CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1026166 Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Daniel Ockersestraat

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning Daniel Ockersestraat 1 te Dreischor (1026166)13.543 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In het centrum wordt reeds gewoond boven en op korte afstand van de verschillende dorpsvoorzieningen en kleinschalige bedrijvigheden. Conclusie Milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Met het oprichten van een extra woning binnen het dorpscentrum worden omliggende activiteiten niet belemmerd en is er voor de toekomstige bewoners sprake van een goed woon- en leefklimaat.

3.5

Luchtkwaliteit

Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen (artikel 5.16 Wet milieubeheer). Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd. Hiervoor zijn getalsmatige grenswaarden opgenomen (titel 5.2 Wm) voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. Voor bepaalde projecten is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een project minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

25

verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 µg /m3 voor zowel PM10 als NO2.

Tabel 3 Worstcase scenario op basis NIBM-tool

In Atlas Leefomgeving laat de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen ter plaatse zien. Uit de monitoringstool blijkt dat ter hoogte van het besluitgebied in 2021 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. De concentraties liggen dicht tegen de WHO-advieswaarde van respectievelijk 10 en 15 microgram per kubieke meter lucht. Conclusie De beoogde bouw van een enkele woning in de dorpskern is een kleinschalige ontwikkeling. Er is slechts beperkt sprake van een toename aan verkeersbewegingen. Er is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen (waaronder PM10 en NO2). Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

3.6

Flora en fauna

De soortenbescherming is in Nederland sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wn), voorheen de Flora- en Faunawet. Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het project mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op beschermde soorten. Uitgangspunt van de Wet natuurbescherming is dat handelingen die leiden tot (opzettelijke) verstoring of schade aan leefgebieden van beschermde soorten zijn verboden. Europese Vogelrichtlijn Alle vogels worden op basis van de Europese Vogelrichtlijn beschermd en zijn in de Wn opgenomen in artikel 3.1 Wn. Voor alle vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren opzettelijk beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen (van ongeveer maart tot half juli) leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven.

Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

26

Natura 2000- gebieden De bescherming van natuurgebieden is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. Bovengenoemde wet regelt de bescherming van de in Europees verband vastgelegde Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden) en de op nationaal niveau beschermde natuurgebieden. Voor soorten die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en het verdrag van Bern/ Bonn worden beschermd, geldt artikel 3.5 van de Wn. Conform artikel 12 van de Habitatrichtlijn geldt voor soorten die via artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming worden beschermd, dat ook het onopzettelijk beschadigen of vernielen van de in gebruik zijnde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde soorten is verboden. Voor een aantal soorten geldt een specifieke gedragscode. Natuur Netwerk Nederland (NNN) De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) vindt plaats via lokaal en regionaal beleid. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee- tenzij’ toets.

Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Zorgplicht Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient op basis van deze zorgplicht in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Besluitlocatie Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de aanvrager te waarborgen dat de uitvoering van het project geen nadelige gevolgen heeft op beschermde soorten of natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Grevelingen’ op ca 1,5 km afstand ten noordoosten van het besluitgebied. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient tevens te worden onderzocht of er sprake is van een effect op het nationaal beschermde Natuur Netwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het meest nabij gelegen gebied welke onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk is de Zuiddijk ten zuiden van de kern Dreischor op circa 600 meter afstand. De projectlocatie bevindt zich buiten het NNN. Nadelige effecten op omliggende natuurgebieden kunnen door de beperkte schaal van de ontwikkeling en de ligging van het besluitgebied in het centrum van Dreischor worden uitgesloten. De nieuwe bebouwing wordt energieneutraal gerealiseerd. De woning wordt goed geïsoleerd en wordt verwarmd op basis van een warmtepomp.

