1301325 Bijlage 7 P24-007 AO Lange Reke Renesse - Definitief
Tekst van het document
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
November 2024 P24-007 / W2474 Auteur: J.J. de la Mar NWC Advies 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse Opdrachtgever:
Erik van de Bos Architecten
Uitvoering:
NWC advies
Veldwerk:
E. van de Keur, F. Kuiphof, J. Teixeira, M. van Drongelen, M. van den Ouden, R. van den Hoeven, R. Konings
Samenstelling:
J.J. de la Mar
Foto’s:
NWC Advies
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse [Samenst.: de la Mar, J.J.] [Foto’s: NWC advies]. Met lit. opg., Dordrecht: Strix/ NWC. Trefw.: Omgevingswet, vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen, Lange Reke, Renesse
P24-007/W2474
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.
Dordrecht, oktober 2024
Inhoudsopgave 1.
Inleiding .............................................................................................................................. 5
2.
Gebiedsbeschrijving ............................................................................................................ 7
3.
Wettelijk kader..................................................................................................................... 9
4.
Onderzoeksmethoden ....................................................................................................... 15
5.
Resultaten ......................................................................................................................... 19 5.1 Resultaten literatuuronderzoek ...................................................................................... 19 5.2 Resultaten veldonderzoek ............................................................................................. 19
6.
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen ....................................................................... 23 6.1 Effecten ......................................................................................................................... 23 6.2 Verplichtingen .................................................................................................................. 24 6.3 Aanbevelingen ................................................................................................................. 24
7.
Mitigatie en zorgplichten .................................................................................................. 27 7.1 Zorgplicht....................................................................................................................... 27 7.2 Mitigerende maatregelen ............................................................................................... 27 7.2.1. Werken buiten de kwetsbare periode ....................................................................... 28 7.2.2. Alternatieve (tijdelijke) nestplaatsen aanbieden ........................................................ 28 7.2.3. Ongeschikt maken van de huidige verblijfplaats ....................................................... 29 7.2.4. Nacontrole ................................................................................................................ 29 7.3 Planning ........................................................................................................................ 29 7.4 Vergunning aanvraag ...................................................................................................... 30
Referenties................................................................................................................................ 31 Bijlage 1: Vleermuizen en verlichting ......................................................................................... 32 Bijlage 2: Verspreidingskaartjes wettelijk beschermde soorten.................................................. 35
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
1.
Inleiding Er zijn plannen om een voormalige horecagelegenheid met bedrijfswoning, gelegen aan de Lange Reke 4 te Renesse, in zijn volledigheid te slopen. Op deze locatie zal vervolgens een nieuw winkelpand met bovenwoningen gerealiseerd worden. De sloop van het gebouw kan van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied en met name op vleermuizen en de Huismus. In het kader van de Omgevingswet dient bij dergelijke ruimtelijke ingrepen en bij wijzigingen van bestemmingsplannen onderzoek gedaan te worden naar de aanwezige beschermde natuurwaarden en dient een beoordeling te worden gemaakt van eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden. Uit een eerder uitgevoerde quick scan flora en fauna (Konings, 2023 – P23-165) blijkt dat de bebouwing binnen het plangebied mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen, alsook voor de Gierzwaluw en de Huismus. Deze soorten, hun functionele leefomgeving en hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd. Bij de geplande werkzaamheden bestaat de kans dat verschillende functies van het leefgebied van deze soorten vernield worden en worden mogelijk individuen verstoord, verwond of gedood. Dit zou leiden tot een overtreding van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet.
Voorafgaand aan de geplande werkzaamheden is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen binnen het plangebied. Op basis van dit aanvullende onderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van wat de te verwachten effecten zijn van de werkzaamheden op beschermde elementen uit de leefomgeving van eventueel aanwezige vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Erik van den Bos Architect B.V. heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd een aanvullend onderzoek naar vleermuizen, de Gierzwaluw en de Huismus op deze locatie uit te voeren, en voor advisering omtrent de relevante natuurwetgeving.
5
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
6
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
2.
Gebiedsbeschrijving Plangebied Het plangebied betreft een voormalige horecagelegenheid en de bijbehorende bedrijfswoning aan de Lange Reke 4 te Renesse (provincie Zeeland) (figuur 1). Het plangebied ligt in het centrum van Renesse, vlak bij de Jacobuskerk. Hier is de historische vorm van Renesse als ringdorp nog enigszins terug te zien, ook al is er vanaf de jaren ’80 vooral aan de westzijde van de kerk veel recreatiegelegenheid en horeca gebouwd. Verder naar het westen bevindt zich, net als aan de oostzijde van de kerk en het plangebied, voornamelijk woongebied. Rondom het dorp zijn drie landschapstypen te vinden: aan de zuidoostkant voornamelijk landbouwgebied, aan de zuidwestkant natuurgebied en aan de noordkant bevindt zich op kleine afstand de zee. Het plangebied zelf heeft een oppervlakte van zo’n 240m2.
