenteraad 5 maart 2026, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Vaststellen Algemene Subsidieverordening 2026 (1626881)3.793 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2026

Besluit van de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland tot vaststelling van de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2026.

De raad van de gemeente Schouwen-Duiveland; gelezen het voorstel van het college van 13 januari 2026 zaak 1626881 ; gelet op artikel 149 en 156, lid 1, van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht; besluit vast te stellen de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2026: Artikel 1. Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Awb: Algemene wet bestuursrecht; b. begrotingssubsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Awb, waarbij de begroting de subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt; c. college: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland; d. deelwaarneming: een deelwaarneming is het controleren van een klein deel van de administratie om te zien of alles klopt; e. Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie heeft vastgesteld; f. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; g. raad: gemeenteraad van de gemeente Schouwen-Duiveland; h.

egalisatiereserve: een reserve die gevormd wordt uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te kunnen vangen (overeenkomstig artikel 4:72 van de Awb); i. subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvlak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies; j. Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; k. vrij besteedbaar vermogen: de waarde van de bezittingen minus de schulden. In de berekening van het vrij besteedbaar eigen vermogen wordt een toegestane reserve (zie artikel 14) niet meegenomen; l. De-minimissteun: steun die wordt verstrekt op basis van Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L, 2023/2831); m. rechtspersoon: een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een stichting. Artikel 2. Reikwijdte 1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college, met uitzondering van subsidies waarop een afzonderlijke, uitputtende verordening van toepassing is en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder a, b en d van de Awb. 1

2. Ten aanzien van subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder d van de Awb kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is. Artikel 3. Bevoegdheid 1. Het college is bevoegd te besluiten tot subsidieverstrekking. 2. Het college kan regels (subsidieregelingen) vaststellen ten behoeve van het verstrekken van subsidies. Artikel 4. Begrotingssubsidies 1. Het college is bevoegd tot het verstrekken van begrotingssubsidies, met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen en - indien de begroting nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd - onder het voorbehoud als bedoeld in artikel 4:34 van de Awb dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. 2. Een begrotingssubsidie kan alleen worden verleend als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie. 3. Het college maakt zijn voornemen tot het verlenen van een begrotingssubsidie minimaal acht weken van tevoren bekend, door plaatsing van dat voornemen op de website van de gemeente. In dat voornemen motiveert het college waarom er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria. 4.

Als door een belanghebbende wordt betwist dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie en het college vasthoudt aan zijn voornemen, motiveert hij in zijn besluit tot subsidieverlening waarom er niettemin maar één serieuze gegadigde is op grond van de gestelde criteria en waarom de ander geen serieuze gegadigde is of waarom de criteria wel aan de daaraan te stellen eisen voldoen. Als het college niet vasthoudt aan zijn voornemen, wordt de aanvraag voor de begrotingssubsidie afgewezen. De beoordeling van de aanvraag vindt dan plaats op basis van de bepalingen uit deze verordening en, indien van toepassing, de relevante subsidieregeling. 5. De bepalingen uit deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op begrotingssubsidies, met uitzondering van artikel 6, eerste, tweede en derde lid, artikel 10 en artikelen 15 tot en met 18. Artikel 5. Staatssteunregels 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen. 2. Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader. 3.

Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het desbetreffende steunkader. 4. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader. 5. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader. Artikel 6. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 1. Het college stelt de subsidieplafonds vast. 2. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

2

3. Wanneer er sprake is van een subsidieplafond, bepaalt het college bij subsidieregeling of bij besluit tot vaststelling van het subsidieplafond de wijze van verdeling van de betrokken subsidie. 4. Een subsidie ten laste van een gemeentelijke begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de gemeentelijke begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen. Artikel 7. Aanvraag 1. Een aanvraag om subsidie door een rechtspersoon wordt via de gemeentelijke website met eHerkenning ingediend bij het college. Voor natuurlijke personen geldt DigiD of eIDAS. Als voor indiening van de aanvraag een aanvraagformulier is vastgesteld geschiedt de indiening daarnaast met gebruikmaking daarvan. 2. Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over: a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; b. de doelen en resultaten die met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; c. een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