Binnen het perceel is in de uitgangssituatie een eenvoudige Zeeuwse schuur aanwezig. De schuur is enkelwandig gerealiseerd en bevindt zich op een intensief gebruikt en volledig verhard perceel binnen het dorpscentrum van Dreischor. In februari 2024 is door NWC Advies een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het terrein mogelijk geschikt is voor vleermuizen en huismussen. In het kader van de omgevingsvergunning dient er op basis van nader soortgericht onderzoek vastgesteld te worden of het besluitgebied een geschikt leefgebied vormt voor vleermuizen of huismussen. Uit het nader onderzoek blijkt of er voor de werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden. De rapportage is toegevoegd in bijlage 5. Bij het uitvoeren van bouwwerkzaamheden en met de verkeersbewegingen van nieuwe gebruikers komt stikstof vrij. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mag geen overschrijding van de Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

27

stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurgebieden veroorzaken. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zal een stikstofdepositieberekening worden uitgevoerd naar de te verwachten stikstofdepositie in de bouwfase en in de gebruiksfase. In februari 2024 is door S&W Bouwkundig Ingenieurs BV een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de rekenresultaten is gebleken dat er in de gebruiksfase geen sprake is van een projectgebonden bijdrage aan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000- gebieden. In de aanlegfase is eveneens geen sprake van stikstofdepositie op omliggende beschermde natuurgebieden, mits voertuigen worden ingezet die tevens gebruik maken van AdBlue. Met de toevoeging van dit brandstoftype op basis van ureum en gedemineraliseerd water vindt minder uitstoot plaats van schadelijke stoffen. Conclusie Er zijn geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden te verwachten als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Naar de mogelijke effecten op vleermuizen en huismussen wordt nader onderzoek uitgevoerd.

3.7

Archeologie

De bescherming van archeologisch erfgoed is sinds de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Besluitlocatie De archeologische verwachtingswaarden voor de besluitlocatie zijn vertaald in het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Brouwershaven, Dreischor en Noordgouwe’ uit 2013. Voor de locatie geldt een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Ter plaatse is de dubbelbestemming ‘WaardeArcheologie- 5’ van kracht. Bij bodemverstorende activiteiten met een grondoppervlak vanaf 250m2 en een bewerkingsdiepte vanaf 50 cm– mv is een verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot grondwerkzaamheden boven de vrijstellingsgrens. Het aspect archeologie heeft geen invloed op de uitvoerbaarheid van het project.

3.8

Cultuurhistorie

Ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden vindt er steeds meer een verschuiving plaats van verantwoordelijkheden van het Rijk naar gemeenten. Hiermee wordt de koers die met de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg 2009 (MoMo) is ingegaan verder doorgezet. De moderne monumentenzorg heeft twee uitgangspunten: van objectgericht naar omgevingsgericht en van conserverend naar ontwikkelend. Dit vertaalt zich in een beleid met minder regels, het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening en meer mogelijkheden voor het herbestemmen van gebouwen. Sinds de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van 1 januari 2012, dienen cultuurhistorische en archeologische waarden te worden meegewogen bij besluiten die een afwijking van de planologische regeling mogelijk maken. Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

28

Rijksbelang In de beoogde situatie wordt bestaande bebouwing op een woonperceel in een cultuurhistorisch waardevolle woonomgeving getransformeerd tot woning. Binnen het besluitgebied is geen bebouwing aanwezig met een Rijksmonumentale cultuurhistorische waarde. Binnen de kern zijn onder meer de Hervormde kerk en het merendeel van de bebouwing aan de westzijde van de Ring zijn aangewezen als Rijksmonumentale bebouwing. Het besluitgebied maakt onderdeel uit van het Rijksmonumentale beschermde dorpsgezicht van het ringdorp Dreischor (monumentnummer 1511). Kerkringdorpen zijn één van de oudste nederzettingspatronen in Zeeland. Het kerkringdorp van Dreischor betreft één van de oudste en best bewaard gebleven ringdorpen in Zeeland. Om het historische karakter te kunnen behouden gelden beperkingen aan de bebouwingsgrenzen, de bebouwingshoogte, de kapvorm, gevelindeling en de toe te passen materialen en kleuren. Deze dienen zo veel mogelijk gelijk of gelijkwaardig te blijven. De bescherming van het aanzicht en de samenhang van het dorpsgezicht is geborgd in de regels van het geldende bestemmingsplan en via het welstandsbeleid. De beoogde woning wordt (vrijwel) binnen de huidige bebouwingcontour gesitueerd.