Figuur 1: Ligging van het plangebied (rood)
7
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
Beschermde gebieden Rondom het plangebied liggen verschillende locaties die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), met de dichtstbijzijnde locatie op slechts 160 meter (figuur 2). Ook ligt het plangebied in de buurt van 3 verschillende Natura 2000-gebieden, zijnde “Kop van Schouwen” (160 meter), “Voordelta” (1,1 km), “Oosterschelde” (3,6 km) en “Grevelingen” (3,8 km). Vanwege de voorgenomen kleinschalige plannen worden er geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudings-doelstellingen van deze Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere storingsfactoren. Externe werking op NNN-gebieden in de Provincie Zeeland worden meegenomen binnen een afstand van 100 meter. Aangezien het dichtstbijzijnde NNN-gebied op ongeveer 160 meter afstand van het plangebied ligt, is externe werking op de project niet van toepassing.
Figuur 2: Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (beige gearceerd) en de Natura 2000gebieden “Kop van Schouwen”, “Voordelta”, “Oosterschelde” en “Grevelingen” (groen gearceerd).
8
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
3.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2024 wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet (OW). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Omgevingswet De provincies zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Omgevingswet en dus ook voor omgevingsvergunning-aanvragen. Om een omgevingsvergunning-aanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over: - de aanwezigheid van beschermde soorten; - de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; - het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; - de effecten van plannen op deze soorten; - de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.
Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van omgevingsvergunning-aanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten is in de OW een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral artikel 5.1 lid 2 belangrijk is. Uit de Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) zijn, in het kader van flora- en faunaonderzoek bij bijvoorbeeld ruimtelijke ontwikkelingen, de volgende artikelen belangrijk: 11.37 (Europese vogelrichtlijn), 11.46 (Europese habitatrichtlijn) en 11.54 (overige soorten) (zie ook tekstvak 1).
9
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Omgevingswet
Afdeling 11.2 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) § 11.2.2, Artikel 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. § 11.2.3, Artikel 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b.
het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. c het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. § 11.2.4, Artikel 11.54 aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder a; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder b.
10
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de OW kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de OW van belang. In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de OW plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: - Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; - Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; - Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren.
De OW kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 11.37 Bal), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 11.46 Bal) en “overige soorten” (artikel 11.54 Bal) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 5 “Beschermde soorten Omgevingswet” van dit rapport. Soorten Europese Vogelrichtlijn en -Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 11.37 en/of artikel 11.46 uit de Bal overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een omgevingsvergunning voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: -
Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
11
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
- Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een omgevingsvergunning niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch omgevingsvergunning aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de floraen faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in, en binnen de invloedssfeer van de activiteit, in het plangebied zo veel mogelijk voorkomen, dan wel beperkt worden. Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 11.54 (Bal) mits een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit.
Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 11.54 van de Bal. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit, of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient voor overtreding van verbodsbepalingen een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. De omgevingsvergunning kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de wettelijk onbeschermde soorten) de (algemene) zorgplicht uit afdeling 1.3 van de Omgevingswet. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Naast de algemene zorgplicht is er ook de specifieke zorgplicht, deze wordt beschreven in artikel 11.6 van de Bal. De specifieke zorgplicht doet een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van een initiatiefnemer. De wetgever verwacht dat de initiatiefnemer zelf snapt wat zij/hij in bepaalde gevallen moet doen of laten.
12
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Omgevingswet plaats via (Europese) Natura 2000-gebieden. De Omgevingswet regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en -Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplicht of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Dit betekent dat zij oordelen dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen drie mogelijkheden volgen: - Er is zeker geen nadelig effect.
In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Omgevingswet; - Er is sprake van een nadelig effect in de vorm van verstoring, maar dit is niet significant en er is geen sprake van verslechtering van aangewezen habitats. Hieruit volgt dat een vergunningaanvraag niet aan de orde is. Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag nodig; - Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig. Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten worden in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden.
De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op de economische belangen. 13
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit Natuurnetwerk. De bescherming van het Natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de desbetreffende provincie en valt hiermee buiten de Omgevingswet. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren.
Waar Natura 2000-gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.
14
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
4.
