1519504 bijlage 2 Quickscan Flora en Fauna
Tekst van het document
Quickscan Beschermde Flora en Fauna Omgevingswet Sloop deel garagegebouw Achterstraat 9 4306 CS te Nieuwerkerk
Opdrachtgever: Dhr. A.I. Flikweert Dolfijnstraat 35 4306 CX Nieuwerkerk 06-83803044 | aiflikweert@kliksafe.nl
Uitgevoerd en opgesteld door:
Nanning-Jan Honingh Schoondijksedijk 35 | 4438 AE Driewegen 06-12883834 / info@melkenhoningh.nl
Datum: 21 februari 2025
Inhoudsopgave 1. INLEIDING....................................................................................................................................... 2 1.1 AANLEIDING EN DOEL ONDERZOEK ......................................................................................................... 2 1.2 OMGEVINGSWET............................................................................................................................... 2 1.3 VERANTWOORDING ........................................................................................................................... 5 1.4 AFBAKENING PLANGEBIED EN STUDIEGEBIED. ........................................................................................... 6 2. BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE EN VOORGENOMEN ACTIVITEITEN ............................................... 7 2.1 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN.............................................................................................................. 7 3. SOORTENBESCHERMING ................................................................................................................. 8 3.1 BESCHERMDE SOORTEN INDICATOR (BESI)................................................................................................ 8 3.2 SCHADELIJKE EFFECTEN GEPLANDE WERKZAAMHEDEN ................................................................................ 12 4.
TOETSING NATURA 2000 (VOGELRICHTLIJN/ HABITATRICHTLIJN) EN NATUURGEBIEDSPLAN (NNZ) . 13 5. CONCLUSIES EN ADVIES ................................................................................................................ 15 5.1 CONCLUSIES ................................................................................................................................... 15 5.2 ADVIES EN AANBEVELINGEN ............................................................................................................... 15 BIJLAGE 1: KOPIE VAN HET BESI RAPPORT ......................................................................................... 17
1
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel onderzoek Initiatiefnemer Dhr. A.I. Flikweert is van plan om een woning te bouwen. Hiervoor is het nodig dat de helft van een garagegebouw wordt gesloopt. Het huis wordt tegen het restant van het garagegebouw aan gebouwd. Deze quickscan beschermde flora en fauna maakt deel uit van de ruimtelijke procedure om dit mogelijk te maken. De quickscan heeft als doel om aan te tonen dat natuurwaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Er is gekeken naar soortbescherming en naar gebiedsbescherming.
1.2 Omgevingswet De Wet Natuurbescherming (2017) is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet (2024). Informatie hierover is te vinden op het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO www.iplo.nl). Definitie De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. Deze definitie zorgt ervoor dat u moet controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn als u een activiteit uitvoert. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Controleren welke soorten er zijn bij het uitvoeren van activiteiten Door de brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: - Er soorten aanwezig zijn; - Welke soorten dat zijn. Dit geldt dus voor uiteenlopende activiteiten. Bijvoorbeeld bij het realiseren van een windturbine, het plaatsen van een dakkapel of het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek naar dieren of planten. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Regels voor flora- en fauna-activiteit Er gelden rijksregels voor een flora- en fauna-activiteit. Er kan een omgevingsvergunning nodig zijn. Ook kunnen decentrale regels gelden.
Rijksregels flora- en fauna-activiteit Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Dat zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Degene die zo'n
2
activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een vergunningplicht gelden. Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Besluit Activiteiten Leefomgeving, BAL). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het BAL geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht. Controleren soorten en habitats Iemand die een flora- en fauna-activiteit wil verrichten op een plek, moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. De tabel hierna geeft aan om welke soorten en habitats het gaat. Aanwezigheid van wat?
Waar staan de soorten in?
Toelichting
Vogels
Bijlage I Vogelrichtlijn
Het gaat om een soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt
Trekvogels
Onder andere op de website van het ministerie van LNV
Het gaat om een soort die regelmatig in Nederland voorkomt
Dier- en plantensoorten
Bijlage II, IV, V Habitatrichtlijn
Het gaat om een soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt
Dier- en plantensoorten
Bijlage IX Bal of in de rode lijsten
Het gaat om een soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt
Belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats waar de genoemde dieren/planten leven
Dieren en planten in deze kolom
Het gaat niet om gebieden die geschikt zouden zijn als leefgebied maar waar de soort niet leeft. Zoals een grot die geschikt is voor vleermuizen maar waar ze niet leven. Of een wand waarop bepaalde muurplanten zouden kunnen groeien maar waar ze niet zijn.
