CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1100831 Bijlage 3 GRO

Commissie Ruimte en Economie 25 november 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning 2 levensloopbestendige woningen Burghse Ring 21 (1100831)8.338 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

omgevingsvergunning

Burghsering 21 Schouwen-Duiveland

DATUM IMRO IDN

4-10-2024 NL.IMRO.1676.XXX-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Burghsering 21 C.A. Louws

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

R.M. Brink 20231149

AUTEUR STATUS

P. Voesenek, C.A. Louws concept

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging plangebied

6

1.3

Vigerend bestemmingsplan

7

1.4

Leeswijzer

8

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

9

2.1

Bestaande situatie

9

2.2

Beoogde situatie

10

Hoofdstuk 3

Beleidskader

14

3.1

Rijksbeleid

14

3.2

Provinciaal beleid

16

3.3

Gemeentelijk beleid

17

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

19

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

19

4.2

Verkeer en parkeren

19

4.3

Water

21

4.4

Ecologie

21

4.5

Cultuurhistorie

25

4.6

Archeologie

27

4.7

Bodem

28

4.8

Geluid

28

4.9

Luchtkwaliteit

30

4.10

Bedrijven en milieuzonering

31

4.11

Externe veiligheid

32

4.12

Niet gesprongen explosieven

34

Uitvoerbaarheid

36

5.1

Economische uitvoerbaarheid

36

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

36

Motivering

37

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

3/37

4/37

6.1

Afweging

37

6.2

Conclusie

37

Toelichting

5/37

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De bewoners van de woning Burghsering 21 in Burgh-Haamstede zijn voornemens om twee levensloopbestendige woonhuizen ter plekke van een bestaande dorpswoning te realiseren. Voor het plangebied geldt de bestemming 'Wonen'. Aangezien de kavel gesplitst dient te worden om ruimte te maken voor een tweede woning is de beoogde ontwikkeling op dit moment binnen het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen realisatie van de woningen. Door middel van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan kan de beoogde ontwikkeling mogelijk worden gemaakt. Hiervoor geldt de uitgebreide procedure van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op basis van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van deze wet kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Een aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning dient daarom vergezeld te gaan met een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende rapport bevat deze ruimtelijke onderbouwing.

1.2

Ligging plangebied

De huidige vrijstaande woning is gelegen aan de Bughsering 21 in het centrum van Burgh-Haamstede. Het pand staat op het kadastrale perceel WTS00-C-3256 dat een oppervlakte heeft van 765 m2. De ligging van het plangebied is in figuur 1.1 weergegeven.

Figuur 1.1 - Locatieaanduiding plangebied (bron: Google Earth)

6/37

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is 'Burgh-Haamstede', vastgesteld op 28 april 2016. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 1'. Er is een bouwvlak aangeduid waarop maximaal 3 wooneenheden mogen staan. Momenteel zijn al 3 woningen aanwezig, namelijk bouwnummer 21, 22 en 24. Een vierde woning past dus niet binnen de kaders van het bestemmingsplan. Ter plaatse geldt de 'bouwaanduiding - vrijstaand'. Ter plaatse van deze bouwaanduiding is uitsluitend toegestaan vrijstaande woningen te bouwen. De beoogde ontwikkeling van een twee-onder-een-kapwoning past dus niet binnen deze kaders. Ter plaatse geldt de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - natuurgebied'; een afwegingszone ter bescherming van de aangrenzende natuurgebieden, zoals opgenomen in artikel 2.16 van de Verordening ruimte provincie Zeeland. Hierin wordt wijziging van het bestemmingsplan enkel mogelijk is, indien geen onevenredige aantasting van de kenmerken en waarden van het betreffende natuurgebied plaatsvindt. Gronden met de enkelbestemming 'Wonen' zijn bestemd voor de huisvesting van personen in een woning en de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming.