Onderzoeksmethoden Omdat tijdens de eerder uitgevoerde quick scan mogelijkheden voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen zijn aangetroffen is het voor dit project noodzakelijk geweest om een aanvullend onderzoek uit te voeren. Om ervoor te zorgen dat de sloop- en bouwwerkzaamheden op een ecologische verantwoorde wijze uitgevoerd kunnen worden is advies nodig. Hiervoor zijn er vleermuis- en Huismusinventarisaties uitgevoerd conform protocol. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2024 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Omgevingswet en dus ook voor vergunningaanvragen. Om een vergunningaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; -
de aanwezigheid van beschermde soorten; de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; de effecten van plannen op deze soorten; de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen.
De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Vleermuizen Vleermuizen kunnen een landschap gedurende het jaar op verschillende manieren gebruiken; door het jaar heen maken ze gebruik van kraam-, paar-, zomer- en winterverblijfplaatsen en foerageergebied. Daarnaast gebruiken ze
15
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
landschapselementen, zoals bomenrijen en watergangen, als vliegroute. Al deze verblijfplaatsen en functionele elementen zijn bij vleermuizen wettelijk beschermd. Om de aanwezigheid van vleermuizen en functionele elementen in het plangebied vast te stellen is gewerkt volgens het landelijk vastgestelde vleermuisprotocol (2021). In het vleermuisprotocol van 2021 staat aangegeven dat voor een volledig vleermuisonderzoek meerdere inventarisaties uitgevoerd dienen te worden. Dit onderzoek brengt de volgende mogelijke aanwezige type verblijfplaatsen in kaart; • Kraamverblijfplaatsen • Zomerverblijfplaatsen • Paarverblijfplaatsen • Massa winterverblijfplaatsen Op basis van verspreidingsgegevens van het NDFF is bepaald dat de volgende soorten vleermuizen in (de omgeving van) het plangebied voor kunnen komen: Franjestraat (Myotis nattereri), Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), Laatvlieger (Eptesicus serotinus), Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en Watervleermuis (Myotis daubentonii) (bijlage 2 “Verspreidingskaartjes wettelijk beschermde soorten”). Dit betreft zowel gebouw- als boombewonende vleermuissoorten.
Het vleermuisprotocol stelt voor deze soorten dat tenminste vijf tot zeven inventarisatiemomenten, verspreid over de periode 15 mei – 30 september, nodig zijn om de verschillende functies die het plangebied mogelijk voor vleermuizen vervult zo goed mogelijk te inventariseren (Netwerk Groene Bureaus, 2021). Elke inventarisatie duurde minimaal 2,5 uur. Tijdens de avondinventarisaties, die op z’n laatst met zonsondergang beginnen, is gelet op uitvliegende, passerende en foeragerende vleermuizen. Tijdens de ochtendinventarisaties, die in ieder geval tot zonsopgang duren, is gelet op invliegende, passerende en foeragerende vleermuizen. Op deze manier is ervoor gezorgd dat de uit- en invliegmomenten van de vleermuizen tijdens de inventarisaties niet worden gemist. Waarnemingen van vleermuizen zijn gebaseerd op zowel zicht als geluid. Voor zichtwaarnemingen is gekeken naar de gevels die geschikt zijn voor verblijfplaatsen, alsook naar mogelijke foerageergebieden. Waarnemingen op basis van geluid zijn gedaan met behulp van batdetectors (type Pettersson D-1000 en D-240x, Anabat Scout), waarmee de vleermuizen op basis van hun echolocatiepatronen en -frequentie zijn gedetermineerd. In geval van twijfel konden de opgenomen sonogrammen later digitaal nog beoordeeld worden.