Nagaan of nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten uit te sluiten zijn Als er aanwijzingen zijn dat de hiervoor genoemde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Bij de diersoorten gaat het dan ook om hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren. Het uitsluiten of er nadelige gevolgen zijn, moet plaatsvinden aan de hand van objectieve gegevens.
3
Nagaan wat nadelige gevolgen zijn als uitsluiten daarvan niet mogelijk is Het is niet altijd mogelijk om nadelige gevolgen uit te sluiten voor dier- en plantensoorten. In dat geval moet degene die de activiteit verricht, nagaan wat de nadelige gevolgen kunnen zijn van de activiteit. Passende preventieve maatregelen om nadelige gevolgen te voorkomen Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Ook moet diegene tijdens en na de flora- en fauna-activiteit nagaan of die maatregelen wel het bedoelde effect hebben (monitoring). Stoppen met activiteit of herstelmaatregelen treffen Als er ondanks de genomen maatregelen toch nadelige gevolgen zijn door de activiteit, moet die activiteit stoppen. Als stoppen niet mogelijk is, dan moet degene die de activiteit verricht passende herstelmaatregelen treffen. Decentrale regels Decentrale overheden kunnen regels stellen over flora- en fauna-activiteiten. Zo kan de provincie bijvoorbeeld maatwerkregels in de omgevingsverordening opnemen voor bepaalde flora- en fauna-activiteiten zonder nationaal belang. Of vrijstellingen van de vergunningplicht opnemen in de omgevingsverordening.
Relatie flora- en fauna-activiteit met andere activiteiten Flora- en fauna-activiteiten zijn vaak het gevolg van andere activiteiten, zoals bouwen, slopen, kappen van bomen of het gebruik van een geweer of (jacht)vogel. Bouwen, slopen, kappen De handelingen die een initiatiefnemer wil verrichten bij het uitvoeren van een project kunnen meerdere activiteiten omvatten. De flora- en fauna-activiteit heeft vaak een relatie met de volgende activiteiten: - Bouwen (bouwactiviteit) - Slopen (sloopactiviteit) - Kappen van bomen Meer activiteiten De genoemde activiteiten zijn maar enkele voorbeelden. Er zijn nog tal van andere activiteiten denkbaar die een relatie hebben met een flora- en fauna-activiteit. Omgevingsvergunning Voor een flora- en fauna-activiteit kan een omgevingsvergunning nodig zijn. Er gelden rijksregels voor zo’n omgevingsvergunning. Bijvoorbeeld over het aanvragen van zo'n omgevingsvergunning of het beoordelen ervan. Ook kunnen er (decentrale) vrijstellingen zijn.
4
Aanvragen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit De vergunningaanvraag voor een flora- en fauna-activiteit moet aan voorwaarden voldoen. Die staan in de Omgevingsregeling. De vergunningaanvraag loopt meestal via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Soms loopt de aanvraag via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het DSO geeft dat dan aan. Aanvraagvereisten in Omgevingsregeling De aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning staan in de Omgevingsregeling in paragraaf 7.2.1 en in artikel: 7.197k tot en met 7.197n als het gaat om vogels 7.197o tot en met 7.197q als het gaat om soorten van de Habitatrichtlijn en verdragen 7.197r als het gaat om soorten van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL bijlage IX) 7.197s als het gaat om bijvoeren van dieren RVO geeft aan welke aanvraagvereisten gelden als de aanvraag via RVO loopt. Beoordelingsregels en andere regels omgevingsvergunning Naast regels over de aanvraag gelden er ook nog andere regels over de omgevingsvergunning zoals beoordelingsregels of wie het bevoegd gezag is. Bevoegd gezag en leges omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit en Natura 2000-activiteit De provincie is vaak het bevoegd gezag voor een aanvraag die alleen gaat over flora- of faunaactiviteiten of Natura 2000-activiteiten. Soms is de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) dat.
