1022793 Bijlage 5 RO Vismigratiemiddel en spuimiddel
Tekst van het document
GEMEENTE SCHOUWEN-DUIVELAND Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie- en spuimiddel, Krammersluizencomplex’
Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland bij besluit van ……,
De secretaris,
De burgemeester,
opdrachtgever titel
Rijkswaterstaat Zee en Delta Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie- en spuimiddel, Krammersluizencomplex’
projectnummer status
SD 4004-2 Definitief concept
’s Heer Abtskerke Polderweg 6, 4444 AA tel: +31 6 11782614 e-mail: info@planomgeving.nl URL: www.planomgeving.nl
Datum
13 juli 2023
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ten behoeve van de realisatie van vismigrartie- en spuimiddel op het Krammersluizencomplex in de gemeente Schouwen-Duiveland
INHOUD 1
INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Vigerend bestemmingsplan 1.3 Leeswijzer
3 3 3 4
2
HUIDIGE EN BEOOGDE SITUATIE 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde situatie
5 5 6
3
BELEIDSKADERS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
10 10 12 15
4
KWALITEIT VAN DE LEEFOMGEVING 4.1 Bodem 4.2 Archeologie 4.3 Water 4.4 Ecologie / flora en fauna 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Geluidhinder 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Externe veiligheid 4.9 Overige belemmeringen
18 18 18 18 20 28 29 29 30 30
5
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
31
6
PROCEDURELE ASPECTEN
33
7
MOTIVERING 7.1 Afweging 7.2 Conclusie
35 35 35
Bijlage 1. Quickscan natuur; 2. Passende beoordeling; 3. Onderzoek Noorse Woelmuis; 4. Wnb-vergunning Zoet-Zoutscheiding Krammersluizen 2022; 5. Brief verzoek vrijstelling NGE en goedkeuring gem. Schouwen-Duiveland; 6. Projectplan Waterwet 23 juli 2018; 7. Gewijzigd Projectplan Waterwet 10 juli 2020.
1
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
Projectgebied
Figuur 1: Topografische kaart met ligging van het projectgebied
Projectgebied
Figuur 2: Luchtfoto ligging projectgebied
2
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding Het Krammersluizencomplex ligt in de Philipsdam, tussen de zoute Oosterschelde en het zoete Volkerak-Zoommeer. Ruim dertig jaar na de ingebruikname is het Krammersluizencomplex toe aan groot onderhoud. Een omvangrijk renovatieproject moet ervoor zorgen dat het complex ook in de toekomst vlot en veilig bereikbaar blijft. Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om twee kokers aan te leggen ten behoeve van een vismigratie- en als spuimiddel. Beoogd wordt dit vismigratie- en spuimiddel in het middenhoofd van de duwvaartsluizen te realiseren. In figuur 1 en 2 is respectievelijk een topografische kaart en de ligging van de projectlocatie opgenomen.
1.2
Vigerend bestemmingsplan Het te ontwikkelen projectgebied is gelegen in het rijksinpassingsplan ‘Windpark Krammer’ (vastgesteld 3 oktober 2015) en kent de bestemming ‘Waterstaatswerken - Windturbinepark’. Binnen de regels van de bestemming ‘Waterstaatswerken - Windturbinepark’ is de realisatie van de beoogde ontwikkelingen niet toegestaan. Er bestaat binnen het bestemmingsplan geen afwijkingsen/of wijzigingsbevoegdheid om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Hierdoor is het noodzakelijk om een planologische procedure te doorlopen om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren.
Projectgebied Figuur 3: Uitsnede bestemmingsplan ‘Windpark Krammer’
Alvorens wordt overgegaan tot het doorlopen van een planologische procedure is de beoogde ontwikkeling aan de gemeente Schouwen-Duiveland voorgelegd. De gemeente heeft aangegeven dat ze een positieve grondhouding heeft ten aanzien van de ontwikkeling. Vanwege de positieve grondhouding is besloten om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken middels een buitenplanse procedure (uitgebreide procedure, deelvergunningentraject) met een
3
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt gevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning (deelvergunning planologie, ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’) voor de ontwikkeling. De aannemer kan vervolgens een omgevingsvergunning voor het deel ‘Bouwen’ aanvragen en hiervoor geldt de reguliere vergunningsprocedure. 1.3
Leeswijzer De ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 is de aanleiding voor het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing beschreven. In hoofdstuk 2 wordt de situatie in haar context beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk een toelichting op de ontwikkeling gegeven. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de verschillende relevante beleidskaders toegelicht en zal de ontwikkeling hieraan worden getoetst. In hoofdstuk 4, kwaliteit van de leefomgeving, komen de milieuaspecten aan de orde. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 5 aan bod. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de procedurele aspecten. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een motivering voor afwijking van het vigerende bestemmingsplan gegeven.
4
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
2
HUIDIGE EN BEOOGDE SITUATIE
2.1
Huidige situatie Het Krammersluizencomplex ligt in de Philipsdam, tussen de zoute Oosterschelde en het zoete Volkerak-Zoommeer en is zo’n 30 jaar geleden gerealiseerd. Het Krammersluizencomplex is één van de dertien Deltawerken, die het zuidwesten van Nederland moeten beschermen tegen hoogwater vanaf zee. Het maakt onderdeel uit van het Deltaplan, dat na de stormvloedramp in 1953 is opgesteld. Volgens dit plan zouden alle zeearmen in het zuidwesten van Nederland worden afgesloten. Oorspronkelijk was het de bedoeling om ook de Oosterschelde met een dam af te sluiten. Samen met het Krammer-Volkerak zou de Oosterschelde één groot zoet meer gaan vormen. Tegen dit plan ontstond veel publieke weerstand. Het zoute water van de Oosterschelde en de getijdenwerking waren namelijk van grote betekenis voor de natuur en de visserij. Begin jaren zeventig besloot de regering dan ook het plan te wijzigen. In de monding van de Oosterschelde werd een afsluitbare stormvloedkering gebouwd: de Oosterscheldekering. Door de aanleg van de Oosterscheldekering kon minder zeewater de Oosterschelde in- en uitstromen en werd het verschil tussen eb en vloed kleiner. Dit was nadelig voor planten en dieren. Om de getijdenwerking te versterken moest de Oosterschelde kleiner gemaakt worden. Dat gebeurde door haar in ‘compartimenten’ op te delen.
