1276789 Bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
25
3.5
Luchtkwaliteit
Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen (artikel 5.16 Wet milieubeheer). Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd. Hiervoor zijn getalsmatige grenswaarden opgenomen (titel 5.2 Wm) voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. Voor bepaalde projecten is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een project minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 µg /m3 voor zowel PM10 als NO2. Tabel 3 Worstcase scenario op basis NIBM-tool
Conclusie De beoogde (her)bouw van een recreatiewoning in stedelijk gebied is een kleinschalige ontwikkeling. Er is slechts beperkt sprake van een toename aan verkeersbewegingen. Er is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen (waaronder PM10 en NO2). Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
3.6
Flora en fauna
De soortenbescherming is in Nederland sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wn), voorheen de Flora- en Faunawet. Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het plan mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op beschermde soorten. Uitgangspunt van de Wet natuurbescherming is dat handelingen die leiden tot (opzettelijke) verstoring of schade aan leefgebieden van beschermde soorten zijn verboden. Europese Vogelrichtlijn Alle vogels worden op basis van de Europese Vogelrichtlijn beschermd en zijn in de Wn opgenomen in artikel 3.1 Wn. Voor alle vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren opzettelijk beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen (van ongeveer maart tot half juli) leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven.
Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
26
Natura 2000- gebieden De bescherming van natuurgebieden is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. Bovengenoemde wet regelt de bescherming van de in Europees verband vastgelegde Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden) en de op nationaal niveau beschermde natuurgebieden. Voor soorten die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en het verdrag van Bern/ Bonn worden beschermd, geldt artikel 3.5 van de Wn. Conform artikel 12 van de Habitatrichtlijn geldt voor soorten die via artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming worden beschermd, dat ook het onopzettelijk beschadigen of vernielen van de in gebruik zijnde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde soorten is verboden. Voor een aantal soorten geldt een specifieke gedragscode. Natuur Netwerk Nederland (NNN) De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) vindt plaats via lokaal en regionaal beleid. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee- tenzij’ toets.
Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Zorgplicht Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient op basis van deze zorgplicht in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Besluitlocatie Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de aanvrager te waarborgen dat de uitvoering van het project geen nadelige gevolgen heeft op beschermde soorten of natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreffen de duinpolders behorende bij het Habitatrichtlijngebied ‘Kop van Schouwen’ op een afstand vanaf circa 100 meter ten zuiden en noorden van het besluitgebied. In de omgeving van het besluitgebied komen onderdelen voor van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Deze gebieden vallen in de directe omgeving van het besluitgebied samen met het Natura2000 gebied ‘Kop van Schouwen’. De projectlocatie bevindt zich buiten het NNN. Nadelige effecten kunnen door de beperkte schaal van de ontwikkeling en de ligging van het besluitgebied op een tot recent bebouwde kavel binnen een bebouwingslint worden uitgesloten. De voormalige bebouwing werd verwarmd op basis van een gasaansluiting. De nieuwe bebouwing wordt verwarmd op basis van een warmtepomp.
In het kader van de ontwikkeling is in juli 2022 een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd om mogelijke effecten op beschermde soorten en omliggende natuurgebieden in beeld te kunnen brengen. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er als gevolg van de ontwikkeling geen permanente of tijdelijke negatieve effecten te verwachten zijn voor het Natura-2000 gebied ‘Kop van Schouwen’ of in de omgeving gelegen onderdelen van het natuurnetwerk Zeeland. Het is redelijkerwijs niet aannemelijk dat beschermde soorten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden geschaad. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. De rapportage is opgenomen in bijlage 4. Bij het uitvoeren van sloop- en bouwwerkzaamheden en met de verkeersbewegingen van nieuwe gebruikers komt stikstof vrij. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mag geen overschrijding van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurgebieden veroorzaken. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling is door S&W Bouwkundig Ingenieurs BV in december 2024 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat de te verwachten stikstofdepositie Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
27
in de bouwfase en in de gebruiksfase als gevolg van de ontwikkeling 0,00 mol/ha/jr zal bedragen. Omdat de besluitlocatie op korte afstand van het Natura 2000-gebied ‘Kop van Schouwen’ is gelegen is de inzet van diesel gestookt bouwmaterieel beperkt mogelijk. Een deel van het materieel zal elektrisch aangedreven worden. Voor de inzet van mobiele bronnen wordt tevens gebruik gemaakt van AdBlue. Deze voorwaarde wordt geborgd in de vergunningvoorschriften. Er is geen sprake van stikstofdepositie op omliggende beschermde natuurgebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Het aanvragen van vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. De rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 3. Conclusie Er zijn geen significante effecten op beschermde soorten of omliggende beschermde natuurgebieden te verwachten.
