1475244 Bijlage 7 Ruimtelijke onderbouwing Daniel Ockersestraat juli 25
Tekst van het document
In het centrum wordt reeds gewoond boven en op korte afstand van de verschillende dorpsvoorzieningen en kleinschalige bedrijvigheden. Conclusie Milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Met het realiseren van een woonfunctie binnen het dorpscentrum worden omliggende activiteiten niet belemmerd en is er voor de toekomstige bewoners sprake van een goed woon- en leefklimaat.
3.5
Luchtkwaliteit
Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen (artikel 5.16 Wet milieubeheer). Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd. Hiervoor zijn getalsmatige grenswaarden opgenomen (titel 5.2 Wm) voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. Voor bepaalde projecten is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een project minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
25
verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 µg /m3 voor zowel PM10 als NO2. Tabel 3 Worstcase scenario op basis NIBM-tool
In Atlas Leefomgeving laat de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen ter plaatse zien. Uit de monitoringstool blijkt dat ter hoogte van het besluitgebied in 2021 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. De concentraties liggen dicht tegen de WHO-advieswaarde van respectievelijk 10 en 15 microgram per kubieke meter lucht. Conclusie De beoogde realisatie van een enkele woonfunctie in de dorpskern is een kleinschalige ontwikkeling. Er is slechts beperkt sprake van een toename aan verkeersbewegingen. Er is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen (waaronder PM10 en NO2). Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
3.6
Flora en fauna
De soortenbescherming is in Nederland sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wn), voorheen de Flora- en Faunawet. Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het project mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op beschermde soorten. Uitgangspunt van de Wet natuurbescherming is dat handelingen die leiden tot (opzettelijke) verstoring of schade aan leefgebieden van beschermde soorten zijn verboden. Europese Vogelrichtlijn Alle vogels worden op basis van de Europese Vogelrichtlijn beschermd en zijn in de Wn opgenomen in artikel 3.1 Wn. Voor alle vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren opzettelijk beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen (van ongeveer maart tot half juli) leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven. Natura 2000- gebieden De bescherming van natuurgebieden is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming.
Bovengenoemde wet regelt de bescherming van de in Europees verband vastgelegde Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden) en de op nationaal niveau beschermde natuurgebieden. Voor soorten die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
26
het verdrag van Bern/ Bonn worden beschermd, geldt artikel 3.5 van de Wn. Conform artikel 12 van de Habitatrichtlijn geldt voor soorten die via artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming worden beschermd, dat ook het onopzettelijk beschadigen of vernielen van de in gebruik zijnde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde soorten is verboden. Voor een aantal soorten geldt een specifieke gedragscode. Natuur Netwerk Nederland (NNN) De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) vindt plaats via lokaal en regionaal beleid. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee- tenzij’ toets. Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Zorgplicht Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient op basis van deze zorgplicht in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen.
Besluitlocatie Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de aanvrager te waarborgen dat de uitvoering van het project geen nadelige gevolgen heeft op beschermde soorten of natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Grevelingen’ op ca 1,5 km afstand ten noordoosten van het besluitgebied. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient tevens te worden onderzocht of er sprake is van een effect op het nationaal beschermde Natuur Netwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het meest nabij gelegen gebied welke onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk is de Zuiddijk ten zuiden van de kern Dreischor op circa 600 meter afstand. De projectlocatie bevindt zich buiten het NNN. Nadelige effecten op omliggende natuurgebieden kunnen door de beperkte schaal van de ontwikkeling en de ligging van het besluitgebied in het centrum van Dreischor worden uitgesloten. De nieuwe bebouwing wordt energieneutraal gerealiseerd. De woning wordt goed geïsoleerd en wordt verwarmd op basis van een warmtepomp. Binnen het perceel is in de uitgangssituatie een eenvoudige Zeeuwse schuur aanwezig. De schuur is enkelwandig gerealiseerd en bevindt zich op een intensief gebruikt en volledig verhard perceel binnen het dorpscentrum van Dreischor. In februari 2024 is door NWC Advies een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd.
Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het terrein mogelijk geschikt is voor vleermuizen en huismussen. In het kader van de omgevingsvergunning dient er op basis van nader soortgericht onderzoek vastgesteld te worden of het besluitgebied een geschikt leefgebied vormt voor vleermuizen of huismussen. Uit het nader onderzoek blijkt of er voor de werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden. De rapportage is toegevoegd in bijlage 5. In oktober 2024 is door Veldbiologische Werken een nader soortonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid en geschiktheid van het besluitgebied voor huismussen, gierzwaluw en/ of (gebouwbewonende) vleermuizen. Uit de onderzoeksresultaten is gebleken dat het besluitgebied geen geschikt habitat vormt voor huismus en gierzwaluw. Uit veldonderzoek is gebleken dat de bebouwing wordt gebruikt als zomerverblijf voorvleermuizen. In de beoogde situatie wordt de bestaande bebouwing gesloopt. Hiermee zullen drie zomerverblijven voor de gewone dwergvleermuis verloren gaan. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden is in juli 2025 een Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
27
omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit aangevraagd. Onderdeel van de vergunningaanvraag is een activiteitenplan met maatregelen op basis waarvan effecten zoveel mogelijk worden beperkt zodat er geen blijvende negatieve effecten populatieniveau ontstaan. In de nieuwe situatie krijgen beschermde soorten een permanente verblijfplaats. Gedurende de uitvoering van de werkzaamheden wordt een ecologisch werkprotocol gevolgd om negatieve effecten voor de Gewone dwergvleermuis ten aanzien van het leefgebied en verblijven te minimaliseren. In de bebouwing zullen vleermuisstenen worden ingebouwd in drie verschillende gevels. Binnen het plangebied komt ruimte voor inheemse groenvoorzieningen. Tevens worden in overleg met omwonenden vleermuiskasten geplaatst op omliggende panden om de populatie te ondersteunen. De omgevingsvergunning voor de sloop van de schuur wordt verleend zodra er voldoende zekerheid is over de aangevraagde vergunning voor de flora en fauna-activiteit. Het projectplan is opgenomen in bijlage 5c. Ten aanzien van overige vleermuissoorten in de omgeving van het besluitgebied zijn voorzorgsmaatregelen noodzakelijk. Dit betekent onder meer dat in de kraamperiode tussen 15 mei en 15 juli alleen bij daglicht wordt gewerkt. De onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 5b.
Bij het uitvoeren van bouwwerkzaamheden en met de verkeersbewegingen van nieuwe gebruikers komt stikstof vrij. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mag geen overschrijding van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurgebieden veroorzaken. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zal een stikstofdepositieberekening worden uitgevoerd naar de te verwachten stikstofdepositie in de bouwfase en in de gebruiksfase. In april 2025 is door S&W Bouwkundig Ingenieurs BV een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de rekenresultaten is gebleken dat er in de gebruiksfase geen sprake is van een projectgebonden bijdrage aan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000- gebieden. In de aanlegfase is eveneens geen sprake van stikstofdepositie op omliggende beschermde natuurgebieden, mits voertuigen worden ingezet die tevens gebruik maken van AdBlue. Met de toevoeging van dit brandstoftype op basis van ureum en gedemineraliseerd water vindt minder uitstoot plaats van schadelijke stoffen. Conclusie Er zijn geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden te verwachten als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Ten aanzien van de in het gebied aangetroffen vleermuizen is een omgevingsvergunning aangevraagd.
3.7
Archeologie
De bescherming van archeologisch erfgoed is sinds de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Besluitlocatie De archeologische verwachtingswaarden voor de besluitlocatie zijn vertaald in het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Brouwershaven, Dreischor en Noordgouwe’ uit 2013. Voor de locatie geldt een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Ter plaatse is de dubbelbestemming ‘WaardeRuimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
28
Archeologie- 5’ van kracht. Bij bodemverstorende activiteiten met een grondoppervlak vanaf 250m2 en een bewerkingsdiepte vanaf 50 cm– mv is een verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Enkele jaren geleden is grenzend aan het perceel onder de Ockersestraat een oude houten weg opgegraven bij een archeologisch onderzoek. Hoewel voor dit plan geen verplichting geldt voor het uitvoeren van archeologisch (voor)onderzoek, is de kans aanwezig dat archeologische sporen of vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase tijdens graafwerkzaamheden aangetroffen worden. Bij het aantreffen van archeologische sporen of vondsten geldt een wettelijke meldingsplicht (artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016). Bij graafwerkzaamheden dienen aannemer en uitvoerder alert te zijn op eventuele sporen en vondsten. Het aantreffen van archeologische sporen of vondsten moet direct gemeld worden aan de bevoegde overheid, de gemeente SchouwenDuiveland. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot grondwerkzaamheden boven de vrijstellingsgrens. Het aspect archeologie heeft geen invloed op de uitvoerbaarheid van het project.
