1065099 Bijlage 1 Antwoordnotitie omgevingsvergunning Kloosterweg Burgh-Haamstede
Tekst van het document
Antwoordnotitie omgevingsvergunning Kloosterweg BurghHaamstede (zaaknummer 998360) 1 Inleiding
De ontwerp omgevingsvergunning en ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor de herinrichting van de Kloosterweg te Burgh-Haamstede hebben van 11 maart 2024 tot en met 22 april 2024 ter inzage gelegen. Het plan ziet op het herinrichten van de Kloosterweg ten behoeve van de verkeersveiligheid. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Er is één zienswijze ingediend. Deze is tijdig ontvangen en ontvankelijk.
2 Zienswijzen Zienswijze 1 Nummer Zienswijze 1 Reclamante kan zich niet in de voorgenomen besluiten vinden voor zover die zien op de verbreding van het fietspad langs de Kloosterweg. Reclamante stelt dat de beoogde verbreding van het fietspad niet uitvoerbaar is door gebrek aan ruimte. De ontwerp-omgevingsvergunning strekt zich in zoverre niet tot een goede ruimtelijke ordening en is hierdoor in strijd met artikel 2.12, lid 1, aanhef (hierna: Wabo). Reclamante geeft aan diverse keren aan de gemeente te hebben gevraagd hoe zij de verbreding voor zich ziet, gelet op de geschetste omstandigheden, maar dat zij hier geen antwoord op heeft gekregen. Reclamante hecht waarde aan behoud van de bomen die zich langs de groenstrook op de perceelsgrens bevinden.
2
De verbreding van het fietspad vindt plaats in de bestemming 'Groen'. Artikel 9.1 sub e van de planregels geeft aan dat een fietspad enkel als 'ondergeschikte voorziening' is toegestaan. De strook met de bestemming 'Groen' is bij benadering 6,9 meter breed. Als een fietspad meer dan de helft hiervan in beslag neemt (3,5 meter) dan is er dus niet langer sprake van een 'ondergeschikte voorziening'. Verbreding van het fietspad zal aldus strijd met het bestemmingsplan opleveren. Uit het ontwerpbesluit blijkt echter niet dat het college voornemens is om op dit punt van het bestemmingsplan af te wijken. Dat betekent dat het ontwerpbesluit niet kan worden afgegeven wegens strijd met artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo.
Beantwoording In de huidige situatie heeft de strook tussen het fietspad en het perceel van reclamante een breedte van 1,61 meter ter hoogte van de bestaande uitrit. De verbreding van het fietspad vindt plaats in de richting van het perceel van de reclamante. Na de verbreding van het fietspad resteert er een strook van 0,61 meter tussen het fietspad en het perceel van de reclamant. De verbreding van het fietspad, en daarmee de omgevingsvergunning, is, in tegenstelling tot wat reclamante stelt, wel uitvoerbaar. Er is immers voldoende ruimte om de verbreding uit te voeren. Van strijd met een goede ruimtelijke ordening is dan ook geen sprake. Reclamante stelt dat zij geen antwoord heeft gekregen van de gemeente op de vragen die zij gesteld heeft. De vragen van reclamante zijn echter op 9 april 2024 per e-mail beantwoord. De bomen die zich langs de groenstrook op de perceelsgrens met reclamante bevinden, kunnen behouden blijven maar dienen wel onderhouden te worden om de verkeersveiligheid niet in het geding te brengen. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn ondergeschikte voorzieningen zoals fietspaden toegestaan. Zoals reclamante stelt is er in het bestemmingsplan ‘Burgh-Haamstede’ geen definitie opgenomen van ondergeschikte voorzieningen. Reclamante stelt daarnaast dat wanneer een fietspad meer dan de helft van de groenbestemming omvat, er geen sprake meer is van ondergeschiktheid.
De reclamant stelt op basis van de voorgenoemde redeneerlijn dat het fietspad gesitueerd direct voor het betreffende perceel na de verbreding niet meer ondergeschikt is aan de bestemming ‘Groen’. De strook met de bestemming ‘Groen’ gelegen voor de woning heeft een breedte van 6,9 meter. Na de beoogde verbreding van het fietspad heeft deze een breedte van 3,5 meter. Gelet op het feit dat de herinrichting van de
3
Door de verbreding worden de uitritten van de aangrenzende woningen, waaronder die van reclamante, korter. Als gevolg daarvan wordt gevreesd voor verkeersonveilige situaties. Het college dient het aspect verkeersveiligheid in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dan ook te onderzoeken.