3.7
Archeologie
De bescherming van archeologisch erfgoed is sinds de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Besluitlocatie Ter hoogte van het besluitgebied geldt een archeologische dubbelbestemming (Waarde - Archeologie -6). Er vinden op het perceel geen grondwerkzaamheden plaats met een grotere bewerkingsoppervlakte dan 2500m2 en een grotere bewerkingsdiepte dan 0,5 m-mv. In de voorbereiding van de omgevingsvergunningaanvraag is het uitvoeren van een verkennend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot grondwerkzaamheden boven de vrijstellingsgrens.
Het aspect archeologie heeft geen invloed op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3.7.1
Cultuurhistorie
Ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden vindt er steeds meer een verschuiving plaats van verantwoordelijkheden van het Rijk naar gemeenten. Hiermee wordt de koers die met de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg 2009 (MoMo) is ingegaan verder doorgezet. De moderne monumentenzorg heeft twee uitgangspunten: van objectgericht naar omgevingsgericht en van conserverend naar ontwikkelend. Dit vertaalt zich in een beleid met minder regels, het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening en meer mogelijkheden voor het herbestemmen van gebouwen. Sinds de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van 1 januari 2012, dienen cultuurhistorische en archeologische waarden te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
28
In de Provinciale Omgevingsverordening zijn waardevolle landschappen en cultuurhistorisch waardevolle elementen met een provinciaal belang aangewezen. Voor deze landschappen geldt dat nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik niet mogen leiden tot een significante aantasting van de herkenbaarheid, oppervlakte of samenhang hiervan. Gebieden die onderdeel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur zijn tevens beschermd als waardevol landschap. In de provinciale kaart cultuurhistorie zijn de belangrijkste cultuurhistorisch waardevolle elementen en landschappen weergegeven. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft in 2012 de Welstandsnota 2012 vastgesteld. De nota is in december 2023 herzien. Op basis van het welstandsbeleid wordt invulling gegeven aan het beleidsdoel uit de strategische visie ‘Tij van de Toekomst’ om de cultuurhistorische kwaliteit te verbeteren. In de nota staan kaders voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen cultuurhistorisch waardevolle objecten en gebieden. Complexe ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst door de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsbeleid maakt onderscheid in gebiedsgerichte en objectgerichte criteria. Er wordt onderscheid gemaakt in vier welstandsniveaus: 1. 2. 3. 4.
Beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten Bijzondere welstandsgebieden Reguliere welstandsgebieden Welstandsvrije gebieden.
Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland zijn twee beschermde stadsgezichten en twee beschermde dorpsgezichten aanwezig. Aan de historische dorpskernen van Dreischor en Noordgouwe is op basis van de Erfgoednota de status van Beschermd stads- en dorpsgezicht toegekend. Voor alle andere dorpskernen zijn de criteria van welstandsniveau 2 van toepassing. Dit is een bijzonder welstandsregime en gericht op het behouden en waar mogelijk versterken van de historische kwaliteit. De toetsingscriteria voor dorpskernen zijn gericht op plaatsing, massa en vorm, gevelkarakteristiek, detaillering, kleur en materiaal van de nieuwe bebouwing in relatie tot de mate waarin deze de gebiedskarakteristiek behouden en respecteren. Besluitgebied De besluitlocatie ligt binnen het historische bebouwingslint aan de Laone behorende tot de historische kern van Renesse. De verbindingsweg de Laone is een cultuurhistorische waardevolle dijkstructuur om de polder Oosterenban. Binnen het besluitgebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of landschappelijke elementen aanwezig. Op de aanliggende percelen van de besluitlocatie bevinden zich geen Rijksmonumentale gebouwen. Op wat grotere afstand langs de Laone en ter hoogte van de historische kerkring zijn meerdere Rijksmonumentale panden aanwezig.