Het aanzicht van de beoogde woning waaronder het traditionele gesloten karakter, de situering op het perceel, de kaprichting, het kleur-, en materiaalgebruik blijft hierbij zo veel gelijk aan de uitgangssituatie. De nieuwe bebouwing wordt uitgevoerd met zwarte gepotdekselde gevels met luiken en een rood pannendak met traditionele elementen, waaronder een witte windveer en makelaars. Ook de gevelindeling blijft zo veel mogelijk gelijk aan de uitgangssituatie. De nieuwe bebouwing past hiermee binnen het karakter van het beschermde dorpsgezicht van Dreischor. Het ontwerp van de woning wordt ter beoordeling voorgelegd aan de welstandscommissie. Ter hoogte van de Molenweg 17 bevindt zich een historisch waardevolle korenmolen ‘Aeolus’ uit omstreeks 1739 op een molenberg. De molen heeft sinds 1966 een Rijksmonumentale status (nummer 11161). De molen betreft een ronde, gele, bakstenen beltmolen, type grondzeiler. In de algemene aanduidingsregels van het geldende bestemmingsplan zijn voor de gronden binnen een straal van 400 meter, op basis van de aanduiding ‘vrijwaringszone- molenbiotoop’ bouwbeperkingen ter bescherming van de windvang van de molen opgenomen. De locatie ligt op een afstand van circa 300 meter van de molen. De maximale bouwhoogte voor de woning bedraagt volgens de regels van het bestemmingsplan (300 meter/ 100) + de hoogte van de onderste verticale wiek in meters.

Indien de vrije windvang of het zicht al beperkt worden, mag de ontwikkeling deze niet verder beperken. Binnen de kern, direct aan de zuidzijde van het perceel, aan de Zuidstraat 3 en aan de Daniël Ockersestraat 2 is bebouwing aanwezig met een bouwhoogte van respectievelijk 7,7, 8,5 en 7,9 meter. Met het toevoegen van bebouwing met een bouwhoogte van circa 8 meter wordt de vrije windvang niet verder belemmert. De beoogde ontwikkeling maakt geen bouwwerken mogelijk met een hoogte die effect heeft op de windvang van de molen. Provinciale belangen De cultuurhistorische belangen van de Provincie Zeeland zijn vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Ter hoogte van de besluitlocatie zijn geen cultuurhistorisch waardevolle landschappen, landschapselementen of cultuurhistorische elementen aanwezig die provinciale bescherming behoeven. De kaart cultuurhistorie Zeeland geeft inzicht in de karakteristieke landschappelijke kenmerken per gebied. De huidige schuur is in samenhang met de schuur aan de Daniël Ockersestraat 5 op basis van het Monumenten Inventarisatieproject aangewezen als karakteristiek object met een bijzondere waarde. Doelstelling van deze inventarisatie, uitgevoerd tussen 1986 en 1995, was om voornamelijk jongere bouwwerken uit de Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

29

periode 1850- 1945 te inventariseren en te waarderen. Een weergave als MIP-object geeft nog geen beschermde status, wel een indicatie van de bijzondere kenmerken van een pand. Karakteristiek aan de huidige schuren is het karakter dat herinnert aan de vroegere vlasindustrie. De schuren bestaan uit zwarte, geteerde, houten, gepotdekselde wanden met gele bakstenen plinten. De bebouwing staat op houten klossen. In de gevel zijn verschillende houten deuren en goederenluiken en kleine vensters opgenomen. Het zadeldak is bedekt met rode holle pannen en is voorzien van een strakke uitgesneden daklijst met makelaar. Het besluitgebied bevindt zich binnen het zuidwestelijk zeekleigebied, in nieuwlandgebied. Vanaf het midden van de 13e eeuw werden dijken niet alleen aangelegd om bestaand land te beschermen, maar ook om nieuw land aan te winnen. Deze ‘nieuwlandpolders’ zijn vaak hoger opgeslibd en minder ingeklonken dan het omringende landschap. Door de goede natuurlijke afwatering van de polders komt bebouwing gespreid over de polders voor. Een groot deel van het land werd gebruikt voor akkerbouw (graan, vlas, meekrap). Kenmerkende structuren voor het landschap van een nieuwlandpolder zijn de rationele verkavelingsstructuren, rechte wegen, verspreide bebouwing, kreken en inlaagdijken.