Hiervoor zijn twee scheidingsdammen aangelegd, zogenaamde compartimenteringsdammen: de Philipsdam in het noordoosten en de Oesterdam in het zuidoosten. De Philipsdam scheidt het zoete Volkerak-Zoommeer en de zoute Oosterschelde. De 4 Krammersluizen in de dam zorgen ervoor dat schepen kunnen blijven passeren. Doordat de dam het zoete Volkerak-Zoommeer van de zoute Oosterschelde scheidt, blijft het water in het meer bovendien zoet en van goede kwaliteit. Boeren gebruiken dit water voor land- en tuinbouw, een bijkomend voordeel van de afdamming. De Krammersluizen in de Philipsdam zorgen ervoor dat een open verbinding voor de scheepvaart, alsmede een goede scheiding van het zoute en het zoete leefmilieu mogelijk is.
Figuur 4: Overzicht zuidwestelijke delta (deels)
5
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
De Krammersluizen en het bijbehorende complex hebben diverse functies. 1. Passage voor scheepvaart De Krammersluizen zijn onderdeel van de hoofdtransportas voor beroepsvaart tussen Rotterdam, Terneuzen, Vlissingen-Oost, Antwerpen, Gent en Frankrijk. Daarnaast is het een knooppunt tussen de Krammer, Zijpe en Grevelingen en daarmee een doorgaande route voor de pleziervaart. 2. Scheiden van zoet en zout water De Philipsdam, met daarin de Krammersluizen, houdt de scheiding tussen de zoute Oosterschelde en het zoete Volkerak-Zoommeer in stand. 3. Getijvrije Schelde-Rijnverbinding De Philipsdam en Krammersluizen houden het waterpeil op het Schelde-Rijnkanaal constant, zodat de scheepvaart altijd kan passeren. Door de handhaving van het getij hebben de vaste bruggen bij hoogwater onvoldoende doorvaarthoogte en is het Schelde-Rijnkanaal bij laagwater te ondiep. De verbinding is van groot belang voor de haven van Antwerpen en Rotterdam. 4. Kruisen van wegverkeer De Philipsdam is een belangrijke verbinding voor het regionale autoverkeer tussen SchouwenDuiveland, Goeree-Overflakkee, Tholen en het westen van Brabant. De 650 meter lange Krammerbrug is onderdeel van de N257. 5. Keren van water De Philipsdam is als kering onderdeel van het Deltaplan, met als doel overstromingen door hoogwater te voorkomen. Na de Oosterscheldekering is de Philipsdam de tweede barrière tegen het water. 6.
Flora en fauna De aanleg van de Philipsdam (midden in Natura 2000-gebied) heeft het landschap eromheen sterk veranderd. Door aanslibbing zijn kwelders ontstaan met een rijk dierleven. 7. Windenergie Het complex biedt ruimte aan een windmolenpark voor het opwekken van energie. 8. Uitkijktoren Op het complex staat een uitkijktoren die publiekelijk toegankelijk is. 2.2
Beoogde situatie Ruim dertig jaar na de ingebruikname is het Krammersluizencomplex toe aan groot onderhoud. Een omvangrijk renovatieproject moet ervoor zorgen dat het complex ook in de toekomst vlot en veilig bereikbaar blijft. De meest bijzondere onderdelen van het project zijn de vervanging van de huidige zoet-zoutscheiding in de duwvaartsluizen en de toevoeging van een doorlaatmiddel. De huidige zoet-zoutscheiding wordt vervangen door een nieuw systeem dat een bellenschermen combineert met spoelen van zoet water. Om het water te spoelen worden twee spuikokers aangelegd die tevens
6
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
als vismigratiemiddel dienen. Deze spuikokers worden aangebracht in het middenhoofd van de duwvaartsluizen.
Projectgebied
Figuur 5: Projectlocatie lvismifratie- en spuimiddel (middenhoofd)
Het middensluishoofd is een betonnen bak gevuld met zand. Voor het aanbrengen het vismigratie- en spuimiddel (bestaande uit naar verwachting twee spuikokers met een gezamenlijke opening van 12 m2 en een lengte van circa 24 meter) zijn de volgende werkzaamheden voorzien: - verwijderen bestrating van middensluishoofd; - uitgraven van zand (zo nodig plaatsen van stempel uit wanden van de kuip stabiel te houden); - plaatsen van spuikokers; - plaatsen van taatskuipen (waarmee onder het wateroppervlak droog kan worden gewerkt) aan beide zijden van middensluishoofd; - zagen (of anderszins realiseren) van gaten in de wanden; - afwerken van de gaten en plaatsen van afsluitmiddelen; - verwijderen van de taatskuipen.
7
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
Figuur 6: Impressie ‘spuikokers’
8
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
Locatie spuikokers
Figuur 7: Locatie spuikokers
9
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
3
BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het voor de beoogde ontwikkeling relevante beleid van Rijk, provincie en gemeente. Aan het eind van dit hoofdstuk wordt in de paragraaf ‘Toetsing beleidskaders’ beschreven waarom de beoogde ontwikkeling past binnen het vigerende beleid van de genoemde overheden.
3.1
Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie
Beleidskader Gemeenten, provincies en het Rijk worden verplicht om een omgevingsvisie op te stellen vanuit de nieuwe Omgevingswet. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. De NOVI kent onder meer de volgende vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Toetsing De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en kent geen ruimtelijke relevantie voor het onderhavige project.
Conclusie In de NOVI is geen specifiek ruimtelijk beleid opgenomen voor de omgeving van het projectgebied. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Beleidskader Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling op rijksniveau van het beleid dat geschetst is in de SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Toetsing Evenals de NOVI wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Vanuit het Barro zijn er geen artikelen relevant voor de beoogde ontwikkeling, c.q. het projectgebied.
Conclusie In het Barro is geen specifiek ruimtelijk beleid opgenomen voor de omgeving van het projectgebied. Besluit ruimtelijke ordening
Eisen aan de toelichting
10
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
In artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; de uitkomsten van het overleg met officiële instanties de uitkomsten van het verrichte onderzoek; een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken; de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Op al deze punten wordt in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing ingegaan. Ingevolge artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is dit artikel ook van toepassing voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling die met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo mogelijk wordt gemaakt. Verder is in (artikel 3.1.6. lid 2) van het Bro vastgelegd dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt dat de behoefte aan die ontwikkeling dient te worden gemotiveerd. Het artikel luidt als volgt:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In welke gevallen er sprake is van een stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voor andere stedelijke ontwikkelingen (naast de functies wonen, winkels, kantoren en bedrijventerrein) als bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro, in de vorm van een terrein is 'in beginsel' geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt. Uit de Nota van toelichting op het Bro (2017) blijkt dat de aard en omvang van de ontwikkeling bepalend zijn voor de reikwijdte van het onderzoek naar, de beschrijving van en het overleg over de behoefte, waarvan de uitkomsten dienen te zijn opgenomen in de plantoelichting.
