1023328 Bijlage 1 Camping Zonnedorp Renesse Toelichting
Tekst van het document
De beoogde ontwikkeling voorziet in een gesloten grondbalans. Conclusie Met het uitvoeren van het bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.3
Ontplofbare oorlogsresten
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Onderzoek De gemeente Schouwen-Duiveland hanteert een eigen beleidskaart. Volgens de gemeentelijke beleidsnota conventionele explosieven (CE) is het plangebied deels gelegen in een gebied met een hoge trefkans op ontplofbare oorlogsresten, zie figuur 4.3.1. Op grond van deze informatie is vanwege de beoogde bodemroerende activiteiten een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten noodzakelijk. Dit onderzoek is als bijlage 13 bij deze toelichting toegevoegd.
35/58
Figuur 4.3.1 Gemeentelijke beleidskaart conventionele explosieven Uit het bronnenmateriaal blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een geallieerde beschieting op Renesse. Er is daarom ook geen aanleiding om het verwachtingsgebied te handhaven. De locatie is onverdacht. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren en hierbij het processchema onverwachts aantreffen van ontplofbare oorlogsresten te hanteren. Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoer van de beoogde ontwikkeling.
4.4
Archeologie
Beleid en normstelling Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermt met de Erfgoedwet. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dan in 1992 door Nederland werd ondertekend. Archeologiebeleid Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk
36/58
archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgestelde beleidsplan archeologie. In 2008 is een archeologische beleidsnota opgesteld op basis van de door RAAP daartoe opgestelde Archeologische beleidskaart van Schouwen-Duiveland - Buitengebied. In de beleidsnota is het buitengebied opgedeeld in gebieden met een vastgestelde of verwachte archeologische waarde waaraan verschillende vrijstellingsgrenzen gekoppeld werden. Het plangebied is op de beleidskaart gesitueerd in Onderzoeksgebied A: gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachting. Het gemeentelijk beleid is planologisch vertaald in de meeste bestemmingsplannen, zo ook in het bestemmingsplan 'Kop van Schouwen'. Onderzoek Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6'. Indien tijdens werkzaamheden bodemingrepen plaatsvinden groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Binnen het huidige terrein van camping Zonnedorp, inclusief fruitboomgaard, vinden geen graafwerkzaamheden plaats. De grootschalige kwaliteitsverbetering heeft hier reeds plaatsgevonden. De 6 nieuwe recreatieverblijven binnen het uit te breiden deel hebben een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 600 m2. Voor dit deel is het dan ook niet te verwachten dat graafwerkzaamheden plaatsvinden met een groter oppervlak dan 2.500 m2.
Voor het deel dat als mitigatiegebied wordt betrokken bij het plangebied vinden eveneens geen graafwerkzaamheden plaats met een omvang die de gestelde beperkingen overschrijdt. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6' blijft ter plaatse behouden. De archeologische waarden zijn daarmee afdoende geborgd. Indien graafwerkzaamheden uitgevoerd worden die het oppervlak van 2.500 m2 overschrijden dan zal voorafgaand aan de aanleg alsnog een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. De kans blijft aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid. Conclusie Het aspect archeologie vormt voor geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor het plangebied blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6' behouden.
4.5
Cultuurhistorie
Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten
37/58
aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. Onderzoek Op de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland, zie figuur 4.6.1, is te zien dat binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn gelegen. Ook is geen sprake van cultuurhistorische waardevolle structuren in of rond het plangebied. Ten zuiden van het plangebied ligt, grenzend aan het mitigatiegebied het landgoed van Slot Moermond. Dit deel van het plangebied is grotendeels al groen ingericht en sluit aan bij het karakter van een groen landschap. Het landgoed en het plangebied worden niet direct fysiek met elkaar verbonden door wandel-, fiets- of ruiterpaden. De nieuwbouw van de 6 kampeerhuisjes wordt daarnaast uitgevoerd in een Zeeuwse stijl, zie paragraaf 2.4. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen nadelige effecten op cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren.