De ontwikkeling is gelegen binnen de bebouwde kom en heeft geen invloed op het rationele, open karakter van de polder. Gemeentelijk beleid De gemeente heeft in 2012 de nota ‘Integraal erfgoedbeleid 2012-2018’ vastgesteld. In deze nota is het erfgoedbeleid op hoofdlijnen vastgelegd. De belangrijkste uitgangspunten zijn vertaald in het vigerende bestemmingsplan en het welstandsbeleid. Zie tevens pararaaf 2.3. Besluitgebied Het herontwikkelen van een schuur naar een woning binnen de historische bebouwingsstructuur van Dreischor heeft geen negatieve invloed op het aanzicht of de herkenbaarheid van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in de omgeving. Doordat de maatvoering aansluit bij omliggende bebouwing en de situering, gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik en kapvorm zo veel mogelijk gelijk blijft aan de huidige Zeeuwse schuur en wordt ook in de beoogde situering aangesloten op het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de kern. Met het oprichten van een levensloopgeschikte en energieneutrale woning voor kleinere huishoudens in het dorpshart wordt op een passende schaal bijgedragen aan de grote lokale vraag naar betaalbare woonruimte en de leefbaarheid van de kern. Conclusie De beoogde situatie heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of landschapselementen in de omgeving.

De aanwezige waarden worden ook in de beoogde situatie planologisch beschermd op basis van de regels van het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Brouwershaven, Dreischor en Noordgouwe’. Het ontwerp voor de woning wordt voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan de Welstandscommissie. Hiermee is de bescherming van de cultuurhistorische waarden van de omgeving voldoende geborgd.

3.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Het doel van het externe veiligheidsbeleid is het beheersen van risico’s door opslag en transport van milieugevaarlijke stoffen afkomstig van industriële activiteiten. Tot risicobronnen behoren inrichtingen en transportroutes waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en luchthavens. Het wettelijk kader voor de beoordeling van risico’s van transport van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ en de ‘Regeling Basisnet’. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

30

Voor transport via buisleidingen geldt het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’. In het externe veiligheidsbeleid zijn normen voor het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) opgenomen. Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. In gebieden met een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Zonering vindt plaats door middel van veiligheidsafstanden op basis van berekende risico’s of te verwachten effecten bij calamiteiten.

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Op basis van het Registratiebesluit externe veiligheid en de Wet milieubeheer moeten risicobronnen inzichtelijk worden gemaakt. Het risicoregister wordt gepubliceerd door middel van een digitale risicokaart. Besluitgebied Een burgerwoning is geen activiteit met een veiligheidsrisico voor de omgeving. Een woonfunctie is binnen het externe veiligheidsbeleid aangemerkt als een gevoelige bestemming. Het oprichten van woningen binnen een beschermingszone (PR) is niet toegestaan. Volgens de Risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het besluitgebied geen inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In de omgeving bevinden zich een aantal bovengrondse propaantanks waarvoor een veiligheidsafstand van toepassing is. De afstand tot deze installaties is voldoende groot. De installaties vormt geen beperking voor de ontwikkeling van het besluitgebied. Er bevinden zich geen buisleidingen waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt in de directe omgeving van het besluitgebied.

Ten aanzien van het beoogde gebruik kan worden volstaan met het standaard advies waarbij de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt beschouwd. Daar waar de planologische ontwikkeling een gebouw mogelijk maakt dienen een aantal brandveiligheidsaspecten onderzocht te worden. De gemeente stemt bij ruimtelijke ontwikkelingen een aantal brandveiligheidsaspecten vroegtijdig af met de Veiligheidsregio. De brandveiligheidsaspecten betreffen met name de bereikbaarheid door de brandweer via de openbare weg, de brandweerzorgnorm, de primaire bluswatervoorziening op de openbare weg en de secundaire bluswatervoorziening. De bereikbaarheid van het besluitgebied voor hulpvoertuigen en de bluswatervoorzieningen in de omgeving van het besluitgebied moeten voldoen aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland 2020). De brandveiligheidsvereisten zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. De afstand van het besluitgebied tot omliggende activiteiten met een veiligheidsrisico is voldoende groot. De bewoners kunnen als voldoende zelfredzaam worden beschouwd en kunnen op eigen kracht de woning verlaten. Op basis van de regels uit het Bouwbesluit zullen voldoende Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