Daaruit blijkt voorts dat het primair aan de bestuursorganen is om op basis van het ruimtelijke verzorgingsgebied van de nieuwe stedelijke ontwikkeling te bepalen hoe uitgebreid het onderzoek moet plaatsvinden, met welke bestuursorganen en diensten het overleg over de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gevoerd en tot welk gebied de onderbouwing van de behoefte zich uitstrekt. Dit gebied kan verschillen naar gelang de aard en de omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling in relatie tot de context. Anders gezegd, van geval tot geval zal moeten worden bezien welk schaalniveau past bij de behoefte, in de leniging waarvan de door het plan mogelijk gemaakte stedelijke ontwikkeling voorziet, gelet op de aard en omvang daarvan (uitspraken van 11 maart 2015,
11
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
ECLI:NL:RVS:2015:715 (Beek), van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:798 (Asten) en van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2921 (Geldermalsen)).
Stedelijke ontwikkeling Door de aard en omvang van het project kan de beoogde ontwikkeling niet worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.
Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een vismigratie- en spuimiddel in een reeds bebouwde omgeving het Krammersluizencomplex. Het gaat om het realiseren van twee kokers in de bestaande betonconstructie. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd buiten het bestaand stedelijk gebied, alsmede dat de ontwikkeling voorziet in de behoefte van een sluizencomplex dat dient te voldoen aan de eisen van deze tijd. Het ruimtebeslag overschrijdt niet de 500m2. Rijksinpassingsplan ‘Windpark Krammer Het te ontwikkelen projectgebied is gelegen in het rijksinpassingsplan ‘Windpark Krammer’ (vastgesteld 3 oktober 2015) en kent de bestemming ‘Waterstaatswerken - Windturbinepark’. Binnen de regels van de bestemming ‘Waterstaatswerken - Windturbinepark’ is de realisatie van de beoogde ontwikkelingen niet toegestaan. Er bestaat binnen het bestemmingsplan geen afwijkingsen/of wijzigingsbevoegdheid om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Hierdoor is het noodzakelijk om een planologische procedure te doorlopen om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren.
Figuur 8: Uitsnede bestemmingsplan ‘Windpark Krammer’ Projectgebied
3.2
Provinciaal beleid Omgevingsvisie Zeeland
Beleidskader De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen die op ons afkomen, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.
12
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
De Zeeuwse Omgevingsvisie staat niet op zichzelf, net zoals Zeeland niet los te zien is van zijn omgeving. Wereldwijd hebben de landen van de Verenigde Naties de Duurzame Ontwikkelingsdoelen vastgesteld. De doelen helpen om nu en in de toekomst voor iedereen brede welvaart te bieden, dus vooruitgang op sociaal-maatschappelijk, economisch én ecologisch gebied. Het gaat dan bijvoorbeeld om de thema’s gezondheid, voorzieningen, woonomgeving, bereikbaarheid, onderwijs en arbeidsmarkt. Op nationaal niveau is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Daarin geeft het kabinet richting aan de grote opgaven waar Nederland voor staat. De NOVI stelt vier prioriteiten en geeft afwegingskaders mee voor keuzes over concrete activiteiten. Uitvoering van de NOVI vindt gebiedsgericht plaats via samenwerking in Omgevingsagenda’s. Voor Zeeland is dat de Omgevingsagenda Zuidwest. Uitdagingen en ambities Het gaat goed met Zeeland. De Zeeuwse woonomgeving wordt gewaardeerd, net als de natuur en waardevolle landschappen. Het midden- en kleinbedrijf (MKB), de havens, de landbouw en recreatie en toerisme zijn belangrijke pijlers voor de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid. Er zijn wel uitdagingen. De klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing.
Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Hierna wordt ingegaan op de ambitie Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland. De doelstelling voor 2030 met betrekking tot de Deltawateren is dat deze veilig, economisch aantrekkelijk en ecologisch gezond is.
De Deltawateren De Deltawateren zijn nationaal en internationaal bijzonder gewaardeerde gebieden vanwege de natuurwaarden, recreatiemogelijkheden, beroepsvaart en (schelpdier)visserij. Het gebied ligt op het kruispunt van twee internationale natuurcorridors: de oost-westroute in de vismigratie en de noordzuidroute van de vogeltrek. In de delta werken we op regionaal, nationaal en internationale schaal samen aan een ecologisch gezonde, veilige en economisch aantrekkelijke delta. Een ecologisch gezond watersysteem vormt de basis voor het gebruik van de Deltawateren. Vanuit (programmatische) kaders zoals PAGW (Programmatische Aanpak Grote Wateren), Natura 2000 en Kaderrichtlijn Water (KRW) wordt structureel gewerkt aan het functioneel herstel en behoud van de ecologische kwaliteit van de Deltawateren.
Volkerak-Zoommeer Door de Deltawerken is het Volkerak-Zoommeer (VZM) getransformeerd van een dynamisch zout systeem met getij in een stagnant meer dat is verzoet door de voeding met (uitsluitend nog) water uit het Hollandsch Diep en de Brabantse beken. Daardoor heeft de karakteristieke deltanatuur deels plaatsgemaakt voor soorten en habitats die meer gebaat zijn bij zoete omstandigheden en leven in stilstaand water. Door het wegvallen van het getij en de verzoeting is het meer kwetsbaar geworden voor nutriëntenproblematiek. Met name blauwalgen kunnen in de zomerperiode voor overlast zorgen voor het lokale woon- en leefmilieu, voor recreatie en toerisme en voor de landbouw door innamestops van zoet water uit het VZM. Door de afsluiting van het VZM zijn ook de mogelijkheden voor vismigratie verkleind.
13
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
Uit onderzoek naar de klimaatrobuustheid van het huidige zoete Volkerak-Zoommeer blijkt dat er, naar verwachting, de komende decennia (tot 2050) geen noodzaak is om beperkt getij terug te brengen. De huidige zoetwaterfunctie van het Volkerak-Zoommeer kan daarmee worden gecontinueerd. Daarbij moet wel voldaan worden aan randvoorwaarden voor doorspoeldebiet van de Volkeraksluizen van 40m3/s, kweldruk van maximaal 3 kg chlorine en zoutlekbeheersing Krammersluizen na ingebruikname van de zoet-zout scheiding.
Subdoel 1: Het ecologisch systeem, de basis van de Deltawateren, is verbeterd
Het ecosysteem van zowel de zoute Oosterschelde en het zoete Volkerak-Zoommeer dient in stand te blijven Het Krammersluizencomplex is na 30 jaar toe aan renovatie. Hierbij wordt onder meer het systeem van het scheiden van zoet en zout water herzien. Het nieuwe systeem van scheiding is efficiënter, waardoor er meer geschut kan worden. Daarnaast kost het nieuwe systeem van scheiding ook minder energie.
