CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1022793 Bijlage 2 RO Informatiecentrum

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning Krammersluizen Bruinisse (1022793)11.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De beoogde ontwikkelingen voorzien niet in het realiseren van woningen dan wel andere gevoelige bestemmingen. Industrielawaai Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. De beoogde ontwikkelingen voorzien niet in geluidhinder op in de omgeving gevoelige bestemmingen. Op het Krammersluizencomplex zijn geen gevoelige bestemmingen aanwezig. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek is niet nodig.

4.7

Luchtkwaliteit In 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. Eén van de elementen daarvan is dat projecten die ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Dit is vastgelegd in de ministeriële regeling NIBM. Er hoeft geen afzonderlijke toets plaats te vinden indien het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het project is ‘in betekenende mate’ (IBM) als de toename voor één of beide stoffen hoger is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt.

Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Bijlagen 3A en 3B van de Regeling NIBM geven aan, in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is: 3% criterium (vanaf inwerkingtreding Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit):  1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg;

28

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2).

De beoogde ontwikkeling is dermate kleinschalig en naar verhouding kleiner dan de realisatie van 1500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De beoogde ontwikkeling valt derhalve, naar analogie, onder het 3% criterium waardoor het aangemerkt kan worden als zijnde NIBM. Dit betekent dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico’s kunnen lopen, zoals omwonenden. Bij ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de vraag of er risicovolle activiteiten in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn dan wel komen en zo ja, of er sprake is van een toelaatbaar risico. Risicovolle activiteiten zijn:  het opslaan, gebruiken en/of produceren van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);  het vervoer van gevaarlijke stoffen over auto-, spoor- en waterwegen of door buisleidingen (transportroutes). De adviesrol op het gebied van externe veiligheid in Zeeland is weggelegd bij de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ). De VRZ gaat steeds meer risicogericht werken, wat inhoudt dat zij enkel gaat adviseren op ruimtelijke plannen, waarin veiligheidsrisico’s gelopen worden en middels maatregelen er een veiligere omgeving kan worden ontwikkeld. Aan de hand van het wettelijk kader en de mogelijke incidentscenario’s is bepaald bij welke ontwikkelingen veiligheidswinst kan worden behaald. De beoordeling of er bij een ruimtelijke ontwikkeling veiligheidswinst kan worden behaald, gebeurt in twee stappen: 1. Het bepalen van het type ontwikkeling; 2. Het beoordelen van de locatie van de ontwikkeling. Ad.

1 De eerste stap vindt plaats door te beoordelen wat voor type ontwikkeling het betreft. De VRZ wil betrokken zijn bij en adviseren op een ruimtelijke ontwikkeling als deze: - Meer dan 10 personen toevoegen aan de omgeving; - Een risico volle activiteit mogelijk maakt, zoals bedoeld in het Brzo, Bevi, Bevt of Bevb; - Een woonwijk of een bedrijventerrein betreft; - Vitale infrastructurele en infrastructurele werken betreft, waaronder bijvoorbeeld windturbines. Ad. 2 De tweede stap is het beoordelen van de locatie van de ontwikkeling. Voor de beoordeling of er op de ontwikkelingslocatie veiligheidsrisico’s spelen, heeft de VRZ een kaart ontwikkeld: de signaleringskaart. Deze kaart geeft 3 signaleringszones weer. Wanneer de locatie van de ontwikkeling binnen één van deze zones ligt, dan spelen er veiligheidsrisico’s en wil de VRZ betrokken worden bij deze ontwikkeling.

29

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de VRZ betrokken dient te worden bij de beoogde ontwikkeling. Het gaat om een informatiecentrum waar meer dan 10 mensen extra op hetzelfde tijdstip aanwezig kunnen zijn. Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico’s kunnen lopen, zoals omwonenden. Bij ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de vraag of er risicovolle activiteiten in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn dan wel komen en zo ja, of er sprake is van een toelaatbaar risico. Risicovolle activiteiten zijn:  het opslaan, gebruiken en/of produceren van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);  het vervoer van gevaarlijke stoffen over auto-, spoor- en waterwegen of door buisleidingen (transportroutes). Als de afstand tot een risicovolle activiteit maar groot genoeg is, is er sprake van 100% veiligheid. Maar deze afstand kan kilometers groot zijn. Nederland is te klein om deze afstanden te hanteren. Daarom is gekozen voor het hanteren van een basisbeschermingsniveau. Dit wordt geconcretiseerd door toepassing van grens- en richtwaarden voor plaatsgebonden risico (PR) en oriëntatiewaarden voor groepsrisico (GR).

