1335909 Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Hogezoom tussen 124 en 128 Renesse
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Realiseren woning Hogezoom (ong.) tussen 124 en 128 te Renesse
In opdracht van:
Atmana Consultancy b.v., De Roterij 40 te Burgh-Haamstede
Opgesteld door:
Ik kan niet meer b.v., adviesbureau voor ruimtelijke ordening Gevestigd te Zierikzee, KvK-nummer 84515333 Februari , 2024 Versie: 2.3
1
Inhoudsopgave 1.
2.
INLEIDING ...................................................................................................................... 4 1.1.
Aanleiding................................................................................................................. 4
1.2.
Ligging en plangrenzen............................................................................................. 6
1.3.
Geldende bestemmingsplanregeling ......................................................................... 8
1.4.
Leeswijzer ................................................................................................................ 9
BELEIDSKADER ............................................................................................................ 9 2.1.
Inleiding .................................................................................................................... 9
2.2.
Rijksbeleid ................................................................................................................ 9
2.1.1. Nationale Omgevingsvisie (2020)........................................................................... 9 2.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening........................................................ 10 2.1.3. Besluit ruimtelijke ordening (2017) ....................................................................... 11 2.1.4 Conclusie Rijksbeleid ............................................................................................ 11 2.3.
2.3.1.
Omgevingsplan Zeeland (2018) ....................................................................... 11
2.3.2.
Omgevingsvisie Zeeland 2018 ......................................................................... 12
2.4.
4. 2
Gemeentelijk beleid ................................................................................................ 13
2.4.1.
Strategische visie ‘tij van de toekomst’ .................................................................... 13
2.4.2.
Woonvisie 2018-2027 ...................................................................................... 14
2.4.3.
Structuurvisie Wonen....................................................................................... 16
2.4.4.
Welstandsbeleid 2023 ..................................................................................... 17
2.4.5.
Duurzaamheid ................................................................................................. 17
2.5. 3.
Provinciaal beleid ................................................................................................... 11
Conclusie................................................................................................................ 18
PLANOLOGISCHE ANALYSE ...................................................................................... 18 3.1.
Ruimtelijke en functionele analyse .......................................................................... 18
3.2
Conclusie................................................................................................................ 19
MILIEU- EN DUURZAAMHEIDSKADER ....................................................................... 19
4.1.
Inleiding .................................................................................................................. 19
4.2.
Bedrijven en milieuzonering .................................................................................... 19
4.3.
Luchtkwaliteit .......................................................................................................... 21
4.4.
Archeologie ............................................................................................................ 23
4.5.
Geluid en stilte ........................................................................................................ 23
4.6.
Externe veiligheid ................................................................................................... 24
4.7.
Bodem .................................................................................................................... 26
4.8.
Water ..................................................................................................................... 26
4.8.1.
Inleiding ........................................................................................................... 26
4.8.2.
Beleidskader rijk, provincie en gemeente ......................................................... 27
4.8.3.
Beleid waterschap Scheldestromen ................................................................. 28
4.8.4.
Waterhuishouding ............................................................................................ 29
4.8.5.
Waterparagraaf................................................................................................ 29
4.9.
Natuur .................................................................................................................... 31
4.9.1.
Algemeen ........................................................................................................ 31
4.9.2.
Stikstofdepositie............................................................................................... 33
4.10.
Conclusie ............................................................................................................ 34
5.
OVERIGE BELEMMERINGEN ...................................................................................... 34
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID......................................................................... 34
7.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .............................................................. 34
8.
BIJLAGEN .................................................................................................................... 35
3
1. INLEIDING 1.1.
Aanleiding
De eigenaren van het perceel Hogezoom ong. tussen 124 en 128 te Renesse hebben het perceel reeds enkele jaren in eigendom. Dit betreft een stukje restperceel, aangezien de vorige eigenaar van het voormalige naastgelegen kampeerterrein Bonafide dit perceel niet heeft verkocht. Het perceel betreft een braakliggend stuk gazonterrein met nog een recreatieve bestemming, welke zoals gezegd in het verleden onderdeel uitmaakte van het genoemde kampeerterrein. De aanvragers kunnen als burgers in planologisch opzicht weinig met dit perceel uitrichten. De wens is om op dit perceel een woning te realiseren. Verderop in deze onderbouwing zal daar verder op worden ingegaan. In de onderstaande figuren 1 tot en met 4 is zichtbaar waar de gewenste ontwikkeling is gelegen en hoe de gewenste ontwikkeling zal worden vormgegeven.
Figuur 1. Locatie Hogezoom (ong.) tussen 124 -128 te Renesse (Bron: Google Maps, 2024)
4
Figuur 2. Bestaande situatie locatie Hogezoom (ong.) tussen 124 en 128 te Renesse (Bron: Google Maps 2024)
Figuur 3. Bovenaanzicht invulling nieuw plangebied (Bron: Google Maps 2024)
5
Figuur 4. Uitsnede bouwplan woning (Bron: Atmana Consultancy b.v., 2023)
De ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan ‘’Kop van Schouwen’’, omdat, gelet op de bestemmingsomschrijving van artikel 15.1 het oprichten van een burgerwoning binnen de bestemming ‘Recreatie – kampeerterrein’ niet is toegestaan. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, moet het bestemmingplan worden gewijzigd of moet een uitgebreide voorbereidingsprocedure worden doorlopen om het gebruik van burgerwoning met bijbehorend erf binnen de bestaande recreatieve bestemming alsnog mogelijk te maken. In dit geval is het voorstel om met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) de procedure te voeren om te komen tot een omgevingsvergunning voor de te realiseren woning. Dit betekent dat het noodzakelijk is dat een goede ruimtelijke onderbouwing wordt opgesteld welke onderdeel is van de ruimtelijke procedure. Deze ruimtelijke onderbouwing moet aantonen of sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening', zoals gesteld in 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt onderbouwd en aangetoond waarom deze ontwikkeling passend is, en daarmee dus voldoet aan een 'goede ruimtelijke ordening'.