Figuur 4.6.1 Fragment cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Zeeland) Conclusie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Waterhuishouding
Toetsingskader Het is wettelijk verplicht een watertoets uit te voeren. Dit is een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets
38/58
heeft als doel het voorkomen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die negatieve effecten hebben op het duurzame waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Scheldestromen en het beheersgebied van Rijkswaterstaat. Onderzoek Om na te gaan of het voorliggend plan in strijd is met duurzaam waterbeheer en voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, is gebruik gemaakt van het aanmeldformulier Watertoets van het waterschap. Daarin is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Het aanmeldformulier is opgenomen in bijlage 14. Bij de watertoets is enkel ingegaan op de ontwikkeling van de nieuwe kampeerhuisjes. De bestaande camping inclusief de fruitboomgaard blijven ongewijzigd. Dit geldt ook voor de ontwikkeling ten zuiden van de Korte Moermondsweg. Hier worden geen nieuwe verhardingen gerealiseerd waarbij waterberging noodzakelijk is. De belangrijkste aandachtspunten betreffen compensatie ten gevolge van de toename van verharding vanwege de nieuwe kampeerhuisjes aan de noordwestzijde van het plangebied. Het hemelwater van de toe te voegen verhardingen kan nabij de nieuwe kampeerhuisjes in de bodem infiltreren door middel van grindputten. Vanwege de indirecte lozing van het hemelwater is geen verdere compensatie noodzakelijk.
Daarnaast is voor het bouwen binnen de beschermingszone van de aangrenzende watergangen een vergunning noodzakelijk. Binnen de beschermingszone van de aangrenzende watergangen wordt echter niet gebouwd. Wel is een vergunning noodzakelijk voor het dempen van de secundaire waterloop aan de oostzijde van het perceel en het verruimen en verlengen van de bermsloot langs de Rampweg. Conclusie Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.7
Ecologie
Beleid en normstelling Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de voor de natuurlijke habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende
39/58
beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en
40/58
versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Vanwege de ligging van het plangebied nabij Natura 2000-gebied zouden andere effecten (zoals verzuring/vermesting, verdroging, licht en geluid) op dit Natura 2000-gebied als gevolg van de ontwikkeling kunnen optreden. Stikstof De planontwikkeling ziet in een ontwikkeling met een verandering/toename van functies, zie hoofdstuk 2. Door de wijzigingen in verkeersstromen is er tijdens de gebruiksfase mogelijk sprake van een verandering in stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied met meerdere stikstofgevoelige habitats. Voor de berekening van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden wordt onderscheid gemaakt in de gebruiksfase en in de aanlegfase. De 6 nieuwe recreatieve verblijfseenheden verbruiken in de toekomstige situatie geen gas. Derhalve is in de toekomstige situatie alleen sprake van emissie van verkeersbewegingen. Om significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de betreffende Natura 2000-gebieden te kunnen uitsluiten, zijn AERIUS-berekeningen van de realisatiefase en de gebruiksfase uitgevoerd. In de AERIUS-memo, zie bijlage 15, zijn de uitgangspunten van deze berekeningen omschreven. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de aanleg- en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling.
De uitbreiding van Camping Zonnedorp zal geen significante effecten hebben op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. Voor de aspecten licht en geluid wordt verwezen naar soortenbescherming. Het aspect verdroging is onderbouwd in paragraaf 4.6. De wijziging van stikstofdepositie zal als gevolg van de ontwikkeling niet leiden tot toename van de vermesting/verzuring. De ontwikkeling heeft daarom geen significant negatieve effecten op natuurgebieden. Soortenbescherming Om uit te sluiten dat de voorgenomen ontwikkeling nadelige invloed heeft op beschermde dier- en plantensoorten is reeds in 2018 een Quickscan flora en fauna uitgevoerd op het uit te breiden deel aan de noordzijde van het plangebied. Het onderzoek uit 2018 is inmiddels verouderd. In 2021 is een nieuwe Quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de bosschage van het uit te breiden deel, zie bijlage 18. Hieruit blijkt dat voor vleermuizen, vogels met vaste verblijfsplaats, grondgebonden zoogdieren en herpetofauna aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Dit aanvullende onderzoek is in oktober 2021 afgerond, zie bijlage 20. Op basis van het aanvullende onderzoek kan worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn. Wel blijkt uit de inventarisaties dat de te kappen bomen worden benut door gewone dwergvleermuizen om langs te navigeren en foerageren.