Het PR is de kans per jaar dat een persoon die permanent en onbeschermd op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een transportroute. Ook buiten de PR-contouren bestaat nog een invloedsgebied waarbinnen groepen personen slachtoffer kunnen worden van een ongeval. Daarom moet ook het GR worden onderzocht. Het GR geeft de kans per jaar aan dat in één keer een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang die zich in de omgeving van een risicovolle activiteit bevindt, dodelijk door een ongeval met gevaarlijke stoffen wordt getroffen. De hoogte van het GR is niet ruimtelijk weer te geven, wel het invloedsgebied waarover het GR wordt berekend. Inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Dit besluit moet individuele en groepen burgers een basisbeschermingsniveau garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een inrichting. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten1. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.

Dat wil zeggen een kans van één op de miljoen per jaar dat een persoon die permanent en onbeschermd op een plaats aanwezig is, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen overlijdt. Het Bevi legt daarnaast een verantwoordingsplicht voor een gemeente of provincie op voor het groepsrisico (indien dit risico verandert). Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens; de afstand vanaf de inrichting waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval bij een inrichting. Bij de verantwoording

1

Grenswaarden moeten in acht worden genomen, van richtwaarden kan enkel om zwaarwegende redenen worden af-

geweken. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen (enkele uitzonderingen daargelaten), gebouwen bestemd voor het verblijf van kwetsbare groepen en gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn. Voorbeelden van beperkt kwetsbare objecten zijn sport- en kampeerterreinen, sporthallen, zwembaden en speeltuinen, kantoorgebouwen en hotels met een brutovloeroppervlak van minder dan 1.500 m².

30

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

moet de gemeente of provincie onder andere de zelfredzaamheid van de bevolking en de mogelijkheden voor hulpverlening meewegen. Zij moet hierover advies vragen bij de regionale brandweer. In Zeeland wordt aan deze adviestaak invulling gegeven door de Veiligheidsregio Zeeland. Op basis van de professionele risicokaart zijn er geen risicovolle inrichtingen in en/of nabij de projectlocatie aanwezig. Transportroutes

Buisleidingen Op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn gemeenten verplicht de leidingen die niet in stroken liggen, reeds bestaand of nieuw op te nemen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 5 meter ter weerszijden van de leiding. Verder dient op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening te worden gehouden met de risiconormering die voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt.

Verkeersroutes gevaarlijke stoffen Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. Op 1 april 2015 is de Regeling basisnet in werking getreden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Ten noorden van het projectgebied liggen de duwvaartsluizen van het Krammersluizencomplex. Over deze scheepvaartroute worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De projectlocatie ligt op circa 165 meter van de transportroute. Het invloedsgebied van de transportroute reikt over het projectgebied. Volgens het Bevt (zie artikel 7) moet in dat geval wel worden ingegaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking.

Beperkte verantwoording groepsrisico Verantwoording Uit de vuistregels voor het groepsrisico en omgang invloedsgebied van de provincie Zeeland (bron: Beleidsvisie externe veiligheid) blijkt dat er geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig is als het een enkel kwetsbaar object in een al zeer volle omgeving betreft, waardoor het effect op het groepsrisico marginaal is. De provincie hanteert hierbij de volgende vuistregels: - Tot een factor 10 onder de oriënterende waarde vereist de provincie geen uitgebreid onderzoek naar het groepsrisico. - Tot een toename van het groepsrisico van 10% beschouwt de Provincie de toename als marginaal. Pas als de risicosituatie niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden vereist de provincie een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij aandacht wordt besteed aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten.

31

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

De beoogde ontwikkeling zorgt niet tot nauwelijks voor een toename van het aantal aanwezige personen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van 10%. Het project kan dan ook aangemerkt worden als ‘marginaal’. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is in deze situatie niet aan de orde. Wel dient er in ieder geval te worden ingegaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking.

Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid wil zeggen dat de hulpverleningsdiensten met de beschikbare voertuigen binnen de gestelde opkomsttijd ter plaatse zijn en de calamiteit ook kunnen beperken en bestrijden. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de bereikbaarheid en de beschikbare bluswatervoorzieningen. Het perceel aan de Nolleweg 1A/1B is goed bereikbaar door de brandweer waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied bereikbaar is.