1.2.
Ligging en plangrenzen
Het plangebied waarop de ontwikkeling zal plaatsvinden is gelegen op het perceel, plaatselijk bekend als Hogezoom (ongenummerd) en is gelegen tussen de bestaande woonadressen Hogezoom 124 en Hogezoom 128 te Renesse. Het perceel is plaatselijk bekend als kadastrale gemeente ‘Westerschouwen’, sectie H, nummer 615. Het plangebied is ongeveer 41 meter diep en heeft een gemiddelde breedte van zo’n 15,4 meter en heeft een rechthoekige aflopende vorm. Het perceel is ongeveer 630 m2 groot. 6
Het perceel is gelegen in een gemêleerd gebied; velerlei functies komen hier voor. Zo is het perceel gelegen: • •
• •
Omringd door lintbebouwing met voornamelijk vrijstaande burgerwoningen; nabij een recreatief gebied. Voor de percelen met een recreatiebestemming ten noorden, noordwesten, westen en zuidoosten van de beoogde locatie is op 19 oktober 2023 het bestemmingsplan Noordzee Residence Renesse vastgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 285 recreatiewoningen met bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt; nabij het natuurgebied Oosterenban, bestaande uit duinbos; nabij enkele agrarische percelen.
Zie figuren 5 en 6 voor de ligging van de locatie binnen de gemeente Schouwen-Duiveland en liggend in/ grenzend aan de kern Renesse.
Figuur 5. Kadastraal perceel plaatselijk bekend als gemeente Westerschouwen, sectie H, nummer 615 te Renesse (Bron, Perceelloep, 2024)
7
Figuur 6: locatie in de gemeente Schouwen-Duiveland, rode stip. (Bron, Google Maps, 2024)
1.3.
Geldende bestemmingsplanregeling
Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘’Kop van Schouwen’’ (vastgesteld 2013) van de gemeente Schouwen-Duiveland van toepassing. Hierin hebben de onderhavige gronden de enkelbestemming ‘Recreatie – Kampeerterrein' (artikel 15). Er geldt tevens een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6 (artikel 32). Ter plaatste van de recreatieve bestemming is geen bebouwing aanwezig. Aanvragers wensen een burgerwoning te realiseren op de in eigendom zijnde gronden. Een burgerwoning realiseren binnen deze recreatieve bestemming is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast kent het bestemmingsplan ‘’Kop van Schouwen’’ geen wijzigingsbevoegdheid binnen artikel 15 ‘Recreatie – Kampeerterrein'. Tevens is in dit geval in artikel 41 van de planregels geen algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming ‘Recreatie – kampeerterrein’ om te zetten in een woonbestemming.
Figuur 7. Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplan ‘’’Kop van Schouwen’’. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, 2024)
8
Conclusie Het voorgenomen gebruik als burgerwoning is niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan ‘’Kop van Schouwen’’, aangezien op het perceel de bestemming ‘Recreatie – kampeerterrein’ is geprojecteerd. Gelet op de bestemmingsomschrijving van artikel 15.1 is hier geen burgerwoning toegestaan. Binnen het bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om middels een planologische procedure de recreatieve bestemming om te zetten in een woonbestemming.
1.4.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader getoetst. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling beschreven en vanuit ruimtelijk oogpunt geanalyseerd. In hoofdstuk 4 wordt achtereenvolgens het milieu- en duurzaamheidskader beschreven en getoetst. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke overige belemmeringen besproken en in hoofdstuk 6 en 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 8 zijn de bijlagen opgenomen.
2. BELEIDSKADER 2.1.
Inleiding
De gemeente Schouwen-Duiveland heeft te maken met geldende beleidskaders van diverse overheden. Nieuwe ontwikkelingen dienen zich te bewegen binnen de marges van deze beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de voor dit plan relevante beleidskaders beschreven en wordt het plan daaraan getoetst.
2.2.
Rijksbeleid
2.1.1. Nationale Omgevingsvisie (2020) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' vastgesteld (afgekort NOVI). De visie bevat hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Als de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI wordt door het rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving met bijbehorende opgaven geformuleerd. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
De vier prioriteiten De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Dat zijn complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de
9
leefomgeving. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. Het gaat hier om de volgende prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Drie afwegingsprincipes Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving: ‘’ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit’’. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Om aan het afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, gebruikt het rijk in het omgevingsbeleid drie afwegingsprincipes. Deze zijn: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Relatie tot ruimtelijke ontwikkeling bouwen woning In de uitwerking van prioriteit 3 'Sterke en gezonde steden en regio's' is een aantal beleidskeuzes opgenomen. Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stads- en dorpsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk wil het rijk de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een bouwmogelijkheid voor een woning op een bestaand recreatief perceel in het dorp Renesse, te midden van andere burgerwoningen in het bestaande bebouwingslint in Renesse. De rijksbelangen worden niet geraakt. 2.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang uit de Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende 10
ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Door de (thans 14) nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. De rijksbelangen zijn bij dit plan niet in het geding. 2.1.3. Besluit ruimtelijke ordening (2017) Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt.
Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking De belangrijkste motiveringsplichten van de Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond. Middels deze ruimtelijke onderbouwing wordt alleen het gebruik voor een burgerwoning mogelijk gemaakt. Het begrip 'woningbouwlocatie', zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Op grond van jurisprudentie is er vanwege de omvang in dit geval geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Gesteld kan worden dat de gebruiksmogelijkheden te kleinschalig zijn om onder het regime van artikel 3.1.6 lid 2 Bro te vallen, waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen (o.a. Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 april 2014, zaaknummer 201306183/1).
2.1.4 Conclusie Rijksbeleid Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De voorgenomen woning is in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen aan deze planontwikkeling.
2.3.
Provinciaal beleid
2.3.1. Omgevingsplan Zeeland (2018) Op 21 september 2018 hebben Provinciale Staten het Omgevingsplan Zeeland 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving. Het Omgevingsplan behandelt de thema's economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Ten opzichte van het 11
Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 is voor het overgrote deel geen nieuw beleid gevormd. De kern van het omgevingsplan wordt gevormd door vier integrale strategische toekomstgerichte opgaven die nationaal en provinciaal centraal staan: 1. 2. 3. 4.
duurzame en concurrerende economie; klimaatbestendige en -neutrale samenleving; waardevolle leefomgeving; toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving.
Voor de ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt is de opgave 'toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving' van toepassing. In de paragraaf ‘Stedenbeleid’ is vastgelegd dat het nodig blijft om de woningbouw in dorpen te faciliteren. Hier ligt de opgave primair bij herstructurering, inbreiding binnen de bestaande kern, vervangende nieuwbouw en het verleggen van bestaande plannen naar nieuwe kansrijke locaties die inspelen op de lokale behoeftes. Als dit noodzakelijk is, behoort maatwerk door een beperkte uitbreiding tot de mogelijkheden. De totale woningmarktafspraken in de regio bieden hiervoor het kader. Wonen Gezien de ruimtelijke doelen, de klimaat en demografische opgave, de uitgangssituatie van de woningvoorraad en de toekomstverwachtingen, is woningbouwbeleid essentieel. Woningbouwprojecten, zeker de omvangrijke, hebben een gemeentegrensoverschrijdend impact. Er moet daarom op regionaal niveau gekozen worden voor de woningbouwplannen die qua omvang, locatie en type aansluiten bij de woonwensen van de Zeeuwse burger. De keuzes moeten worden gemaakt in regionale woningmarktafspraken door de vijf Zeeuwse woningmarktregio's (De Bevelanden, Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren en ZeeuwsVlaanderen). Bij het maken van regionale woningmarktafspraken dient de totale woningvoorraad te worden betrokken.
Het overgrote deel van de woningvoorraad van de komende decennia is immers al aanwezig in de vorm van de gebouwde voorraad. Het aantal toevoegingen is daarmee in de marge en vereist het verleggen van de focus van nieuwbouw naar aanpassing van de bestaande woningvoorraad. Om de regio's te ondersteunen bij het maken van regionale woningmarktafspraken draagt de provincie actuele kennis aan op het gebied van de gewenste kwaliteit van de woningbehoefte. Voor het bepalen van de kwantitatieve behoefte is de bevolkings- en huishoudenprognose leidend. De regionale woningmarktafspraken zijn bedoeld om regionaal woningbouwbeleid vast te stellen en dienen als onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 2.3.2. wordt hierop ingegaan. Conclusie Deze ruimtelijke onderbouwing (met bijbehorende aanvraag omgevingsvergunning) maakt de nieuwbouw van één burgerwoning mogelijk binnen een recreatief perceel op de Hogezoom in Renesse. Het toevoegen van een woonperceel leidt in dit geval niet tot aantasting van de provinciale belangen, omdat sprake is van maatwerk binnen een kern, zoals verder uitgediept onder hoofdstuk 2.4. De provinciale belangen zijn niet in het geding. 2.3.2. Omgevingsvisie Zeeland 2018 In de Omgevingsverordening van de provincie Zeeland zijn regels opgenomen ten aanzien van de fysieke leefomgeving van de provincie Zeeland.
Hierbij zijn de uitgangspunten opgenomen die zijn vastgelegd in het provinciale omgevingsplan. Voor de ontwikkeling met betrekking tot dit plan is onderstaand artikel van toepassing. 12
Artikel 2.7 Wonen In lid 1 is opgenomen dat in de toelichting bij een bestemmingsplan waarin een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in het landelijk gebied wordt toegelaten als aannemelijk wordt gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden. Nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied, die niet voldoen aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden, worden in een bestemmingsplan niet toegelaten. Naast het beoordelingskader van artikel 2.7 van de Omgevingsverordening is artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Ladder duurzame verstedelijking) van toepassing indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de term "kleinschalige woningbouwmogelijkheden" wordt beoogd een afzonderlijke categorie aan te duiden die wordt onderscheiden van reguliere uitbreidingslocaties/ nieuwe woonwijken die, in hoofdzaak, in of aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied worden ontwikkeld. Artikel 2.7 is daarop niet van toepassing, omdat geen sprake is van een ontwikkeling in het landelijk gebied, maar alleen van een kleinschalige ontwikkeling in de vorm van het toevoegen van een woning in/ nabij de kern van Renesse. Toetsing aan Omgevingsverordening Het toevoegen van een woning valt onder de mogelijkheden van de omgevingsvisie Zeeland. Het bestaande bebouwingslint aan Hogezoom te Renesse wordt niet aangetast.