Kloosterweg plaatsvindt in de openbare ruimte, dient de groenstrook in breder perspectief beschouwd te worden. Er kan niet zonder meer gesteld worden dat een bepaalde breedte van het fietspad ten opzichte van de breedte van de groenstrook met zich meebrengt dat het fietspad geen ondergeschikte voorziening is. Anders dan reclamante zijn wij van mening dat de betreffende groenstrook onderdeel uitmaakt van een aaneengesloten groenbestemming met een oppervlakte van 22.430 m2. Binnen deze groenstrook ligt een fietspad met een lengte van 700 meter. Met de voorgenomen verbreding van het fietspad heeft het fietspad in de toekomstige situatie een oppervlak van 2.450 m2 (700 x 3,5m) binnen de aaneengesloten groenbestemming. Het fietspad beslaat daarmee 10,9% van het totale oppervlak van de aaneengesloten groenbestemming. Bij een ruimtebeslag van 10,9% van het fietspad ten opzichte van de aaneengesloten bestemming ‘Groen’ is naar onze mening sprake van een ondergeschikte voorziening. Allereerst dient te worden gesteld dat de herinrichting van de Kloosterweg noodzakelijk is om de verkeersveiligheid voor, maar ook het comfort van, fietsers en voetgangers op dit wegvak te verbeteren door de infrastructuur voor dit langzame verkeer te verbreden en optimaliseren.
De kwaliteit van deze infrastructuur is in de huidige situatie niet voldoende om de relatief hoge intensiteiten van (recreatie)verkeer veilig te kunnen verwerken. In september 2023 is de eindrapportage Herinrichting Kloosterweg door de raad vastgesteld, waarbij na een zorgvuldige voorbereiding en afweging van alle belangen heeft plaatsgevonden. Hierbij is gesteld dat de integrale (verkeers)veiligheid van het gehele traject voorop staat. Het algemene belang van het verbreden van de fiets- en wandelinfrastructuur weegt in dit geval dus zwaarder mee dan individuele belangen. Wat betreft de woning van de reclamant is de zichtbaarheid tussen het vrij liggend fietspad en de uitrit al relatief beperkt. Bij een uitrit is het dan ook gebruikelijk om met lage snelheid het terrein te verlaten en daarbij alert te zijn op kruisend (fiets)verkeer. Door een gepaste snelheid aan te houden is er immers minder anticipeertijd (remtijd) benodigd. Als gevolg van de verbreding van het fietspad wordt de uitrit weliswaar verkort, maar de verbreding is beperkt ten opzichte van de bestaande situatie. Ook in de huidige situatie dient reclamante het vrij liggende, maar smallere, fietspad te kruisen. Naar onze mening heeft een breder fietspad geen invloed op de mogelijkheden dit veilig te kruisen. Verder is de in het ontwerp gehanteerde maatvoering van 3,5 meter een logische breedte
die in Nederland veelvuldig wordt toegepast bij vrij liggende fietspaden in twee richtingen. De oversteektijd van een dergelijk fietspad wijkt niet af van wat gebruikelijk is en in zijn algemeenheid als veilig wordt beoordeeld. 4
Op pagina 1 van het ontwerpbesluit staat dat voor deze activiteit een afzonderlijk verzoek moet worden ingediend. Terwijl op pagina 3 de activiteit toch lijkt te worden getoetst aan de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) en aan de Beleidsregels over uitwegen en er zelfs akkoord wordt gegeven. In zoverre is het ontwerpbesluit onduidelijk: voorziet deze nu wel of niet in de aangevraagde activiteit? Uit de vorige brief blijkt dat door het verbreden van het fietspad er tevens sprake is van de activiteit ‘het veranderen van een uitweg’. De uitweg van onder andere reclamante wordt immers kleiner. In zoverre betekent dit dat er niet conform de aanvraag wordt beslist. Reclamante wijst erop dat op grond van artikel 2:12, lid 2, sub a, de activiteit kan worden geweigerd in het belang van het veilig gebruik van de weg. Gelet op wat hiervoor is aangevoerd over de verwachte effecten op het gebied van verkeersveiligheid ligt het op de weg van het college om dit te onderzoeken.
Het ontwerpbesluit voorziet wel in de aangevraagde activiteit. Op pagina 1 van het ontwerpbesluit is de passage over een afzonderlijk verzoek per abuis opgenomen. Het is niet nodig dat er een afzonderlijk verzoek bij de gemeente wordt ingediend. De activiteit ‘uitweg’ wordt in de huidige vergunning behandeld. Het inkorten van de uitweg heeft geen negatieve gevolgen op de verkeersituatie. Zoals eerder benoemd is de zichtbaarheid tussen het vrij liggend fietspad en de uitrit al relatief beperkt. Bij een uitrit is het gebruikelijk om met lage snelheid het terrein te verlaten en daarbij alert te zijn op kruisend (fiets)verkeer. Door een gepaste snelheid aan te houden is er minder anticipeertijd benodigd. Als gevolg van de verbreding van het fietspad wordt de uitrit weliswaar verkort, maar de verbreding is beperkt ten opzichte van de bestaande situatie. Ook in de huidige situatie dient reclamante het vrij liggende, maar smallere, fietspad te kruisen.