Als de aanvraag ook nog over andere activiteiten gaat, kan ook een ander het bevoegd gezag zijn zoals de gemeente. In bepaalde gevallen moet de aanvrager leges betalen.
1.3 Verantwoording Deze beoordeling beschrijft de gevolgen van het beoogde voornemen op te beschermen soorten. De mogelijke aanwezigheid van soorten is bepaald aan de hand van een zogenaamde quickscan. Dit houdt in: - Literatuuronderzoek (wetgeving) - Algemene kennis over het voorkomen van de Nederlandse flora en fauna - Veldverkenning Tijdens de veldverkenning wordt een beoordeling gemaakt in hoeverre het leefgebied van soorten, die op basis van literatuuronderzoek kunnen worden verwacht, ook daadwerkelijk in het plangebied aanwezig zijn. Met de beschikbare gegevens kan een goede inschatting worden gemaakt van de huidige en de toekomstige functie van het gebied voor flora en fauna. De beoordeling richt zich zowel op beschermde gebieden als op de te beschermen soorten. De Wet deelt soorten in drie beschermingsregimes in. Daarnaast zijn er (per provincie en landelijk) vrijgestelde soorten en jaarrond beschermde vogelnesten.
5
Indien het reëel is te verwachten dat in het plangebied extra te beschermen soorten voorkomen die mogelijk hinder ondervinden van het voornemen, dan dient een op deze soort(en) gericht veldonderzoek te worden uitgevoerd om de aanwezigheid of afwezigheid van deze soorten aan te tonen. Vogels vormen hierop een uitzondering: bij aanwezigheid van vogelsoorten mogen geen (verstorende) werkzaamheden worden gestart ten tijde van het broedseizoen (richtlijn broedseizoen 15 maart tot en met 15 juli). Indien echter sprake is van mogelijke aanwezigheid van vogelsoorten die extra bescherming genieten, dient een gericht veldonderzoek te worden uitgevoerd.
1.4 Afbakening plangebied en studiegebied. Het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het plangebied is het gebied waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden. Hier heeft het veldwerk ook plaatsgevonden: inventariseren van mogelijk aanwezige verblijfplaatsen en de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Het studiegebied is weergegeven in figuur 2. Het studiegebied is het gebied waar (nog) geen veldwerk is verricht, maar waar in dit geval kon worden volstaan met literatuurstudie van bestaande gegevens en eigen gebiedskennis. De quickscan is zowel op het plangebied als op het studiegebied van toepassing.
Figuur 1: Het plangebied met daarin de te slopen garages is geel omlijnd. De witte omlijning geeft het studiegebied aan.
6
2. BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE EN VOORGENOMEN ACTIVITEITEN Het gebouw is onderzocht (18 februari 2025) op de (mogelijke) aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van (beschermde) planten- of diersoorten.
2.1 Voorgenomen activiteiten Het plangebied bestaat uit een stenen gebouw met daarin 4 garageboxen. Aan de achterzijde en de oostzijde van het gebouw ligt een erf met gazon en wat struweel. De oostelijke helft met 2 garageboxen wordt gesloopt. Binnen het plangebied wordt een woning gebouwd en deze wordt aan de overige garageboxen vast gebouwd. De sloop van de garageboxen wordt voorzien na de bouwvakvakantie 2025.
Figuur 2: Voor- en achterzijde van het garagegebouw; de 2 rechterboxen worden gesloopt.
7
3. SOORTENBESCHERMING 3.1 Beschermde Soorten Indicator (BeSI) In dit hoofdstuk wordt bekeken of er nader onderzoek en/of een vergunning (Ogw) nodig is om de werkzaamheden uit te voeren. Hiervoor is de Beschermde Soortenindicator (BeSI) van BIJ12 geraadpleegd (Bijlage 1). Bij gebruik van deze indicator kwamen er in het geselecteerde gebied, in combinatie met de geselecteerde activiteit “Bouwwerk of deel van een bouwwerk slopen, of asbest verwijderen” mogelijk wettelijk beschermde vogel-, zoogdier- en/of andere diersoorten voor. Er komen geen wettelijk beschermde plantensoorten voor. De BeSI-indicator geeft (op basis van de NDFF) overigens niet volledig aan welke soorten dat zouden zijn en/of waar die zich precies bevinden. Daarom wordt hier onderscheid gemaakt in plangebied en studiegebied op basis van het provinciaal natuurbeleid, waarneming.nl en eigen gebiedskennis.