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is deze woning goed inpasbaar, aangezien aan beide zijden naast dit perceel en tevens aan de overzijde van de weg al burgerwoningen zijn gerealiseerd. Het plan maakt onderdeel uit van de lokale woningbehoefte. Toetsing aan Ladder voor duurzame verstedelijking Deze ruimtelijke onderbouwing (met bijbehorende aanvraag) maakt door opheffing van het strijdige gebruik een woning binnen de recreatieve bestemming mogelijk. Hier is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toetsing aan de Ladder is derhalve niet nodig. Conclusie Deze ruimtelijke onderbouwing (met bijbehorende aanvraag) maakt door opheffing van het strijdige gebruik een woning binnen de recreatieve bestemming mogelijk. De ruimtelijke- en beeldkwaliteit worden niet aangetast. De provinciale belangen zoals verwoord in de Omgevingsverordening Zeeland (2018) zijn niet in het geding.
2.4.
Gemeentelijk beleid
2.4.1. Strategische visie ‘tij van de toekomst’ De ambities op het gebied van wonen, werken en verblijven heeft de gemeenteraad in 2011 vastgesteld in de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst'. Wonen De woningvoorraad is afgestemd op de wensen van de (nieuwe) inwoners. In aantal zijn vraag en aanbod van woningen in balans. De kwalitatieve woningvoorraad is afgestemd op de woningbehoefte en verkeert in goede staat. Ouderen kunnen lang zelfstandig wonen en nieuwe inwoners vinden een plek naar wens. Aangetrokken door het eilandleven, is Schouwen-Duiveland een aantrekkelijke plek voor deeltijdbewoners. Een eiland om te genieten van het leven, de rust en de ruimte en tegelijkertijd inspiratie op te doen voor professie en beroep.
13
Keuzen •
•
• • • •
De gemeente gaat vooralsnog uit van een behoefteraming van 670 woningen tot 2040. Na 2020 vindt zo nodig bijstelling van deze raming plaats en vindt alleen herstructurering en functieverandering plaats om tot een kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad te komen, leegstand te voorkomen en aanbod in overeenstemming te brengen met de marktvraag; Woningbouw is mogelijk in alle kernen, daarbij rekening houdend met de grootte van de kern en het voorzieningenniveau. De gemeente realiseert kwaliteitsverbetering door het vervangen van oude woningen door nieuwe (herstructurering); Uitbreiding van het aantal woningen wordt niet uitgesloten. Prioriteit wordt gegeven aan de realisatie van nultreden huurwoningen; De gemeente gaat zeer terughoudend om met het bouwen van woningen in het buitengebied; Deeltijd wonen in de kernen wordt toegestaan om leegstand en verpaupering te voorkomen; De gemeente legt een relatie tussen de verdiencapaciteit van de nieuwbouwplannen en de herstructureringsopgave in de bestaande woningbouw of bedrijventerreinen. Dit krijgt vorm in een verevenings- of herstructureringsfonds. Daar waar mogelijk wordt ingezet op het verbeteren van de sociale veiligheid.
De gemeente heeft een regisserende rol bij het bepalen van de woningbouwopgave waar zij in de komende 30 jaar voor staan, zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin. Toetsing aanvraag Deze ruimtelijke onderbouwing (met bijbehorende aanvraag) voorziet in het (in planologisch opzicht) toevoegen van een woning. Het bouwen van een levensloopbestendige woning in de kern van Renesse in overeenstemming is met de ambities uit de Strategische Visie, zoals blijkt uit de bovenstaande tweede en derde aandachtpunt. Conclusie De visie heeft een hoog abstractieniveau, waarin geen uitspraken worden gedaan op perceelsniveau. Het bouwen van een burgerwoning op de voorgenomen locatie is niet strijd met de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid. Daarom kan worden gesteld dat deze ruimtelijke onderbouwing voor het oprichten van een woning in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Strategische visie 'Tij van de Toekomst'. 2.4.2. Woonvisie 2018-2027 De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland heeft op 28 juni 2018 de 'Woonvisie 2018 2027' vastgesteld. De Woonvisie zorgt voor passend beleid om de komende 10 jaar de veranderende uitdagingen op het gebied van wonen aan te gaan.
