CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1017651 Bijlage 1 Toelichting Nieuwe weg 3 Nieuwekerk

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Vaststellen bestemmingsplan Nieuwe weg 3 Nieuwerkerk (1017651)15.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Module Externe Veiligheid (2010) Externe veiligheid betreft de maatregelen die moeten voorkomen dat er buiten de poort van een bedrijf/inrichting slachtoffers vallen, als er door het betreffende bedrijf wordt gewerkt of opslag plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Daarbij wordt gedoeld op omwonenden maar ook op recreanten op kampeerterreinen of in jachthavens. Schouwen-Duiveland moet een plek zijn waar het veilig werken, wonen, winkelen en recreëren is. Toch blijft de gemeente ruimte bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven/inrichtingen die veiligheidsrisico's met zich meebrengen. Deze risico's dienen echter wel aanvaardbaar te zijn, en minimaal te voldoen aan de landelijke voorschriften. Het bestemmingsplan moet ervoor zorgen dat er geen ongewenste ontwikkelingen op het gebied van externe veiligheid kunnen voordoen. Dat gebeurt door: externe veiligheid te betrekken bij actualisering van bestemmingsplannen; externe veiligheid vroegtijdig te betrekken bij nieuwe ontwikkelingsplannen; het hanteren van afstandseisen voor recreanten ten opzichte van gevaarlijke stoffen binnen een inrichting; inrichtingseisen te stellen aan kampeerterreinen en jachthavens.

Concreet wordt het volgende nagestreefd: bestemmingsplannen voorzien van risicocontouren bij BEVI-inrichtingen en bij propaantanks met een inhoud die groter zijn dan 13 m³; bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de veiligheidseffectrapportage (v.e.r.) toepassen. De activiteiten die in het kader van bovengenoemde milieumodules moeten worden opgestart en uitgevoerd, staan beschreven in een uitvoeringsprogramma. In dit programma, dat is onderverdeeld in thema's, is aandacht voor het doel van de activiteiten, de rol van de gemeente, de externe partijen waarmee de gemeente de activiteit wil uitvoeren, het betreffende gebied en een tijdplanning. De vastgestelde modules gelden voor het hele gemeentelijk grondgebied van de gemeente SchouwenDuiveland. De modules beschrijven per milieuonderwerp welke doelen binnen welke periode bereikt moeten worden. Verwezen wordt naar hoofdstuk 4 van deze bestemmingsplanwijziging, waar de resultaten van de toetsingen zijn opgenomen. De aspecten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

18

4

Omgevingsaspecten

4.1

Inleiding

Bij de toekenning van een nieuwe functie aan een bepaald gebied dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-)effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten zoals bedrijven en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, bodem, geur en externe veiligheid wordt in de volgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar planologische aspecten, zoals kabels en leidingen, water, archeologie en cultuurhistorie, natuur, verkeer & parkeren en licht & duisternis. Tenslotte is een paragraaf 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgenomen. De hieruit voortkomende bevindingen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen of andere gevoelige functies krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de richtafstand. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.

Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Wanneer sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Afstand meten De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Toets milieuzonering Vetplantenkwekerij In de categorie landbouwbedrijven en dienstverlening t.b.v. de landbouw is een vetplantenkwekerij niet specifiek opgenomen. De gewenste vetplantenkwekerij wordt derhalve vergeleken met kwekerijen (algemeen) (SBI-code 0112). De richtafstand voor de milieuaspecten ‘geur’ en ‘geluid’ bedraagt 30 meter. Voor het milieuaspect ‘stof’ geldt een richtafstand van 10 meter. NED/hondentrainingsschool Voor dierenasiels en pensions (SBI-code 9305) geldt voor het milieuaspect ‘geluid’ (dit milieuaspect kent de grootste richtafstand) een richtafstand van 100 meter.