De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar geldende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Het perceel maakt deel uit van het archeologisch monument van de Burghsering; daarop is de Monumentenwet 1988 van toepassing. Het perceel ligt gedeeltelijk binnen de 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. De gronden ter plaatse van de 'vrijwaringszone – molenbiotoop' zijn mede bestemd voor de bescherming van de vrije windvang van molen 'De Graanhalm' en voor bescherming van de waarde van de molen als beeldbepalend element. Er geldt voor het gedeelte van het plangebied, binnen de vrijwaringszone, een maximale bouwhoogte van 10 meter In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Burgh-Haamstede' weergegeven.

7/37

Figuur 1.2 - Verbeelding bestemmingsplan 'Burgh-Haamstede' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

In deze ruimtelijke onderbouwing wordt in Hoofdstuk 2 de bestaande en beoogde situatie beschreven. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. De verschillende relevante omgevingsaspecten zijn in Hoofdstuk 4 getoetst aan de beoogde ontwikkeling. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

8/37

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

De huidige vrijstaande woning ligt aan de Burghsering. De voorzijde van het pand is georiënteerd richting de Hervormde Kerk Burgh. De achterzijde grenst aan de Ringwalburg van Burgh. Het pand dateert uit het jaar 1920. Het perceel waarop het adres gevestigd is, is WTS00-C-591 en heeft een grootte van 765 m2. De Burghsering ligt voor een deel rond de Ringwalburg Burgh. Dit is een historisch verdedigingswerk, wat vermoedelijk bedoeld was om de lokale bevolking tegen aanvallen van de Vikingen te beschermen. Zeeland telt vijf ringwalburgen, waarvan die in Burgh-Haamstede het beste bewaard is gebleven. Aan de overzijde van de straat ligt, zoals eerder vermeld, de Hervormde Kerk Burgh met daaromheen de kerkring met bijbehorend groen. Het plangebied wordt voor het grootste gedeelte omringd door woningen en kleinschalige detailhandel.

Figuur 2.1 - Ligging plangebied (bron: Google Earth)

9/37

Figuur 2.2 - Streetview huidige woning (bron: Google Earth)

2.2

Beoogde situatie

Het plan is om de bestaande vrijstaande woning te slopen en te vervangen door twee geschakelde woningen. De te slopen bebouwing is weergegeven in figuur 2.3.

10/37

Figuur 2.3 - Te slopen bebouwing (bron: Bureau NZ) De kavel wordt gesplitst. Het voorziene plan omvat twee woningen waarvan één levensloopbestendig is. In figuur 2.4 is de situering op het perceel verbeeld en in de figuren 2.5 en 2.6 zijn voorlopige ontwerpen opgenomen. Voor een uitgebreidere weergave wordt verwezen naar Bijlage 1.

11/37

Figuur 2.4 - Situering toekomstige woningen (bron: Bureau NZ)

12/37

Figuur 2.5 - Plattegrond begane grond (bron: Bureau NZ)

Figuur 2.6 - Principe doorsnedes (bron: Bureau NZ)

13/37

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.

14/37

Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing en conclusie Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Dat neemt niet weg dat het initiatief past binnen diverse doelstellingen en uitgangspunten van het rijksbeleid. Het gaat om een nieuwe woning in bestaand stedelijk gebied, goed bereikbaar en in een groene setting, waarbij de woning goed wordt ingepast in de omgeving.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent een aantal nationale belangen zoals genoemd in de NOVI. Dit initiatief raakt geen rijksbelangen uit het Barro. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening en ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuw stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De reden hiervoor is om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. Een stedelijke ontwikkeling houdt in dat er nieuwe bebouwing wordt toegevoegd aan de huidige bebouwing. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing en conclusie De ontwikkeling is van dusdanig kleinschalige omvang dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De ladderonderbouwing is op basis van jurisprudentie pas nodig vanaf 12 nieuwe woningen. Een uitgebreide onderbouwing op basis van de Ladder duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

Aanvullend is van belang dat in het algemeen kan worden geconstateerd dat er ruime vraag is naar woningen zoals beoogd.