3.8
Cultuurhistorie
Ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden vindt er steeds meer een verschuiving plaats van verantwoordelijkheden van het Rijk naar gemeenten. Hiermee wordt de koers die met de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg 2009 (MoMo) is ingegaan verder doorgezet. De moderne monumentenzorg heeft twee uitgangspunten: van objectgericht naar omgevingsgericht en van conserverend naar ontwikkelend. Dit vertaalt zich in een beleid met minder regels, het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening en meer mogelijkheden voor het herbestemmen van gebouwen. Sinds de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van 1 januari 2012, dienen cultuurhistorische en archeologische waarden te worden meegewogen bij besluiten die een afwijking van de planologische regeling mogelijk maken. Rijksbelang In de beoogde situatie wordt bestaande bebouwing op een woonperceel in een cultuurhistorisch waardevolle woonomgeving gesloopt en herbouwd ten behoeve van een woonfunctie. Binnen het besluitgebied is geen bebouwing aanwezig met een Rijksmonumentale cultuurhistorische waarde. Binnen de kern zijn onder meer de Hervormde kerk en het merendeel van de bebouwing aan de westzijde van de Ring zijn aangewezen als Rijksmonumentale bebouwing. Het besluitgebied maakt onderdeel uit van het beschermde dorpsgezicht van het ringdorp Dreischor (monumentnummer 1511).
Kerkringdorpen zijn één van de oudste nederzettingspatronen in Zeeland. Het kerkringdorp van Dreischor betreft één van de oudste en best bewaard gebleven ringdorpen in Zeeland. Kenmerkend voor de kern is het gesloten en compacte karakter van het vlasdorp met bebouwing dicht op de straat, en bebouwingsstructuur met een kerkring en achterstraten. Om het historische karakter te kunnen behouden gelden beperkingen aan de bebouwingsgrenzen, de bebouwingshoogte, de kapvorm, gevelindeling en de toe te passen materialen en kleuren. Deze dienen zo veel mogelijk gelijk of gelijkwaardig te blijven. De bescherming van het aanzicht en de samenhang van het dorpsgezicht is geborgd in de regels van het geldende bestemmingsplan en via het welstandsbeleid. Het aanzicht van de beoogde bebouwing waaronder het traditionele gesloten karakter, de gevelindeling met luiken, bouwmassa, de situering op het perceel, het rode pannendak, de kaprichting, het kleur-, en materiaalgebruik blijven zo veel mogelijk gelijk aan de historische situatie. De bebouwing past hiermee ook in de beoogde situatie binnen het karakter van het beschermde dorpsgezicht van Dreischor en wordt het karakter en de onderlinge samenhang van bebouwing Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
29
binnen het straatbeeld van het beschermde dorpsgezicht behouden. In de beoogde situatie worden de historische houten spanten zoveel mogelijk hergebruikt. Het ontwerp is ter beoordeling voorgelegd aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. In april 2025 heeft de Commissie positief geadviseerd. Ter hoogte van de Molenweg 17 bevindt zich een historisch waardevolle korenmolen ‘Aeolus’ uit omstreeks 1739 op een molenberg. De molen heeft sinds 1966 een Rijksmonumentale status (nummer 11161). De molen betreft een ronde, gele, bakstenen beltmolen, type grondzeiler. In de algemene aanduidingsregels van het geldende bestemmingsplan zijn voor de gronden binnen een straal van 400 meter, op basis van de aanduiding ‘vrijwaringszone- molenbiotoop’ bouwbeperkingen ter bescherming van de windvang van de molen opgenomen. De locatie ligt op een afstand van circa 300 meter van de molen. De maximale bouwhoogte voor de woning bedraagt volgens de regels van het bestemmingsplan (300 meter/ 100) + de hoogte van de onderste verticale wiek in meters. Indien de vrije windvang of het zicht al beperkt worden, mag de ontwikkeling deze niet verder beperken. Binnen de kern, direct aan de zuidzijde van het perceel, aan de Zuidstraat 3 en aan de Daniël Ockersestraat 2 is bebouwing aanwezig met een bouwhoogte van respectievelijk 7,7, 8,5 en 7,9 meter.
Met het slopen en oprichten van nieuwe bebouwing tot een bouwhoogte van circa 8 meter wordt de vrije windvang niet verder belemmerd. De beoogde ontwikkeling maakt geen bouwwerken mogelijk met een hoogte die effect heeft op de windvang van de molen.