Er kan echter niet worden gesproken van essentieel(e) foerageergebied of -vliegroutes. In de directe omgeving (langs de Rampweg) is voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Daarnaast blijft de functionaliteit van het plangebied (als onderdeel) van een vliegroute of foerageergebied deels behouden ondanks de voorgenomen werkzaamheden. Door 'vleermuis-vriendelijke' verlichting toe te passen kan verstoring van foeragerende vleermuizen verder worden beperkt. Vriendelijke verlichting voor vleermuizen is oranje rood van kleur (Amber kleurig). Op basis van de resultaten kan het worden uitgesloten dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de essentiële functionele leefomgeving van de buizerd. Daarom bestaan er geen verdere verplichtingen ten aanzien van deze soortgroep, wel dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Het plangebied is geschikt om te fungeren als jachtgebied voor de wezel, daarnaast biedt het plangebied
41/58
door de aanwezige takkenhopen verblijfsmogelijkheden voor de wezel. Door werkzaamheden uit te voeren buiten de voortplantingsperiode, zoveel mogelijk bomen en struik te behouden en door het behoud van takkenhopen dan wel het aanleggen van een takkenril kan verstoring van de wezel worden beperkt/voorkomen en kan het worden voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. De haas en het konijn benutten het plangebied. Door het dichte karakter van de bosschage is deze echter niet geschikt om als foerageergebied te worden benut. Tijdens het verrichte onderzoek zijn geen strikt beschermde soorten amfibieën of reptielen aangetroffen binnen het plangebied. Voor deze soortengroep gelden geen verdere verplichtingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming behalve de zorgplicht. Binnen het plangebied zijn nesten van de zwarte kraai en de kauw aangetroffen. Nesten van deze soorten zijn alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Geadviseerd wordt de kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Voor de werkzaamheden in het compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse is aanvullend onderzoek uitgevoerd m.b.t. de rugstreeppad, heikikker en levendbarende hagedis. Deze soorten zijn alle drie beschermd onder de Wet natuurbescherming.
Het plangebied is potentieel geschikt leefgebied voor deze soorten, en gezien deze soorten in de omgeving van het plangebied voorkomen, is onderzocht of ze ook in het plangebied zelf aanwezig zijn. Tijdens meerdere uitvoerige veldbezoeken in verschillende weersomstandigheden en op verschillende tijdstippen in juli en augustus zijn de levendbarende hagedis en heikikker niet aangetroffen. Met betrekking tot de rugstreeppad is eind april-begin mei koorroep gehoord in het plangebied op twee locaties. Bij latere bezoeken is de rugstreeppad niet meer gezien/gehoord, maar dit kan verband hebben met de erg droge periode tijdens de zomerbezoeken. Tijdens de veldbezoeken zijn verspreid over het gebied ook nog drie andere amfibieënsoorten waargenomen: groene kikker, bruine kikker en gewone pad. Ook zijn er muizen, konijnen en een groene specht gezien (zie Bijlage 19). Rugstreeppad Het leefgebied moet geschikt blijven of geoptimaliseerd worden voor de rugstreeppad. Het plangebied vormt een onderdeel van het totale leefgebied. In de omgeving is de rugstreeppad ook actief. Met het compensatiegebied wordt er extra natuur gecreëerd. De leefomgeving van de rugstreeppad wordt daarmee vergroot en door de aanleg van een ondiepe plas en laagtes die kunnen vollopen met water ook geoptimaliseerd.
Bij de ontwikkeling van het plangebied tot compensatiegebied moet rekening gehouden worden met de functionele leefomgeving van de rugstreeppad. De rugstreeppad moet tijdens de werkzaamheden veilig kunnen vluchten naar een geschikte schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen. Ook moeten de werkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Met in achtneming van de genoemde maatregelen kan er worden geconcludeerd dat er geen strijdigheid is met de Wet natuurbescherming. Konijn Het plangebied vormt een onderdeel van het leefgebied van de konijn. Voor het leefgebied van de konijn zijn geen significante negetieve effecten te verwachten (zie bijlage 19). Voor de konijn dient bij de ontwikkeling de
42/58
zorgplicht in acht genomen te worden. Zorgplicht Voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: het materieel/de persoon die de ingreep uitvoert dient zodanig gepositioneerd te zijn dat eventueel aanwezige dieren een vrije vluchtroute hebben naar een bereikbaar en veilig alternatief habitat; in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd; aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden. Mitigatiegebied In het mitigatiegebied worden geen bomen gerooid. Daar wordt de natuurlijke inrichting juist versterkt. De functiewijziging naar deels een parkeerplaats betreft een planologische wijziging van een reeds geruime tijd in gebruik zijnde voorziening. Om negatieve effecten hier uit te kunnen sluiten is begin 2023 een Quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 21. Vleermuizen: De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kan met zekerheid uitgesloten worden. Daarnaast zullen vleermuizen het plangebied mogelijk wel gebruiken om te foerageren maar betreft het geen essentieel foerageergebied en/of vliegroute.