Het nieuwe woonbeleid zorgt er voor dat de gemeente binnen de vastgestelde kaders zo optimaal mogelijk de kansen benut, de kwaliteiten van Schouwen-Duiveland behoudt en de leefbaarheid in de kernen versterkt, bestaande inwoners voorziet van passende woningen en meer nieuwe inwoners probeert aan te trekken. Door het stellen van kaders stimuleert de gemeente nieuwe kwalitatief passende oplossingen en wordt leegstand in de bestaande woningvoorraad zo veel mogelijk beperkt. Alleen op deze manier kan zij nog nieuwe ruimtelijke plannen voor woningbouw onderbouwen en realiseert de gemeente de juiste woning op de juiste plaats voor huidige en komende generaties. De juiste keuzes worden gemaakt om in 2040 het strategische doel te hebben bereikt: we wonen prettig, naar wens en behoefte. 14
Het gaat om minder en kwalitatief betere nieuwbouw en om veel aandacht voor de vitaliteit van de bestaande voorraad. Daarbij functioneert Schouwen-Duiveland als één samenhangende woningmarkt. Dat betekent dat een ingreep in de ene kern, in meer of mindere mate effect heeft op de andere kernen in de gemeente. Om dit strategische doel te bereiken stelt de gemeente tot 2027 het volgende doel: • • •
verbeteren van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad; onttrekken van woningen die verouderd of incourant zijn; toevoegen van woningen, waar er te weinig van zijn.
Evenwicht tussen plancapaciteit en behoefte is vereist De gemeente streeft een duurzaam, toekomstbestendig evenwicht na tussen de plancapaciteit en de benodigde woningbouw om zo ruimte te behouden en creëren voor (nieuwe) gewenste plannen. De grootste uitdaging is eerst de huidige plancapaciteit, waar mogelijk, meer in evenwicht te brengen met de kaders en (urgente) beleidsaccenten van de Woonvisie. Qua nieuwbouw loopt de woningmarktregio over in het aantal geplande woningen. De gemeenteraad geeft in de Woonvisie een vertrekpunt en een aanpak voor deze herprogrammering om met elkaar tot een gezond, duurzaam en toekomstbestendig evenwicht te komen. Per woonmilieu gaat zij de bestaande harde en zachte plannen beoordelen aan de hand van een toetsing-/afwegingskader. Dit is nodig, omdat de totale plancapaciteit (876 woningen) momenteel bijna 2x zo groot als de totale gemeentelijke lokale behoefte (396 woningen). Prioriteringskader voor (bestaande) plannen Een aantal harde plannen van de gemeente, maar ook van ontwikkelaars komen ondanks het aantrekken van de woningmarkt niet van de grond. De gemeente gaat haar eigen plannen beoordelen en overleggen met de ontwikkelaars om de resterende harde plannen, waar nodig, te herprogrammeren. Alle resterende bestaande plancapaciteit wordt beoordeeld vanuit de in de Woonvisie opgenomen kwalitatieve en kwantitatieve beleidskaders.
De punten uit het onderstaande afwegingskader worden geconfronteerd met de plancapaciteit. Kern van het toetsings-/afwegingskader: • • •
geen kwantitatieve uitbreiding in balans/transitiekernen nodig; plannen moeten voorzien in kwalitatieve woningbehoefte op middellange termijn; ontwikkelingen op structuurversterkende plekken (inbreiding, beeldbepalend plek, kwaliteit plan sluit aan bij kwaliteit locatie).
Kwalitatief kan het volgende nog in een vraag voorzien op basis van de woningmarktanalyse en de in deze Woonvisie opgenomen kwalitatieve en kwantitatieve beleidskaders: • • •
Flexibel bouwen het liefst zo dat ze geschikt (te maken) zijn voor diverse doelgroepen; Opgave ligt overwegend bij woningen voor ouderen en doorstromers, soms (beperkt) starters; Dan gaat het om kleinere woningen, levensloopbestendig, middenhuur (€ 600 - € 900); Dicht bij voorzieningen (past bij wensen ouderen, starters).
Het college heeft op 27 november 2018 een besluit genomen over de herprogrammering, waaruit duidelijk is geworden op welke wijze meer evenwicht wordt gebracht tussen behoefte en aanwezige plancapaciteit. Het volgende is hierin besloten: 1. instemmen met het toetsings-/afwegingskader woningbouwplannen op basis van de vastgestelde uitgangspunten in de Woonvisie; 15
2. instemmen met het voorlopige advies (doorgaan/stoppen/aanpassen) ten aanzien van de woningbouwplannen op basis van de nieuwe Woonvisie; 3. instemmen met het uitgangspunt dat bij de realisatie van zachte woningbouwplannen de initiatiefnemer een financiële bijdrage levert aan het op te richten Transitiefonds; 4. punt 3 (hoogte financiële bijdrage) wordt verder uitgewerkt en keuzes worden nader aan het bestuur voorgelegd. Toetsing bouwplan initiatief aan Toetsingskader Het onderhavig planinitiatief betreft het toevoegen van een woning in een kern, welke levensloopbestendig wordt gemaakt. Conclusie Het planinitiatief past binnen de kaders van de Woonvisie. 2.4.3. Structuurvisie Wonen Schouwen-Duiveland heeft de ambitie ieder huishouden naar wens te kunnen laten wonen. Om dit te kunnen bewerkstelligen zijn er maatregelen nodig om opgaven op de woningmarkt structureel aan te kunnen pakken. Maatregelen om te kunnen blijven werken aan wonen krijgen handen en voeten in de Structuurvisie Wonen. Het gaat daarbij om het toevoegen van woningen die in een kwalitatieve behoefte voorzien met aandacht voor balans tussen vraag en aanbod op middellange termijn. Ten aanzien van prioritering van woningbouw is in de Structuurvisie de volgende tabel opgenomen:
Figuur 8. Tabel algemene lijn op gemeentelijk niveau v.w.b. woningbouw. (Bron, Structuurvisie Wonen, gemeente Schouwen-Duiveland, 2023)
Toetsing bouwplan initiatief aan tabel en conclusie Zoals hierover al aangegeven behelst het planinitiatief een woning in de kern Renesse op een structuurversterkende locatie, welke levensloopbestendig wordt uitgevoerd. Dit blijkt uit bijlage 4, waar uit de bouwtekening naar voren komt dat op de begane grond een slaapkamer wordt uitgevoerd. Het plan voorziet zodoende in een maatschappelijke meerwaarde. Daarmee past het plan binnen de Structuurvisie Wonen.