Het naastgelegen pension aan de Laone 23 is vanwege de karakteristieke bouwwijze aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol object (MIP-object). In de omgeving van de Laone en de kerkring van Renesse zijn veel cultuurhistorische waardevolle gebouwen en landschapselementen aanwezig. Langs de Laone en in de directe omgeving komen cultuurhistorisch waardevolle groenelementen voor zoals houtwallen, historische bomen en elzenmeten. Aan de overzijde van de Laone bevindt zich het landgoed van Slot Moermond. Het slot betreft een middeleeuws slot, dat is opgericht omstreeks 1230. De kern Renesse heeft de stedenbouwkundige structuur van een ringdorp. Dit is één van de oudste dorpstypen en tevens kenmerkend voor Zeeland. Het dorpstype dateert van vóór de periode van systematische bedijking. Karakteristiek voor een ringdorp is de hoger gelegen kerk met een ringvormige straat. De historische dorpswegen komen uit op deze ring. Aan de buitenzijde van de kerkring heeft de bebouwing een zeer aaneengesloten en compacte structuur. Het oprichten van een recreatiewoning aan de achterzijde van bestaande bebouwing aan de Laone heeft geen negatieve invloed op het aanzicht of de herkenbaarheid van de cultuurhistorisch Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
29
waardevolle bebouwing of landschapselementen in de omgeving. De recreatiewoning is zichtbaar vanaf de openbare weg het Jonkersweegje. De recreatiewoning wordt gerealiseerd binnen een bestaande recreatieve bestemming met een bouwvlak en wordt uitgevoerd in een traditionele en Zeeuwse bouwstijl. De oorspronkelijke bebouwing was verouderd. Met het oprichten van nieuwe duurzame bebouwing in een aansprekende en bij het Zeeuwse karakter passende bouwstijl, wordt het aanzicht van het perceel vanaf het openbaar gebied verbeterd. De aanwezige bebouwing in de kern Renesse, waaronder in de directe omgeving van het besluitgebied, is vaak op korte afstand van de perceelsgrens gerealiseerd. Vanuit bestaande bebouwing is over en weer sprake van enig zicht op naastgelegen percelen. Dit is passend bij de bestaande structuur van bebouwing in de kern. Het bouwvlak is in de uitgangssituatie reeds gelegen op de perceelsgrens en heeft een diepte van circa 8 meter. Binnen het bouwvlak is in de uitgangssituatie onder overgangsrecht een hoofdgebouw met een verdieping en aanbouwen aanwezig. In de beoogde situatie zal de bebouwing met een aantal meters worden vergroot in het verlengde van de huidige bebouwing. Hiervoor wordt het bouwvlak verdiept aan de achterzijde met circa 4 meter. De ramen die uitkijken op het perceel aan de Laone 23 zullen worden voorzien van gematteerde beglazing.
Dit is opgenomen in de inrichtingstekening welke onderdeel uitmaakt van de stukken bij de omgevingsvergunning. Binnen het bouwvlak zijn volgens het bestemmingsplan gebouwen toegestaan tot een bouwhoogte van maximaal 6 meter. Tussen de percelen kan erfafscheiding worden opgericht tot 2 meter hoog. Op het perceel aan de Laone 23 zijn reeds bijbehorende bouwwerken aanwezig waaronder een schuur met kapconstructie ter hoogte van de perceelsgrens. De bebouwing binnen het besluitgebied is in de uitgangssituatie en in de beoogde situatie grotendeels achter de schuur behorende bij de Laone 23 gelegen. Naar de invloed van schaduwwerking op omliggende percelen in nieuwe situatie is een bezonningsstudie uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de extra schaduwwerking als gevolg van de nieuwe bebouwing minimaal is ten opzichte van de uitgangssituatie. De beoogde schuur wordt immers uitgevoerd ten noorden van de (bedrijfs) woning aan de Laone 23. De beoogde uitbreiding van het bouwvlak leidt door de bestaande bebouwing, de bestaande bouwmogelijkheden en de erfafscheiding niet tot een onevenredige invloed op de bezonning op het naastgelegen perceel aan de Laone 23. Zie tevens bijlage 5. De maximale bouwhoogte en de afstand tot de perceelsgrens veranderen niet in de beoogde situatie.