Figuur 3: Kaartbeeld BeSI.
Planten De effectenindicator verwacht geen beschermde plantensoorten. Het plangebied is rondom het gebouw verhard. Aan de oostzijde van het erf is enige haagbeplanting op grondgebied van de gemeente. Vogels De effectenindicator verwacht wettelijk beschermde vogelsoorten met een vaste verblijfplaats in het plangebied. Er zijn geen opgaande bomen in het plangebied aanwezig waarin holten of jaarrond nesten aanwezig zijn. De haagbeplanting op grondgebied van de gemeente blijft
8
voorlopig ongemoeid (Fig. 4). Mogelijk is dit onderdeel van essentieel leefgebied van de huismus. Zeer waarschijnlijk wordt hierin niet door huismussen gebroed, maar het kan mogelijk als kwetterbosje worden aangemerkt. Wanneer deze bosschages worden gerooid is eerst nader onderzoek nodig. De verantwoordelijkheid daarvoor berust bij de gemeente. Tijdens het veldbezoek werden er geen huismussen waargenomen. Het garagegebouw met asbest dak is volstrekt ongeschikt als verblijfplaats voor zowel huismussen als gierzwaluwen. Het is niet toegankelijk of er is geen nestelruimte. Bodembroeders zoals fazant, wilde eend, meerkoet of waterhoen worden in het plangebied niet verwacht. Er is aan de oostzijde van het plangebied enig struweel aanwezig op grondgebied van de gemeente. Het is mogelijk dat hier in het broedseizoen struweelvogels broeden. Algemeen voorkomende broedvogels, hun nesten, eieren en jongen en leefgebied zijn tijdelijk beschermd gedurende het broedseizoen. Dat is ruwweg vanaf half maart tot en met eind juli. Tijdens de bouw- en aanlegwerkzaamheden moet tijdens het broedseizoen rekening worden gehouden met deze vogels.
Figuur 4: Aan de oostzijde staat een struweelhaag op grondgebied van de gemeente. Dit is mogelijk onderdeel van essentieel leefgebied van de huismus en in het broedseizoen kunnen hier struweelvogels broeden.
In de directe omgeving van het plangebied staan géén opgaande bomen. Er zijn geen nesten waargenomen van bijvoorbeeld een ekster, kraai of buizerd die negatieve invloed zouden kunnen
9
ondervinden van de activiteiten. Nesten van de buizerd zijn jaarrond beschermd en om die reden mogen zij niet worden verstoord of worden vernietigd. Oude nesten van kraai en ekster worden soms ‘gekraakt’ door een buizerd die het nest uitbouwt. De aanwezigheid van de buizerd wordt hier overigens binnen het centrum van de bebouwde kom uitgesloten. Nesten van kraai en ekster zijn niet jaarrond beschermd, maar alleen in de broedtijd. Kerkuilen maken over het algemeen graag gebruik van zowel moderne als vervallen gebouwen om in te broeden. Het gebouw in het plangebied is ontoegankelijk voor kerkuilen en de aanwezigheid van kerkuilen kan worden uitgesloten. Steenuilen komen op Schouwen-Duiveland niet meer voor. Deze soort is afhankelijk van knotwilgen en andere holle bomen in begraasd grasland. Zij maken ook graag gebruik van vervallen schuurtjes e.d. Deze kleine landschapselementen ontbreken in het plangebied. De aanwezigheid kan worden uitgesloten. Er zijn geen geschikte nestbomen voor ransuilen in de directe omgeving van het plangebied. Ransuilen ‘kraken’ vaak een oud nest van kraai of ekster en hebben hun winterroestplekken in naaldbomen, coniferen of bomen met klimop. Zij doen dit bij voorkeur in de bebouwde kom of bij bebouwing. Zoogdieren De effectenindicator verwacht de aanwezigheid van beschermde zoogdieren.