Indien op grond van deze verordening voor de vaststelling van de subsidie een controleverklaring is vereist, worden de geraamde en direct aan de subsidiecontrole toerekenbare kosten voor deze verklaring als afzonderlijke post in de begroting opgenomen; d. als de aanvrager een rechtspersoon is: de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar; e. als de aanvrager een onderneming is: 1°. een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm dan ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; 2°. een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun (deminimisverklaring); 3. Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over: een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten en het jaarverslag van het voorgaande jaar; 4. Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken. Artikel 8. Aanvraagtermijn 1. Een aanvraag om een subsidie voor één of meer kalenderjaren moet worden ingediend tussen 1 april en uiterlijk 1 juni voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarop de aanvraag betrekking heeft. 2. Een aanvraag om een subsidie boven het bedrag van € 25.000 per kalenderjaar moet uiterlijk 1 juni voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft zijn ingediend. 3.

Andere aanvragen om subsidie moeten worden ingediend tussen 12 en 26 weken voor aanvang van de activiteit of activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. 4. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. Artikel 9. Beslistermijn en beslissing op de aanvraag 1. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, uiterlijk op 31 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarop de aanvraag betrekking heeft. 2. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, derde lid, binnen 12 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend. 3

3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. 4. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd tot 6 weken nadat de eindbeslissing van de Europese Commissie is ontvangen. 5. Een subsidie wordt voor maximaal vier kalenderjaren verleend. 6. Een subsidie boven het bedrag van € 25.000 per kalenderjaar wordt verleend voor maximaal één kalenderjaar. Artikel 10. Weigeringsgronden 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, weigert het college de subsidie in ieder geval als: a. de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of b. het een aanvrager betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: a. subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of b.

de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader. 3. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: a. als de te subsidiëren activiteiten niet plaatsvinden in de gemeente, niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen; b. als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; c. als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt; d. in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen; e. als de activiteiten niet of onvoldoende bijdragen aan het realiseren van de beoogde beleidsdoelstellingen; f. als de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd geen of onvoldoende meerwaarde heeft voor het bestaande (activiteiten)aanbod in de gemeente; g. als de activiteiten niet vrij en openbaar toegankelijk zijn voor alle inwoners uit de gemeente en/of de activiteiten een politieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke boodschap hebben; h. als de aanvrager een winstoogmerk heeft; i. als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd. Artikel 11.

Betaling voorschotten kalenderjaarsubsidies 1. De betaling van het subsidiebedrag of een voorschot daarop voor een kalenderjaarsubsidie tot € 10.000 geschiedt uiterlijk op 15 januari van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. 2. De betaling van een voorschot voor een kalenderjaarsubsidie boven € 10.000 geschiedt in twee termijnen per jaar te weten uiterlijk op 15 januari en 15 juli. 3. De betaling van een voorschot voor een subsidie boven € 10.000 die is verleend voor meer dan één kalenderjaar geschiedt per kalenderjaar uiterlijk op 15 januari.

4

4. De betaling van een voorschot voor een andersoortige subsidie geschiedt binnen zes weken na bekendmaking van de subsidieverleningsbeschikking. Artikel 12. Algemene meldings- en informatieplicht subsidieontvanger 1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat meteen schriftelijk aan het college. 2. Een subsidieontvanger informeert het college meteen schriftelijk over: a. beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon; b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden; c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen; d. bestuurswisselingen en wijzigingen van de statuten voor zover het betreft de (rechts)vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon en het doel van de rechtspersoon. Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden (bijzondere) verplichtingen 1.

De subsidieontvanger is verplicht om de gesubsidieerde activiteit(en) te laten plaatsvinden in de gemeente, in overwegende mate gericht te laten zijn op de gemeente of haar ingezetenen of ten goede te laten komen aan de gemeente of haar ingezetenen; 2. Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. 3. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 4. Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. 5.