De nieuwe bebouwing bevindt zich in een historisch woonlint met bebouwing op korte afstand van de perceelsgrens en op korte afstand van elkaar. De beoogde bebouwing wordt grotendeels achter de bestaande schuur op het perceel van de Laone 23 gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling leidt gezien de karakteristiek van de omgeving, de bestaande bebouwing en de bestaande bouwmogelijkheden niet tot een onevenredige beperking van privacy door zicht op andere percelen of tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanuit de bedrijfswoning aan de Laone 23. Met de hernieuwde recreatiewoning wordt op een passende schaal bijgedragen aan het jaarrond beleefbaar maken van het Zeeuwse landschap en de kern Renesse. Het beoogde ontwerp is voor beoordeling voorgelegd aan de Welstands- en Monumentencommissie. De Commissie heeft op 15 augustus 2022 een positief advies uitgebracht. Conclusie De beoogde situatie heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of landschapselementen in de omgeving. Met het vervangen van verouderde bebouwing zonder bijzondere cultuurhistorische waarde voor nieuwe bebouwing in een aansprekende Zeeuwse bouwstijl, wordt een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De beoogde uitbreiding van het bouwvlak betreft een beperkte uitbreiding ten opzichte Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
30
van de maximale bouwmogelijkheden die in de uitgangssituatie al aanwezig waren. De beoogde situatie is stedenbouwkundig inpasbaar.
3.8
Externe veiligheid
Toetsingskader Het doel van het externe veiligheidsbeleid is het beheersen van risico’s door opslag en transport van milieugevaarlijke stoffen afkomstig van industriële activiteiten. Tot risicobronnen behoren inrichtingen en transportroutes waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en luchthavens. Het wettelijk kader voor de beoordeling van risico’s van transport van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ en de ‘Regeling Basisnet’. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Voor transport via buisleidingen geldt het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’. In het externe veiligheidsbeleid zijn normen voor het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) opgenomen. Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. In gebieden met een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan.
Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Zonering vindt plaats door middel van veiligheidsafstanden op basis van berekende risico’s of te verwachten effecten bij calamiteiten. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Op basis van het Registratiebesluit externe veiligheid en de Wet milieubeheer moeten risicobronnen inzichtelijk worden gemaakt. Het risicoregister wordt gepubliceerd door middel van een digitale risicokaart. Vervoer gevaarlijke stoffen Het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen is sinds 2015 vastgelegd in het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes en de Regeling Basisnet.
Op basis van het Bevt is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar, voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. De Regeling Basisnet stelt risicoplafonds langs hoofdtransportroutes vast. Per trajectdeel is aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied. Nieuwbouw van kwetsbare objecten is
niet
toegestaan
binnen
de
afstanden
van
het
plaatsgebonden
risico.
Binnen
de
plasbrandaandachtsgebieden (zone van 30 meter) gelden aanvullende eisen uit het Bouwbesluit 2012. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied (200 meter) van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig.
Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
31
Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Besluitgebied Een verblijfsrecreatieve functie is geen activiteit met een veiligheidsrisico voor de omgeving. Een recreatiewoning is binnen het externe veiligheidsbeleid aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object. Een beperkt kwetsbaar wordt meegenomen in de beoordeling van de hoogte van het groepsrisico van een gebied. Inrichtingen en installaties Volgens de Atlas Leefomgeving bevinden zich in de directe omgeving van het besluitgebied geen inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In de omgeving van het besluitgebied bevinden zich op basis van de gegevens in de Atlas Leefomgeving geen installaties van waaruit een extern veiligheidsrisico geldt. Vervoer gevaarlijke stoffen In de omgeving van het besluitgebied zijn geen wegen, vaarwegen of spoorlijnen gelegen waarvoor op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes of de Regeling Basisnet een extern veiligheidsrisico geldt. Het beoogde gebruik heeft geen invloed op de hoogte van het groepsrisico.