Het is mogelijk dat grondgebonden zoogdieren (bosmuis, rosse woelmuis, huisspitsmuis e.a.) een schuilplaats hebben in of rondom het plangebied. Bovengenoemde soorten en hun leefgebied zijn echter niet beschermd. Voor de wettelijk beschermde soorten (in de Provincie Zeeland) als haas en konijn is het terrein als begrazingsgebied ongeschikt. In de directe omgeving zijn geen hazen of konijnen aanwezig. Er zijn geen holen of legers waargenomen. Ook werden er geen keutels of keutelplekken gevonden. Er is daarom geen reden om nader onderzoek naar het voorkomen van de haas of het konijn te doen. De egel is in de provincie Zeeland (helaas) vrijgesteld van de verboden in de Ogw. Het is niet uitgesloten dat deze het terrein doorkruist en/of hier foerageert; geschikte schuilplaatsen voor egels zijn in het plangebied mogelijk aanwezig. Bij het onverhoopt aantreffen van een egel tijdens werkzaamheden kan deze uit de gevarenzone van de werkzaamheden worden gezet. De BeSI meldt geen aanwezigheid van kleine marters of steen- of boommarters aan. Het gebouw is voor steenmarters niet toegankelijk. Voor kleine marterachtigen zoals bunzing, wezel en hermelijn is het plangebied dat binnen de bebouwde kom ligt, ongeschikt als leefgebied. Hun aanwezigheid in het plangebied wordt uitgesloten. Er is daarom geen reden om nader onderzoek naar het voorkomen van (kleine) marterachtigen te doen.
10
Aan de westzijde van het garagegebouw werden keutels van vleermuizen waargenomen. Het betreft hier waarschijnlijk een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Dit deel van de garageboxen blijft ongemoeid. De toegang tot de verblijfplaats blijft behouden en ook de spouwmuur blijft intact. Aan de te slopen oostzijde van het garagegebouw is geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen aanwezig. Hier ontbreekt namelijk een spouwmuur. Het is niet nodig nader onderzoek te verrichten als de werkzaamheden van sloop en bouw beginnen of plaatsvinden buiten de kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis, ruwweg vanaf begin augustus t/m oktober.
Figuur 5: Toegang voor de gewone dwergvleermuis en de verblijfplaats aan de westzijde van de garages. Deze zijde wordt niet gesloopt. Op de beun tegen de muur werden vleermuiskeutels gevonden.
Amfibieën De rugstreeppad wordt door de effectenindicator niet verwacht. Deze soort is internationaal beschermd en valt niet onder de vrijstelling van de provincie. De dichtstbijzijnde bekende rugstreeppaddenpopulatie komt voor in de buurt van Oosterland in natuurgebied de Hoge Maire. Rugstreeppadden kunnen ver trekken en komen af op open dynamische milieus, zoals bedrijventerreinen, zandopspuitingen etc. waar ook plassen water blijven staan. Dit is op dit moment niet het geval in het plangebied en deze situatie zal ook niet ontstaan. De aanwezigheid van de rugstreeppad kan worden uitgesloten. Het is niet uitgesloten dat andere algemeen voorkomende amfibieën zoals de gewone pad, bruine kikker, groene kikker en/of kleine watersalamander zich om het plangebied of de omgeving (vijvers) bevinden. Deze houden zich op het land schuil in hopen zand en puin, takken, bladeren, maaisel etc. en leven het liefst onder struweel en bosschages. Er is geen geschikt voortplantingsbiotoop en jachtbiotoop aanwezig binnen het plangebied. Hun leefgebied is overigens (helaas) niet beschermd. De zorgplicht in de Ogw verlangt wel dat verstoorde amfibieën tijdens de werkzaamheden ontzien worden door hen te verzamelen en elders op een veiliger plek uit te zetten.
Reptielen, Vissen en overige soorten Het is uitgesloten dat zich beschermde reptiel- of vissoorten of beschermde soorten insecten in het plangebied voorkomen. De levendbarende hagedis is bekend van enkele binnendijken en natuurterreinen (o.a. Ouwerkerk) op Schouwen-Duiveland, op enige kilometers afstand van het plangebied. Ook de andere soortgroepen komen in de wijdere omgeving niet voor.