De weersomstandigheden (gemiddelde temperatuur, neerslag en gemiddelde windsnelheid) op deze dagen, de start- en eindtijden van de vleermuisinventarisaties worden vermeld in tabel 1. De gegevens over de weersomstandigheden zijn ter plaatse gemeten of ingeschat door de waarnemers. 16
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
Tabel 1: Gegevens veldbezoeken vleermuizen Datum Begintijd Eindtijd Temperatuur
Bewolking
Windkracht
Neerslag
Aantal onderzoekers
21-5-2024
19:45
01:45
14
8/8
2
Géén
1
18-6-2024
21:00
01:30
15
7/8
2
Géén
2
2-7-2024
21:00
00:10
11
7/8
2
Géén
2
10-7-2024
03:15
05:26
17
8/8
2
Géén
2
27-8-2024
20:30
00:30
18
0/8
1
Géén
1
23-9-2024
19:30
22:30
16
8/8
1
Géén
1
Huismus Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond door de OW beschermd. Dit geldt voor de dieren en bezette nesten, als ook voor hun functionele leefomgeving. Tijdens de eerder uitgevoerde quick scan (Konings, 2023 – P23-165) is bepaald dat het plangebied geschikt is als vaste verblijfplaats (spleten en gaten in het gebouw) en functionele leefomgeving voor de Huismus (Passer domesticus). Tijdens dit aanvullend onderzoek is de functie van het plangebied voor de Huismus verder bepaald. Voor het onderzoek naar de Huismus is de methode uit de kennisdocumenten van de Huismus van BIJ12 aangehouden (BIJ12, 2023). Kennisdocumenten geven onder andere per soort aan hoeveel veldbezoeken nodig zijn en in welke perioden deze veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Voor de Huismus zijn twee gerichte veldbezoeken uitgevoerd in de periode van 2 mei - 16 mei (tabel 2). Elk bezoek heeft 1 uur geduurd en er heeft minstens 10 dagen tussen de opeenvolgende veldbezoeken per locatie te zitten, conform het kennisdocument van BIJ12. Tabel 2: Gegevens veldbezoeken Huismus Datum
Begintijd
Eindtijd
Temperatuur
Bewolking
Windkracht
Neerslag
Aantal onderzoekers
02-5-2024
09:00
10:00
20
2/8
2
Géén
2
16-5-2024
07:15
08:15
15
8/8
2
Lichte motregen
2
Gierzwaluw Voor de Gierzwaluw (Apus apus) zijn drie gerichte veldbezoeken uitgevoerd in de periode 21 mei – 2 juli (tabel 3). Elk veldbezoek heeft minstens 1,5 uur geduurd, van een uur vóór zonsondergang tot een half uur ná zonsondergang. Tussen de opeenvolgende veldbezoeken per locatie is minstens een tussenperiode aangehouden van 10 dagen. Met deze methode is vastgesteld waar zich nestplaatsen van de Gierzwaluw bevinden.
17
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse Tabel 3: Gegevens veldbezoeken Gierzwaluwen Datum
Begintijd
Eindtijd
Temperatuur
Bewolking
Windkracht
Neerslag
Aantal onderzoekers
21-5-2024
19:45
01:45
14
8/8
2
Géén
1
18-6-2024
21:00
01:30
15
7/8
2
Géén
2
02-7-2024
21:00
00:10
11
7/8
2
Géén
2
18
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
5.
Resultaten De resultaten die in dit hoofdstuk getoond worden, zijn gebaseerd op het onderzoek dat voor deze opdracht door deskundige ecologen in het veld en tijdens literatuuronderzoek uitgevoerd is. Hierbij zijn de landelijke protocollen aangehouden, zoals gehanteerd door Netwerk Groene Bureaus en BIJ12. Door het volgen van deze protocollen wordt een zo hoog mogelijke kwaliteit van de resultaten gewaarborgd. Desondanks is veldonderzoek een momentopname, en het kan nooit met volledige zekerheid uitgesloten worden dat zich nieuwe soorten vestigen in de periode tussen veldwerk en de geplande werkzaamheden.
5.1 Resultaten literatuuronderzoek In bijlage 2 bevinden zich de verspreidingskaarten van de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied voorkomen. Vleermuizen De volgende vleermuissoorten komen volgens de verspreidingskaarten in de omgeving van het plangebied voor; Franjestraat, Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Ruige dwergvleermuis en Watervleermuis. Vogels met een vaste verblijfplaats Uit literatuuronderzoek blijkt dat de volgende vogelsoorten met vaste verblijfplaats (categorie 1 tot en met 4); (nesten van soorten die jaarrond beschermd zijn) in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen: Buizerd, Gierzwaluw, Sperwer, Huismus, Kerkuil, Ransuil.
5.2 Resultaten veldonderzoek Vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn de Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en de Laatvlieger (Eptesicus serotinus) waargenomen (figuur 3), verspreid over de verschillende waarnemingsmomenten vanaf 21 mei t/m 23 september 2024. Van de Gewone dwergvleermuis is meermaals waargenomen dat ze het plangebied als foerageergebied gebruiken. De Laatvlieger is tweemaal overvliegend waargenomen. Er zijn geen in- of uitvliegers waargenomen, waardoor verblijfplaatsen niet aannemelijk zijn.
19
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
Figuur 3: Vleermuiswaarnemingen tijdens de periode 10-7-2024 t/m 23-9-2024. Waargenomen zijn de Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (groen) en de Laatvlieger (Eptesicus serotinus) (paars).
Vogels met vaste verblijfplaats Huismus Tijdens de twee veldbezoeken in de periode 2 mei t/m 16 mei zijn er negen verschillende huismussen aangetroffen. (figuur 4). Op 2 mei zijn er vier verschillende waarnemingen gedaan; -
1x baltsend mannetje 1x Huismus op zicht 2x uitvliegende Huismus, onder dakpannen bij de buren, aangrenzend aan het plangebied.