Provinciale belangen De cultuurhistorische belangen van de Provincie Zeeland zijn vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Ter hoogte van de besluitlocatie zijn geen cultuurhistorisch waardevolle landschappen, landschapselementen of cultuurhistorische elementen aanwezig die provinciale bescherming behoeven. De kaart cultuurhistorie Zeeland geeft inzicht in de karakteristieke landschappelijke kenmerken per gebied. De huidige schuur is in samenhang met de schuur aan de Daniël Ockersestraat 5 op basis van het Monumenten Inventarisatieproject aangewezen als karakteristiek object met een bijzondere waarde. Doelstelling van deze inventarisatie, uitgevoerd tussen 1986 en 1995, was om voornamelijk jongere bouwwerken uit de periode 1850- 1945 te inventariseren en te waarderen. Een weergave als MIP-object geeft nog geen beschermde status, wel een indicatie van de bijzondere kenmerken van een pand. Karakteristiek aan de huidige schuren is het karakter dat herinnert aan de vroegere vlasindustrie. De schuren bestaan uit zwarte, geteerde, houten, gepotdekselde wanden met gele bakstenen plinten. De bebouwing staat op houten klossen. In de gevel zijn verschillende houten deuren en goederenluiken en kleine vensters opgenomen. Het zadeldak is bedekt met rode holle pannen en is voorzien van een strakke uitgesneden daklijst met makelaar.
Het besluitgebied bevindt zich binnen het zuidwestelijk zeekleigebied, in nieuwlandgebied. Vanaf het midden van de 13e eeuw werden dijken niet alleen aangelegd om bestaand land te beschermen, maar ook om nieuw land aan te winnen. Deze ‘nieuwlandpolders’ zijn vaak hoger opgeslibd en minder ingeklonken dan het omringende landschap. Door de goede natuurlijke afwatering van de polders komt bebouwing gespreid over de polders voor. Een groot deel van het land werd gebruikt voor akkerbouw (graan, vlas, meekrap). Kenmerkende structuren voor het landschap van een nieuwlandpolder zijn de rationele verkavelingsstructuren, rechte wegen, verspreide bebouwing, kreken en inlaagdijken. De ontwikkeling is gelegen binnen de bebouwde kom en heeft geen invloed op het rationele, open karakter van de polder.
Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
30
Gemeentelijk beleid De gemeente heeft in 2012 de nota ‘Integraal erfgoedbeleid 2012-2018’ vastgesteld. In deze nota is het erfgoedbeleid op hoofdlijnen vastgelegd. De belangrijkste uitgangspunten zijn vertaald in het vigerende bestemmingsplan en het welstandsbeleid. Zie tevens pararaaf 2.3. Besluitgebied De huidige schuur betreft een karakteristieke Zeeuwse schuur opgericht omstreeks 1910. De schuur is uitgevoerd als een zwart gepotdekselde schuur en herinnert aan de vlasindustrie. De karakteristieke schuur bevindt zich op de kruising van de Daniël Ockersestraat met de Zuidstraat. Het terrein is in de uitgangssituatie ingericht als logistieke ruimte, volledig verhard en is afgebakend van de openbare ruimte met een tuinhek. Tussen het karakter van de bebouwing van de Zuidstraat en de Daniël Ockersestraat bestaat een groot contrast. De bebouwing in de Daniël Ockersestraat bestaat ter hoogte van de kruising met de Zuidstraat uit woningen met een meer landelijk karakter en met aangebouwde zwart gepotdekselde schuren. De woningen aan de overzijde van de hoge aangebouwde schuur aan de Zuidstraat, aan de zijde van de kerkring, hebben een compact en dorps karakter. De besluitlocatie verbindt door de ligging beide straten. De schuur is in een slechte bouwkundige staat en heeft renovatie nodig. In de beoogde situatie wordt de bestaande schuur gesloopt en opnieuw gebouwd als woonfunctie.
De beoogde ontwikkeling vindt zo veel mogelijk plaats binnen de contour van de bestaande bebouwing en met behoud van de historische karakteristiek. De bebouwingskarakteristiek waaronder de situering, het dakvlak, het materiaal- en kleurgebruik en het gesloten karakter van de gepotdekselde gevels komt terug in de nieuwe situatie. De historische spanten worden zoveel mogelijk hergebruikt in de beoogde situatie. In de beoogde situatie wordt de ingang van de woning gesitueerd in de richting van de Zuidstraat, zoals dit bij de woning aan de Zuidstraat 3 het geval is. Het huidige logistieke voorerf krijgt een functie als woonerf. Het transformatie van een karakteristieke schuur met een opslagfunctie ten behoeve van het gebruik als een kleinschalige woonfunctie past in principe binnen het beleid van de gemeente om ontwikkelingen in een passende schaal en stijl toe te staan. Ook in de beoogde situatie wordt aangesloten op het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de kern. Het herontwikkelen van een schuur naar een woning binnen de historische bebouwingsstructuur van Dreischor heeft geen negatieve invloed op het aanzicht of de herkenbaarheid van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in de omgeving.
