CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1398782 Bijlage 2 Een toelichting op de keuzes in de concept Participatieverordening SD 2025

Gemeenteraad 17 april 2025, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Ontwikkelen participatiebeleid en verordening (1398782)1.400 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Concept Participatieverordening Schouwen-Duiveland 2025 Keuzes in de verordening tov het model Op hoofdlijn zijn er 2 keuze ’momenten’: A. Welke elementen stoppen we in onze basis-participatieverordening? B. De basis is de modelverordening VNG. Welke keuzes maken we daaruit. Oftewel, wat nemen we wel of niet over in onze basis.

A.

Welke elementen stoppen we in onze basis-participatieverordening?

De modelverordening van de VNG kent twee varianten, namelijk: 1. Inwonersparticipatie en uitdaagrecht. 2. Inwonersparticipatie en overheidsparticipatie. Het uitdaagrecht is een vorm van overheidsparticipatie. In variant 2 valt het uitdaagrecht dan ook onder het begrip overheidsparticipatie. Variant 2 is dus breder. Naast het uitdaagrecht – als onderdeel van de overheidsparticipatie – vallen hier ook initiatieven vanuit de samenleving onder. Als basis voor onze verordening hebben we voor de concept participatieverordening gekozen voor variant 2. Als onderbouwing van de keuze voor alle 3 onderdelen merken we het volgende op: • Inwonersparticipatie passen we al heel veel toe. Het vraagt – zie conclusies Rekenkamer – nog om duidelijke kaders. • Uitdaagrecht is ook in de Gemeentewet geregeld en valt dus onder de wettelijke verplichting om dit te regelen. Daarbij hebben we ervaring met het uitdaagrecht en is dit ook al enkele malen toegepast. • Voor overheidsparticipatie hebben we in het verleden ook al ‘beleid’ ontwikkeld en hiervoor een loket geopend; Ik heb een idee. De opvolging van initiatieven is eerder organisatorisch goed geregeld. Dit vraagt wel wat onderhoud, maar er ligt een (procedurele) basis. Aangezien we deze opties allemaal reeds in meerdere of mindere mate kennen en toepassen is het aan te bevelen om ze allemaal in de basisverordening op te nemen.

Anders zouden we eerder (op onderdelen) een stap terug doen dan een stap vooruit zetten.

B.

De basis is de modelverordening VNG. Welke keuzes maken we daaruit? Oftewel, wat nemen we wel of niet over in onze basis?

In de Modelverordening van de VNG zijn diverse bepalingen opgenomen als facultatief. Als gemeente kun je hierin zelf keuzes maken voor het al of niet opnemen in de eigen verordening. In de concept ‘Participatieverordening Schouwen-Duiveland 2025’ is vrijwel de gehele verordening Variant 2 overgenomen. De meeste facultatieve delen namen we over in onze concept participatieverordening. Een 3-tal bepalingen namen we (nog) niet over. Dat betreft de artikel 5, 6 en 9 (en 12, die is namelijk gelijk aan 9) uit de modelverordening, variant 2. In de onderstaande toelichting komen we daarop terug. Hieronder gaan we afzonderlijk in op de facultatieve delen en de keuzes die we daarin maakten. De hierbij vermelde nummers van artikelen zijn die uit de modelverordening. Artikel 1. Definities. Bij ‘maatschappelijke partijen’ geeft de modelverordening meerdere opties. Hieruit is een keuze gemaakt die naar onze mening voldoende dekkend is. Onze SDW raden hebben we toegevoegd in de opsomming. In de modelverordening wordt regelmatig gesproken over ‘inwoners en maatschappelijke partijen’. Hier hebben we steeds ‘ondernemers’ aan toegevoegd. Artikel 2. Doelstellingen. Het lijkt ons logisch om doelstellingen voor de participatie te benoemen. De hier genoemde doelen zijn

1

naar onze mening ook voor ons van toepassing. Artikel 3, lid 2. Reikwijdte. Deze basisverordening kan onverkort van toepassing zijn op de hier genoemde beleidstrajecten. Vooralsnog is het aan te bevelen om de ‘Verplichte participatie omgevingswet’ en de ‘Handreiking participatie aanvragen Omgevingswet’ afzonderlijk op te pakken. Artikel 4. Zorgplicht bestuursorganen. Deze bepaling zijn zeer wenselijk als je een, zeker ook voor de belanghebbenden, kwalitatief goed proces wil doorlopen. Dit loopt naar onze mening ook niet teveel vooruit op het participatieve proces. Artikel 5. Participatieparagraaf en -jaarverslag. De tekst van dit artikel uit de modelverordening is hieronder in blauwe tekst opgenomen. We vinden dit een heel goed hulpmiddel om stappen te zetten, maar wij menen dat deze bepaling wat ver gaat voor een basisverordening. Het is belangrijk dat we eerst een goede basis neerleggen en ervaring opdoen. Voorstel is daarom om deze in het participatieve traject mee te nemen en in een volgende versie van de verordening te heroverwegen.

1.

2.

3.