Omdat het plangebied een relatief klein oppervlakte heeft en er is in de omgeving veel van het soortgelijk foerageer gebied aanwezig. Ook blijft een groot deel van de huidige vegetatie staan waardoor er ook geen afname vormt van foerageer gebied. Voor vleermuizen zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen dan de zorgplicht. Vogels met een vaste verblijfplaats: Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied die mogelijk in gebruik zijn door soorten als de Buizerd of de Sperwer. Voor de nesten van de kraaiachtigen zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen dan de zorgplicht. Algemene broedvogels: Binnen het plangebied zijn waarnemingen gedaan van algemene broedvogels. Deze vogels zijn beschermd tijdens het broedseizoen wanneer deze een nest met eieren en/of jongen hebben. Het is aan te bevelen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden om verstoring en vernietiging van nesten te voorkomen. Wanneer er toch in het broedseizoen gewerkt wordt dient er vooraf door een deskundige een broedvogelcheck uitgevoerd te worden voordat het plangebied wordt vrijgegeven. Grondgebonden zoogdieren: Er is geen sprake van significant nadelige effecten op beschermde grondgebonden zoogdiersoorten.
Omdat de huidige vegetatie zo goed als blijft staan worden er geen nadelige effecten verwacht. Voor het grasperceel wordt juist meer natuur gerealiseerd wat weer een positiever effect heeft. Er zijn vanuit de Wet natuurbescherming derhalve geen andere verplichtingen dan de zorgplicht. Herpetofauna: de Rugstreeppad, Heikikker en Levendbarende Hagedis zijn mogelijk in of rondom het plangebied aanwezig. Omdat alle soorten rondom en mogelijk in het plangebied voorkomen is het van belang dat met de plannen voor het herinrichten van het plangebied rekening wordt gehouden met deze soorten. Afhankelijk van wat de plannen zijn en welke werkzaamheden worden uitgevoerd voor het gebied
43/58
moet er rekening worden gehouden met de herpetofauna. Als het gebied wordt vol geplant moet er naar alle soorten onderzoek gedaan worden. Wanneer er wordt gegraven in het gebied moet ook hiervoor onderzoek gedaan worden naar de verschillende soorten. Wanneer is aangetoond dat er een of meerdere soorten voorkomen in het gebied, en de werkzaamheden hebben een mogelijk negatief effect moeten de soorten worden afgevangen in het gebied. Voor het afvangen van deze soorten is er wel een ontheffing nodig. Als er geen beschermde soorten worden waargenomen, is de beste mogelijkheid om het gebied af te rasteren. Dit om te voorkomen dat in de buurt voorkomende soorten tijdens de werkzaamheden het werkterrein kunnen betreden. Als beschermde soorten aanwezig zijn, zal door het nemen van maatregelen, in combinatie met het zo nodig aanvragen van een ontheffing worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Uit het rapport blijkt dat vervolgonderzoek, maatregelen en een mogelijke ontheffing noodzakelijk zijn ten aanzien van de herpetofauna, dit wordt de komende tijd in gang gezet. Ook zal de zorgplicht zoals beschreven in de quickscan in acht genomen worden. De mitigerende maatregelen aangaande de werkzaamheden op het uit te breiden deel aan de noordzijde van het plangebied dienen te worden beschreven in een ecologisch werkprotocol.
Dit werkprotocol is als bijlage 22 toegevoegd. Rekening houdend met de mitigerende maatregelen en zorgplicht voldoet de ontwikkeling aan de vereisten gesteld in de Wet natuurbescherming en het relevante natuurbeleid van de provincie. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt, rekening houdend met de te nemen maatregelen en zorgplicht zoals opgenomen in het werkprotocol, niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden of effecten op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.8
Verkeersaspecten
Toetsingskader Bij een ruimtelijk plan dat nieuwe activiteiten mogelijk maakt, dient onder meer voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en mag de eventuele verkeerstoename niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Onderzoek Parkeren Op basis van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' hanteert de gemeente Schouwen-Duiveland een kengetal van 1 parkeerplaats per 3 slaapplaatsen voor de parkeerbehoefte. Omdat de insteek is om voor het gehele terrein, en niet enkel de beoogde uitbreiding, te voldoen aan de parkeernormen, wordt hierna de parkeeropgave getoetst. Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het aantal slaapplaatsen. Het aantal slaapplaatsen op niet-permanente standplaatsen en voor permanente standplaatsen bedraagt gemiddeld 3,5 slaapplaatsen per standplaats (conform gegevens camping Zonnedorp). De bestaande en de nieuwe kampeerhuisjes zijn voorzien van 4 slaapplaatsen per kampeerhuisje. De parkeerbehoefte van de toekomstige en huidige situatie is berekend in tabellen 4.9.1 en 4.9.2.