16
2.4.4. Welstandsbeleid 2023 In de door de gemeenteraad vastgestelde Welstandsnota 2023 zijn algemene welstandscriteria geformuleerd die ten grondslag liggen aan iedere planbeoordeling. De welstandscriteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving te passen en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. De criteria zijn gebaseerd op de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie wordt aangetroffen. Daarnaast is een belangrijke pijler van de welstandsnota het gebieds- en objectgerichte welstandsbeleid welke is gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is Schouwen-Duiveland. Bij het benoemen van de welstandsgebieden is uitgegaan van de huidige situatie. De gebiedsuitwerkingen in deze welstandsnota zijn gericht op de bestaande context, te weten steden en dorpskernen, planmatige uitbreidingen, bedrijfs- en haventerreinen, sport en recreatie en buitengebied. Er is onderscheid gemaakt tussen verschillende welstandsniveaus. Het plangebied ligt in de dorpskern Renesse en heeft de aanduiding ‘welstandsgebied 2’. Deze gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De welstandscriteria beschrijven daarom de basiskwaliteiten van deze gebieden.
In Schouwen-Duiveland zijn dit de naoorlogse planmatige uitbreidingen bij dorpen en steden, sport- en recreatiegebieden en bedrijfs- en haventerreinen, mits deze niet grenzen aan het buitengebied of andere bijzondere welstandsgebieden. Voor deze zogenaamde randen wordt welstandshalve altijd extra aandacht besteed aan de architectonische kwaliteit van klein- en grootschalige ontwikkelingen of toevoegingen. Conclusie Het bouwplan voor de woning wordt om advies voorgelegd aan de Welstands/monumentencommissie van de gemeente Schouwen-Duiveland. Bij het bijbehorende bouwplan wordt rekening gehouden met het welstandsadvies. De kleuren en materialen zullen ter goedkeuring worden voorgelegd aan de welstandscommissie. 2.4.5. Duurzaamheid In de Woonvisie is meer aandacht gevraagd voor duurzaamheid en technologische vernieuwing. De bewustwording en behoefte om energie te besparen neemt verder toe. Een ingrijpende verandering is de energietransitie. Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing.
Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners. Duurzaam bouwen heeft ook een positieve weerslag op de leefbaarheid van de woningen en de woonomgeving en op de betaalbaarheid, woonlasten worden lager. Toetsing planinitiatief Het initiatief gaat uit van het toevoegen van een woning. De nieuwe woning wordt gasloos en energiezuinig uitgevoerd overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Dit betekent dat de woning een neutraal 'gebouw gebonden' energiegebruik heeft. Dit betreft het energiegebruik voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warmtapwater, elektriciteit voor de hiervoor benodigde installaties en (forfaitair) verlichting én 'gebruik gebonden'. De ruimte rondom de woning wordt als tuin ingericht. Bij de inrichting zal
17
rekening gehouden worden met het versterken van de groenstructuur en de biodiversiteit, hetgeen blijkt uit het bijbehorende landschapsplan. Conclusie De woning wordt overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) en de bepalingen in het Bouwbesluit gebouwd. Bij uitwerking van het bouwplan wordt rekening gehouden met de gemeentelijke uitgangspunten op het gebied van duurzaam bouwen en klimaatadaptatie.
2.5.
Conclusie
Op grond van het vorengaande uit dit hoofdstuk kan worden geconcludeerd dat het toevoegen van een woning achtereenvolgens voldoet aan het rijks-, als provinciaal- als gemeentelijk beleid
3. PLANOLOGISCHE ANALYSE 3.1.
Ruimtelijke en functionele analyse
De ontwikkeling betreft een inbreiding binnen een bestaand bebouwingslint van vrijstaande woningen. Dit bouwplan zorgt ervoor dat in stedenbouwkundig opzicht het bebouwingslint op een natuurlijke wijze wordt voortgezet. Huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een braakliggend stuk gazonperceel en is al jaren niet in gebruik. Dit komt omdat het perceel in kwestie en in het verleden ook omliggende percelen dit uitmaakten van het voormalig kampeerterrein Bonafide. In de huidige situatie is sprake van een uitweg van en naar het perceel. Ten noordwesten van de voorgenomen woning is een burgerwoning gesitueerd, namelijk op het adres Hogezoom 128 te Renesse. Ten zuidoosten van het perceel in kwestie is weer het woonadres Hogezoom 124 te Renesse gelegen. Voor de percelen met een recreatiebestemming ten noorden, noordwesten, westen en zuidoosten van de beoogde locatie is op 19 oktober 2023 het bestemmingsplan Noordzee Residence Renesse vastgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 285 recreatiewoningen met bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt. Daarnaast is het perceel gelegen in een bebouwingslint van vrijstaande woningen, waartussen de voorgenomen woning wordt geprojecteerd. Analyse nieuwe situatie De voorgenomen woning ligt in een bestaand bebouwingslint en betreft een inbreidingslocatie tussen de bestaande woningen.