De doelstelling voor 2030 met betrekking tot transport en infrastructuur is dat binnen Zeeland de hoofdinfrastructuur op orde is. Het doel is een mobiliteitssysteem (voor zowel personen als goederen over de weg), waarbij de steden goed bereikbaar zijn vanaf de hoofdwegen. Het onderliggende wegennet is hiermee verknoopt en biedt voor verschillende modaliteiten ruimte. De havens en industriegebieden zijn tevens multimodaal onderdeel van het mobiliteitssysteem. Buisleidingen verbinden industriële clusters, binnen en buiten de provincie. Een systeem van buisleidingen voor bijvoorbeeld het transport van koolstofdioxide en waterstof in de Kanaalzone en het Sloegebied draagt bij aan de ambities om te komen tot een klimaatneutrale haven.
Subdoel 1: De industriegebieden en steden zijn multimodaal ontsloten via weg, water, spoor en buisleidingen.
Het goederenvervoer (inclusief transport gevaarlijke stoffen) door vrachtwagens neemt al jaren toe. Vrachtwagenparkeren dient gefaciliteerd te worden. Dit maakt deel uit van planvorming voor een ‘Central Gate’ nabij het Sloegebied ter hoogte van Vlissingen- Oost en er komt mogelijk een locatie in Zeeuws-Vlaanderen. Meer dan 58% (in 2019) van het transport in Zeeland gaat via binnenvaartschepen. Met de uitbreiding van de capaciteit van de Volkerak- en Krammersluizen is een belangrijk knelpunt verdwenen. Actie 2.1 - Beheer, onderhoud en uitbreiding capaciteit waterwegen Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de rijkswaterwegen. Het renoveren van het Krammersluizencomplex is derhalve in beheer bij Rijkswaterstaat.
Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een vismigratie- en spuimiddel, als onderdeel van een groter renovatieproject voor het Krammersluizencomplex. Hierdoor wordt niet alleen de zoet en zout waterscheiding verbeterd, maar wordt dit systeem ook efficiënter, waardoor er meer beroepsvaartuigen geschut kunnen worden.
Conclusie
14
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
De beoogde ontwikkeling is passend in de Omgevingsvisie Zeeland.
Omgevingsverordening Zeeland 2018 Samenwerking tussen de provincie, andere overheden en maatschappelijke organisaties staat in het Omgevingsplan centraal. Een aantal uitgangspunten vindt de provincie van zo’n groot belang dat ze zijn opgenomen in een verordening die bindend is voor gemeenten. Gedeputeerde Staten hebben daarom ook de Omgevingsverordening Zeeland 2018 vastgesteld. Hierin zijn onder meer regels over uitbreiding van bedrijventerreinen, bescherming van natuurgebieden en regionale waterkeringen in opgenomen.
Artikel 2.27 Afwegingszone natuurgebieden
1. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan
wel regels worden gegeven voor gronden die zijn gelegen binnen 100 meter rond bestaande natuurgebieden, niet zijnde binnendijken, zoals aangegeven in bijlage 9, met inachtneming van een ingevolge artikel 2.26 vastgestelde wijziging van de begrenzing, wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden en wordt aannemelijk gemaakt dat geen onevenredige aantasting van de bedoelde kenmerken en waarden plaatsvindt. 2. (…) Toetsing In paragraaf 4.5 wordt hier verder op ingegaan. 3.3
Gemeentelijk beleid Strategische visie ‘Tij van de Toekomst De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2011 de Strategische Visie Tij van de Toekomst' vastgesteld. In de visie is opgenomen hoe de gemeente Schouwen-Duiveland er in 2040 uit zou moeten zien. In de strategische visie staat de volgende ambitie centraal: 'In 2040 kent vakantie-eiland Schouwen-Duiveland een toonaangevende watereconomie die de duurzame verbinding vormt tussen wonen, werken, zorgen en genieten'. In de visie zijn de drie strategische doelen 'werken', 'wonen' en 'verblijven' uitgewerkt.
Toetsing De strategische visie wordt gekenmerkt door onderwerpen die geen betrekking hebben op het Krammersluizencomplex.
Conclusie In de Strategische visie is geen specifiek ruimtelijk beleid opgenomen voor de omgeving van het projectgebied. Schouwen-Duiveland Buitengebied in beweging (landschappelijk raamwerk) Schouwen-Duiveland heeft een heel herkenbaar landschap. Dat landschap is van grote betekenis voor de eigen bevolking, maar ook voor toeristen en recreanten. Het aantrekkelijke landschap is een belangrijke factor voor de toeristisch-recreatieve betekenis van het eiland. Uiteraard neemt de Kop van Schouwen daarbij een belangrijke plaats in. Daarnaast draagt echter ook het
15
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
achterliggende poldergebied wezenlijk bij aan het landschapsbeeld van het eiland. De kwaliteiten van het bestaande landschap zijn sterk bepalend voor de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van het buitengebied. In het landschap komen de omgevingskwaliteiten samen, zoals de provincie die in het Omgevingsplan Zeeland heeft benoemd. Landschap, cultuurhistorie, ecologie en watersysteem vormen dan ook belangrijke onderleggers voor het nieuwe planningsinstrumentarium voor het buitengebied. Deze aspecten komen in het Landschappelijk Raamwerk aan de orde. Zeearmenlandschap Het zeearmenlandschap bestaat uit het getijdengebied van de Oosterschelde, de afgesloten zeearmen Grevelingen en Krammer. Het betreft het buitendijkse gebied inclusief havens, zandplaten, slikken en schorren. Krammer De Krammer is van karakter veranderd (zoet water zonder getij) als gevolg van de Deltawerken. Opvallende elementen zijn de zeer grootschalige Krammersluizen en de Philipsdam. De eilanden zijn veelal begroeid met boom- en struikgewas. Bebouwings- en beplantingspatroon Bebouwing is zeer beperkt aanwezig. Naast de kunstwerken zoals dammen, sluizen, en beheergebouwen is er op de Roggeplaat een windturbinepark aanwezig en zijn er bijzondere objecten als uitkijktorens. Op de zandplanten ontbreekt bebouwing.
Toetsing De beoogde locatie voor de ontwikkeling is gelegen op het Krammersluizencomplex. Het landschappelijk raamwerk wordt gekenmerkt door onderwerpen die geen betrekking hebben op het Krammersluizencomplex.