15/37

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Zeeuwse Omgevingsvisie De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030. De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050: 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied; 3. Een duurzame en innovatieve economie; 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland; In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. De verandering van de bevolkingssamenstelling en de noodzaak voor toegankelijke voorzieningen heeft tot vernieuwing van de Zeeuwse woningmarkt geleid. Hierbij is de noodzaak om barrières weg te nemen zodat alle Zeeuwen gemakkelijk deel kunnen nemen aan de samenleving. Hierbij draagt een schone, gezonde en veilige woonomgeving aan mee. Toetsing De ontwikkeling is een aanvulling op de bestaande woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied, op korte afstand van voorzieningen. Conclusie De Zeeuwse Omgevingsvisie staat deze ontwikkeling niet in de weg. 3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018 Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018.

Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies. Daarvan is geen sprake. Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan. Toetsing Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling gelden geen specifieke regels voor woningbouw uit de Provinciale Omgevinsverordening. Conlusie Het plan is niet in strijd met de Omgevingsverordening. De ontwikkeling is in overeenstemming met de regels

16/37

uit de Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Strategische visie 'Tij van de toekomst 2011 - 2040' De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2011 de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' vastgesteld. In de visie is opgenomen hoe de gemeente Schouwen-Duiveland er in 2040 uit zou moeten zien. In de strategische visie staat de volgende ambitie centraal: 'In 2040 kent vakantie-eiland Schouwen-Duiveland een toonaangevende watereconomie die de duurzame verbinding vormt tussen wonen, werken, zorgen en genieten'. In de visie zijn de drie strategische doelen 'werken', 'wonen' en 'verblijven' uitgewerkt. Voor het voorliggende plan is met name het strategische doel voor 'wonen' relevant. Hierna is dit strategisch doel met bijbehorende ambities voor 2040 beschreven. Wonen De gemeente heeft een kwalitatief goed en realistisch voorzieningenniveau; In de gemeente wordt prettig en naar behoefte gewoond; De leefbaarheid en sociale samenhang in de kernen zijn groot. Inwoners zijn actief en betrokken; Er is een goed en betaalbaar aanbod van zorg en welzijn dat vraaggestuurd tot stand komt. Toetsing De boogde ontwikkeling betreft een inbreidingslocatie, die ingezet wordt voor woningbouw. Met de realisatie wordt ingespeeld op de behoefte aan woningbouw en verbetert de kwaliteit van de woningvoorraad. De beoogde herontwikkeling zorgt voor een kwalitatieve en kwantitatieve verbetering van de woningvoorraad.

Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de strategische vise 'Tij van de toekomst 2011 - 2040'. 3.3.2 Woonvisie 2018 - 2027 Op 28 juni 2018 heeft de gemeente Schouwen- Duiveland de regionale woonvisie vastgesteld. Op basis van een woningmarktanalyse voor de periode tot 2027 wordt verwacht dat er nauwelijks behoefte is aan méér woningen. Wel is er een groeiende vraag te verwachten naar levensloopbestendige en flexibele woningen voor kleinere huishoudens. Het woningbouwprogramma verschuift daarmee van kwantitatief naar een kwalitatieve opgave waarbij herstructurering centraal staat. Het woningbouwprogramma richt zich met name op het versterken van de leefbaarheid in de kernen en het concentreren van voorzieningen. In de woonvisie wordt de woningmarktontwikkeling op Schouwen-Duiveland als een integraal systeem benaderd. De gemeente hanteert voor de woningmarktontwikkeling een categorisering in groeikernen, balanskernen en transitiekernen. In de kernen aan de westkant van Schouwen-Duiveland, waaronder Burgh-Haamstede, is vergrijzing sterk aan de orde. Burgh-Haamstede is aangemerkt als groeikern. Uitbreiding van de woningvoorraad is gewenst in de groeikernen. Voor nieuwbouw wordt de eis gesteld dat het moet gaan om onderscheidende en kwalitatief hoogstaande nieuwbouwconcepten. De concepten moeten aansluiten bij de juiste doelgroep.