Op 16 mei zijn er vijf huismussen waargenomen; -
1x vrouwtje met nestmateriaal
-
4x mannetje op zicht
20
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
Figuur 4: Huismuswaarnemingen tijdens de periode 02-5-2024 t/m 16-5-2024. Waargenomen zijn in totaal 9 huismussen. Er zijn twee uitvliegende huismussen waargenomen, één baltsend mannetje, één vrouwtje met nestmateriaal en vijf losse huismussen.
Gierzwaluw Tijdens de veldbezoeken in de periode 21 mei t/m 2 juli zijn er in totaal twee overvliegende gierzwaluwen waargenomen (figuur 5).
Figuur 5: Gierzwaluwwaarnemingen tijdens de periode 21-05-2024 t/m 02-07-2024. Waargenomen zijn twee overvliegende gierzwaluwen.
21
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
22
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
6.
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen
6.1 Effecten Vleermuizen De omgeving rondom het plangebied wordt door vleermuizen voornamelijk gebruikt als foerageergebied.
Aangezien
het
plangebied
geen
onderdeel
is
van
het
verblijfplaatsennetwerk of een essentiële vlieg-/foerageergebied vormt en er door de werkzaamheden geen verlies aan foerageergebied optreedt, worden er geen negatieve effecten verwacht op deze soortgroep (figuur 6).
Figuur 6: Het plangebied (rood) met omliggende vegetatie die gebruikt kan worden als foerageergebied. Er vindt geen aantasting plaats aan de vegetatie door de voorgenomen werkzaamheden.
Vogels met vaste verblijfplaats Naast het plangebied is een nest van de Huismus aangetroffen en is er nog meer nestindicerend gedrag gezien. Aangezien deze waarnemingen erg dicht op het te slopen gebouw zijn gedaan (onder dakpannen buren, tegen het te slopen gebouw aan) kan niet worden uitgesloten dat er geen verstoring van de Huismus plaats zal vinden tijdens de sloop van het gebouw. Er zullen geen nestplaatsen worden verwijderd. Er worden nadelige effecten verwacht in de vorm van verstoring door de werkzaamheden op deze soort. Er zijn enkel overvliegende gierzwaluwen gezien, waardoor er geen negatieve effecten op deze soort worden verwacht.
23
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
6.2 Verplichtingen Vleermuizen De voorgenomen plannen hebben geen effect op individuen en/of de leefomgeving. Er zijn daarom met oog op de voorgenomen plannen geen aanvullende verplichtingen. Er geldt enkel de zorgplicht. Vogels met vaste verblijfplaats De voorgenomen plannen hebben een verstorend effect op de huismussen en de aangetroffen verblijfplaats. Er gelden daarom met oog op de voorgenomen plannen aanvullende verplichtingen. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal er een broedvogelcheck moeten worden uitgevoerd. In begin oktober 2025 zal deze check moeten worden uitgevoerd door middel van het lichten van de dakpannen, die tegen het te slopen gebouw aanliggen. Hierna kan dit deel van het dak ongeschikt gemaakt worden door bijvoorbeeld een vogelschroot. De werkzaamheden mogen pas aanvangen nadat het dakdeel ongeschikt is gemaakt in de periode oktober/november 2025. Doordat het dak ongeschikt is gemaakt mag er vervolgens gedurende de broedperiode 2026 doorgewerkt worden (tabel 4). Daarnaast dient er altijd rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Doordat het dak verder in dezelfde staat blijft bestaan zijn er nog voldoende mogelijkheden voor de huismussen om hier tijdens de werkzaamheden gebruik van te kunnen blijven maken. De verstoring vindt enkel plaats in de paar meter dak dat tegen het te slopen gebouw aanligt.
Een omgevingsvergunning is noodzakelijk bij het verstoren van nest/rustplaatsen van de Huismus. Om een omgevingsvergunning te krijgen zal er een ecologisch werkprotocol/activiteitenplan moeten worden opgesteld waarin beschreven wordt welke mitigerende maatregelen zullen worden genomen en wat de precieze werkwijze hiervan is. Tabel 4: Grove planning van de werkzaamheden en maatregelen.
Datum
Activiteit
Februari 2025
Aanbieden tijdelijke nestkasten
Oktober 2025
Verblijfplaats ongeschikt maken & start werkzaamheden
Oktober 2025 tot eind 2026
Voortzetting en afronding werkzaamheden
6.3 Aanbevelingen Vleermuizen Met het oog op de zorgplicht wordt aanbevolen de hoeveelheid licht dat gebruikt gaat worden bij de werkzaamheden zoveel mogelijk te beperken en zo min mogelijk naar het boven te richten (bijlage 1).