Voor de milieuaspecten ‘geur’ en ‘stof’ geldt een richtafstand van respectievelijk 30 meter en 0 meter.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

19

NED/hondendressuurterrein Een hondendressuurterrein (SBI-code 0143) wordt voor milieu aangemerkt als categorie 3.1 bedrijf. De richtafstand voor het milieuaspect ‘geluid’ tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ bedraagt 50 meter. Voor de milieuaspecten ‘geur’ en ‘stof’ geldt géén richtafstand. Het plangebied is overeenkomstig de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ gelegen in omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Toets Stolpweg 8 De afstand van de grens van de functieaanduiding ‘NED’ tot aan de woning Stolpweg 8 bedraagt ca. 65 meter. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor het aspect ‘geluid’. Toets Nieuwe weg 2 De afstand van de grens van de functieaanduiding ‘NED’ tot aan de woning Nieuwe weg 2 bedraagt ca. 120 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Toets Nieuwe weg 1 De afstand van de grens van de functieaanduiding ‘NED’ tot aan de woning Nieuwe weg 1 bedraagt ca. 145 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Conclusie milieuzonering Er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor het milieuaspect ‘geluid’ in relatie tot de woning Stolpweg 8. Het aspect ‘geluid’ wordt uitgewerkt in paragraaf 4.3. Met betrekking tot de aspecten ‘geur’ en ‘stof’ vormt het aspect ‘milieuzonering’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Geluid

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer, maar ook aan industriële activiteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen weer voor de hoogst acceptabele geluidbelasting en minimale geluidwering bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties. Wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten getoetst te worden aan de geluidbelasting vanaf omliggende zone-plichtige (spoor)wegen. Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht, een akoestisch onderzoek wordt hierdoor niet noodzakelijk geacht. Industrielawaai Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij geluidgevoelige bestemmingen sprake is van een goede ruimtelijke ordening (acceptabel woon- en leefklimaat) gebruik gemaakt van bijlage 5 uit de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” 2009. Deze omschrijft voor geluid het volgende stappenplan: 1. Indien de richtafstand niet wordt overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven. 2.

Indien stap 1 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek (vanaf deze stap noodzakelijk) aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 2 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt is buitenplanse inpassing mogelijk. 3. Stappen 3 en 4 alleen bij buitenplanse inpassing. Indien stap 2 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 3 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt, is buitenplanse inpassing mogelijk met dien verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. 4. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

20

Tabel 5 Geluidgrenswaarden VNG brochure “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 [1] Exclusief piekgeluiden door aan- afrijdend verkeer

Stap en gebiedstype Stap 2 rustige woonwijk Stap 2 gemengd gebied Stap 3 rustige woonwijk Stap 3 gemengd gebied

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 45 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 55 dB(A)

Maximaal (piekgeluiden) 65 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A)[1]

Verkeersaantrekkende werking 50 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 65 dB(A)

Toets omliggende (bedrijfs)woningen (Bedrijfs)woningen die niet tot de eigen inrichting behoren zijn woningen van derden. Deze bedrijfs(woning) is voor andere inrichtingen dan de eigen inrichting een gevoelig gebouw en worden dus beschermd. Uit paragraaf 4.1 (bedrijven en milieuzonering) blijkt dat niet voldaan wordt aan de richtafstand, zijnde stap 1. Op 2 september 2003 is voor het bedrijf een vergunning verleend voor een nertsenfarm met een daarbij behorende nertsenpelserij, het huisvesten en africhten van politie- en beveiligingshonden en een akkerbouwbedrijf. Aan deze vergunning ligt een akoestisch onderzoek ten grondslag, zie bijlage 2, 2a en 2b. Uit het akoestisch onderzoek en de voorschriften van deze vergunning blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau dient te voldoen aan 40 dB(A) in de dagperiode, 35 dB(A) in de avondperiode en 31 dB(A) in de nachtperiode. Het maximaal geluidsniveau dient te voldoen aan 60 dB(A) in de dagperiode, 55 dB(A) in de avondperiode en 50 dB(A) in de nachtperiode. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan stap 2 voor gebiedstype ‘rustige woonwijk’ en hiermee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie geluid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Luchtkwaliteit

Wet Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.  Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. ‘Niet in betekenende mate (NIBM)’ In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2).

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:  Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM.  Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBMgrens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). De Handreiking fijnstof en veehouderijen geeft informatie over de toets aan luchtkwaliteitseisen voor fijnstof en is toegespitst op een veehouderij. De 3% is daarbij als volgt gekwantificeerd: Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

21

 

Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor kantoren geldt dat de 1% grens is vastgesteld op 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 200.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Toets Onderstaande berekening toont aan dat een plan waarbij sprake is van 2275 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) NIBM is. Bij onderhavig planvoornemen zijn 8 bewegingen met een bestelauto en 6 bewegingen met een tractor representatief. Geconcludeerd kan worden dat het aantal voertuigbewegingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling NIBM is.