Voor Burgh-Haamstede wordt gefocust op huishoudens van 55+.

17/37

Toetsing In de Woonvisie is een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen opgesteld. Voor de planlocatie is van belang dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de lokale woonbehoefte. De locatie bevindt zich binnen de grenzen van de bebouwde kom. Voor de groeikern Burgh-Haamstede geldt dat bij nieuwe plannen de focus moet liggen op transformatie van de bestaande voorraad, door deze levensloopgeschikter te maken. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de doelgroep waarop door de gemeente gefocust wordt. Conclusie De beoogde situatie past binnen de gemeentelijke beleidsuitgangspunten voor groeikern Burgh-Haamstede. 3.3.3 Beeldkwaliteitsplan Dorpsas Burgh-Haamstede De gemeentelijke overheid heeft de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving in het algemeen en de visuele- of beeldkwaliteit in het bijzonder. Voor de dorpsas van Burgh-Haamstede heeft de gemeente een beeldkwaliteitsplan laten opstellen. Per 'sfeergebied' zijn richtlijnen en uitgangspunten opgesteld. Toetsing In het beeldkwaliteitsplan valt de projectlocatie binnen 'sfeergebied 5a Burghsering en centrum'. Voor dit gebied zijn uitgangspunten en ontwerprichtlijnen opgesteld. Kort samengevat dient nieuwbouw aan te sluiten op de omgeving en het historische dorpse karakter. In het ontwerp is rekening gehouden met de historische kenmerken van het dorp.

Zowel bouwkundig als stedenbouwkundig sluit het ontwerp aan bij het historische karakter van Burgh. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het beoogde ontwerp past binnen het beeldkwaliteitsplan.

18/37

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk komen de onderwerpen met betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving aan de orde die van belang zijn voor de realisatie van de woningen aan de Burghsering te Burgh-Haamstede.

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunningplanmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer-beoordeling.

Voor de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan moet een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Bij een (vormvrije) mer-beoordeling is een van de aspecten waar naar gekeken moet worden cumulatie van effecten met andere ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de wetgeving en bijbehorende toelichting blijkt niet duidelijk wat daar precies onder moet worden verstaan en hoe daarmee moet worden omgegaan. Toetsing De beoogde ontwikkeling wordt conform het Besluit mer niet als stedelijk ontwikkelingsproject gezien. Voor de beoogde ontwikkeling is het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk. Conclusie Het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is voor dit project niet noodzakelijk.

4.2

Verkeer en parkeren

Toetsingskader

19/37

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. hierbij wordt voor het bepalen van de te hanteren kencijfers op basis van CBS-data voor de gemeente Schouwen-Duiveland een stedelijkheidsgraad gehanteerd van 'niet stedelijk'. De ligging van het plangebied is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van het gemiddelde autobezit en de omgevingsadressendichtheid binnen de gemeente Schouwen-Duiveland conform het CBS per kencijfer het minimum van de bandbreedte aangehouden. Met behulp van de CROW-kencijfers worde verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Echter is voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling de gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt voor woonfuncties conform CROW-publicatie 381 een omrekenfactor van 1,11 toegepast.