Buisleidingen In de directe omgeving van het besluitgebied bevinden zich geen buisleidingen waarvoor op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen een extern veiligheidsrisico geldt. Brandveiligheid Ten aanzien van het beoogde gebruik kan worden volstaan met het standaard advies waarbij de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt beschouwd. Daar waar de planologische ontwikkeling een gebouw mogelijk maakt dienen een aantal brandveiligheidsaspecten onderzocht te worden. De gemeente stemt bij ruimtelijke ontwikkelingen een aantal brandveiligheidsaspecten vroegtijdig af met de Veiligheidsregio. De brandveiligheidsaspecten betreffen met name de bereikbaarheid door de brandweer via de openbare weg, de brandweerzorgnorm, de primaire bluswatervoorziening op de openbare weg en de secundaire bluswatervoorziening. De bereikbaarheid van het besluitgebied voor hulpvoertuigen en de bluswatervoorzieningen binnen het besluitgebied moeten voldoen aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland 2020). De brandveiligheidsvereisten zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Er is sprake van het (her)bouwen van een enkele recreatiewoning binnen een bestaand bebouwingslint behorende bij de kern Renesse.
In de omgeving van het besluitgebied zijn geen inrichtingen, transportassen of installaties gelegen waarvan een hoog veiligheidsrisico uitgaat. Het realiseren van een enkele recreatiewoning binnen bebouwd gebied is een kleinschalige ontwikkeling en zal niet van invloed zijn op de hoogte van het groepsrisico. De recreatiewoning is bereikbaar voor hulpdiensten via de Laone en het Jonkersweegje. De nieuwe bebouwing zal voldoen aan de geldende bouwregelgeving en brandveiligheidsvereisten volgens het Bouwbesluit 2012. Binnen de recreatiewoning worden voldoende blusmiddelen en vluchtroutes geïnstalleerd. Gebruikers kunnen als voldoende zelfredzaam worden beschouwd en kunnen bij een calamiteit zelfstandig de bebouwing verlaten en van de risicobron af vluchten. Het scenario met de grootste effectafstand betreft een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen. In dit scenario wordt aangeraden om de bebouwing te voorzien van centraal afsluitbare mechanische ventilatie conform 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
32
voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld wanneer er in de omgeving toxische gassen aanwezig zouden zijn. Over de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van voldoende blusmiddelen wordt aanvullend advies van de veiligheidsregio gevraagd. Hiermee is de veiligheid van de gebruikers in de toekomst voldoende geborgd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het (her)bouwen van een recreatiewoning. De afstand tot objecten waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt is voldoende groot. De veiligheidsparagraaf wordt aanvullend beoordeeld door de veiligheidsregio.
3.9
Water
Toetsingskader Het besluitgebied bevindt zich binnen het beheergebied van het Waterschap Scheldestromen. Het Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. In het waterbeheerprogramma wordt invulling gegeven aan de ambities uit de Visie Waterbeheer 2050. Met het programma wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) wat betreft het bereiken van een Goed Ecologisch potentieel. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water zijn: • Waarborgen van waterveiligheid; • Zorgen voor mooi en schoon water; • Beperken van de effecten van klimaatverandering/ klimaatadaptatie; • • •
Bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving; Verduurzaming van het watergebruik; Onderhoud van waterschapswegen.
In de ‘Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw’ (d.d. 14 februari 2001) is door rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten overeengekomen dat in alle nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets opgenomen dient te worden. In de motivering van een ruimtelijk besluit dient op basis van artikel 3.6 lid 1 Bro aangegeven te worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat hierbij tevens overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater in het stedelijke gebied, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen (Waterwet, art. 9a). De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 is vastgelegd hoe de gemeente uitvoering geeft aan de omgang met afvalwater, hemelwater en grondwater.