Figuur 4.4.1: Uitsnede Atlas atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Leefomgeving

ter

plaatse

van

het

plangebied

(fijnstof

PM2,5)

(bron:

Toetsingskader endotoxine Voor het woon- en leefklimaat is het aspect ‘endotoxine’ ook van belang. Het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO-onderzoek)’ toont aan dat de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof effect kan hebben op de gezondheid. De sanering van de intensieve veehouderij, het toekennen van een andere functie aan de bedrijfsgebouwen binnen het plangebied én het feit dat het uitoefenen van een intensieve veehouderij in planologisch-juridische zin niet langer mogelijk is, leidt tot de uitspraak dat er geen emissiepunten aanwezig zijn of toegevoegd worden die kunnen leiden tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Op de locatie hebben in het verleden mogelijk bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Er vindt geen wijziging plaats naar een gevoeligere functie. De locatie is niet verdacht op NGE’s. In het kader van de activiteit bouwen is ter plaatse van de bouwlocatie van de nieuwe loods een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek conform NEN5725 en NEN5740 uitgevoerd. Met dit bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit vastgelegd. Toets bodem Ten behoeve van het planvoornemen is in de periode juni – augustus 2023 een vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door ABO-Milieuconsult B.V. Het onderzoeksrapport (rapport ANL23-8056) is als

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

22

bijlage 3 toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: de locatie kan op basis van de resultaten van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd. In onderstaande tabel zijn kort de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek opgenomen. Samenvatting onderzoeksresultaten:

De hypothese ‘de onderzoekslocatie is onverdacht’ dient, op basis van de onderzoeksresultaten, formeel gezien verworpen te worden. De licht verhoogde concentraties aan Molybdeen en Tetrachlooretheen in het grondwater zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de nieuw te realiseren loods geen belemmering vormt voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Conclusie bodem Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Geur

Wet geurhinder en veehouderij Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij geurgevoelige objecten sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat én in het kader van de beoordeling of dat geurgevoelige objecten geen belemmering vormen voor omliggende bedrijven (omgekeerde werking) getoetst aan de normen uit deze wet. Standaard normen voor dieren met geuremissiefactor De wet geurhinder en veehouderij bevat standaardnormen voor de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten. Op grond van artikel 3 van deze wet mag de geurbelasting op een geurgevoelig object niet meer bedragen dan:  2 OUE/m3 lucht buiten een concentratiegebied binnen de bebouwde kom;  8 OUE/m3 lucht buiten een concentratiegebied buiten de bebouwde kom. N.B.: De locatie Nieuwe weg 3 te Nieuwerkerk ligt buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom. Vaste afstand voor afstandsdieren De standaard normen ten aanzien van de maximale geurbelasting gelden alleen voor diersoorten waar een zogenaamde geuremissiefactor voor is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor diersoorten zonder geuremissiefactor (afstandsdieren) geldt vanaf het emissiepunt van het dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object een vaste afstand.

Deze wettelijke vaste afstand is:  100 meter indien het geurgevoelig object gelegen is binnen de bebouwde kom;  50 meter indien het geurgevoelig object gelegen is buiten de bebouwde kom. Vaste afstand voor alle dieren Naast bovenstaande wettelijke afstanden voor afstandsdieren geldt voor ‘alle’ dieren nog de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Deze wettelijke afstand is:  50 meter indien het geurgevoelig object gelegen is binnen de bebouwde kom;  25 meter indien het geurgevoelig object gelegen is buiten de bebouwde kom. Wanneer in één inrichting meerdere diersoorten worden gehouden, met en zonder geuremissiefactor, dan dient zowel getoetst te worden aan de concentratie volgens de odour units, als aan de vaste afstanden. Toets achtergrondbelasting Door het saneren van de intensieve veehouderij verbetert het woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