Toetsing Verkeer In de bestaande situatie is binnen het plangebied één vrijstaande koopwoning aanwezig. Voor deze functie geldt een verkeersgeneratie van 8,2 per woning voor een gemiddelde weekdag. Omgerekend naar werkdagintensiteiten komt dit neer op een verkeersgeneratie van (7,8 x 1,11 =) 8,7 mvt/etmaal voor een gemiddelde werkdag in de bestaande situatie. In de beoogde situatie wordt de bestaande vrijstaande woning vervangen door een twee-onder-één-kapwoning. Voor deze functie geldt een kencijfer van 7,4 per woning, wat leidt tot een verkeersgeneratie van (2 x 7,4 =) 14,8 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Omgerekend komt dat neer op een verkeersgeneratie van (14,8 x 1,11 =) 16,4 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van (16,4 – 8,7 =) 8 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat de invloed van de beoogde ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Parkeren In tabel 4.1 is de parkeerbehoefte van het plangebied in de bestaande en beoogde situatie berekend. Tabel 4.1 - De parkeerbehoefte van het plangebied

20/37

De parkeerbehoefte in de huidige situatie is 2 waarvan 1 op eigen terrein is gerealiseerd. In de toekomstige situatie dienen 4 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van 1 parkeerplaats op eigen terrein dit leidt tot een parkeertekort van 3 parkeerplaatsen. Ten opzichte van de bestaande siuatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een aanvullende parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen. Aangetood dient te worden dat in de omliggende openbare ruimte voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is voor het probleemloos opvangen van de resterende parkeerbehoefte. Via Voetpad Over de Hoge Burgh is een parkeerterrein te bereiken. Dit grenst aan de achterzijde van de woning. Hier is voldoende ruimte om de aanvullende parkeerbehoefte op te vangen. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van 8 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag ten opzichte van de bestaande situatie. Deze toename is dermate laag dat de invloed op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een aanvullende parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. De aanvullende parkeerbehoefte kan opgevangen worden aan de achterzijde van het perceel.

Deze locatie is te beriken via Voetpad Over de Hoge Burgh. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer en parkeren de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.

4.3

Water

Toetsingskader Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld (zie bijlage 2). Dit aanmeldformulier is voorgelegd aan het waterschap en goedgekeurd.

4.4

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming In de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving,

21/37

zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan slechts worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in het beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten

22/37

(hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos , wezel en woelrat. Toetsing Gebiedsbescherming Er is een quickscan van natuurwaarden uitgevoerd om overtredingen van de Wet nauurbescherming te voorkomen. Tevens zijn hierin aanbevelingen voor een ecologisch werkprotocol opgesteld. Zie voor de rapportage Bijlage 3. De locatie ligt circa 330 meter van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Kop van Schouwen’ (zie figuur 4.1).

23/37

Figuur 4.1 - Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied De voornaamste verstoring voor Natura-2000 gebieden betreft stikstofdepositie, dit is berekend door middel van een AERIUS-berekening. Hierbij is onderscheid gemaakt in de gebruiksfase en de aanlegfase. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar Bijlage 4. Tijdens de aanlegfase wordt elektrisch bouwmaterieel gebruikt om de emissie te verlagen. Aangezien dit materieel emissieloos is, is het niet in de berekening opgenomen. De stikstofdepositie in de aanlegfase bedraagt 0,00 mol/ha/jaar. De beoogde woningen worden gasloos, hierdoor is er geen sprake van gebouwemissies. De enige stikstofemissies zijn afkomstig van de toename van de verkeersintensiteit. De stikstofdepositie in de gebruiksfase bedraagt 0,00 mol/ha/jaar. AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr. voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Daarbij moet er wel gebruik worden gemaakt van elektrisch materieel. Op grond van de Omgevingswet voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project. NNN-gebied 'Ring-Burgh' grenst direct aan het plangebied. Mits tijdens de sloop en bouw niet door materieel doorheen gereden wordt, kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten.

Soortenbescherming Uit de quickscan natuur (Bijlage 3) blijkt dat in het af te breken woonhuis geen verblijfsplaatsen van vleermuizen en andere zoogdieren aanwezig zijn. Hiervoor hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.