Vanuit uw college is op 21 april 2023 een uitkomst op het ingediende principeverzoek verzonden (bijlage 1), waarin uw college te kennen heeft gegeven een positieve grondhouding aan te nemen ten aanzien van het bouwplan op deze locatie. Vanuit uw college zijn ten aanzien van de voorgenomen woning in voornoemde uitkomstbrief de volgende stedenbouwkundige randvoorwaarden meegegeven: • •
18
Er moet sprake zijn van een vrijstaande woning; De afstand van het hoofdgebouw tot aan de zijdelingse perceelgrens moet aan beide zijden minimaal 3.00 meter bedragen;
• • • • • • • • •
Parkeren op eigen terrein oplossen; Het hoofdvolume is maximaal 10.00 meter diep; Bij voorkeur een dwarskap; De woning moet passend zijn binnen het huidige straatbeeld qua totale hoogte, goothoogte en rooilijn; De maten voor de bouwregels zijn: maximale goothoogte van 4.00 meter en maximale totale hoogte van 8.00 meter; Een uitbouw, aanbouw of vergroting van het hoofdvolume, ten opzichte van de omliggende woningen, moet plat worden afgedekt (zoals omliggende woningen); De architectuur van de beoogde woning moet aansluiten bij de bestaande, kleinschalige omliggende woningen; De woning moet voldoen aan de redelijke eisen van welstand; De woning moet levensloopbestendig worden uitgevoerd.
Zoals blijkt uit de bouwtekening (figuur 4), welke tevens onderdeel uitmaakt van de aanvraag omgevingsvergunning, is de woning uitgevoerd conform bovenstaande stedenbouwkundige uitgangspunten vanuit uw gemeente.
3.2
Conclusie
Het bouwen van een woning op het bestaande recreatieve perceel is zowel ruimtelijk en functioneel prima voorstelbaar in deze omgeving. Het bouwplan voldoet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten die vanuit de gemeente Schouwen-Duiveland zijn meegegeven. In de huidige situatie is het perceel al omgeven door burgerwoningen en het bouwplan geeft een natuurlijk vervolg op het bestaande bebouwingslint van woonfuncties. Andersom is het huidige braakliggend stuk recreatieve grond ruimtelijk en functioneel op deze locatie niet langer gewenst, gelet op de solitaire recreatieve grondpositie. De voorgestelde ontwikkeling doet recht aan deze plek en zorgt zelfs voor een meerwaarde zowel functioneel als ruimtelijk- in deze omgeving.
4. MILIEU- EN DUURZAAMHEIDSKADER 4.1.
Inleiding
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
4.2.
Bedrijven en milieuzonering
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNGhandreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De VNG-handreiking bevat een lijst met bedrijven waaraan, afhankelijk van de mate waarin de in de lijst opgenomen 19
bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), een categorie wordt toegekend. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden. Per bedrijfstype wordt zo een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en de gevel van een woning gelegen in een rustige woonwijk. Wanneer er geen sprake is van een rustige woonwijk, maar van een gemengd gebied, kan één afstandsstap worden teruggedaan. Een bedrijf dat 50 meter afstand tot een rustige woonwijk moet aanhouden, mag zich hierdoor op 30 meter van een gemengd gebied vestigen. Onder een rustige woonwijk wordt verstaan een woongebied met weinig verkeer en praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra. Gemengde gebieden zijn gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Naast wonen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en bedrijvigheid. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Voor dergelijke gebieden kunnen de richtafstanden die gelden ten opzichte van een rustige woonwijk met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Figuur 9: Milieucategorieën en richtafstanden (bron: Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009, VNG)
De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief worden gezien. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. De handreiking is niet rechtstreeks van toepassing, maar wordt wel gebruikt om te kunnen beoordelen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Toetsing/beoordeling In de omgeving van de beoogde locatie zijn naast woonbestemmingen ook recreatiebestemmingen gelegen. Een recreatiebestemming is zowel een milieuhinderlijke als milieugevoelige functie. Eventuele milieuhinder is bij recreatieve functies vooral afkomstig van centrumvoorzieningen, horecavoorzieningen en parkeerplaatsen. Voor recreatiebestemmingen geldt een richtafstand van 50 meter (SBI -2008 553,552, milieucategorie 3.1) voor het aspect geluid en 30 meter voor de aspecten geur en gevaar tot 20
milieugevoelige functies, waaronder wonen. De richtafstanden gelden voor het omgevingstype “rustige woonwijk”. De omgeving van de beoogde locatie (Hogezoom) wordt in het bestemmingsplan Noordzee Residence Renesse aangemerkt als rustige woonwijk. Uit de situatietekening blijkt de rooilijn van de woning op de beoogde locatie zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde (bijna) gelijk loopt met de bestaande bebouwing aan de Hogezoom 124. De feitelijk afstand tussen de recreatiebestemming en het bouwvlak van de woning Hogezoom 124 bedraagt ongeveer 45 meter. Deze afstand zal overeenkomen met de afstand tussen de nieuwe te bouwen woning en de recreatiebestemming. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid, wel aan de richtafstand van 30 meter voor de aspecten geur en gevaar. In het bestemmingsplan Noordzee Residence Renesse is ten aanzien van onder andere de woningen aan de Hogezoom het volgende opgenomen: ‘’Er kan indien gemotiveerd een kortere afstand worden aangehouden. Zoals hierboven aangegeven wordt geluidhinder met name veroorzaakt door geluidemissie bij de centrale voorzieningen en het parkeren.