Met het realiseren van een levensloopgeschikte en energieneutrale woonfunctie voor kleinere huishoudens in het dorpshart wordt op een passende schaal bijgedragen aan de grote lokale vraag naar middeldure woonruimte en de leefbaarheid van de kern. Conclusie De beoogde situatie heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of landschapselementen in de omgeving. De aanwezige waarden worden ook in de beoogde situatie planologisch beschermd op basis van de regels van het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Brouwershaven, Dreischor en Noordgouwe’. Het ontwerp is voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit en is positief beoordeeld. Hiermee is de bescherming van de cultuurhistorische waarden van de omgeving voldoende geborgd.
3.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Het doel van het externe veiligheidsbeleid is het beheersen van risico’s door opslag en transport van milieugevaarlijke stoffen afkomstig van industriële activiteiten. Tot risicobronnen behoren inrichtingen en transportroutes waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
31
luchthavens. Het wettelijk kader voor de beoordeling van risico’s van transport van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ en de ‘Regeling Basisnet’. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Voor transport via buisleidingen geldt het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’. In het externe veiligheidsbeleid zijn normen voor het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) opgenomen. Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. In gebieden met een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten.
Zonering vindt plaats door middel van veiligheidsafstanden op basis van berekende risico’s of te verwachten effecten bij calamiteiten. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Op basis van het Registratiebesluit externe veiligheid en de Wet milieubeheer moeten risicobronnen inzichtelijk worden gemaakt. Het risicoregister wordt gepubliceerd door middel van een digitale risicokaart. Besluitgebied Een burgerwoning is geen activiteit met een veiligheidsrisico voor de omgeving. Een woonfunctie is binnen het externe veiligheidsbeleid aangemerkt als een gevoelige bestemming. Het oprichten van woningen binnen een beschermingszone (PR) is niet toegestaan. Volgens de Risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het besluitgebied geen inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In de omgeving bevinden zich een aantal bovengrondse propaantanks waarvoor een veiligheidsafstand van toepassing is. De afstand tot deze installaties is voldoende groot. De installaties vormt geen beperking voor de ontwikkeling van het besluitgebied.
Er bevinden zich geen buisleidingen waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt in de directe omgeving van het besluitgebied. Ten aanzien van het beoogde gebruik kan worden volstaan met het standaard advies waarbij de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt beschouwd. Daar waar de planologische ontwikkeling een gebouw mogelijk maakt dienen een aantal brandveiligheidsaspecten onderzocht te worden. De gemeente stemt bij ruimtelijke ontwikkelingen een aantal brandveiligheidsaspecten vroegtijdig af met de Veiligheidsregio. De brandveiligheidsaspecten betreffen met name de bereikbaarheid door de brandweer via de openbare weg, de brandweerzorgnorm, de primaire bluswatervoorziening op de openbare weg en de secundaire bluswatervoorziening. De bereikbaarheid van het besluitgebied voor hulpvoertuigen en de bluswatervoorzieningen in de omgeving van het besluitgebied moeten voldoen aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland 2020). De brandveiligheidsvereisten zijn opgenomen in de Omgevingswet.
Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
32
De afstand van het besluitgebied tot omliggende activiteiten met een veiligheidsrisico is voldoende groot. De bewoners kunnen als voldoende zelfredzaam worden beschouwd en kunnen op eigen kracht de woning verlaten. Op basis van de regels uit het Bouwbesluit zullen voldoende veiligheidsmaatregelen getroffen worden in de vorm van rookmelders en blusmiddelen. De nieuwe woning zal voldoen aan de actuele voorschriften wat betreft brandveiligheid en ventilatie. De besluitlocatie is bereikbaar via de Daniël Ockersestraat. In deze straat is ook een lokale brandweerkazerne gevestigd. Over de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van voldoende blusmiddelen wordt aanvullend advies van de veiligheidsregio gevraagd. Hiermee is de veiligheid van de gebruikers in de toekomst voldoende geborgd. Aanvullende risico reducerende maatregelen zijn in het kader van de beoogde ontwikkeling niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het realiseren van een woonfunctie. De afstand tot objecten waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt is voldoende groot. De veiligheidsparagraaf wordt voor advies en ter beoordeling aangeboden aan de veiligheidsregio.