44/58
Tabel 4.9.1 Parkeerbehoefte toekomstige situatie Aantal Niet-permanente standplaatsen (3,5 s.p.) 69 Permanente standplaatsen (3,5 s.p.) 137 Kampeerhuisjes (4 s.p.) 37 Totaal
slaapplaatsen (s.p.) 241,5 479,5 148
norm 1 p./3 s.p. 1 p./3 s.p. 1 p./3 s.p.
parkeerbehoefte 80,5 159,9 49,3 290
slaapplaatsen (s.p.) 241,5 479,5 124
norm 1 p./3 s.p. 1 p./3 s.p. 1 p./3 s.p.
parkeerbehoefte 80,5 159,9 41,3 282
Tabel 4.9.2 Parkeerbehoefte huidige situatie Niet-permanente standplaatsen (3,5 s.p.) Permanente standplaatsen (3,5 s.p.) Kampeerhuisjes (4 s.p.) Totaal
Aantal 69 137 31
Uit tabel 4.9.1 blijkt dat bij een volledige bezetting van de camping de totale parkeerbehoefte in de toekomstige situatie 290 parkeerplaatsen bedraagt. Dit betreft een toename van de parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen (290 - 282). De parkeerbehoefte wordt opgevangen binnen het terrein van Camping Zonnedorp en de parkeerplaats ten zuiden van de Korte Moermondsweg. Bij elke standplaats en bij elk kampeerhuisjes is één parkeerplaats aanwezig. Ook bij de 6 nieuwe kampeerhuisjes wordt bij elk kampeerhuisje één parkeerplaats gerealiseerd. Dit betekent dat bij de recreatieve verblijven in totaal 243 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Nabij de entree zijn daarnaast 5 parkeerplaatsen aanwezig. Op de parkeerplaats aan de overzijde zijn 61 parkeerplaatsen aanwezig. In totaal is sprake van 309 parkeerplaatsen. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van de huidige en toekomstige situatie. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie wordt op basis van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' berekend op basis van 2,2 mvt/etmaal per parkeerplaats. Het aantal parkeerplaatsen per type verblijfseenheid is hiervoor berekend in tabel 4.9.1 en 4.9.2. De verkeersgeneratie van de toekomstige en huidige situatie is berekend in tabel 4.9.3. Tabel 4.9.3 Verkeersgeneratie toekomstige situatie parkeerplaatsen Huidige situatie 282 Nieuwe kampeerhuisjes 8 Toekomstige situatie 290
norm 2,2 p/p 2,2 p/p 2,2 p/p
verkeersgeneratie 620,4 mvt/etmaal 17,6 mvt/etmaal 638 mvt/etmaal
Uit tabel 4.9.3 blijkt dat de totale verkeersgeneratie in de toekomstige situatie 638 mvt/etmaal bedraagt. Dit betreft een toename van de verkeersgeneratie van 18 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Verkeersafwikkeling
45/58
De recreatieverblijven op Camping Zonnedorp worden deels via de zuidzijde en deels via de noordzijde van het terrein ontsloten. De hoofdentree en de gronden ten zuiden van de Korte Moermondsweg worden ontsloten via de Korte Moermondsweg. De camping en de parkeerplaats hebben beide één aansluiting op de Korte Moermondsweg. Via de Korte Moermondsweg gaat het verkeer in oostelijke richting naar de N652. Via de westelijke zijde is het centrum van Renesse te bereiken. De kampeerhuisjes op de noordzijde van het terrein worden los ontsloten ten opzichte van het zuidelijke deel. Via de oostzijde is het terrein te bereiken via de Scharendijkseweg. Deze komt aan de noordzijde uit op de Rampweg en aan de zuidzijde op de Korte Moermondsweg. Via de westzijde is het terrein te bereiken via het parkeerterrein aan de Rampweg. Conclusie Ten aanzien van de verkeersaspecten zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Wegverkeerslawaai
Beleid en normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Kampeerhuisjes worden op basis van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als geluidgevoelige functie. Dat laat onverlet dat de ontwikkelaar een goed verblijfsklimaat wil verzekeren. Om die reden worden de kampeerhuisjes getoetst als ware zij een geluidgevoelige functie.
Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend
46/58
onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient voor geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van gezoneerde wegen en binnen de zone van de ontwikkelingslocatie, onderzocht te worden of het akoestisch leefklimaat niet wordt belemmerd. De recreatieverblijven binnen camping Zonnedorp, inclusief de fruitboomgaard, zijn bestaande objecten en hoeven niet als dusdanig te worden onderzocht. Met de realisatie van 6 nieuwe recreatieve verblijfseenheden in de noordwest hoek is echter sprake van de toevoeging van nieuwe geluidgevoelige objecten binnen gronden waar deze voorheen niet waren toegestaan. Voor dit deel is akoestisch onderzoek noodzakelijk. Uit onderzoek, in 2016 uitgevoerd door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing, wordt geconcludeerd dat als gevolg van de realisatie van de 6 nieuwe recreatieverblijven, geen verslechtering van het akoestisch leefklimaat optreedt voor geluidgevoelige objecten in de nabije omgeving. Daarnaast kunnen de nieuwe recreatieverblijven mogelijk worden gemaakt in een acceptabel leefklimaat ten gevolge van het wegverkeer op de Rampweg en het geluid vanaf het naastgelegen parkeerterrein, indien op de perceelsgrens met het parkeerterrein een scherm of wal wordt opgericht.
Vanwege onder andere de iets gewijzigde positionering van de bebouwing, ten opzichte van de inrichting uit 2019, is in 2021 een aanvullende notitie opgesteld. Uit de notitie blijkt dat ter plaatse van de nu geprojecteerde uitbreiding de geluidbelasting vanwege de Rampweg, zonder het treffen van maatregelen in de overdracht, niet meer zal bedragen dan 48 dB. Uit de notitie blijkt verder dat vanwege het gebruik van het parkeerterrein ten zuiden van de Korte Moermondsweg de maximale geluidniveaus op de gevels van woningen van derden niet worden overschreden. Het gebruik van het parkeerterrein vormt dan ook geen belemmering. Afschermende maatregelen op de perceelsgrens zijn dan ook niet noodzakelijk. Het volledige onderzoek uit 2016 en het uitgevoerde addendum is bijgevoegd in bijlage 23 en bijlage 24. In bijlage 25 is de aanvullende notitie uit 2021 opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde planvoornemen niet zal leiden tot een onaanvaardbaar akoestisch klimaat ter plaatse van het plangebied en dat de ontwikkeling geen belemmering vormt voor gevoelige functies in de omgeving. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Milieuhinder en bedrijven Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen en recreatiewoningen: een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen en recreatiewoningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen.
47/58
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid, woningen en recreatiewoningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven". Onderzoek Binnen het plangebied is sprake van een bestaand recreatieterrein, inclusief fruitboomgaard, een uit te breiden deel, een parkeerterrein en natuurontwikkeling. Omdat binnen het bestaande recreatieterrein, inclusief fruitboomgaard, geen sprake is van planologische wijzigingen, behalve de afname van het totaal aantal eenheden, is toetsing aan de richtafstanden voor dit deel niet noodzakelijk. De 6 nieuwe recreatieverblijven worden echter gerealiseerd binnen het uit te breiden deel.
Overeenkomstig de VNG-publicatie geldt voor 'kampeercentra, vakantiecentra' een richtafstand van 50 meter in een rustig buitengebied/rustige woonwijk. De dichtstbijzijnde woning (Rampweg 9) is gelegen op circa 35 meter van het uit te breiden deel. Aan de richtafstand wordt niet voldaan. De genoemde richtafstand geldt voor grote vakantiecentra en kampeercentra met bijbehorende voorzieningen. Omdat de beoogde ontwikkeling slechts 6 nieuwe kampeerhuisjes omvat zal ter plaatse van de woning geen relevante milieuhinder optreden. Bovendien is het bestaande deel van het vakantiepark reeds dichter bij de woning Rampweg 9 gelegen. Het parkeerterrein aan de overzijde van de Korte Moermondsweg is gelegen op circa 29m van de bedrijfswoning behorende bij de inrichting, Korte Moermondsweg 5A. De woningen Laone 16 en Korte Moermondsweg 8 zijn gelegen op meer dan 100 meter van het parkeerterrein. De afstand tot de woning Korte Moermondsweg 3 is ruim 60 meter. Voor een parkeerterreinen geldt volgens de VNG-brochure een richtafstand van 30m in een rustig buitengebied/rustige woonwijk en 10 meter voor gemengd gebied. Aangezien de bedrijfswoning van Zonnedorp onderdeel uitmaakt van de inrichting, is de richtafstand niet van toepassing op deze woning. Voor de overige woningen in de omgeving wordt ruim aan de richtafstand voldaan.