24
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
Vogels met vaste verblijfplaats Om de functionele leefomgeving en de algehele biodiversiteit te verbeteren wordt aanbevolen om met het ROEF dak-systeem te werken. Met dit systeem kunnen nestkasten voor o.a. de Huismus ingebouwd worden in de rand van het dak. Daarnaast geeft dit systeem de mogelijkheid om uitgebreid te worden met andere kasten voor bijvoorbeeld gierzwaluwen en bijen. Ook is het mogelijk om het dak te laten bedekken met vegetatie, wat een positieve impact zal hebben op de functionele laafomgeving en biodiversiteit.
25
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
26
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
7.
Mitigatie en zorgplichten N.a.v. de verwachtte effecten door de voorgenomen werkzaamheden zullen er mitigerende maatregelen t.b.v. de Huismus getroffen moeten worden. Deze maatregelen zorgen ervoor dat enige negatieve effecten op strikt beschermde soorten worden verminderd en de staat van instandhouding niet negatief wordt aangetast.
7.1
Zorgplicht Naast de specifieke maatregelen die voor dit project genomen moeten worden geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) altijd de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: • Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd en in één richting te verwijderen; • In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd; • In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen (15 maart - 15 juli) uitgevoerd; • In verband met verstoring van aanwezige dieren wordt er zo min mogelijk verlichting gebruikt, wordt er gebruik gemaakt van rode verlichting en zijn de lichtbronnen naar beneden gericht; • Waar nodig kan er gebruik gemaakt worden van ecologische begeleiding tijdens de werkzaamheden voor bijvoorbeeld het herkennen van een beschermde plant, het aanwijzen van een exacte locatie van een nest, groei-, of rustplaats, het op juiste
wijze plaatsen of verwijderen van amfibieschermen, nestkasten, etc.
7.2 Mitigerende maatregelen T.b.v. de Huismus zullen er mitigerende maatregelen getroffen moeten worden om verstoring van de nest/rustplaats te verzachten. Aangezien het gaat om het verstoren van één nest/rustplaats onder het dak van het aangrenzende pand zal er moeten worden gezorgd voor een passende maatregel. Het kennisdocument van BIJ12 over de Huismus geeft aan dat voor het verstoren van een nest/rustplaats het noodzakelijk is om deze nest/rustplaats in het geschikte seizoen onbereikbaar te maken. Dat betekend in de periode oktober t/m maart. Voor het ontoegankelijk maken van deze
27
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
nest/rustplaats zal moeten worden gecompenseerd met minimaal twee tijdelijke verblijfplaatsen per ongeschikt gemaakt nest.
7.2.1. Werken buiten de kwetsbare periode Alle maatregelen en werkzaamheden m.b.t. de nest/rustplaats zullen moeten plaatsvinden buiten het broedseizoen van de Huismus. Het broedseizoen duurt vanaf ongeveer maart t/m augustus (met uitloop van late legsels in september) (figuur 7). De meest geschikte periode om de maatregelen uit te voeren en het nest onbereikbaar/geschikt te maken is in oktober en november (figuur 8).
Figuur 7: Kwetsbare periodes van de Huismus. Het broedseizoen loopt van maart t/m september. Buiten deze periode mogen werkzaamheden uitgevoerd worden mits passende mitigerende maatregelen zijn genomen.
Figuur 8: De periode die het meest geschikt is voor het uitvoeren van de maatregelen is oktober en november.
7.2.2. Alternatieve (tijdelijke) nestplaatsen aanbieden Voor dit project moeten er minimaal twee tijdelijke nestkasten worden opgehangen in de directe omgeving van het plangebied. Bij het plaatsen van de tijdelijke voorzieningen en het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaats moet er rekening worden gehouden met een gewenningsperiode. BIJ12 geeft aan dat voor de Huismus een gewenningsperiode van 3 maanden moet worden aangehouden. Deze tijdelijke nestkasten zullen aan de noordzijde van het gebouw waar de verblijfplaats is 28
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
aangetroffen komen te hangen. In februari 2025 zullen de nestkasten worden opgehangen. Zo is er ruim voldoende rekening gehouden met de benodigde gewenningsperiode wanneer er in oktober 2025 gestart wordt met de werkzaamheden.
7.2.3. Ongeschikt maken van de huidige verblijfplaats In de oktober 2025 zal de huidige verblijfplaats van de Huismus ongeschikt/-bereikbaar worden gemaakt. Dit kan door een vogelschroot of vogelborstels te plaatsen onder de onderste rij dakpannen (figuur 9).
Figuur 9: Vogelschroot onder de onderste rij dakpannen maakt het nest onbereikbaar.