Artikel 5. Participatieparagraaf en participatiejaarverslag Het college neemt elk jaar een paragraaf in de begroting op waarin de speerpunten voor participatie in het komend jaar benoemd worden [en legt deze paragraaf ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor].] Het college neemt elk jaar een paragraaf in het jaarverslag op waarin het college verslag doet van de uitvoering van deze verordening [en legt deze paragraaf ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor]. In de paragraaf in het jaarverslag gaat het college in op: a. de wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd; b. de rolinvulling door de gemeenteraad en het college; c. de gebruikte instrumenten, resultaten en kosten van de participatieprocessen; d. de belangrijkste ervaringen en de aanbevelingen die hieruit voortvloeien.

Artikel 6. Experimenteerprogramma. De tekst van dit artikel uit de modelverordening is hieronder in blauwe tekst opgenomen. Hiervoor geldt dezelfde overweging als bij artikel 5. Vraag is of de zin ‘en legt dit programma ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor’ nodig is. We kunnen ons voorstellen dat we een eventueel experimenteerprogramma combineren met het begrotingsprogramma uit artikel 5. Als onderdeel van de begroting wordt dit dan ook altijd voorgelegd aan de raad.

1. 2.

Artikel 6. Experimenteerprogramma Het college stelt tweejaarlijks een experimenteerprogramma vast om de ontwikkeling van participatie te bevorderen [en legt dit programma ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor]. Het programma omvat: a. een keuze van de te beproeven nieuwe vormen van participatie; b. een keuze van de te bereiken nieuwe doelgroepen; c. een overzicht van de benodigde middelen en capaciteit; d. een overzicht van de toetsingscriteria voor de evaluatie na het experiment.

Artikel 7, lid 2 en 3. Plan voor participatie. Het opstellen van een plan voor participatie is belangrijk om de participatie gestructureerd aan te pakken met duidelijkheid voor alle betrokkenen aan de voorkant. Lid 2 van dit artikel geeft richting aan de inhoud van het plan, bevordert de consistentie en daarmee ook de kwaliteit. Lid 3 is logisch gelet op de rollen in de Gemeentewet.

2

Artikel 9. Ondersteuning participatie. De tekst van dit artikel uit de modelverordening is hieronder in blauwe tekst opgenomen. Dit is een lastig punt. Natuurlijk willen we ondersteuning bieden aan belanghebbenden die willen participeren. Zeker waar het gaat om overheidsparticipatie (incl. uitdaagrecht). Het speelt overigens ook bij participatie bij aanvragen omgevingsvergunning. Onzes inziens vraagt dit nadere uitwerking over o.a. welke ondersteuning, door wie en hoe ver die gaat. Die ondersteuning kan veel tijd vergen. Belangrijk aandachtspunt is hier het managen van verwachtingen. Als we dit nu opnemen moeten we het ook waarmaken. Voorstel: We nemen dit nu nog niet op, werken de ondersteuning verder uit en halen in het participatieve traject op waaraan behoefte bestaat bij inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen. Vanzelfsprekend ondersteunen we initiatiefnemers zoveel mogelijk.

1. 2.

Artikel 9. Ondersteuning participatie Het college zorgt voor ondersteuning van degene die aan participatie wil deelnemen of een verzoek om participatie wil indienen of heeft ingediend. Het college zorgt dat er in de buurt op een laagdrempelige manier om deze ondersteuning kan worden gevraagd.

Artikel 10, lid 2 en 3. Eindverslag inwonersparticipatie. Hiervoor geldt hetzelfde als voor artikel 7. Het vloeit hier logisch uit voort. Artikel 11, lid 3 en 4. Verzoek om overheidsparticipatie. Lid 3. Het stellen van eisen aan een verzoek kan een drempel opwerpen. Anderzijds maakt dit wel dat indieners serieus nadenken over hun initiatief. Naar onze mening zijn deze eisen niet heel hoog en zijn deze relevant voor een eerste indruk. Lid 4. Een formulier of een aantal (digitale) vragen bevordert de volledigheid van een verzoek en reduceert de noodzaak voor aanvullende vragen. Artikel 12. Ondersteuning indiener verzoek overheidsparticipatie. Dit is hetzelfde als artikel 9. Artikel 13, lid 2 en 4. Beoordeling verzoek … Lid 2 is logisch in het verlengde van vorige bepalingen. Lid 4. Is een ‘kan’ bepaling. Als richting lijkt ons dit een prima bepaling. Wat we hierbij missen is dat bij een afwijzing altijd vooraf in gesprek wordt gegaan met de verzoeker. In lid 4 voegden we hiervoor de volgende zin toe: ‘Bij het voornemen tot afwijzing van het verzoek bespreekt het bestuursorgaan dit vooraf et de verzoeker.’ Artikel 15. Nadere regels college. Dit is een gebruikelijke bepaling. Hieraan voegden we de volgende zin toe: ‘In voorkomende gevallen informeert het college hierover de raad.’ Artikel 16. Hardheidsclausule. Ook dit is een gebruikelijke bepaling. Artikel 17.

Intrekking oude verordening. De huidige inspraakverordening dient te vervallen. Alle bepalingen in die verordening maken nu onderdeel uit van de participatieverordening. De participatieverordening is ruimer dan de inspraakverordening.

3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15279873/2