3.10 Water Het besluitgebied bevindt zich binnen het beheergebied van het Waterschap Scheldestromen. Het Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. In het waterbeheerprogramma wordt invulling gegeven aan de ambities uit de Visie Waterbeheer 2050. Met het programma wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) wat betreft het bereiken van een Goed Ecologisch potentieel. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water zijn: • Waarborgen van waterveiligheid; • Zorgen voor mooi en schoon water; • Beperken van de effecten van klimaatverandering/ klimaatadaptatie; • Bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving; • Verduurzaming van het watergebruik; •
Onderhoud van waterschapswegen.
In de ‘Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw’ (d.d. 14 februari 2001) is door rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten overeengekomen dat in alle nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets opgenomen dient te worden. In de motivering van een ruimtelijk besluit dient op basis van artikel 3.6 lid 1 Bro aangegeven te worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het project voor de waterhuishouding. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat hierbij tevens overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater in het stedelijke gebied, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen (Waterwet, art. 9a). De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 is vastgelegd hoe de gemeente uitvoering geeft aan de omgang met afvalwater, hemelwater en grondwater.
Afstromend schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk vertraagd zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem en daarmee in Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
33
perioden van droogte een buffer vormt. Voor de afvoer van hemelwater geldt de trits: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). Het waterschap toetst in het kader van het vooroverleg of het project past binnen de waterdoelstellingen. Op basis van de Keur van het waterschap wordt bepaald of er voor bouwwerken of activiteiten een watervergunning noodzakelijk is. Ook wordt er binnen de Keur aangegeven voor welke ontwikkelingen er binnen een beschermingszone kan worden voldaan aan algemene regels waardoor er geen watervergunning aangevraagd hoeft te worden. De bijbehorende Legger geeft aan waar de keur van toepassing is. In de Legger zijn ook beschermingszones voor oppervlaktewateren opgenomen. Deze zones zijn bedoeld om ongewenste handelingen rondom een waterlichaam, zoals (bouw)activiteiten of de aanleg van beplanting, te kunnen weren. Besluitgebied Ten aanzien van de ontwikkeling van het besluitgebied kan de volgende afweging worden gemaakt. Veiligheid waterkeringen Ter hoogte van de beoogde woning bevindt zich volgens de Keur (20 juni 2019) en de bijbehorende legger waterkeringen geen beschermingszone van een waterkering.
Voorkomen van overlast door oppervlaktewater In de omgeving van de besluitlocatie bevinden zich volgens de Legger oppervlaktewateren geen watergangen met een belang voor het watersysteem en een bijbehorende beschermingszone. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot belemmeringen voor het watersysteem of voor (het onderhoud van) leggerwatergangen. Er verdwijnt geen open water door de bouw. Voorkomen van overlast door hemel- en afvalwater In de uitgangssituatie is ter plaatse een kadastraal perceel aanwezig met een oppervlakte van circa 210m2. Het perceel is geheel voorzien van een woonbestemming met bouwvlak. Binnen het perceel is een schuur gelegen met een grondoppervlakte van circa 70 m2. In de beoogde situatie wordt de schuur gesloopt en opnieuw gebouwd als woning met een oppervlakte van circa 84m2. Het netto areaal bebouwing neemt als gevolg van de ontwikkeling toe met circa 14m2. In de uitgangssituatie is het perceel volledig verhard met terreinverharding. Het netto areaal verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling niet toe. Het huidige logistiek ingerichte perceel zal in de beoogde situatie een functie krijgen als tuin bij de woning. Het afvalwater van de woonfunctie wordt in de nieuwe situatie afgevoerd via een nieuwe aansluiting op de gemeentelijke vuilwaterriolering.
In de huidige situatie wordt het schone regenwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd naar omliggende straatkolken. De bestaande regenput zal worden verwijderd. In de nieuwe situatie wordt het hemelwater in eerste instantie afgevoerd via de tuin. Eventueel overtollig hemelwater op het perceel zal afvloeien naar de straatkolken in de omgeving. De ontwikkeling vindt hydrologisch neutraal plaats en past binnen de uitgangspunten van duurzaam omgaan met water. Grondwaterkwantiteit en verdroging Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. Het schone hemelwater wordt gescheiden van het huishoudelijk afvalwater. Het overtollig hemelwater dat op de terreinverharding valt vloeit af via straatkolkjes. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van opvang in regentonnen. Grondwaterkwaliteit De beoogde bouwmogelijkheden hebben geen effecten op de grondwaterkwaliteit ter plaatse. Tijdens de bouw wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet- uitlogende materialen.
Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
34
Oppervlaktewaterkwaliteit De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit. Volksgezondheid De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid. Bodemdaling Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen wijziging plaats van het waterpeil. Het project heeft geen bodemdaling tot gevolg. Natte natuur Binnen of direct aanliggend aan het besluitgebied bevindt zich geen natte natuur. Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Onderhoud oppervlaktewater Ter hoogte van de besluitlocatie bevinden zich geen oppervlaktewateren (leggerwatergangen) of bijbehorende beschermingszones voor het oprichten van bebouwing die worden beschermd op grond van de keur. De meest nabij gelegen legerwatergang is een B-watergang met een secundair belang voor het watersysteem die zich aan de zuidelijke dorpsrand van de kern bevindt. De watergang wordt onderhouden en beheerd door het waterschap.
Figuur 5
Uitsnede Legger oppervlaktewateren
Belangen waterbeheerder De wegen behorende bij de kern Dreischor zijn niet in beheer bij het waterschap. De beoogde ontwikkeling heeft een beperkte verkeersaantrekkende werking en leidt niet tot een significante toename van verkeersbewegingen over waterschapswegen. Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn.
Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
35
Conclusie Met de beoogde ontwikkeling van een woonfunctie zijn er geen effecten te verwachten op de waterhuishouding. Er is geen sprake van een netto toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de uitgangssituatie. De ontwikkeling heeft geen invloed op de omliggende watergangen of het watersysteem ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het vuile water wordt in de nieuwe situatie afgevoerd via het gemeentelijke rioolstelsel. De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De voor de ontwikkeling uitgevoerde watertoets wordt voor advies voorgelegd aan Waterschap Scheldestromen.
3.11 Vormvrije MER -beoordeling Het Besluit tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage) (Staatsblad 102, jaargang 2011) zijn op 28 februari 2011 gepubliceerd. Deze reparatie van het Besluit milieueffectrapportage was nodig door het arrest van het van de EU van 15 oktober 2009 (Commissie tegen Nederland, zaak C-255/08). Het Besluit milieueffectrapportage kende een systeem van absolute drempelwaarden. Het systeem van absolute drempelwaarden bood in de praktijk vanwege de duidelijkheid grote voordelen. Gebleken is echter, dat het in feite onmogelijk is om de drempelwaarden zo te formuleren dat rekening wordt gehouden met alle criteria van bijlage III van de richtlijn, zoals bijv. cumulatie, en daarbij te garanderen dat onder die drempelwaarde geen sprake kan zijn van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Om die reden is gekozen om de drempelwaarden indicatief te maken. Dit betekent dat de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van het Besluit-mer een indicatief karakter krijgen. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn keuze om géén mer-beoordeling te maken voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de toelichting van een ruimtelijk besluit.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Besluitgebied Onderliggende ruimtelijke onderbouwing maakt de realisatie van een enkele woonfunctie mogelijk. Met de ontwikkeling is sprake van een activiteit zoals benoemd in categorie D11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ van het Besluit mer. De (indicatieve) drempelwaarde voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling bedraagt voor deze activiteit het oprichten van minimaal 2000 woningen of ontwikkelingen met een oppervlakte van 100ha of meer. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarden. Uit de ruimtelijke en milieukundige beoordeling in de overige paragrafen blijkt dat de beoogde situatie inpasbaar is in de omgeving. Er is sprake van een kleinschalige activiteit zonder significante verandering van de milieubelasting ten opzichte van de bestaande situatie. De beoogde situatie is hiermee ruimtelijk en milieukundig inpasbaar.
Alle relevante omgevingsaspecten zijn onderzocht in hoofdstuk 3. Conclusie Gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het besluitgebied is gelegen, kan worden geconcludeerd dat er geen milieueffectrapportage (MER) behoeft te worden opgesteld.
Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
36
4.
UITVOERBAARHEID
4.1
Economische uitvoerbaarheid
Behalve de ruimtelijke en milieukundige uitvoerbaarheid, dient tevens de financieel-economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer een ruimtelijk besluit een bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk maakt, is de gemeente op basis van de grondexploitatiewet verplicht om de kosten hiervan te verhalen op de aanvrager. Dit is vastgelegd in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. De gemeente dient bij het nemen van een projectafwijkingsbesluit tevens een exploitatieplan vast te stellen. Van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro is onder meer sprake bij de bouw van één of meer woningen of de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Tevens is een exploitatieplan noodzakelijk indien er specifieke locatie-eisen gesteld worden aan de uitvoering. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wro kan de gemeenteraad besluiten om de kosten anderszins te verzekeren. Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Alle (voorbereiding)kosten (zoals plankosten, onderzoeken en procedures) zijn voor rekening van initiatiefnemer (via legesheffing).