7.2.4. Nacontrole Om er zeker van te zijn dat het nest niet in gebruik is als de werkzaamheden gaan aanvangen, in een nacontrole noodzakelijk. Hierbij zal een ecologisch adviseur in oktober 2025 controleren of het nest nog in gebruik is of niet. Dit zal gebeurden door dakpannen te lichten. Deze nacontrole moet worden uitgevoerd vóórdat de verblijfplaats onbereikbaar wordt gemaakt. Wanneer de verblijfplaats wordt vrijgegeven mag deze worden
afgesloten
met
bijvoorbeeld
een
vogelschroot.
Hierna
kunnen
de
werkzaamheden zonder problemen aanvangen.
7.3 Planning In februari 2025 zullen de alternatieve nestkasten moeten worden opgehangen. Na een gewenningsperiode van minimaal 3 maanden mag vervolgens in oktober 2025 de huidige verblijfplaats ongeschikt gemaakt worden. Zodra deze verblijfplaats ongeschikt is gemaakt en is gecontroleerd dat er geen Huismus op aanwezig is, mogen de werkzaamheden van start gaan. De werkzaamheden zullen ongeveer een jaar in beslag
29
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus t.b.v. sloop voormalige horecagelegenheid, Lange Reke 4, Renesse
nemen. Nadat de werkzaamheden afgerond zijn mogen de alternatieve nestkasten weer verwijderd worden. Deze nestkasten mogen ook blijven hangen, mits er onderhoud aan gepleegd wordt. Datum
Activiteit
Februari 2025
Aanbieden tijdelijke nestkasten
Oktober 2025
Verblijfplaats ongeschikt maken & start werkzaamheden
Oktober 2025 tot eind 2026
Voortzetting en afronding werkzaamheden
7.4 Vergunning aanvraag Aangezien de verblijfplaats van de Huismus verstoord zal worden zal er een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd. Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning zal ook een activiteitenplan geschreven moeten worden. De opdrachtgever Erik van den Bos zal een gedetailleerde planning en bouwtekeningen aanleveren. Daarnaast is het noodzakelijk het belang van dit project te onderbouwen a.d.h.v. de Bal en Omgevingswet. Het wordt aangeraden een AERIUS-berekening uit te voeren om de effecten van de sloop en herbouw op omliggende natuurgebieden in kaart te brengen.
30
Referenties • • • • • •
Netwerk Groene Bureaus (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, p32 Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Ruige dwergvleermuis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Huismus, versie 2.1 BIJ12 februari 2023 Vleermuisprotocol 2012 – Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland NDFF – Verspreidingsatlas.nl
Bijlage 1: Vleermuizen en verlichting Vleermuizen in het algemeen zijn erg gevoelig voor verlichting. Vleermuizen hebben zeer lichtgevoelige ogen waardoor ze niet alleen daglicht, maar ook kunstmatige verlichting mijden. We spreken van lichtverstoring als het normale gedrag en/of de ecologie van vleermuizen door de verlichting (negatief) wordt beïnvloed. De verstoring kan leiden tot een negatieve populatie-ontwikkeling. Verlichting kan verschillende delen van het leefgebied van vleermuizen beïnvloeden. Verlichting kan een barrière vormen en er toe leiden dat (delen van) vliegroutes minder gebruikt of vermeden worden. Dat kan leiden tot het gebruik van alternatieve vliegroutes die vaak langer zijn en daardoor extra energie kosten. Daarnaast kunnen deze routes risico’s met zich meebrengen zoals een grotere blootstelling aan weersinvloeden (wind, regen) en een hoger risico om gepredeerd te worden. Daar komt bij dat geschikte alternatieve routes langs lijnvormige elementen niet altijd voorhanden zijn. Delen van het landschap kunnen als gevolg van verlichting dan ook minder goed of zelfs onbereikbaar worden, met negatieve gevolgen voor de overlevingskans van populaties. Uit veldstudies is gebleken dat een groot aantal vleermuissoorten kunstmatig verlichte delen van het landschap mijden en zich grotendeels beperken tot die delen waar geen verlichting aanwezig is.