Conclusie In het landschappelijk raamwerk Schouwen-Duiveland Buitengebied in beweging is geen specifiek ruimtelijk beleid opgenomen voor de omgeving van het projectgebied. Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 Eind november stelden regio en Rijk in het Bestuurlijk Overleg Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (BO MIRT) de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 definitief vast. Daarna is de Gebiedsagenda aangeboden aan de Tweede Kamer. Een mijlpaal! En tegelijk een uitnodiging van het Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta om, met de Gebiedsagenda als inspiratie, samen verder te bouwen aan de toekomst van de Zuidwestelijke Delta. In het voorwoord benadrukken de minister van IenW, de voorzitter van het Gebiedsoverleg en de vicevoorzitter van de Adviesgroep Zuidwestelijke Delta, de urgentie om samen te werken aan een klimaatbestendige Zuidwestelijke Delta: ‘Het besef groeit dat we elkaar hard nodig hebben voor een passend antwoord op de uitdagingen van de klimaatverandering en de gevolgen ervan voor de waterveiligheid, de zoetwaterbeschikbaarheid, de ecologie, het landschap en de regionale economie.’
16
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
‘De Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 kan daarbij structuur geven,’ vervolgen zij. ‘Er zijn belangrijke opgaven uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zoals klimaatadaptatie, energietransitie, kringlooplandbouw en circulaire economie die om oplossingen op regionaal niveau vragen. De Gebiedsagenda daagt uit om de water- en andere (NOVI-)opgaven zoveel mogelijk met elkaar te verbinden tot een inspirerende aanpak voor de toekomstige ontwikkeling van de Zuidwestelijke Delta.’
Toetsing De gebiedsagenda dient nog verder uitgewerkt te worden. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan een goede scheiding tussen zoet en zout water.
Conclusie In de gebiedsagenda zijn algemene uitgangspunten geformuleerd voor de Zuidwestelijke Delta. De beoogde ontwikkeling is hierin passend.
17
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
4
KWALITEIT VAN DE LEEFOMGEVING In dit hoofdstuk komen de onderwerpen met betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving aan de orde die van belang zijn om de beoogde ontwikkeling, het realiseren van een vismigratie- en spuimiddel op het Krammersluizencomplex, mogelijk te maken.
4.1
Bodem Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. In het te realiseren vismigratie- en spuimiddel zullen geen personen verblijven langer dan 2 uur aaneengesloten. Voorts is de grond waarop het vismigratie- en spuimiddel wordt gerealiseerd kunstmatig aangelegd en hebben er tussen de aanleg en heden geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is niet noodzakelijk.
4.2
Archeologie De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt straks samen met de nieuwe nog vast te stellen Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden te zijner tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het Krammersluizencomplex is in het verleden aangelegd op een kunstmatig eiland. Archeologische en cultuurhistorische waarden worden ter plaatse derhalve niet aangetroffen. Het uitvoeren van onderzoek naar archeologische dan wel cultuurhistorische waarden is derhalve niet noodzakelijk.
4.3
Water Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf
18
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Overleg waterbeheerder In het kader van de watertoets is de waterbeheerder Rijkswaterstaat zelf. Rijkswaterstaat heeft voor de beoogde ontwikkeling een projectplan opgesteld en voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Deze heeft het projectplan ‘Innovatieve Zoet Zout Scheiding Krammersluizen’ d.d. 23 juli 2018 vastgesteld.
Samenvatting van het projectplan De Krammersluizen vormen de scheiding tussen het zoete water uit het Volkerak Zoommeer en het zoute water uit de Oosterschelde. Voor het huidig systeem van zoet zoutscheiding (ZZS) in de schutsluizen is grootschalig onderhoud nodig. In plaats van dit onderhoud is besloten om het huidige systeem van wateruitwisseling in de duwvaartsluizen te vervangen door het Innovatieve Zoet-Zout Scheidingssysteem (IZZS). Bij dit systeem wordt het zoete en zoute water van elkaar gescheiden door de toepassing van bellenschermen, in combinatie met het spoelen van zoet water, en het beperken van de deuropentijden. Voor een dergelijke wijziging aan het waterstaatswerk is het vanuit de Waterwet verplicht om een projectplan op te stellen. In dit projectplan zijn de gevolgen van de omzetting naar het nieuwe systeem beschreven. De uitvoering van het IZZS Krammersluizen is in overeenstemming met de doelstellingen van de Waterwet. Voor het project is de waterveiligheid verzekerd; er wordt voldaan aan de huidige norm. De mogelijkheden om wateroverlast rondom het Volkerak-Zoommeer te voorkomen, verbeteren doordat bij de Krammersluizen is voorzien in een nieuw vismigratie- en spuimiddel. Bij toepassing van het IZZS blijven de zoutindringing en het waterverbruik onder de norm, ook in een situatie met waterschaarste.
Significante negatieve effecten op de biologische kwaliteitskenmerken van het Volkerak Zoommeer en de Oosterschelde zijn zonder mitigerende maatregelen niet bij voorbaat uit te sluiten. Dat hangt vooral samen met de verhoogde aanvoer van minder zout water naar de Noordelijke Tak van de Oosterschelde. Door optimalisatie van de bedrijfsvoering van de Krammersluizen zijn significant negatieve effecten wel te voorkomen, zoals nader is uitgewerkt in een Passende Beoordeling. Verstoring zal worden gemitigeerd door bij de uitvoering rekening te houden met verstoringsgevoelige soorten, onder meer door gebruik te maken van geluid beperkende maatregelen. Het project heeft zowel positieve als beperkt negatieve gevolgen voor de maatschappelijke functies van het watersysteem, waaronder de functie als scheepvaartverbinding en als visserij- en schelpdierwater. De scheepvaatfunctie gaat sterk vooruit door verminderde wachttijden bij het schutten. Daartegenover staat dat de scheepvaart stremming zal ondervinden bij de uitvoering. De geoptimaliseerde bedrijfsvoering van de Krammersluizen zorgt ervoor dat mosselen geen hinder ondervinden van de verhoogde aanvoer van relatief zoet water. Migratie van vissen via de schutkolken wordt door het bellenscherm geweerd.
De potenties voor vismigratie verbeteren echter door de aanleg van een vismigratie- en spuimiddel met een minimaal gemiddeld dagdebiet van 1 m3/s (in het groeiseizoen) en een zoete lokstroom. Bij besluit van 10 juli 2020 heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het, op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet, vastgestelde Projectplan Innovatieve Zoet-Zout Scheiding Krammersluizen gewijzigd.