Verder worden in een anterieure overeenkomst nadere afspraken vastgelegd tussen de gemeente Schouwen-Duiveland en de initiatiefnemer over de ontwikkeling, waaronder bijvoorbeeld over het kostenverhaal van eventuele planschadeclaims. Voor de gemeente zelf zijn er geen kosten verbonden aan de verwezenlijking van het project. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd en er kan worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.
4.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3˚ Wabo wordt de procedure zoals vastgelegd in afdeling 3.4 Awb gevolgd. De ontwerp beschikking met bijbehorende stukken wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Aan de hand van de voorbereiding van de vergunning wordt het wettelijk overleg ex artikel 3.1.1 Bro gevoerd. Reacties van de wettelijke overlegpartners (Waterschap Scheldestromen, Veiligheidsregio) worden weergegeven in paragraaf 4.3. Het college is bij de voorbereiding van het besluit op de omgevingsvergunningaanvraag niets gebleken van planologische of maatschappelijke belemmeringen. Participatie De direct omwonenden zijn in de voorbereiding van het ontwerpbesluit individueel op de hoogte gesteld van de plannen. Er zijn verschillende contactmomenten geweest met belanghebbenden. De initiatiefnemer heeft omwonenden telefonisch gesproken over de plannen. De initiatiefnemer heeft in maart 2024 buurtbewoners tevens schriftelijk geïnformeerd over het bouwplan en in de brief de mogelijkheid geboden om de plannen persoonlijk te bespreken indien daar behoefte aan is. Met één omwonende heeft op basis van deze brief een gesprek plaatsgevonden. In april 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden met D66 en een aantal omwonenden. De vereniging Stad en Lande is in mei 2024 uitgenodigd voor een gesprek, zonder reactie.
In juli 2024 zijn omwonenden geïnformeerd over de start van de inzageprocedure en over de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. In de brief is aangegeven dat er een bijeenkomst zal worden georganiseerd met de aannemer waarin de bouwmethode en de planning worden toegelicht. Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
37
In februari 2024 is aangegeven door de initiatiefnemer dat er contact kan worden gezocht met de aannemer om voorafgaande aan de werkzaamheden door de aannemer een nulmeting plaats te laten vinden.
4.3
Procedure
De ontwerpbeschikking zal gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd met bijbehorende stukken. Voorafgaand hieraan wordt hiervan mededeling gedaan in het plaatselijke blad en op de gemeentelijke website. Gedurende de termijn van de terinzagelegging kan eenieder een zienswijze indienen. De resultaten van de terinzagelegging zullen beoordeeld worden en aanvullend in de ruimtelijke onderbouwing worden opgenomen. De ontwerp omgevingsvergunning heeft van 24 juni 2024 tot en met 5 augustus 2024 ter inzage gelegen. Op het ontwerpbesluit zijn 15 zienswijzen ingediend. Met name ten aanzien van de eerder beoogde sloop en herbouw van de traditionele vlasschuur binnen het beschermde dorpsgezicht zijn veel reacties gegeven. De zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een reactie in de antwoordnotitie zoals toegevoegd in de zienswijzennota in bijlage 6. De zienswijzen hebben geleid tot een aanpassing van het ontwerp. Het slopen en herbouwen van de bestaande bebouwing om deze te kunnen gebruiken als woonfunctie wordt gezien als een wenselijke ontwikkeling. Het ontwerp benaderd zo veel mogelijk het historische karakter van de bebouwing als onderdeel van het beschermd dorpsgezicht. De bestaande voorgevellijn wordt in de aangepaste situatietekening gerespecteerd. Onder meer de bouwmassa en situering van de bebouwing zijn aangepast en blijven gelijk aan de huidige situatie.
De kelder en de zonnepanelen zijn vervallen. Het aangepaste ontwerp is ter beoordeling voorgelegd aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit en heeft in april 2025 een positief advies gekregen.
Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
38
BIJLAGEN 1.
Bestaande situatie Erik van den Bos Architect d.d. Maart 2024
2. Beoogde situatie Erik van den Bos Architect d.d. April 2025 3. Stikstofdepositieberekening S&W Bouwkundig Ingenieurs BV d.d. April 2025 4. Verkennend bodemonderzoek MCG Zuidwest B.V. d.d. Februari 2024 5. A. Quickscan flora- en fauna NWC Advies d.d. Februari 2024 B. Aanvullend ecologisch onderzoek Veldbiologische werken BV d.d. Oktober 2024 C. Activiteitenplan aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Veldbiologische werken BV d.d. Juni 2025 D. Aanvraagformulier ontheffing flora en fauna d.d. juli 2025 6. Zienswijzennota
Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor
39