1023328 Bijlage 4 antwoordnotitie Zonnedorp
Tekst van het document
Antwoordnotitie ontwerpbestemmingsplan Camping Zonnedorp, Renesse
1. Inleiding Het ontwerpbestemmingsplan ‘Camping Zonnedorp, Renesse’ heeft van 18 december 2023 tot en met 29 januari 2024 ter inzage gelegen waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan. Deze notitie beschrijft de resultaten van de zienswijzeprocedure van dit ontwerpbestemmingsplan. De binnengekomen reacties zijn na een complete beoordeling, samengevat, beantwoord en van een conclusie voorzien. Bij de beantwoording is de complete zienswijze betrokken. In de conclusie is opgenomen of en zo ja op welke wijze het wijzigingsplan is aangepast. Tenslotte is een opsomming toegevoegd van de ambtshalve aanpassingen die in het bestemmingsplanplan zijn verwerkt. Er zijn 2 zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan ingediend.
2. (Individuele) Zienswijzen ZI-1 Reclamant 1 de provincie Zeeland Zaaknr: 1010356 Samenvatting Reclamant, de provincie geeft aan dat het ontwerpplan op onderdelen aanleiding geeft tot het indienen van een zienswijze omdat het niet voldoet aan de verblijfsrecreatieregeling uit de provinciale Omgevingsverordening (de Omgevingsverordening) en de Wet natuurbescherming (Wnb) en de daarop gebaseerde regelgeving. 1.
Verblijfsrecreatie Reclamant stelt dat het totale campingterrein wordt uitgebreid van 69.492 m2 naar 100.615 m2, wat een oppervlakte-uitbreiding van circa 45% van het huidige campingterrein betekent. De natuurbestemming – die overigens tevens een recreatief gebruik omvat - maakt onderdeel uit van de camping en moet gezien worden als uitbreiding. Een uitbreiding van 45% is groter dan de toegestane beperkte uitbreiding van circa 20% op grond van de verblijfsrecreatieregeling uit de Omgevingsverordening. De oppervlakte-uitbreiding is daarmee in strijd met de Omgevingsverordening.
2.
Natuuraspecten Soortenbescherming De toetsing aan de Wbn , onderdeel soortenbescherming is onvoldoende. Er is inmiddels een ecologische quickscan uitgevoerd voor het zuidelijke deel van het plangebied (natuur- en bosaanleg), maar daarbij is niet de juiste vrijstellingenlijst (artikel 3.10) voor de Provincie Zeeland gebruikt. Zo geldt er geen vrijstelling meer voor wezel, hermelijn, konijn en haas. Dat blijkt ook uit de quickscan voor het noordelijke deel waarin deze soorten wel zijn meegenomen. Daardoor is de quickscan voor het zuidelijk deel niet volledig en dient daarom te worden aangepast. Daarnaast volgt uit de quickscan dat voor een aantal soorten aanvullend onderzoek moet worden uitgevoerd. In verband met het aantonen van de uitvoerbaarheid in relatie tot de Wnb dient de rapportage van dit onderzoek voor vaststelling aan het plan te worden toegevoegd.
3.
Stikstof Voor de aanlegfase geldt dat de uitgangspunten voor de stikstofberekening niet volledig overeenkomen met het ontwerpplan. Voor het zuidelijk deelgebied is namelijk gerekend met de aanleg van een parkeerplaats en natuurspeeltuin in plaats van met de aanleg van bos en natuur op het hele oostelijke deel van het perceel. De uitgangspunten en berekeningen dienen hierop te worden aangepast. Bij deze aanpassing dient ook naast het feitelijke agrarische gebruik van het perceel grasland, te worden aangetoond dat dit gebruik sinds de referentiedatum planologisch was toegestaan. Daarnaast is het van belang om bij de uitgangspunten de onlosmakelijkheid van het noordelijk en zuidelijk deel aan te tonen als onderbouwing voor het inzetten van het agrarisch grasland als referentiesituatie voor het totale plan. De aangepaste notitie en berekeningen dienen voor de vaststelling van het bestemmingsplan door ons te worden beoordeeld.