19
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
Wijziging projectplan In het vastgestelde projectplan werd uitgegaan van de gunning van het werk aan de aannemer in 2019. De daadwerkelijke start was voorzien eind 2019 met een totale uitvoeringsduur van circa 3 à 5 jaar. Dit was gebaseerd op het uitvoeringsbesluit IZZS in 2017. Echter is er om efficiencyredenen, om uitvoeringsrisico’s te beperken en de hinder te beperken besloten om het IZZS doelbewust als scopeonderdeel toe te voegen aan de onderhoudsopgave voor de komende jaren voor de Krammersluizen en realisatie van bediening op afstand. Realisatie van het nieuwe zoetzoutscheidingssysteem, realisatie van het onderhoud en van bediening op afstand, betreffen namelijk voor het overgrote deel werkzaamheden die in dezelfde periode aan dezelfde bouw- en installatieonderdelen van de sluis plaats gaan vinden. De efficiencyredenen betreffen onder meer de benodigde RWS-capaciteit: met het oog op de onderlinge verwevenheid van de werkzaamheden is in dit geval voor één groot project de totale benodigde capaciteit minder, dan bij twee losse projecten/projectteams. Daarnaast is men door de integrale aanpak beter in staat om samen met de aannemer de verkeershinder tijdens de uitvoering te beperken. Het beperken van de uitvoeringsrisico’s is noodzakelijk met het oog op de vele technische raakvlakken en de complexiteit van de totale opgave.
Door de onderdelen onder te brengen binnen één project (en straks één uitvoeringscontract) kunnen deze raakvlakken veel beter beheerst worden. Het integreren van de oorspronkelijke opdracht (alleen vervangen van het zoet-zoutscheidingssysteem), vast en variabel onderhoud en bediening op afstand tot het project Renovatie Krammersluizen, heeft echter wel tot gevolg dat de mijlpalen die betrekking hebben op realisatie van het nieuwe zoet-zoutscheidingssysteem alleen, niet realistisch zijn voor het totale project Renovatie Krammersluizen. De grotere scope van het project (factor 4) en het goed doorgronden van de raakvlakken tussen de scope-onderdelen vergen extra tijd in de voorbereiding. Ook het aanbestedingstraject en de uitvoeringsperiode zullen door de aard en omvang van het project meer tijd in beslag nemen. In de huidige planning is de uitvoering van de werkzaamheden voorzien in de periode 2023 tot en met 2028. Er vinden geen inhoudelijke wijzigingen plaats aan de technische uitvoering voor de onderdelen waarvoor het projectplan is vastgesteld. De beide projectplannen zijn opgenomen in de bijlagen. 4.4
Ecologie / flora en fauna
Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de voorliggende Natuurtoets wordt niet ingegaan op de bescherming van houtopstanden omdat deze niet aan de orde is aangezien er geen bomen worden gekapt in voorliggend plangebied.
20
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving.
Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Bij voorliggende toetsing wordt tevens beoordeeld of soorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). In de quickscan natuur (zie hierna) zijn de werkzaamheden getoetst aan de Wnb onderdeel Soorten-bescherming. Dit betreft de bescherming van (individuele) soorten. Om te voldoen aan de randvoorwaarden van de wet heeft RWS een gedragscode opgesteld waardoor, onder voorwaarden, zonder ontheffing kan worden gewerkt.
Deze gedragscode is van toepassing op alle beschermde planten- en diersoorten en ziet toe op de volgende werkzaamheden: • Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, wegen, of in het kader van natuurbeheer • Kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling of inrichting De Gedragscode soortenbescherming van Rijkswaterstaat is van toepassing op de uitvoering van de werkzaamheden. Door de werkzaamheden te toetsen aan de Gedragscode wordt invulling gegeven aan deze Gedragscode van Rijkswaterstaat. Onderzoek Op 7 juli 2021 is er door Witteveen+Bos een Quickscan natuur in het kader van de soortenbescherming uitgevoerd (zie bijlagen). Voor het projectgebied volgen hierna de bevindingen.
Soortenbescherming In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.
21
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
Conclusie soortenbescherming De bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde diersoorten in het kader van de soortenbescherming zijn samengevat in de quickscan natuur (zie tabel 6.1 van bijlage 1). Samengevat komt het erop neer dat het aanvragen van een ontheffing niet nodig is. Voor een aantal diersoorten dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. Deze maatregelen heeft Rijkswaterstaat in het contract meegegeven richting de uitvoerend aannemer. De aannemer is dus verplicht deze maatregelen te nemen en zal dit verder moeten uitwerken in een Ecologisch Werkprotcol.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en/of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Bij gebiedsbescherming gaat het om gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van het Natura 2000-gebied, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of belangrijke weidevogelgebieden. Natura 2000-gebieden Het plangebied grenst aan de Natura 2000-gebieden Krammer-Volkerak en Oosterschelde. Ook in de buurt ligt het Natura 2000-gebied Grevelingen. Verstoring tijdens de uitvoeringsfase is niet uit te sluiten, alsook overige (indirecte) effecten, zoals een wijziging in de zoet-zoutbalans van het water in de gebruiksfase. In het kader van de gebiedsbescherming is een Passende beoordeling opgesteld en een Wnb-vergunning verleend (vergunning op basis van de Wet natuurbescherming). De Wnb-vergunning is geldig tot 2030.
22
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden; de Natura 2000-gebieden maken daar deel van uit. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het NNN ook overige leefgebieden van soorten en – om isolatie te voorkomen - gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het NNN is onderdeel van het actieve beleid om bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De natuurgebieden die behoren tot het NNN en hun functies worden planologisch beschermd, hier geldt het ‘nee, tenzij’- principe. De planologische bescherming betekent in het kort dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN. Hieraan wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). NNN-gebied Het plangebied grenst aan NNN-gebied van de provincie Zeeland. Mogelijke effecten zijn afhankelijk van de exacte werkzaamheden die plaatsvinden op deze grens. De uitvoering van de werkzaamheden die hier plaatsvinden worden nog in meer detail doorgenomen met de opdrachtgever om de effecten te bepalen. Indien effecten niet uit te sluiten zijn, is een ‘Nee, tenzij-toets’ aan de orde.
Tevens zijn er in de omgeving van het plangebied percelen van het NNN-netwerk van de provincie Zeeland aanwezig. Voor ingrepen die geen nieuwe ontwikkelingen betreffen geldt echter geen externe werking als toetsingscriterium. Een nadere procedure in de vorm van een ‘Nee, tenzijtoets’ voor externe werking is daarom niet noodzakelijk waardoor belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid niet aan de orde zijn.