11
Conclusie: Er is geen noodzaak om nader onderzoek te verrichten naar vaste stand- of verblijfplaatsen van vogels, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, bijzondere beschermde planten- en overige soorten. Het is wel noodzakelijk om nader onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van (verblijfplaatsen) van vleermuizen (gewone dwergvleermuis en laatvlieger) indien het hele garagegebouw wordt gesloopt. Dit is echter niet het geval en daarom kan vooralsnog nader onderzoek naar (verblijfplaatsen) van vleermuizen achterwege blijven.
3.2 Schadelijke effecten geplande werkzaamheden In deze paragraaf wordt beschreven of de geplande werkzaamheden zèlf schadelijk zijn voor de mogelijk aanwezige soorten. Mogelijke hinder kan worden veroorzaakt door materieel dat naar en van het werkterrein rijdt, graaf- en bouwwerkzaamheden e.d. De (tijdelijke) hinder bestaat dan vooral uit lawaai, trillingen en de aanwezigheid van personeel en medewerkers. Wanneer (overdag) wordt begonnen met de werkzaamheden en vóór- of nádat het voortplantingsseizoen van kleine zoogdieren begint (v/a januari tot en met september) is de kans nihil dat er zoogdieren worden gedood of gewond. De aanwezigheid van verblijfplaatsen wordt vooralsnog uitgesloten. Het is mogelijk dat de werkzaamheden in het voorjaar verstorend zouden kunnen werken op de aanwezigheid van vogelsoorten die mogelijk in de opstallen of de beplanting in de buurt van het bouwterrein broeden. Deze situatie is echter op het bouwterrein niet van toepassing. De algemene zorgplicht verbiedt om broedende vogels te verstoren. De werkzaamheden moeten dan vóór- of nadat het broedseizoen aanvangt zijn uitgevoerd of zijn begonnen, zodat de vogels (tijdelijk) naar elders kunnen verhuizen. Het broedseizoen begint ongeveer vanaf 1 maart t/m 31 juli, maar kan voor sommige (roof)vogelsoorten eerder beginnen en later eindigen.
Het is niet waarschijnlijk dat de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag verstorend zouden werken op de aanwezigheid van vleermuissoorten in de buurt. Zij zullen geen schadelijk effect van de aanlegactiviteiten ondervinden, omdat zij ’s nachts foerageren. Omdat de aard van de werkzaamheden en omdat de activiteiten niet direct op de vleermuizen zijn gericht, is de verwachting dat eventuele verstoring (geluid; trillingen) bij aanwezigheid van vleermuizen in de buurt nihil zal zijn. De ervaring leert dat vleermuizen flexibel reageren op dit soort werkzaamheden, zolang de verblijfplaats en de toegang daarvan intact blijven. Nadat de rust is weergekeerd, komen de vleermuizen in de regel gewoon weer terug. Conclusie: Volgens stap 2 van de checklist is er geen extra nader onderzoek nodig om te bepalen wanneer de werkzaamheden kunnen beginnen zonder dodelijke slachtoffers te maken of de verblijfplaatsen te verstoren.
12
4. TOETSING NATURA 2000 (Vogelrichtlijn/ Habitatrichtlijn) en NATUURGEBIEDSPLAN (NNZ) Het plangebied zelf is niet aangewezen als Ogw-wet gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is “De Hoge Maire” en “Oosterschelde” (op resp. 2 en 4 km. afstand). De invloed op dit gebied zal vanwege deze afstand en de beperkte omvang van de werkzaamheden te verwaarlozen zijn (Fig. 6). Het plangebied zelf is niet aanwezen als Natuur Netwerk Zeeland (NNZ) gebied (Bron: Natuurbeheerplan kaart 2025). Er is op een afstand van 2 km. wel NNZ- gebied gelegen in de omgeving van het plangebied: de Platte Capelledijk (Fig. 7). De natuurwaarden van dit terrein zijn voornamelijk vanwege de (verwachte) aanwezigheid van een bepaalde vegetatie (N12.02, Kruiden- en faunarijk grasland). Er zijn hierop geen (extra) negatieve effecten te verwachten. Er is in deze quickscan geen rekening gehouden met de mogelijk aanwezige extra stikstofdepositie d.m.v. een Aeriusberekening. Conclusie: Vanwege de (tijdelijke en beperkte) omvang van de activiteiten en de aard van de natuurwaarden, zullen de geplande activiteiten geen negatieve uitstraling (externe werking van geluid, versnippering of belichting) hebben op de nabijgelegen beschermde gebieden.