24/37

In de af te breken panden zijn beschermde nesten van de huismus aanwezig. Hiervoor is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Voor de aanwezige huismussen zijn nestkasten opgehangen. Tijdens de broedtijd is het niet wenselijk bouwwerkzaamheden te starten. De werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd tussen 15 augustus en 1 maart. Dit geldt ook voor de kap van bomen en struiken. Wat betreft de boomkikker is er namens de initiatiefnemers afstemming geweest met de Provincie Zeeland. Aangezien het op Schouwen-Duiveland gaat om (nakomelingen van) door de mens geïntroduceerde boomkikkers, is de soort hier volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) niet beschermd (conform de Habitatrichtlijn). Volgens de Provincie Zeeland is de soort hier echter wel beschermd. Aangezien niet uitgesloten kan worden dat tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden individuen van de boomkikker worden gedood, is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Het project gaat in ieder geval niet ten koste van voortplantingshabitat van de soort en heeft een te verwaarlozen effect op de gunstige staat van instandhouding van de regionale populatie Indien tijdens de werkzaamheden wordt voorkomen dat geschikte voorplantingshabitat ontstaat (bijvoorbeeld ondiepe plassen zoet of brak water), kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten voor de rugstreeppad.

Met inachtneming van het ecologisch werkprotocol is er geen sprake van negatieve effecten op het leefgebied van overige repietelen en amfibieën. Er komen geen beschermde vlindersoorten of libellen voor binnen het plangebied. Dit geldt ook voor plantensoorten. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

4.5

Cultuurhistorie

Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Een groot gedeelte van de polders op Schouwen-Duiveland is ontstaan voor het jaar 1300. Op de uitsnede in figuur 4.2 is het plangebied rood omkaderd. De huidige woning aan de Burghsering 21 is aangeduid als MIP object, het zogenaamde Monumenten Inventarisatie Project. Hierin worden waardevolle bouwwerken en andere onroerende objecten uit de periode 1850-1945 in de provincie Zeeland gekenmerkt. In nabije omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere Rijksmonumenten, deze zijn aangegeven met een blauwe stip en een nummer. Het blauwgrijs ingekleurde gebied is een Rijksmonumentcontour van de Ringwalburg Burgh, dit is verder uitgewerkt in paragraaf 4.6.

25/37

Figuur 4.2 - Cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Zeeland) In figuur 4.3 zijn historsiche landschappen weergegeven. Het plangebied valt binnen het zeekleigebied oudland. Dit historische landschap heeft zich met name gevormd na de Romeinse Tijd, toen inbraken van de zee het aanwezige veenpakket bedekten met een laag zeezand en klei. Ten westen van het plangebied ligt een kustzone, deze is geel gemarkeerd. Een klein gedeelte van het plangebied valt binnen een molenbiotoop van windmolen De Gaanhalm. Het gebied is van essentieel belang voor de vrije windvang en het zicht op de molen. De mogelijke effecten op de massa van het beoogde gebouw die veroorzijkt worden door de ligging in de molenbiotoop zijn benoemd in paragraaf 1.3.

Figuur 4.3 - Cultuurhistorische landschapskaart (bron: Provincie Zeeland) Op de kaart, weergegeven in figuur 4.4, is het dorpstype weergegeven. Het plangebied valt binnen een burgnederzetting, welke is ontstaan door de aanwezigheid van een burcht uit de Karolingische tijd (8ste en 9de eeuw).

26/37

Figuur 4.4 - Kaart dorpstypen (bron: Provincie Zeeland) Conclusie De woning ligt in een cultuurhistorisch waardevolle omgeving vanwege de ligging op de rand van de ringwalburg in het historische dorpshart van Burgh. De woning is bovendien in het kader van het MIP aangemerkt als waardevol object. De bouwkundige kwaliteit van de bestaande woning laat echter te wensen over. Bovendien is de woning sterk aangepast en niet meer in de originele staat. Bovendien wordt met de nieuwbouw zorgvuldig rekening gehouden met de omgeving en wordt gekozen voor een ontwerp met traditionele kenmerken, dat qua bouwmasse (één bouwlaag met kap) en bouwstijl goed past in de omgeving.