Beantwoording 1. Verblijfsrecreatie In relatie tot de provinciale verordening is van belang of sprake is van uitbreiding in aantal eenheden en/of in oppervlakte. Camping Zonnedorp breidt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan niet uit in aantal eenheden. Wat betreft de uitbreiding in oppervlakte wordt de oppervlakte met een verblijfsrecreatieve functie/bestemming uitgebreid met een perceel met een (overigens niet-verwezenlijkte) verkeersbestemming aan de noordwestzijde van de camping. In de bestaande situatie bedraagt de oppervlakte van de camping 69.492 m2, als daarbij het parkeerterrein ten zuiden van de Korte Moermondsweg wordt meegeteld (1.370 m2) is dat 70.862 m2. Het bosperceel heeft een oppervlakte van 3.880 m2. De totale oppervlakte verblijfsrecreatie (inclusief te legaliseren parkeerterrein) neemt daarmee toe van 70.862 m2 naar 74.742 m2, een toename van 5,5%. Met de omzetting van het agrarisch perceel ten zuiden van de Korte Moermondsweg wordt de oppervlakte natuur daar uitgebreid met 16.380 m2. Daarmee bedraagt de oppervlakte natuur in de nieuwe situatie (exclusief parkeerterrein) 25.575 m2, ten opzichte van
een huidige oppervlakte van 9.195 m2 (een toename met 178%, bijna een verdrievoudiging in oppervlakte). In tabelvorm: Terrein Bestaand Bestaande camping Bestaand parkeerterrein zuidzijde Korte Moermondsweg Subtotaal verblijfsrecreatie bestaand Bestaand natuurgebied zuidzijde Korte Moermondsweg (exclusief parkeerterrein) Totaal Toekomstig Bestaande camping Perceel 6 recreatiewoningen Bestaand parkeerterrein zuidzijde Korte Moermondsweg Subtotaal verblijfsrecreatie Bestaand natuurgebied Uitbreiding natuurgebied Subtotaal natuurgebied Totaal
Oppervlakte (m2) 69.492 1.370 70.862 9.195 80.057
69.492 3.880 1.370 74.742 9.195 16.380 25.575 100.317
+5,5%
+17,8% +25,3%
Uit deze tabel blijkt dat de oppervlakte verblijfsrecreatie toeneemt met 3.880 m2, terwijl de oppervlakte natuur toeneemt met 16.380 m2, ruim vier keer zo groot als de uitbreiding verblijfsrecreatie (3.880 m2). De provincie spreekt over een uitbreiding met 45% in oppervlakte. Die berekening is echter niet correct. De provincie rekent in de bestaande situatie het bestaande natuurgebied niet mee in de oppervlakte, maar in de toekomstige situatie wel. Nog afgezien van de vraag of de natuur ten zuiden van de Korte Moermondsweg moet worden meegeteld als nieuwe oppervlakte recreatieterrein (waarover hierna meer), is het niet juist om de bestaande natuur als uitbreiding van de camping mee te nemen. Als die oppervlakte wordt meegerekend, moet deze oppervlakte zowel in de bestaande situatie als in de toekomstige situatie worden meegenomen. Als de natuurontwikkeling correct in de oppervlakte van de ontwikkeling wordt meegenomen, is, zoals blijkt uit de tabel, sprake van een uitbreiding met 25,3% van de huidige oppervlakte. De uitbreiding van gronden voor het recreatiebedrijf bedraagt dus slechts 5,5%, de rest van toename ziet op de aanleg van natuur. Wat betreft de vraag of de natuurontwikkeling moet worden gezien als onderdeel van het verblijfsrecreatieterrein is het volgende van belang.
Op basis van de Omgevingsverordening is uitbreiding van recreatieterreinen (een beperkte uitbreiding van oppervlakte) alleen mogelijk als het nieuw uit te breiden terrein integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap. In dat opzicht is het in beginsel logisch dat de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein als onderdeel van het totaal wordt beschouwd. Daarbij is van belang dat in het algemeen sprake is van een uitbreiding waarbij het recreatieterrein en de natuur- en landschapsontwikkeling integraal zijn verweven. Het totale terrein krijgt dan in de regel ook een verblijfsrecreatieve bestemming. Zie ter toelichting ook onderstaande illustratie uit de Omgevingsverordening.
In het geval van camping Zonnedorp is de situatie echter anders. Er is sprake van een afzonderlijk natuurgebied, dat de bestemming Natuur krijgt. Het natuurgebied is bovendien separaat gelegen en in verhouding tot de oppervlakte van de uitbreiding van het verblijfsrecreatieve terrein een grote overmaat heeft (16.830 m2 nieuw natuurgebied ten opzichte van 3.880 m2 uitbreiding verblijfsrecreatie; ruim vier maal zo groot). Vanwege de separate natuurfunctie en bestemming en de overmaat aan oppervlakte natuur, is het niet reëel om de hele oppervlakte natuur als onderdeel van de verblijfsrecreatie mee te rekenen. Dat in de bestemming Natuur extensieve dagrecreatie is opgenomen als toelaatbaar gebruik doet daar niets aan af. Ook in andere natuurgebieden is dat immers een toegelaten gebruik. Wat betreft de stelling van de provincie dat de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein maximaal circa 20% mag bedragen, is het volgende van belang dat in de Omgevingsverordening 2018 geen maximale omvang van de uitbreiding van een terrein is opgenomen. De Omgevingsverordening bepaalt in artikel 2.10 lid 5 onder a. dat
uitbreiding van verblijfsrecreatieterreinen is toegelaten buiten de badplaatsen, als voldaan wordt aan de in bijlage D onder 1 opgenomen aandachtspunten. Onder A. Ruimtelijke kwaliteit wordt in bijlage D aangegeven dat ‘een beperkte uitbreiding’ van oppervlakte mogelijk is onder een aantal voorwaarden. Daarmee is in algemene zin benoemd dat het verblijfsrecreatieterrein niet ongebreideld mag uitbreiden. Er is echter geen maximaal percentage benoemd. De provincie stelt dat de uitbreiding te groot zou zijn, omdat de toename van de oppervlakte meer dan 20% bedraagt. Wij zien in de Provinciale Verordening geen aanknopingspunten om een norm van 20% te hanteren voor de maximale uitbreiding van het recreatiebedrijf. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een beperkte toename, moet naar het gehele plan gekeken worden en kan niet een norm gebruikt worden zonder oog te hebben voor het gehele plan. Een norm die bovendien in de zienswijze niet is onderbouwd. Het plan ziet op een afname van het aantal recreatieve eenheden, een toename van de oppervlakte van het recreatiebedrijf met circa 5,5% (ca 5.200 m²) en de aanleg van meer dan 16.000 m² aan natuur. Met het plan is sprake van een beperkte uitbreiding van de oppervlakte van het recreatiebedrijf met als resultaat een gewenste kwaliteitsverbetering. Het plan voldoet dan ook aan de Provinciale Omgevingsverordening.