Afstromend schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk vertraagd zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem en daarmee in perioden van droogte een buffer vormt. Voor de afvoer van hemelwater geldt de trits: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). Het waterschap toetst in het kader van het vooroverleg of het plan past binnen de waterdoelstellingen. Op basis van de Keur van het waterschap wordt bepaald of er voor bouwwerken of activiteiten een watervergunning noodzakelijk is. Ook wordt er binnen de Keur aangegeven voor welke ontwikkelingen er binnen een beschermingszone kan worden voldaan aan algemene regels waardoor Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
33
er geen watervergunning aangevraagd hoeft te worden. De bijbehorende Legger geeft aan waar de keur van toepassing is. In de Legger zijn ook beschermingszones voor oppervlaktewateren opgenomen. Deze zones zijn bedoeld om ongewenste handelingen rondom een waterlichaam, zoals (bouw)activiteiten of de aanleg van beplanting, te kunnen weren. Besluitgebied Ten aanzien van de ontwikkeling van het besluitgebied kan de volgende afweging worden gemaakt. Veiligheid waterkeringen Ter hoogte van de beoogde recreatiewoning bevindt zich volgens de Keur (20 juni 2019) en de bijbehorende legger waterkeringen geen beschermingszone van een waterkering. Voorkomen van overlast door oppervlaktewater Ter hoogte van het Jonkersweegje bevindt zich volgens de Legger oppervlaktewateren een watergang met een secundair belang voor het watersysteem en een bijbehorende beschermingszone van 7 meter gemeten vanaf de insteek van de watergang. De beoogde bebouwing wordt buiten de beschermingszone gerealiseerd. Er verdwijnt geen open water door de bouw. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot belemmeringen voor (het onderhoud van) leggerwatergangen. Voorkomen van overlast door hemel- en afvalwater In de uitgangssituatie is ter plaatse een bouwvlak met een oppervlak van 40m2 toegekend. In de beoogde situatie wordt een gebouw met een oppervlakte van 75m2 mogelijk gemaakt.
Het netto areaal bebouwing neemt als gevolg van de ontwikkeling toe met 35m2. In de uitgangssituatie is het perceel volledig verhard door de aanleg van terreinverharding. Het netto areaal verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling niet toe. Het afvalwater van de recreatiewoning wordt ook in de nieuwe situatie afgevoerd via een aansluiting op de gemeentelijke vuilwaterriolering. In de nieuwe situatie wordt het schone regenwater gescheiden van het afvalwater.
Figuur 6
Uitsnede Legger wateren 2022 (besluitgebied rood gearceerd)
Grondwaterkwantiteit en verdroging Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. Het overtollige regenwater infiltreert ter plaatse zoals in de bestaande situatie het geval is. Er is sprake van een hydrologisch neutrale situatie.
Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
34
Grondwaterkwaliteit De beoogde bouwmogelijkheden hebben geen effecten op de grondwaterkwaliteit ter plaatse. Tijdens de bouw wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet uitlogende materialen. Oppervlaktewaterkwaliteit De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit. Volksgezondheid De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid. Bodemdaling Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen wijziging plaats van het waterpeil. Het plan heeft geen bodemdaling tot gevolg. Natte natuur Binnen of direct aanliggend aan het besluitgebied bevindt zich geen natte natuur. Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Onderhoud oppervlaktewater In de omgeving van de besluitlocatie bevinden zich oppervlaktewateren (leggerwatergangen) die worden beschermd op grond van de keur. De nieuwe bebouwing wordt buiten de beschermingszone gerealiseerd. Belangen waterbeheerder De wegen behorende bij de kern Renesse zijn niet in beheer bij het waterschap. De beoogde ontwikkeling heeft een beperkte verkeersaantrekkende werking en leidt niet tot een significante toename van verkeersbewegingen over waterschapswegen. Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn.
Conclusie Met de beoogde bouw van een recreatiewoning zijn er geen effecten te verwachten op de waterhuishouding. Er is geen sprake van een netto toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de uitgangssituatie. De ontwikkeling heeft geen invloed op de omliggende watergangen of het watersysteem ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd. Het vuile water wordt ook in de nieuwe situatie afgevoerd via het gemeentelijke rioolstelsel. De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De voor de ontwikkeling uitgevoerde watertoets wordt voor advies voorgelegd aan Waterschap Scheldestromen.
3.10 Vormvrije MER -beoordeling Het Besluit tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage) (Staatsblad 102, jaargang 2011) zijn op 28 februari 2011 gepubliceerd. Deze reparatie van het Besluit milieueffectrapportage was nodig door het arrest van het van de EU van 15 oktober 2009 (Commissie tegen Nederland, zaak C-255/08). Het Besluit milieueffectrapportage kende een systeem van absolute drempelwaarden. Het systeem van absolute drempelwaarden bood in de praktijk vanwege de duidelijkheid grote voordelen. Gebleken is echter, dat het in feite onmogelijk is om de drempelwaarden zo te formuleren Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
35
dat rekening wordt gehouden met alle criteria van bijlage III van de richtlijn, zoals bijv. cumulatie, en daarbij te garanderen dat onder die drempelwaarde geen sprake kan zijn van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Om die reden is gekozen om de drempelwaarden indicatief te maken. Dit betekent dat de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van het Besluit-mer een indicatief karakter krijgen. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn keuze om géén mer-beoordeling te maken voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de toelichting van een ruimtelijk besluit. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Besluitgebied Onderliggende ruimtelijke onderbouwing maakt de realisatie van een recreatiewoning mogelijk. Met de ontwikkeling is sprake van een activiteit zoals benoemd in categorie D11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ van het Besluit mer.