Bovendien blijkt uit akoestisch onderzoek dat het gebruik van het parkeerterrein geen nadelig effect heeft om omliggende functies, zie paragraaf 4.9. De nieuwe recreatiewoningen komen op ruim 20 meter van de parkeerplaats aan de Rampweg. Tussen de parkeerplaats en de recreatiewoningen ligt een randbeplanting van 10 meter dat waar nodig aangevuld wordt met streekeigen beplanting. Verschillende functies komen in het gebied bij elkaar; verkeer, recreatie, wonen, horeca en natuur. Het projectgebied ligt dus in een gemengd gebied en daarmee wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter. De parkeerplaats wordt met name gebruikt voor toegang tot het natuurgebied. Bezoekers van het natuurgebied parkeren voor langere tijd waardoor de parkeerplaats overdag en zeker in de avond niet intensief wordt gebruikt. De parkeerplaats staat een kwalitatief woon- en leefklimaat voor de recreatiewoningen niet in de weg.
48/58
De verdere ontwikkeling van natuur aan de overzijde van de Korte Moermondsweg betreft geen activiteit met een mogelijke hinder voor gevoelige functies. Conclusie Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er worden geen bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering.
4.11 Luchtkwaliteit Beleid en normstelling De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1. weergegeven. Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van ) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De toevoeging van 6 kampeerhuisjes valt ruim onder de grenswaarden en draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
49/58
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N57; Dammenweg, op meer dan 2 kilometer ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in de prognose voor 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020 ten hoogste; 13,0 µg/m³ voor NO2, 16,3 µg/m³ voor PM10 en 8,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,0 dagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit vanwege de grotere afstand ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn.
Figuur 4.9.1 Uitsnede NSL tool (plangebied met paars aangegeven) Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.12 Externe veiligheid Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar)
50/58
en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de huidige en in de toekomstige situatie is sprake van een vakantiepark. Het planologisch toegestane aantal eenheden binnen het plangebied zal in de toekomstige situatie afnemen. Volgens de professionele risicokaart is het plangebied grotendeels gelegen binnen de inrichtingsgrens van Camping Zonnedorp.
Zowel de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar als de 1% letaliteitsafstand van Camping Zonnedorp bereiken niet het deel waar nieuwe recreatieve verblijfseenheden worden gerealiseerd. Met het planvoornemen worden verder geen (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd. Verder zijn in de nabije omgeving ook Strandpaviljoen Kijkduin en Camping Renesse aangegeven als risicovolle inrichtingen. Ook voor deze inrichtingen geldt dat de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar en de 1% letaliteitsafstand niet het plangebied bereiken. Verder vindt in en nabij het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, spoor, water of door buisleidingen. De N57 maakt onderdeel uit van het Basisnet en heeft een groepsrisicocontour van 73 m, maar ligt op meer dan 2 kilometer van het plangebied. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.13 Kabels en leidingen Beleid en normstelling Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Met eventueel aanwezige overige (planologische niet relevante) leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen
51/58
nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Dergelijke kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs en/of in combinatie met aanwezige infrastructuur. De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON, 2018) regelt de wijze van informatie-uitwisseling tussen netbeheerders en degenen die graafwerkzaamheden uitvoeren (particulieren en bedrijven). Doel van deze wet is onder andere de (economische) schade aan bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken te verminderen en de veiligheid van de graver en directe omgeving te bevorderen. Particulieren en bedrijven die de graafwerkzaamheden uitvoeren en ook hun opdrachtgevers moeten de graafwerkzaamheden verplicht melden bij het Kadaster met een KLIC melding en moeten ervoor zorgen dat graafwerkzaamheden zorgvuldig (kunnen) worden uitgevoerd. De WIBON wordt gehandhaafd door het Agentschap Telecom, onderdeel van het ministerie van economische zaken. Het Agentschap bezoekt ook graaflocaties en kan bij overtredingen onder meer boetes opleggen. Onderzoek en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante hoogspanningslijnen, buisleidingen of telecomverbindingen aanwezig, waarmee voor voorliggende planontwikkeling bestemmingsplanmatig rekening moet worden gehouden.
Op het moment van daadwerkelijke realisering van de voorgenomen ontwikkeling zal tenminste drie werkdagen voor de aanvang van de graafwerkzaamheden door degene die de graafwerkzaamheden, uitvoert via een Klick-melding (moeten) worden meegedeeld waar en wanneer wordt gegraven. De ontwikkeling vormt zodoende geen belemmering voor kabels en leidingen.