31

veiligheidsmaatregelen getroffen worden in de vorm van rookmelders en blusmiddelen. De nieuwe woning zal voldoen aan de actuele voorschriften wat betreft brandveiligheid en ventilatie. De besluitlocatie is bereikbaar via de Daniël Ockersestraat. In deze straat is ook een lokale brandweerkazerne gevestigd. Over de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van voldoende blusmiddelen wordt aanvullend advies van de veiligheidsregio gevraagd. Hiermee is de veiligheid van de gebruikers in de toekomst voldoende geborgd. Aanvullende risico reducerende maatregelen zijn in het kader van de beoogde ontwikkeling niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het oprichten van een enkele woning. De afstand tot objecten waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt is voldoende groot. De veiligheidsparagraaf wordt voor advies en ter beoordeling aangeboden aan de veiligheidsregio.

3.10 Water Het besluitgebied bevindt zich binnen het beheergebied van het Waterschap Scheldestromen. Het Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. In het waterbeheerprogramma wordt invulling gegeven aan de ambities uit de Visie Waterbeheer 2050. Met het programma wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) wat betreft het bereiken van een Goed Ecologisch potentieel. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water zijn: • Waarborgen van waterveiligheid; • Zorgen voor mooi en schoon water; • Beperken van de effecten van klimaatverandering/ klimaatadaptatie; • Bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving; • •

Verduurzaming van het watergebruik; Onderhoud van waterschapswegen.

In de ‘Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw’ (d.d. 14 februari 2001) is door rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten overeengekomen dat in alle nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets opgenomen dient te worden. In de motivering van een ruimtelijk besluit dient op basis van artikel 3.6 lid 1 Bro aangegeven te worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het project voor de waterhuishouding. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat hierbij tevens overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater in het stedelijke gebied, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen (Waterwet, art. 9a). De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 is vastgelegd hoe de gemeente uitvoering geeft aan de omgang met afvalwater, hemelwater en grondwater.

Afstromend schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk vertraagd zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem en daarmee in perioden van droogte een buffer vormt. Voor de afvoer van hemelwater geldt de trits: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). Het waterschap toetst in het kader van het vooroverleg of het project past binnen de waterdoelstellingen.

Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

32

Op basis van de Keur van het waterschap wordt bepaald of er voor bouwwerken of activiteiten een watervergunning noodzakelijk is. Ook wordt er binnen de Keur aangegeven voor welke ontwikkelingen er binnen een beschermingszone kan worden voldaan aan algemene regels waardoor er geen watervergunning aangevraagd hoeft te worden. De bijbehorende Legger geeft aan waar de keur van toepassing is. In de Legger zijn ook beschermingszones voor oppervlaktewateren opgenomen. Deze zones zijn bedoeld om ongewenste handelingen rondom een waterlichaam, zoals (bouw)activiteiten of de aanleg van beplanting, te kunnen weren. Besluitgebied Ten aanzien van de ontwikkeling van het besluitgebied kan de volgende afweging worden gemaakt. Veiligheid waterkeringen Ter hoogte van de beoogde woning bevindt zich volgens de Keur (20 juni 2019) en de bijbehorende legger waterkeringen geen beschermingszone van een waterkering. Voorkomen van overlast door oppervlaktewater In de omgeving van de besluitlocatie bevinden zich volgens de Legger oppervlaktewateren geen watergangen met een belang voor het watersysteem en een bijbehorende beschermingszone. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot belemmeringen voor het watersysteem of voor (het onderhoud van) leggerwatergangen. Er verdwijnt geen open water door de bouw.