4.6

Archeologie

Toetsingskader Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het archeologisch bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan door het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. Toetsing In paragraaf 1.3 is vermeld dat in het bestemmingsplan 'Burgh-Haamstede' ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' geldt. De projectlocatie is gelegen in een archeologisch rijksmonument. Dit betekent dat het Rijk, geadviseerd door de RCE, het bevoegd gezag is. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder het maaiveld moet een momumentenvergunning aangevraagd worden. Op de doorsnede in figuur 4.5 is te zien dat de begane grond vloer niet dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld. De fundering van de te slopen woning wordt niet gesloopt.

Hierdoor vinden er tijdens de sloop en bouw geen bodemingrepen plaats dieper dan 40 cm onder het maaiveld. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek en het aanvragen van een monumentenvergunning is niet noodzakelijk, aangezien de vrijstellingsdiepte van 40 cm niet wordt overschreden.

27/37

Figuur 4.5 - Diepte begane grondvloer (bron: Bureau NZ) Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Toetsing In het kader van bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is toegevoegd in Bijlage 5. In deze paragraaf zijn de resultaten samengevat. De onderzoekslocatie is beschouwd als 'hetrogeen verdacht, niet lijnvormig'.

Wanneer er rondom de verontreinigde boring B03 één of meerdere milieubelastende activiteiten gaan plaatsvinden, wordt geadviseerd een nader bodemonderzoek uit te voeren. De verontreiniging heeft een beperkte omvang, waardoor er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. In verband met het aantreffen van puin, wordt geadviseerd een verkennend onderzoek asbest uit te laten voeren. De grond die wordt afgegraven wordt hergebruikt op eigen terrein bij het storten van de nieuwe fundering. Er zal geen grond afgevoerd worden. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Geluid

Toetsingskader

28/37

Het aspect geluid kan betrekking hebben op: wegverkeerslawaai; industrielawaai; inrichtingslawaai. De locatie valt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarnaast is geen sprake van een geluidhinder producerend bedrijf in de omgeving. De aspecten industrielawaai en inrichtingslawaai zijn daarom niet relevant. Op het aspect wegverkeerslawaai wordt hierna ingegaan. Wegverkeerslawaai Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de geluidzone van gezoneerde wegen. Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur zijn in de Wet geluidhinder niet voorzien van een zone. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. De Wgh stelt dat op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals de geprojecteerde woning, voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. De maximale ontheffingswaarde is Lden = 63 dB.

Voor 30 km/uur wegen gelden deze grenswaarden als richtwaarden. Toetsing In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting van de Burghsering op de toekomstige woningen wel onderzocht. Op de onderstaande kaart (figuur 4.6) is te zien dat de geluidbelasting op de voorgevel van de bestaande woning 47 dB bedraagt. Deze waarde is lager dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. Daarmee wordt voldaan aan de Wet geluidhinder.

Figuur 4.6 - Kaart geluid van wegverkeer (bron: Atlasleefomgeving)

29/37

Conclusie De nieuwe woning kan worden mogelijk gemaakt in een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.2 - Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van ) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

grenswaarden 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect luchtkwaliteit te worden onderzocht. Het plan voorziet in een woningbouwontwikkeling en valt standaard onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan twee ontsluitingswegen en draagt daarom 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van een twee-onder-een-kapwoning valt niet aan de hierboven genoemde grenswaarden. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

30/37

Figuur 4.7 - Uitsnede NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de gemeten waarden in 2021 volgens de Atlasleefomgeving. Zie tabel 4.3 voor resultaten van de toetsing. Tabel 4.3 - Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof grenswaarde stikstofdioxide (NO2) 40 µg/m³ fijnstof (PM10) 40 µg/m³ fijnstof (PM2,5) 25 µg/m³

waarden in het jaar 2021 10,7 µg/m³ 15,3 µg/m³ 7,2 µg/m³

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit zal geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling

31/37

heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde ontwikkeling worden twee woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie gerealiseerd. Op dit moment is echter al sprake van een bestaande woonfunctie. Wel wordt het aantal woningen uitgebreid, waardoor het aantal gehinderden toeneemt. In figuur 4.8 is een uitsnede van de verbeelding van bestemmingsplan 'Burgh-Haamstede' opgenomen. De gronden in de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk bestemd als 'Wonen'. Binnen een straal van circa 250 meter zijn enkele gronden bestemd als 'Detailhandel'. Tevens bevinden zich op enige afstand bedrijven van milieucategorie 1 en 2. Voor bedrijven met milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter tot een 'rustige woonwijk'. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.

Figuur 4.8 - Uitsnede bestemmingsplan 'Burgh-Haamstede' (bron: Ruimtelijkeplannen) Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering de beoogde ontwikkeling niet in de weg zullen staan.

4.11 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het

32/37

GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden.

Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 -waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheid afstanden (PR 10-6 -contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen

33/37

normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgevonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Op de onderstaande kaart (figuur 4.9) is de risicokaart weergegeven. De N57 is op basis van de kaart het enige risico object in de omgeving. Te zien is dat het plangebied (rood omkaderd) buiten het invloedsgebied van de N57 valt. Tevens bevinden zich tussen het plangebied en de N57 al veel woningen, door één extra woning zal het groepsrisico niet significant toenemen.

Figuur 4.9 - Uitsnede risicokaart (bron: Atlasleefomgeving) Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen risico vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Niet gesprongen explosieven Toetsingskader In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II) Toetsing Uit de beleidskaart niet-gesprongen explosieven van de gemeente Schouwen-Duiveland blijkt dat er ter plaatse van het plangebied een verhoogde tot hoge trefkans is op het aantreffen van niet gesprongen explosieven. In figuur 4.10 is de trefkans weergegeven, hierin is het perceel rood omkaderd.

34/37

Figuur 4.10 - Beleidskaart niet-gesprongen explosieven (bron: gemeente Schouwen-Duiveland) In gebieden met een hoge kans op aantreffen van niet gesprongen explosieven wordt geadviseerd maatregelen met betrekking tot CE te treffen bij grondroerende werkzaamheden. Dit kan zijn in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse of detectie. Aangezien de woning naoorlogs is en de herontwikkeling grotendeels plaats zal vinden binnen de contouren van de huidige bebouwing kan middels het protocol toevalstreffers CE gewerkt worden. Dit besluit is genomen in afstemming met gemeente Schouwen-Duiveland. Conlusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect niet gesprongen explosieven geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

35/37

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Er is sprake van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan (zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening), zodat sprake is van verplicht kostenverhaal. De overige kosten worden via de reguliere legesverordening op de opdrachtgever verhaald en zijn dus anderszins verzekerd.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het ruimtelijk plan maatschappelijk draagvlak heeft. Conform de wettelijke eisen zal het ontwerp van de omgevingsvergunning met de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing voor een ieder ter inzage worden gelegd. Een ieder kan zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit.

36/37

Hoofdstuk 6 6.1

Motivering

Afweging

Aanleiding Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo met een verwijzing naar artikel 4 van bijlage II van het Bor, waarmee herontwikkeling in afwijking van het bestemmingsplan wordt vergund. Afweging De herontwikkeling van een bestaande vrijstaande woning naar een nieuwe twee-onder-een-kapwoning vindt plaats in het centrum van Burgh-Haamstede. Het voorziene plan omvat twee levensloopbestendige woningen waarvan één aangepast is aan de wensen van het gezin en de andere is aangepast aan de wensen van een ouder wordend echtpaar. Het project past binnen het vastgestelde beleid op zowel rijks-, -provinciaal als gemeentelijk niveau. Het project veroorzaakt vooralsnog ook geen strijdigheden met de sectorale wet- en regelgeving.

6.2

Conclusie

Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is past binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening.

37/37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14769172/1