Om voldoende afstand te borgen tussen de centrale voorzieningen tot de gevels van de milieugevoelige functies in de omgeving is in het bestemmingsplan een regeling opgenomen, dat de centrale voorzieningen uitsluitend op gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – dienstverlening en beheer’ zijn toegestaan. Deze aanduiding ligt op minimaal 50 meter van de gevels van milieugevoelige functies. Om geluidhinder van ondersteunende horeca te voorkomen is op dezelfde wijze een aanduiding ‘horeca’ opgenomen. Om geluidhinder vanwege parkeren te voorkomen is aangesloten bij de richtlijn die geldt voor autoparkeerterreinen, parkeergarages (SBI 2008: 5221) waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter voor geluid. In het bestemmingsplan is geregeld dat parkeren uitsluitend is toegestaan op gronden met de aanduiding ‘parkeerterrein’. Deze aanduiding ligt op ten minste 30 meter van de gevels van milieugevoelige functies. Met deze regeling is geborgd dat er geen geluidhinder optreedt op de milieugevoelige functies in de omgeving vanwege spelen, parkeren en de horeca / centrale voorzieningen’’. In het bestemmingsplan is al rekening gehouden met de omliggende woningen waaronder de woningen Hogezoom 124 en 128. Gemotiveerd is dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De nieuw te bouwen woning ligt op een vergelijkbare locatie als de omliggende woningen Hogezoom 124 en 128.
Ook op de beoogde locatie zal tevens sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Er wordt niet voldaan aan de richtafstand ten aanzien van het aspect geluid tot de recreatieve bestemming. Het geluid is voornamelijk afkomstig van de centrale voorzieningen en parkeervoorzieningen. Deze voorzieningen komen, overeenkomstig het bestemmingsplan Noordzee Residence Renesse op voldoende afstand (minimaal 50 meter) van de woningen aan de Hogezoom te liggen. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen woning, ook hier zal aan de richtafstand van 50 meter worden voldaan.
4.3.
Luchtkwaliteit
Wet- en regelgeving De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden 21
gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 5.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden.
Figuur 10: Tabel grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 en PM2,5 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden.
Ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen, gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter.
Onderzoek/ beoordeling Het plan omvat het toevoegen van een enkele woning. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2 , PM10 en PM2,5 langs verderop gelegen de N59. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2 , PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden. Langs de Hogezoom liggen geen rekenpunten in de 22
NSL Monitoringtool. De concentraties langs deze straat zijn evenwel veel lager zijn dan de concentraties van de drukker bereden N652 en N57 die onder de grenswaarden liggen. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit op de meest kritische locatie in het plangebied aan de luchtkwaliteit-grenswaarden. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren door het schoner worden van het verkeer steeds beter. De planontwikkeling valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.4.
Archeologie
Algemeen In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta)door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valetta is door vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet vervallen en is deze grotendeels verwerkt in de Erfgoedwet. Volgens het bestemmingsplan ‘Kop van Schouwen’’ geldt op het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6' (artikel 32). Deze dubbelbestemming is bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelvoudige bestemmingen. Volgens deze bestemming mogen er geen bouwplannen worden gebouwd met een oppervlakte groter dan 2500 m² en waarbij bovendien grond- of graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 meter beneden het peil plaatsvinden.
Aangezien de oppervlakte van de voorgenomen woning ruimschoots onder de 2500m² blijft, vormt het aspect archeologie geen belemmering. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het plan.
4.5.
Geluid en stilte
Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen.
23
Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan.
Onderzoek/beoordeling Naar het aspect wegverkeerslawaai is in het bestemmingsplan Noordzee Residence Renesse akoestisch onderzoek gedaan. Uit het akoestisch onderzoek (Anteagroup, datum 14 juli 2023, projectnummer 474501) blijkt dat het geluidsniveau op de gevel van de woning Hogezoom 124 51 dB is. Dit is boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Echter de uiterste grenswaarde van 58 dB (art. 83 Wgh) wordt niet overschreden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning Hogezoom 124 en daarmee tevens ter plaatse van de nieuw te bouwen woning. Overigens blijkt uit het akoestisch onderzoek dat ook met de komst van het recreatiepark Noordzee Residence Renesse de maximale ontheffingswaarde van 58 dB niet wordt overschreden. De berekende waarde is dan nog steeds 51 dB. Dit komt omdat veruit het meeste verkeer vanuit het recreatiepark richting Renesse zal gaan en dus niet voor de nieuw te bouwen woning langs gaat. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek van Antea bij het bestemmingsplan Noordzee Residence Renesse blijkt dat de maximale ontheffingswaarde van 58 dB uit de Wet geluidhinder op de gevel van de woning Hogezoom 124 niet wordt overschreden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen woning
4.6.
Externe veiligheid
Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: • •
24
Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: • •
rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Er ligt in de omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.