Passende beoordeling Door Royal Haskoning DHV is op 5 april 2022 een passende beoordeling uitgevoerd. Op basis van deze passende beoordeling is er op 25 juli 2022 een Wnb vergunning verleend voor de zoetzoutscheiding Krammersluizen. De bevindingen en conclusie uit de passende beoordeling volgt hierna. De voorschriften uit de verleende vergunning zijn tevens opgenomen: Voor een project dat afzonderlijk of in cumulatie kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen, kan alleen een vergunning verleend worden als de aanvrager een passende beoordeling (hierna: PB) heeft overgelegd, waaruit zonder redelijke wetenschappelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat het project niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied. Deze moet rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De PB biedt de grondslag voor de vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen of de cumulatieve gevolgen en de manier waarop in mitigatie van die gevolgen is voorzien. De PB toetst de effecten aan de instandhoudingdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit van de Natura 2000-gebieden Krammer-Volkerak, Oosterschelde en Grevelingen. Afbakening Gebied Het Krammersluizencomplex ligt tussen de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en KrammerVolkerak en nabij het Natura 2000-gebied Grevelingen.
23
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
Gevolgen Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de PB welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen kunnen optreden. Dit zijn: Tijdens de aanlegfase: - Verstoring van de noordse woelmuis en zwartkopmeeuw door geluid. Tijdens de gebruiksfase: - Effecten op het habitattype Grote baaien en Slijkgrasvelden in de Oosterschelde; - Effecten op broedvogels en niet-broedvogels in Grevelingen; - Effecten op bodemfauna etende vogels in Oosterschelde. Natuurwaarden De natuurwaarden die door de genoemde gevolgen beïnvloed kunnen worden, zijn: - Habitattypen: diverse habitattypen opgenomen in de PB; - Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels en nietbroedvogels): diverse soorten opgenomen in de PB. De beschermde waarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied staan vermeld op www.rijksoverheid.nl/lnv (‘Onderwerpen’ >‘Natuur en Biodiversiteit’ > ‘Natura 2000’). Conclusie afbakening De afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke gevolgen van het project op de natuurwaarden in de PB op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.
Mogelijke effecten en mitigatie Effecten door geluidsverstoring tijdens de aanlegfase Tijdens de ombouw zijn er drie onderdelen waarbij veel geluid en (voor wat betreft het boren in beton) in enige mate trillingen worden geproduceerd: het inbouwen van rinketten (zagen en slijpen in de werkperiode van vier jaar gedurende perioden van meerdere maanden achtereen), het voorbereiden van aanleg van leidingen van compressoren (boren in beton gedurende enkele dagen) en de realisatie van het vismigratie- en spuimiddel (boren door beton gedurende enkele weken). Deze activiteiten kunnen negatieve effecten hebben op de noordse woelmuizen die aanwezig zijn in de directe omgeving van de werklocaties en eventueel (via externe werking) op de Plaat van de Vliet en op broedende zwartkopmeeuwen op het nabijgelegen broedschiereiland. Om verstoring van de noordse woelmuis en zwartkopmeeuw te beperken worden maatregelen genomen.
Door bij het inbouwen van de rinketten op de bouwplaats nabij de sluizen geluidwerende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat het geluidsvolume (inclusief piekgeluiden) beperkt blijft zodat aan de meest nabijgelegen rand van het broedgebied van de zwartkopmeeuw het geluidsniveau niet hoger is dan 47 dB(A) en het geluidsniveau aan de rand van het leefgebied van de noordse woelmuis niet hoger is dan 75 dB(A) wordt aantasting van omvang en kwaliteit van de leefgebieden voorkomen en wordt de draagkracht van het gebied niet negatief beïnvloed.
24
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
Welke geluidswerende maatregelen worden gekozen is aan de uitvoerder van de werkzaamheden, in de Passende beoordeling wordt hier geen keuze in gemaakt. Er wordt aan de vergunning voorschrift 12 en 13 verbonden, waarbij het maximum toegestane geluidsniveau is vastgelegd. Om te voorkomen dat de noordse woelmuis wordt weggeconcurreerd door andere soorten binnen het sluiseiland worden wildroosters aangelegd om andere muizensoorten en predatoren te weren. Verder wordt er gewerkt met gegarandeerd ‘schone grond’, zonder veldmuis, aardmuis en rosse woelmuis. Het doel is om zo het sluiseiland als ‘bronpopulatie’ voor de noordse woelmuizen in het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak te beschermen. Dit is vastgelegd in voorschrift 14 van de vergunning. Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de noordse woelmuis en zwartkopmeeuw is, met inachtneming van voorschrift 12 tot en met 14 uitgesloten. Effecten tijdens de gebruiksfase Het project leidt op jaarbasis tot een structureel hogere aanvoer van minder zout water naar de Oosterschelde. Hierdoor zal het zoutgehalte in de bovenste laag van de waterkolom in de nabijheid van de Krammersluizen lager worden.
Bij het in gebruik nemen van het Krammersluizencomplex wordt een spoel- en spuibeheer met zo laag mogelijke spoel- en spuidebieten aangehouden met een ondergrens van 25 psu in het zomerhalfjaar, dat nooit wordt onderschreden. Hiermee worden in de zomer negatieve effecten op de groei en voortplanting van bodemfaunaorganismen voorkomen. In de winter wordt de grens van 25 psu wel periodiek onderschreden, maar de grens van 20 psu niet. Omdat bodemfauna ’s winters niet of nauwelijks groeit is afname van de groei, die in beginsel kan optreden, niet aan de orde. De optimalisatie van het spoel- en spuibeheer is opgenomen als voorschrift 15 en 16 bij de vergunning. Hierdoor zijn significant negatieve effecten op het habitattype Groote baaien en Slijkgrasvelden in de Oosterschelde uitgesloten.
Broedvogels en niet-broedvogels in Grevelingen De verandering van de waterkwaliteit in Grevelingen als gevolg van het gewijzigd, geoptimaliseerd gebruik van het Krammersluizencomplex leidt niet tot verandering in de voedselomstandigheden van planten etende, bodemfauna etende of vis etende vogels. Significant negatieve effecten op broedvogels en niet-broedvogels in Grevelingen zijn uit te sluiten.
Bodemfauna etende vogels in Oosterschelde Voor de belangrijkste vogels die op de droogvallende platen van de noordelijke tak van de Oosterschelde foerageren (scholekster, bonte strandloper, wulp, tureluur, groenpootruiter en rosse grutto) geldt dat zij een breed palet aan prooisoorten benutten. Bij afname van één prooisoort kunnen zij overschakelen naar andere prooisoorten. Het is daarom niet waarschijnlijk dat bodemfauna etende vogels te kampen krijgen met een voedseltekort als er een wijziging in de bodemfaunasamenstelling plaatsvindt. Significante effecten door verhoogde zoetbelasting op de instandhoudingsdoelstellingen van bodemfauna etende vogels zijn uitgesloten. Monitoringsprogramma In paragraaf 8.2 van de PB is aangegeven welke aspecten deel uitmaken van het monitoringsprogramma. Dit betreft: - Het effect van gewijzigde aanvoer van minder zout water op bodemfauna; - Effect van gewijzigde bodemfaunasamenstelling op foeragerende vogels; - Effect van verhoogde aanvoer van nutriëntenrijk water op primaire productie;
25
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
-
Effect van verhoogde aanvoer van nutriëntenrijk water op algensamenstelling.