Dit geldt zowel voor permanente verlichting als voor tijdelijke verlichting. Het gevolg van verlichting kan het (tijdelijk) verdrijven van dieren uit de dagelijkse foerageergebieden zijn. Vleermuizen gebruiken per nacht vaak meerdere foerageergebieden. Als lichtverstoring optreedt tijdens de voedselpiek (die afhankelijk is van het moment van de nacht en het seizoen) is het effect het grootst. Verlichting heeft een aantrekkende werking op insecten waardoor er rondom verlichting een concentratie van insecten op kan treden die door vleermuizen wel bejaagd worden. Dit impliceert een positief effect van kunstmatige verlichting omdat hierdoor extra foerageermogelijkheden geboden worden. Dit is echter niet het geval. Het zijn uitsluitend de meer algemene, snelvliegende soorten, die deze voedselbron benutten. De lichtmijdende, minder algemene en langzaam vliegende soorten maken geen gebruik van deze mogelijkheden. Uit onderzoek is gebleken dat verlichting niet alleen insecten uit de directe omgeving aantrekt maar dat de aantrekkende werking een veel groter bereik heeft. Hierdoor nemen de insectendichtheden in de niet-verlichte en donkere delen af, wat tot gevolg heeft dat de foerageermogelijkheden voor lichtmijdende soorten kleiner worden, iets dat ook de reproductie verstoord. Het jagen rondom verlichting brengt een verhoogd predatierisico met zich mee.
Er zijn zelfs gevallen bekend van torenvalken, een soort die normaal gesproken alleen overdag actief is, die ’s-nachts op vleermuizen aan het jagen waren in het schijnsel van straatlantaarns. Maatregelen die genomen kunnen worden om de effecten van verlichting te verminderen hebben o.a. te maken met het aantal lampen, de lichtintensiteit, de positie van de verlichting (ten opzichte van een vliegroute en jachtgebied), het gebruik van armaturen
die het licht goed richten en die een scherpe bundel hebben, het afschermen met opgaande vegetatie, het werken met een verlichtingsregime en de kleur van de verlichting. Uit onderzoek is gebleken dat vleermuizen de frequenties/kleuren aan de rode kant van het kleurenspectrum veel minder goed of helemaal niet waarnemen. Op basis daarvan is een ledlamp ontwikkeld met een relatief monochromatisch kleurenspectrum (oranje, amber genaamd). Het nadelige effect van verlichting kan verkleind worden door het gebruik van dit type verlichting op en rondom bebouwing en langs wegen. Ook het dimmen of doven van de verlichting in de zomerperiode (april-september) tot minimaal een uur na zonsondergang, teneinde vleermuizen de gelegenheid te geven zonder verstoring hun verblijfplaatsen te verlaten en naar hun foerageergebieden te vliegen, is een maatregel om het negatieve effect van verlichting te beperken. Beter is het om in deze periode helemaal geen verlichting te gebruiken of die delen die van belang zijn als migratieroute of jachtgebied onverlicht te laten. Voor het laatste moet dan wel eerst in kaart gebracht worden waar deze onderdelen van het leefgebied zich exact bevinden. Tevens wordt aanbevolen om speciale armaturen te gebruiken die een verticale lichtbundel geven.
Deze lichtbundel schijnt bij voorkeur in een hoek van minder dan 70 graden, ten opzichte van de verticale as, zodat voorkomen wordt dat het licht naar boven schijnt. De behuizing van lampen kan hiervoor worden toegerust met reflectoren, lamellen, diafragma's, afschermkappen en paralumen. Lampen dienen zo laag mogelijk geplaatst te worden (lager dan acht meter) zodat, als het licht naar boven afgeschermd wordt, een groot deel van het door vleermuizen gebruikte luchtruim donker blijft. Ook kan bij een korte lichtkolom met minder lichtintensiteit het te verlichten gebied gericht beschenen worden. Kunstmatige of natuurlijke objecten kunnen er voor zorgen dat het licht wordt afgeschermd naar plaatsen waar vleermuizen foerageren, waar vliegroutes zijn, of waar zich verblijfplaatsen bevinden. Vleermuizen houden zich kort na het uitvliegen, wanneer het nog relatief licht is, vaak op in relatief donkere delen van het landschap. Bebouwing en opgaande vegetaties kunnen dienst doen als lichtscherm om donkere plekken te behouden of te creëren. Ook bij het weghalen van vegetaties moet hiermee rekening gehouden worden.
Tenslotte, kort samengevat, nog enkele praktische aanbevelingen: - Kies een lamp met het juiste lichtspectrum (bij voorkeur amberkleurig); - pas een gerichte verlichting toe; - gebruik lampen die niet of minimaal verstoren; - breng meerdere zwakke lichtpunten aan; - houd boomkronen donker; - houd kruisingen met vliegroutes donker; - pas amberkleurige verlichting toe;
- laat minimaal één zijde onverlicht of, beter nog, verlicht alleen waar dat vanuit het oogpunt van veiligheid gewenst is; - creëer een donkere verbinding of doorgang met de aangrenzende omgeving; - laat verlichting in de zomerperiode (april-september) tot minimaal een uur na zonsondergang uit.
Bijlage 2: Verspreidingskaartjes wettelijk beschermde soorten