De subsidieontvanger is in de gevallen, als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan de gemeente Schouwen-Duiveland een vergoeding verschuldigd. 6. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden: a. de activa gewaardeerd op hun actuele waarde in het economisch verkeer; b. onroerende zaken gewaardeerd op basis van de waarde die hieraan is toegekend op grond van de Wet waardering onroerende zaken. 7. Het college stelt zo nodig nadere regels om de hoogte van de verschuldigde vergoeding vast te stellen. Artikel 14. Egalisatiereserve 1. De subsidieontvanger van een per kalenderjaar verstrekte subsidie die meer dan € 100.000 bedraagt, vormt een egalisatiereserve en maakt deze inzichtelijk in de administratie. Dit artikel is niet van toepassing op eenmalige subsidies van meer dan € 100.000. 2. De egalisatiereserve wordt gevormd door een toevoeging bij een positief eindresultaat en een onttrekking bij een negatief eindresultaat. Het eindresultaat wordt berekend door alle inkomsten

5

(subsidie, eigen bijdrage, bijdragen van anderen) bij elkaar op te tellen en daar de werkelijke kosten van af te trekken. 3. Bij de aanvraag tot vaststelling als bedoeld in artikel 17, tweede lid, levert de subsidieontvanger een verantwoording aan over hoe de egalisatiereserve is besteed. 4. De subsidieontvanger mag jaarlijks maximaal 10% van het door het college voor dat kalenderjaar verleende subsidiebedrag toevoegen aan de egalisatiereserve. 5. De maximale toevoeging aan de egalisatiereserve is het bedrag dat aan de egalisatiereserve kan worden toegevoegd zonder de maximale omvang als bedoeld in het achtste lid daarvan te overschrijden. De maximale onttrekking aan de egalisatiereserve is het bedrag van die reserve. 6. De totale egalisatiereserve bedraagt maximaal 25% van de laatst door het college per kalenderjaar verstrekte subsidie. De egalisatiereserve bedraagt ten laagste € 0. 7. Indien het voor de toevoeging beschikbare bedrag hoger is dan de maximale toevoeging, kan het college dat bedrag bij de vaststelling in mindering brengen op de subsidie. Artikel 15. Vaststelling subsidies tot € 10.000 1. Subsidies tot € 10.000 stelt het college direct vast. 2. Het college kan voor specifieke subsidies of categorieën subsidies bepalen dat aan vaststelling van een subsidie tot € 10.000 per jaar, een besluit tot verlening voorafgaat.

In dat geval dient de subsidieontvanger na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling in bij het college. 3. In geval van een besluit tot verlening voorafgaand aan de vaststelling, legt het college in de verleningsbeschikking vast op welk moment de aanvraag tot vaststelling wordt ingediend en op welke wijze moet worden aangetoond dat de activiteiten zijn verricht, de verplichtingen zijn nageleefd en rekening en verantwoording wordt afgelegd over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten. 4. In geval van directe subsidievaststelling, is de subsidieontvanger verplicht in het kader van een steekproef aan te tonen dat de activiteiten overeenkomstig de vaststelling zijn uitgevoerd. De steekproef wordt uitgevoerd door de gemeente op grond van de Regel Steekproefsgewijze controle subsidies tot € 10.000 gemeente Schouwen-Duiveland. Artikel 16. Aanvraag vaststelling subsidies tussen € 10.000 en € 100.000 1. Bij subsidies van meer dan € 10.000 en ten hoogste € 100.000, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college, uiterlijk: a. Op 1 juni van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar of de kalenderjaren; b. 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, in het geval de subsidie niet voor het tijdvak van één of meerdere kalenderjaren is verleend. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat: a.

een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan; b. een financieel verslag waarin de besteding van de subsidie afzonderlijk inzichtelijk is gemaakt. Dit financieel verslag mag onderdeel uitmaken van de jaarrekening, mits de subsidiebesteding daarin afzonderlijk en controleerbaar is opgenomen. 3. Het college kan, wanneer daartoe aanleiding bestaat, binnen de subsidieverantwoording een deelwaarneming uitvoeren en de subsidieontvanger verplichten de hiervoor benodigde gegevens en bescheiden te verstrekken. 4. Indien uit de deelwaarneming blijkt dat de subsidieverantwoording onjuist, onvolledig of in strijd met de aan de subsidie verbonden verplichtingen is, kan het college de subsidie lager vaststellen, intrekken of terugvorderen.