Beheersbaarheid De gemeentelijke brandweer oefent volgens een oefenschema overeenkomstig de landelijke richtlijnen ‘leidraad oefenen’. In deze leidraad is ook het oefenen in geval van bijzondere risico’s een onderdeel. De brandweer is dus voldoende geoefend in het bestrijden van dergelijke situaties.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin de aanwezigen (bewoners, werkenden bezoekers) zich op eigen kracht in veiligheid kunnen brengen. Aspecten die de zelfredzaamheid beïnvloeden zijn: - Preventieve voorlichting/communicatie in de richting van bewoners; - De planning van functies met gebruikers met een hoge dan wel een verminderde zelfredzaamheid; - Infrastructurele voorzieningen om de gevarenzone te ontvluchten, vluchtrichtingen e.d., - Maatregelen voor het alarmeren en informeren van bewoners; - Indien wenselijk en reëel mogelijkheden om bouwwerken via maatregelen beter te beveiligen, zoals de ventilatie van gebouwen af te sluiten, beter glas, nooduitgangen, etc.. Ten aanzien van zelfredzaamheid in het plangebied geldt het volgende. Er is sprake van een informatiecentrum van circa 75 m2. Er zullen voorzieningen worden getroffen om bezoekers te alarmeren bij calamiteiten. 4.9

Overige belemmeringen Niet-gesprongen conventionele explosieven De gemeente Schouwen-Duiveland maakt in het kader van niet-gesprongen conventionele explosieven gebruik van de ‘Beleidsnota Conventionele Explosieven’ (CE). Hierin is tevens een beleidskaart opgenomen. In dit beleid en op de bijbehorende kaart is vastgelegd in welke deelgebieden wel of geen nader onderzoek naar CE uitgevoerd moet worden voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden. Op de CE beleidskaart wordt het gebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, aangeduid als verdacht gebied voor de aanwezigheid van CE. Bij alle grondroerende werkzaamheden dieper dan 0,5 m –mv, dient daarom onderzoek naar CE uitgevoerd te worden. Bij aanleg van het kunstmatige eiland is de grond reeds geroerd en is het zeer onwaarschijnlijk dat er momenteel nog niet-gesprongen explosieven worden aangetroffen. Daarnaast blijkt uit bureauonderzoek dat de kans op het aantreffen van niet-gesprongen explosieven zeer laag is.

32

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

Op 25 april 2018 is hierover reeds gecorrespondeerd met de gemeente Schouwen-Duiveland en Rijkswaterstaat (zie bijlage 5). Conclusie: naderonderzoek naar niet-gesprongen explosieven is niet nodig.

33

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

5

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Kostenverhaal In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De beoogde ontwikkeling is een bouwplan. Tussen de gemeente Schouwen-Duiveland en RWS zal een anterieure overeenkomst worden opgesteld. Een exploitatieplan hoeft alsdan niet te worden opgesteld. Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling is een overheidsinitiatief. De gronden ter plaatse zijn van de rijksoverheid. De initiatiefnemer heeft de economische uitvoerbaarheid door middel van een exploitatieopzet aangetoond. Overeenkomstig artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening is het plan economisch uitvoerbaar gebleken.

34

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

35

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

6

PROCEDURELE ASPECTEN In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter inzage zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag wordt de definitieve beschikking genomen. Beroep kan door een belanghebbende worden ingediend bij de Rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Raad van State. Van de omgevingsvergunning wordt elektronisch kennisgeving gedaan en wordt de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) in acht genomen. Zodoende kan via www.ruimtelijkeplannen.nl van de ontwikkeling kennis worden genomen.

36

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

37

Ruimtelijke onderbouwing ‘Informatiecentrum, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023

7

MOTIVERING

7.1

Afweging Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in het realiseren van het beoogde informatiecentrum op het Krammersluizencomplex. Om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, is derhalve een buitenplanse procedure noodzakelijk. Er wordt in casu een deelvergunningentraject gevolgd, met gebruikmaking van de uitgebreide procedure voor het omgevingsvergunningsdeel ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. De aannemer kan vervolgens een omgevingsvergunning voor het deel ‘Bouwen’ aanvragen en hiervoor geldt de reguliere vergunningsprocedure. De beoogde ontwikkeling is acceptabel. Zo:  past de ontwikkeling binnen het vigerende beleid van Rijk, provincie en gemeente. Zie hoofdstuk 3;  is de ontwikkeling ruimtelijk en functioneel goed inpasbaar in de omgeving. Zie hoofdstuk 2;  brengt de ontwikkeling geen (onaanvaardbaar) nadelige milieuhygiënische of duurzaamheidseffecten met zich mee. Zie hoofdstuk 4;  is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd. Zie hoofdstuk 5.

7.2

Conclusie Alle belangen integraal afwegend komt de gemeente tot de conclusie dat er geen sprake is van belemmeringen die de realisatie van de beoogde ontwikkeling in de weg staan. Realisatie van dit nieuwe gebruik volgens het voorliggende bouw- en inrichtingsplan is in overeenstemming met een ‘goede ruimtelijke ordening’.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13946362/1