Figuur 6: Natura 2000-gebied De Hoge Maire op 4 km. en Oosterschelde op 6 km. afstand van het plangebied (rood omlijnd).
13
Figuur 7: Natuurbeheerplankaart van de Provincie Zeeland 2025.
14
5. Conclusies en advies In dit hoofdstuk worden de verschillende conclusies uit deze quickscan op een rij gezet.
5.1 Conclusies Conclusies met betrekking tot soortenbescherming Er is geen noodzaak om nader onderzoek te verrichten naar vaste stand- of verblijfplaatsen van vogels, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, bijzondere beschermde planten- en overige soorten. Het is wel noodzakelijk om nader onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van (verblijfplaatsen) van vleermuizen (gewone dwergvleermuis en laatvlieger) indien het hele garagegebouw wordt gesloopt. Dit is echter niet het geval en daarom kan vooralsnog nader onderzoek naar (verblijfplaatsen) van vleermuizen achterwege blijven. Conclusie met betrekking tot schadelijke effecten Er is geen extra nader onderzoek nodig om te bepalen wanneer de werkzaamheden van start kunnen gaan zonder (dodelijke) slachtoffers te maken of de verblijfplaatsen te verstoren als buiten het broedseizoen (ruwweg vóór 1 maart en ná 31 juli) wordt begonnen met de werkzaamheden. Conclusie met betrekking tot gebiedsbescherming Vanwege de (tijdelijke en beperkte) omvang van de werkzaamheden en de aard van de natuurwaarden, zullen de geplande activiteiten geen negatieve uitstraling (externe werking van geluid, versnippering of belichting) hebben op de nabijgelegen beschermde gebieden.
5.2 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek naar bepaalde soorten kan zelden het hele jaar rond worden uitgevoerd. Nader onderzoek kan in het algemeen pas in het voorjaar en zomer worden uitgevoerd. Houd daarmee rekening in de planning van de werkzaamheden. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen gebeurt volgens het Vleermuisprotocol 2021. Het onderzoek gebeurt in 5 ronden tussen half mei en eind oktober onder gunstige weersomstandigheden. Tussen de onderzoekronden liggen minimaal 20 dagen. Mochten er wel wettelijk beschermde soorten aanwezig zijn, dan is er een vergunning nodig. Deze moet worden aangevraagd via het digitale Omgevingsloket. Daarin is een zgn. vergunningscheck opgenomen. De vergunning kan pas worden aangevraagd als het nader onderzoek is uitgevoerd en gerapporteerd. Voor de aanvraag van een vergunning moet ook een apart activiteiten- of mitigatieplan worden aangeleverd. Hierin staan welke mitigerende (verzachtende) of compenserende maatregelen worden getroffen. De procedure van een ontheffing duurt 8 weken. Voor het verlenen van een vergunning brengt het bevoegd gezag (de provincie) legekosten in rekening.
15
Wanneer de vergunning is verleend, dan moet voordat de werkzaamheden beginnen in sommige gevallen een ecologisch werkprotocol (EWP) worden opgesteld. Hierin staat hoe de werkzaamheden, rekening houdend met de aanwezige beschermde natuurwaarden, worden uitgevoerd. Voordat de werkzaamheden beginnen, moet er kort tevoren een ecologische vrijgave (EVG) uitgevoerd worden. Een ecoloog moet dan van tevoren het terrein verkennen en vaststellen of er wel/geen wettelijk beschermde soorten (meer) voorkomen. Onder de voorschriften die als onderdeel van de vergunning worden meegegeven, wordt steevast de verplichting tot monitoring van de uitgevoerde mitigerende en compenserende maatregelen opgenomen. Meestal geldt deze verplichting voor een periode van 3 jaar.
16
Bijlage 1: Kopie van het BeSI rapport
© Niets uit deze rapportage mag gekopieerd worden zonder schriftelijke toestemming van de auteur.
17