De (indicatieve) drempelwaarde voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling bedraagt voor deze activiteit het oprichten van minimaal 2000 woningen of ontwikkelingen met een oppervlakte van 100ha of meer. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarden. Uit de ruimtelijke en milieukundige beoordeling in de overige paragrafen blijkt dat de beoogde situatie inpasbaar is in de omgeving. Er is sprake van een kleinschalige activiteit zonder significante verandering van de milieubelasting ten opzichte van de bestaande situatie. De beoogde situatie is hiermee ruimtelijk en milieukundig inpasbaar. Alle relevante omgevingsaspecten zijn onderzocht in hoofdstuk 3. Conclusie Gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het besluitgebied is gelegen, kan worden geconcludeerd dat er geen milieueffectrapportage (MER) behoeft te worden opgesteld.
Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
36
4.
UITVOERBAARHEID
4.1
Economische uitvoerbaarheid
Behalve de ruimtelijke en milieukundige uitvoerbaarheid, dient tevens de financieel-economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer een ruimtelijk besluit een bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk maakt, is de gemeente op basis van de grondexploitatiewet verplicht om de kosten hiervan te verhalen op de aanvrager. Dit is vastgelegd in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. De gemeente dient bij het nemen van een projectafwijkingsbesluit tevens een exploitatieplan vast te stellen. Van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro is onder meer sprake indien sprake is van de bouw van één of meer woningen of de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Tevens is een exploitatieplan noodzakelijk indien er specifieke locatie-eisen gesteld worden aan de uitvoering. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wro kan de gemeenteraad besluiten om de kosten anderszins te verzekeren. Het project zal geheel door de initiatiefnemer gerealiseerd worden. Het verhaal van kosten zal door de gemeente hoofdzakelijk plaatsvinden in de vorm van leges. Voor het verhalen van eventuele kosten voor tegemoetkoming in planschade wordt een overeenkomst ter verhaal van eventuele kosten aangegaan. Hiermee is het verhaal van de gemeentelijke kosten voldoende verzekerd.
Het project is hiermee economisch uitvoerbaar. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd en er kan worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.
4.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3˚ Wabo wordt de procedure zoals vastgelegd in afdeling 3.4 Awb gevolgd. De ontwerp beschikking met bijbehorende stukken wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Aan de hand van de voorbereiding van de vergunning wordt het wettelijk overleg ex artikel 3.1.1 Bro gevoerd. Reacties van de wettelijke overlegpartners (Waterschap Scheldestromen, Veiligheidsregio) worden weergegeven in paragraaf 4.3. Het college is bij de voorbereiding van het besluit op de omgevingsvergunningaanvraag niets gebleken van planologische of maatschappelijke belemmeringen. Er is geen reden om aan te nemen dat de beoogde herontwikkeling van de bebouwing geen maatschappelijk draagvlak heeft.
4.3
Procedure
De ontwerpbeschikking zal gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd met bijbehorende stukken. Voorafgaand hieraan wordt hiervan mededeling gedaan in het plaatselijke blad en op de gemeentelijke website. Gedurende de termijn van de terinzagelegging kan eenieder een zienswijze indienen. De resultaten van de terinzagelegging zullen beoordeeld worden en aanvullend in de ruimtelijke onderbouwing worden opgenomen.
Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
37
BIJLAGEN 1
Situatietekening Erik van den Bos Architect d.d. Mei 2022
2
Verkennend bodemonderzoek MCG Zuidwest BV d.d. Juni 2022
3
Stikstofdepositieberekening S&W Bouwkundig Ingenieurs BV d.d. December 2024
4.
Natuurtoets Veldbiologische Werken BV d.d. Juli 2022
5.
Bezonningsstudie Maanden juli en januari
Ruimtelijke onderbouwing- Laone 23a - Renesse
38