Dat dit plan voldoet blijkt ook duidelijk uit het volgende. Op basis van de redenering uit de zienswijze zou wel medewerking kunnen worden verleend aan de ontwikkeling als de natuurontwikkeling zou worden beperkt tot 12.000 m². Dan zou de totale oppervlakte in de ogen van Gedeputeerde Staten niet met meer dan 20% toenemen. Dat betekent dat er 4.000 m² minder natuurontwikkeling zou worden gerealiseerd, terwijl de uitbreiding van het recreatiebedrijf in dezelfde omvang in stand blijft. Wij zien niet in waarom de Provinciale Verordening zo uitgelegd zou moeten worden dat nu niet aan een beperkte toename van het recreatiebedrijf wordt voldaan, maar dat het plan met het terugbrengen van de omvang van de natuurontwikkeling wel binnen de voorwaarden past. 2. Natuuraspecten Soortenbescherming De tekst van de quickscan soortenbescherming is aangepast; daarin is de beschrijving van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt aangepast. Voor zover nodig is de tekst van de notitie daarop verder afgestemd. Daarnaast is het aanvullend onderzoek uitgevoerd, is het aanvullend soortenonderzoek als bijlage aan de toelichting toegevoegd en zijn de conclusies opgenomen in de toelichting bij het bestemmingsplan. 3. Stikstof Het stikstofdepositieonderzoek is aangevuld met de aangegeven punten.
Ook uit de aangepaste berekeningen volgt dat geen stikstofdepositie ontstaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan past binnen het provinciaal beleid. Als het natuurgebied wordt gezien als onderdeel van de totale terreinoppervlakte, is sprake van een uitbreiding met 25%. In de Omgevingsverordening 2018 is niet vastgelegd dat de totale uitbreiding niet meer dan 20% mag bedragen. Gelet op de overmaat aan natuurontwikkeling en het toekennen van een separate natuurbestemming, kan zonder meer worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling past in het provinciaal beleid. De zienswijze is ontvankelijk en gegrond op onderdelen 2 en 3. ZI-2 Reclamant 2 Stichting Duinbehoud Zaaknr: 1011751 Samenvatting Reclamant stelt voor een tweetal aanpassingen - vanwege onjuistheden - in de bij dit bestemmingsplan behorende regels door te voeren: 1: art. 6.2.2.b.4 stacaravan in de tabel: de maximale bouwhoogte voor stacaravans wijzigen in 5,0 m. Toelichting: stacaravans vallen in de categorie recreatief nachtverblijf tot 55 m², die volgens de Nota recreatiebeleid d.d. 2106-2023 maximaal 5 meter hoog mogen zijn. 2: art. 6.4.4.b in de eerste zin 'groter dan 100 m²' vervangen door 'tot maximaal 100 m²'.
Toelichting: de oppervlakte van de mindervalide kampeerhuisjes mag maximaal 100 m² bedragen, niet groter dan dat. Beantwoording 1. Als uit de Nota Recreatie volgt dat een caravan max 5 meter hoog mag zijn en er zijn hier geen bijzondere redenen om daarvan van af te wijken, dan moet de maximale hoogte art 6.2.2 onder b4 inderdaad worden aangepast. 2. Art 6.4.4b moet inderdaad worden aangepast: “de bouw van en het gebruik van een kampeerhuisje met een oppervlakte groter dan van maximaal 100 m², (…)”
Conclusie De zienswijze is ontvankelijk en gegrond. De regels worden aangepast.
3. Aanpassingen regels en verbeelding naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen De regels worden aangepast conform de punten 1 en 2 van zienswijze 2. In de tabel in artikel 6.2.2 onder b, wordt in de kolom de bouwhoogte (m), de bouwhoogte van een stacaravan (genoemd onder punt 4) gewijzigd in 5 m; In artikel 6.4.4 onder b van de regels wordt de zinsnede “groter dan” gewijzigd in “van maximaal”. De toelichting is aangepast vanwege de punten 2 en 3 van zienswijze 1 ook de specifieke bijlagen zijn aangevuld en geactualiseerd. De quickscan natuur en het stikstofonderzoek zijn aangepast.
4. Ambtshalve wijzigingen De toelichting is op verschillende onderdelen aangepast mede vanwege de zienswijzen.