4.14 Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie Beleid en normstelling Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Onderzoek en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor energie neutrale gebouwen (ENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw van de kampeerhuisjes zal hieraan voldoen. Mede met het oog op de gewenste kwaliteitsslag wordt in de nieuwe situatie duurzaam gebouwd. De te nemen duurzame maatregelen zijn een speerpunt van de ontwikkeling en zijn onder meer: de gebouwen worden gasloos verwarmd en voorzien van 'slimme' thermostaten; een lage EPC van kampeerhuisjes; onderzoek naar inkopen van duurzame stroom;
52/58
een optimale situering kampeerhuisjes en waar mogelijk voorzien van zonwering en overstekken op zuidgevels; natuurontwikkeling op de park en ten zuiden van de Korte Moermondsweg. Duurzaamheid wordt ook nagestreefd in het materialenpaspoort van de bebouwing en de wijze van bouwen (ten minste deels prefab, teneinde zware bouwactiviteiten op het park zelf te voorkomen).
53/58
Hoofdstuk 5
Financiële uitvoerbaarheid
Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Het plangebied is eigendom van de initiatiefnemer. De kosten van deze ontwikkeling zijn derhalve volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Met de gemeente Schouwen-Duiveland is een anterieure overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat de kosten van de gehele planontwikkeling, de voorbereiding en de uitvoering daarvan, door de initiatiefnemer worden gedragen. De raad heeft vastgesteld dat de initiatiefnemer een solvabele partij is, die over voldoende financiële draagkracht beschikt om de voorziene ontwikkeling uit te voeren. Op basis van een verrichte raming van de kosten en de financieringsopzet is vastgesteld dat sprake is van een sluitende exploitatie en dat er geen onvoorziene hoge kosten te verwachten zijn. Bovendien is gebleken van een behoefte aan de planontwikkeling. Daarmee is de financiële uitvoerbaarheid van de planontwikkeling die het onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt, afdoende gewaarborgd.
54/58
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische uitvoerbaarheid
Wettelijk kader
In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
6.2
Opzet van de bestemmingsregeling
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang. Verbeelding Eisen aan de verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. De bestemmingen worden door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'W' voor 'Wonen'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd. Een veel voorkomende bouwaanduiding is die voor de maximum goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen; deze worden aangegeven door middel van een matrix. Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, zijn er dubbelbestemmingen die op de verbeelding herkenbaar zijn aan arceringen. De gehanteerde bestemming Voor het plangebied is een recreatiebestemming voor het kampeerterrein opgenomen. Voor deze bestemmingsregelingen is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Kop van Schouwen' en de '1e herziening Kop van Schouwen'.
Naast deze enkelbestemmingen blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6' behouden. De randen van het plangebied worden waar nodig ten behoeve van landschappelijke inpassing voorzien van de bestemming 'Groen - Landschappelijk'. Het natuurgebied krijgt de bestemming 'Natuur', waar het parkeerterrein apart wordt aangeduid. Regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. In Hoofdstuk 1 worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.
55/58
In Hoofdstuk 2 worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven. Hoofdstuk 3 bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling. Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.
6.3
Toelichting op de gehanteerde bestemmingen
Groen - Landschappelijk De landschappelijke inpassing is geborgd in de bestemming 'Groen - Landschappelijk'. Natuur De gronden ten zuiden van de Korte Moermondsweg worden bestemd als 'Natuur'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. Daarnaast zijn ondergeschikte recreatieve voorzieningen mogelijk. Recreatie - Kampeerterrein Op het huidige terrein en het uit te breiden deel is de bestemming 'Recreatie - Kampeerterrein' opgenomen. Het totaal aan standplaatsen wordt vastgelegd op 243. Daarbij wordt een maximum aantal van 37 kampeerhuisjes op evenzoveel standplaatsen aangeduid. De aanduidingen voor de voorzieningen worden overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Verkeer Het parkeerterrein is bestemd als 'Verkeer'. Waarde - Archeologie - 6 (dubbelbestemming) De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6' dient ter bescherming van de archeologische verwachting.
6.4
Toelichting op de algemene regels
Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen. Anti-dubbeltelregel (Artikel 10) Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen
56/58
dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld als (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken. Algemene bouwregels (Artikel 11) Dit artikel bevat twee subleden aangaande minimale en maximale maatvoeringen. Overige regels (Artikel 13) Dit artikel bevat een bepalingen ten aanzien van de parkeerregeling.
6.5
Toelichting op de overgangs- en slotbepalingen
In artikel 14 is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 14.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 14.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Artikel 15 bevat de slotregel.
57/58
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De ingediende reacties en beantwoording zijn opgenomen in een Antwoordnota, zie Bijlage 27.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage. In deze periode kan eenieder zienswijzen tegen het bestemmingsplan naar voren brengen.
7.3
Beroep
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
58/58