Het monitoringprogramma moet duidelijkheid geven over de optredende zoutgehalten als gevolg van het toegepaste spoel- en spuibeheer en de hierboven genoemde effecten. De uitkomsten van het monitoringsprogramma worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, zoals opgenomen in voorschrift 17 tot en met 19.
Stikstofdepositie
Voor het aspect stikstof is een stikstofdepositieberekening gemaakt en meegenomen in de Passende beoordeling. De stikstofdepositieberekening maakt onderdeel uit van de Wnb-vergunning. Cumulatie Bij vergunningverlening voor een project moet een beoordeling plaatsvinden van de cumulatieve gevolgen als het project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten, significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000- gebied. Een vergunning kan alleen verleend worden als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft. Hiervoor is geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen. In de aangeleverde PB is een volledige en juiste cumulatietoetsing is uitgevoerd. Conclusie Met de uitgevoerde PB, de daarbij behorende rapportages en documenten, de vergunningvoorschriften en mitigerende maatregelen is de zekerheid verkregen dat het project waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Krammer-Volkerak, Oosterschelde en Grevelingen.
Voorschriften Wnb vergunning d.d.25 juli 2022 Ter bescherming van de in de Natura 2000-gebieden Krammer-Volkerak, Oosterschelde en Grevelingen aanwezige beschermde natuurwaarden, worden de navolgende voorschriften aan de Wnb vergunning verbonden. Algemeen 1. Deze vergunning staat op naam van Rijkswaterstaat Zee en Delta (hierna vergunninghouder) (of diens rechtsopvolger). 2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of door (rechts)personen die aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning. 3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een (digitaal) exemplaar van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen. 4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen 5. Het tijdstip waarop de vergunde activiteit daadwerkelijk wordt gestart, wordt minimaal drie weken voor de aanvang ervan gemeld aan de Minister van Landbouw, Natuur en
26
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
Voedselkwaliteit ter attentie van het Team Natuurvergunningen (hierna: het bevoegd gezag). 6. De vergunde activiteit wordt uitgevoerd zoals de aangegeven in de aanvraag en bijbehorende passende beoordeling en volgens de voorschriften en beperkingen die aan deze vergunning zijn verbonden. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en de voorschriften en beperkingen van deze vergunning hebben de laatste voorrang. 7. Als zich een incident voordoet, meldt de vergunninghouder dit met alle relevante gegevens onmiddellijk aan het bevoegd gezag. Een incident is in dit geval een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht, bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelrichtlijnsoort bedreigen. 8. Als zich een incident voordoet, is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag. 9. De vergunninghouder volgt de aanwijzingen op die het bevoegd gezag geeft. 10. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteit feitelijk zijn beëindigd, meldt de vergunninghouder dit uiterlijk binnen 1 week bij het bevoegd gezag. 11.
Alle correspondentie met betrekking tot deze vergunning kan per reguliere post of per email (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) worden gedaan. Nadere inhoudelijke voorschriften 12. De werkzaamheden mogen gedurende het broedseizoen (van 1 april tot 1 augustus) aan de meest nabijgelegen rand van de broedkolonies zwartkopmeeuw op het schiereiland niet leiden tot een geluidsniveau dat hoger is dan 47 dB(A). 13. De werkzaamheden mogen aan de meest nabijgelegen rand van het leefgebied van de noordse woelmuis op het sluiseiland niet leiden tot piekgeluidniveau dat hoger is dan 75 dB(A). 14. Om te voorkomen dat de noordse woelmuis wordt weggeconcurreerd door andere soorten binnen het sluiseiland worden wildroosters aangelegd om andere muizensoorten en predatoren te weren en wordt er gewerkt met gegarandeerd ‘schone grond’. Spoel- en spuibeheer 15. Bij het in gebruik nemen van de sluis wordt een spoel- en spuibeheer met zo laag mogelijke spoel- en spuidebieten aangehouden. In het zomerhalfjaar wordt de grens van 25 psu niet onderschreden, in de winter wordt de grens van 20 psu niet onderschreden. 16. Voor de optimalisatie van het spoel- en spuibeheer gelden de volgende uitgangspunten: - Het vismigratie- en spuimiddel wordt het hele jaar door ingezet voor vismigratie en alleen in het winterhalfjaar gebruikt om te spuien.
- Het debiet naar de Oosterschelde wordt in het zomerhalfjaar, voor de bodemfauna de meest kritische periode, beperkt tot circa 9 m3/s. Dit debiet komt overeen met de huidige situatie. - Het zoete water wordt door aanpassing van het beheer zoveel mogelijk via de Voorhaven geleid en het debiet zoet water naar het Slaak wordt zoveel mogelijk beperkt. - Daarnaast wordt een ‘gebruiksscenario’ achter de hand gehouden, waarbij tijdelijk, bijvoorbeeld bij de overgang van winter- naar zomergebruik en vice versa, een lager debiet dan het winterdebiet wordt afgevoerd.
27
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
Monitoring 17. Bij de inwerkingtreding van het ZZS start een monitoringsprogramma zoals aangegeven in hoofdstuk 8 van de PB. Het monitoringprogramma is gericht op de mogelijke effecten van het spui- en spoelbeheer. 18. De vergunninghouder stuurt ten minste eenmaal per jaar vóór 15 maart een rapportage van de resultaten van het afgelopen kalenderjaar van het monitoringprogramma schriftelijk of per mail naar het bevoegd gezag. 19. Het monitoringprogramma heeft een looptijd tot het spoel- en spuibeheer goed is ingeregeld ten aanzien van de mogelijke ecologische effecten, met een minimum van 6 jaar. Toezicht 20. De vergunninghouder voert een administratie met daarin alle documenten die betrekking hebben op deze vergunning en op de naleving van de voorschriften, in het bijzonder de voorschriften 12 tot en met 19. 21. De vergunninghouder geeft alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder en opsporingsambtenaren. 22. De vergunninghouder toont informatie en documenten op verzoek aan de bevoegde toezichthouder en opsporingsambtenaren. Looptijd en geldigheid 23. De vergunning is geldig tot en met het moment dat de vergunde activiteit wordt beëindigd (zie voorschrift 10), en uiterlijk tot en met 31 december 2030. 24.