Voorkomen van overlast door hemel- en afvalwater In de uitgangssituatie is ter plaatse een kadastraal perceel aanwezig met een oppervlakte van circa 210m2. Het perceel is geheel voorzien van een woonbestemming met bouwvlak. Binnen het perceel is een schuur gelegen met een grondoppervlakte van circa 70 m2. In de beoogde situatie wordt de schuur bouwkundig getransformeerd tot een woning met een oppervlakte van circa 86m2 mogelijk gemaakt. Het netto areaal bebouwing neemt als gevolg van de ontwikkeling toe met circa 16m2. In de uitgangssituatie is het perceel volledig verhard met terreinverharding. Het netto areaal verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling niet toe. Het huidige logistiek ingerichte perceel zal in de beoogde situatie een functie krijgen als tuin bij de woning. Het afvalwater van de woning wordt in de nieuwe situatie afgevoerd via een nieuwe aansluiting op de gemeentelijke vuilwaterriolering. In de huidige situatie wordt het schone regenwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd naar omliggende straatkolken. In de nieuwe situatie wordt het hemelwater in eerste instantie afgevoerd via de tuin. Eventueel overtollig hemelwater op het perceel zal afvloeien naar de straatkolken in de omgeving. De ontwikkeling vindt hydrologisch neutraal plaats en past binnen de uitgangspunten van duurzaam omgaan met water.

Grondwaterkwantiteit en verdroging Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. Het schone hemelwater wordt gescheiden van het huishoudelijk afvalwater. Het overtollig hemelwater dat op de terreinverharding valt vloeit af via straatkolkjes. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van opvang in regentonnen. Grondwaterkwaliteit De beoogde bouwmogelijkheden hebben geen effecten op de grondwaterkwaliteit ter plaatse. Tijdens de bouw wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet- uitlogende materialen. Oppervlaktewaterkwaliteit De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit.

Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

33

Volksgezondheid De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid. Bodemdaling Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen wijziging plaats van het waterpeil. Het project heeft geen bodemdaling tot gevolg. Natte natuur Binnen of direct aanliggend aan het besluitgebied bevindt zich geen natte natuur. Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Onderhoud oppervlaktewater Ter hoogte van de besluitlocatie bevinden zich geen oppervlaktewateren (leggerwatergangen) of bijbehorende beschermingszones voor het oprichten van bebouwing die worden beschermd op grond van de keur. De meest nabij gelegen legerwatergang is een B-watergang met een secundair belang voor het watersysteem die zich aan de zuidelijke dorpsrand van de kern bevindt. De watergang wordt onderhouden en beheerd door het waterschap.

Figuur 5

Uitsnede Legger oppervlaktewateren

Belangen waterbeheerder De wegen behorende bij de kern Dreischor zijn niet in beheer bij het waterschap. De beoogde ontwikkeling heeft een beperkte verkeersaantrekkende werking en leidt niet tot een significante toename van verkeersbewegingen over waterschapswegen. Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn. Conclusie Met de beoogde bouw van een enkele woning zijn er geen effecten te verwachten op de waterhuishouding. Er is geen sprake van een netto toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de uitgangssituatie. De ontwikkeling heeft geen invloed op de omliggende watergangen of het watersysteem ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het vuile water Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

34

wordt in de nieuwe situatie afgevoerd via het gemeentelijke rioolstelsel. De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De voor de ontwikkeling uitgevoerde watertoets wordt voor advies voorgelegd aan Waterschap Scheldestromen.

3.11 Vormvrije MER -beoordeling Het Besluit tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage) (Staatsblad 102, jaargang 2011) zijn op 28 februari 2011 gepubliceerd. Deze reparatie van het Besluit milieueffectrapportage was nodig door het arrest van het van de EU van 15 oktober 2009 (Commissie tegen Nederland, zaak C-255/08). Het Besluit milieueffectrapportage kende een systeem van absolute drempelwaarden. Het systeem van absolute drempelwaarden bood in de praktijk vanwege de duidelijkheid grote voordelen. Gebleken is echter, dat het in feite onmogelijk is om de drempelwaarden zo te formuleren dat rekening wordt gehouden met alle criteria van bijlage III van de richtlijn, zoals bijv. cumulatie, en daarbij te garanderen dat onder die drempelwaarde geen sprake kan zijn van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Om die reden is gekozen om de drempelwaarden indicatief te maken. Dit betekent dat de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van het Besluit-mer een indicatief karakter krijgen. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn keuze om géén mer-beoordeling te maken voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de toelichting van een ruimtelijk besluit.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Besluitgebied Onderliggende ruimtelijke onderbouwing maakt de realisatie van een enkele woning mogelijk. Met de ontwikkeling is sprake van een activiteit zoals benoemd in categorie D11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ van het Besluit mer. De (indicatieve) drempelwaarde voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling bedraagt voor deze activiteit het oprichten van minimaal 2000 woningen of ontwikkelingen met een oppervlakte van 100ha of meer. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarden. Uit de ruimtelijke en milieukundige beoordeling in de overige paragrafen blijkt dat de beoogde situatie inpasbaar is in de omgeving. Er is sprake van een kleinschalige activiteit zonder significante verandering van de milieubelasting ten opzichte van de bestaande situatie. De beoogde situatie is hiermee ruimtelijk en milieukundig inpasbaar.