6

5. Het college kan bij subsidieregeling of verleningsbeschikking bepalen dat meer, andere, of minder dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd. Artikel 17. Aanvraag vaststelling subsidies van meer dan € 100.000 1. Bij subsidies van meer dan € 100.000 per kalenderjaar of per activiteit, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college: a. Op 1 juni van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; b. 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, in het geval de subsidie niet voor het tijdvak van een kalenderjaar is verleend. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat: a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan; b. een financieel verslag waarin de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten afzonderlijk en controleerbaar inzichtelijk worden gemaakt; c. een controleverklaring opgesteld door een onafhankelijk accountant, die uitsluitend betrekking heeft op de subsidieverantwoording, overeenkomstig het door het college vastgestelde verantwoording- en accountantscontroleprotocol; d. indien sprake is van een subsidieverlening van meer dan € 500.000: de jaarrekening van het betreffende boekjaar, uitsluitend ten behoeve van dossiervorming; e.

indien de organisatie voor het betreffende boekjaar reeds beschikt over een controleverklaring bij de volledige jaarstukken, kan worden volstaan met deze controleverklaring, mits deze verklaring tevens een expliciet oordeel bevat over de subsidieverantwoording die als bijlage bij de jaarstukken is opgenomen. 3. Het college kan bij subsidieregeling of verleningsbeschikking bepalen dat meer andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd. Artikel 18. Subsidievaststelling door het college subsidies van meer dan € 10.000 1. Het college stelt een subsidie als bedoeld in artikel 15, tweede lid, artikel 16, eerste lid en artikel 17, eerste lid uiterlijk 31 oktober volgend op de datum waarop het verzoek tot vaststelling is ingediend vast, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald. 2. Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 6 weken worden verdaagd. 3. Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend. 4. Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 16, eerste lid en 17, eerste lid, is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen.

Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kunnen zij overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 19. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen 1. Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze. 2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities.

7

3. Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader. Artikel 20. Indexering 1. Voor structureel verleende subsidies wordt het subsidiebedrag jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de door de gemeenteraad in de Programmabegroting of in andere door de raad vastgestelde financiële besluiten opgenomen indexeringspercentages. De indexering kan zowel positief, negatief als nul zijn. 2. Het college past de in het eerste lid bedoelde indexering toe, tenzij de gemeenteraad in de Programmabegroting of in een ander door de raad vastgesteld financieel besluit een afwijkende aanpassing heeft bepaald, dan wel in de toepasselijke subsidieregeling van het college uitdrukkelijk anders is bepaald. 3. De gemeenteraad kan, gelet op de ontwikkeling van loon-, prijs- of overige relevante kosten, voor bepaalde programma’s, subsidieregelingen, categorieën subsidies of individuele subsidies een afwijkend indexeringspercentage vaststellen. Dit besluit van de gemeenteraad gaat voor boven de in het eerste lid bedoelde algemene indexering. Artikel 21. Hardheidsclausule 1.

Als een bij of krachtens deze verordening gestelde termijn voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de te dienen belangen, kan het college een andere termijn vaststellen. 2. In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het college van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen. 3. Toepassing van de vorige leden wordt gemotiveerd in het besluit. Artikel 22. Slotbepalingen 1. De Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2023 wordt ingetrokken per 1 april 2026. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 april 2026. 3. Op aanvragen om verlening van subsidie die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening zijn de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2023 van toepassing. 4. Op aanvragen om vaststelling van subsidie die zijn verleend voor inwerkingtreding van deze verordening zijn de bepalingen van de ASV 2023 van toepassing. 5. Na inwerkingtreding van deze verordening berusten de subsidieregelingen genoemd in bijlage 1 behorend bij deze verordening (mede) op artikel 3, tweede lid, van deze verordening. 6.

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening gemeente SchouwenDuiveland 2026.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16481004/1