Alle relevante omgevingsaspecten zijn onderzocht in hoofdstuk 3. Conclusie Gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het besluitgebied is gelegen, kan worden geconcludeerd dat er geen milieueffectrapportage (MER) behoeft te worden opgesteld.

Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

35

4.

UITVOERBAARHEID

4.1

Economische uitvoerbaarheid

Behalve de ruimtelijke en milieukundige uitvoerbaarheid, dient tevens de financieel-economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer een ruimtelijk besluit een bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk maakt, is de gemeente op basis van de grondexploitatiewet verplicht om de kosten hiervan te verhalen op de aanvrager. Dit is vastgelegd in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. De gemeente dient bij het nemen van een projectafwijkingsbesluit tevens een exploitatieplan vast te stellen. Van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro is onder meer sprake bij de bouw van één of meer woningen of de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Tevens is een exploitatieplan noodzakelijk indien er specifieke locatie-eisen gesteld worden aan de uitvoering. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wro kan de gemeenteraad besluiten om de kosten anderszins te verzekeren. Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Alle (voorbereiding)kosten (zoals plankosten, onderzoeken en procedures) zijn voor rekening van initiatiefnemer (via legesheffing).

Verder worden in een anterieure overeenkomst nadere afspraken vastgelegd tussen de gemeente Schouwen-Duiveland en de initiatiefnemer over de ontwikkeling, waaronder bijvoorbeeld over het kostenverhaal van eventuele planschadeclaims. Voor de gemeente zelf zijn er geen kosten verbonden aan de verwezenlijking van het project. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd en er kan worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.

4.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3˚ Wabo wordt de procedure zoals vastgelegd in afdeling 3.4 Awb gevolgd. De ontwerp beschikking met bijbehorende stukken wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Aan de hand van de voorbereiding van de vergunning wordt het wettelijk overleg ex artikel 3.1.1 Bro gevoerd. Reacties van de wettelijke overlegpartners (Waterschap Scheldestromen, Veiligheidsregio) worden weergegeven in paragraaf 4.3. Het college is bij de voorbereiding van het besluit op de omgevingsvergunningaanvraag niets gebleken van planologische of maatschappelijke belemmeringen. Er is geen reden om aan te nemen dat de beoogde herontwikkeling van de bebouwing geen maatschappelijk draagvlak heeft.

4.3

Procedure

De ontwerpbeschikking zal gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd met bijbehorende stukken. Voorafgaand hieraan wordt hiervan mededeling gedaan in het plaatselijke blad en op de gemeentelijke website. Gedurende de termijn van de terinzagelegging kan eenieder een zienswijze indienen. De resultaten van de terinzagelegging zullen beoordeeld worden en aanvullend in de ruimtelijke onderbouwing worden opgenomen.

Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

36

BIJLAGEN 1.

Bestaande situatie Erik van den Bos Architect d.d. Maart 2024

2. Beoogde situatie Erik van den Bos Architect d.d. December 2023 3. Stikstofdepositieberekening S&W Bouwkundig Ingenieurs BV d.d. Februari 2024 4. Verkennend bodemonderzoek MCG Zuidwest B.V. d.d. Februari 2024 5. Quickscan flora- en fauna NWC Advies d.d. Februari 2024

Ruimtelijke onderbouwing- Daniel Ockersestraat 1- Dreischor

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13946462/1