23

Toets omgekeerde werking De Wgv geeft voor een geurgevoelig object de volgende definitie: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Hiermee zou een loods/bedrijfsgebouw geurgevoelig kunnen zijn. Op de locatie Stolpweg 8 en Nieuwe weg 2 is de aanduiding ‘Agrarische bouwstede’ aanwezig. Op een locatie met de aanduiding ‘Agrarische bouwstede’ mag volgens de regels ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf gebouwd worden. Op grond van de begrippen mag ter plaatse een grondgebonden veehouderij aanwezig zijn. Een woning of werkloods die hoort bij een (voormalige) veehouderij betreft geen geurgevoelig object. De locaties Stolpweg 8 en Nieuwe weg 2 worden dan ook niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Verder zijn in de nabije omgeving (binnen een straal van 200 m) geen andere veehouderijen aanwezig. Conclusie geur Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geur’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Externe veiligheid

Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

24

Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes), of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toets externe veiligheid Ten behoeve van de beoordeling van mogelijke externe veiligheidsrisico’s, is de risicokaart geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen. In de navolgende figuur is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.

Plangebied

Figuur 4.7.1: Uitsnede Atlas Leefomgeving ter plaatse van het plangebied (risicokaart) (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland zijn de autowegen N57 en N59 en de vaarroute Krammersluizen/Zijpe aangewezen als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in het Basisnet. De N57 en de N59 liggen op een zodanig grote afstand, wat betekent dat de invloedsgebieden niet over het plangebied reiken. De vaarroute Krammersluizen/Zijpe ligt op een zodanige afstand dat de invloedsgebieden niet over het plangebied reiken. Toetsing Risicovolle inrichtingen Volgens de Risicokaart (Bron: risicokaart.nl, maart 2021) bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen die van invloed zijn op de planontwikkeling. De invloedsgebieden van de dichtstbijzijnde Bevi-inrichtingen reiken niet over het plangebied. Andersom zorgt de ontwikkeling van het plangebied niet tot een beperking van deze Bevi-inrichtingen. Er kan worden geconcludeerd dat er geen risico is voor onderhavig planvoornemen. Conclusie externe veiligheid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8

Kabels en leidingen

Er zijn op of in de directe omgeving van het plangebied geen kabels of leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven, dat zij voorzien dienen te zijn van een planologische beschermingszone. Bij de Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

25

functiewijziging hoeft hiermee dan ook geen rekening gehouden te worden. Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor de functiewijziging. Plangebied

Figuur 4.8.1: Uitsnede netkaart (bron: www.netkaart.nl)

Conclusie kabels en leidingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Water

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). In ruimtelijke plannen moet voldoende aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Daarbij is handig om oplossingen voor eventuele effecten door klimaatverandering mee te nemen bij het ontwerp.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

26

Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard is op dit moment aangesloten op het aanwezige gemeentelijk riool. Met onderhavig planvoornemen verandert dit niet. Hemelwater afkomstig van onverhard en semi-verhard oppervlak Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak Met onderhavig planvoornemen vindt geen toename van oppervlakteverharding plaats. Er wordt een loods/bedrijfsruimte gebouwd met een oppervlakte van 260 m 2. Daarentegen is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het slopen van de bestaande gebouwen waarin de nertsen verbleven (met uitzondering van de in het plan beschreven meest westelijk gelegen shed dat een nieuwe functie krijgt). Er wordt ca. 2.400 m 2 aan (bedrijfs-)bebouwing en verharding gesaneerd. De totale oppervlakte verharding neemt af met ca. 2.140 m2. Conclusie water Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘water’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:  De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard (in situ).  Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. Het gemeentelijk archeologiebeleid is vastgelegd in het ‘Beleidsplan Archeologie’ (2008), alsmede de daarbij behorende archeologische beleidskaart. Met dit beleidsplan en bijbehorende kaart heeft de gemeente een instrument in handen op basis waarvan zij op een verantwoorde manier met haar archeologische waarden om kan gaan. De gemeente kan daarmee, indien wenselijk, gemotiveerd van de landelijke en provinciale richtlijnen afwijken en een eigen visie op het archeologisch landschap ontwikkelen. In het gemeentelijk Beleidsplan Archeologie is voor het gehele eiland vastgesteld welke archeologische verwachtingswaarden er zijn. Hieraan zijn beleidsadviezen gekoppeld die als basis dienen voor de voorwaarden bij het opstellen van bestemmingsplannen.

Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen, van archeologische monumenten tot gebieden waar geen enkele archeologische verwachtingswaarde is. Voor ieder gebiedstype gelden eigen uitgangspunten, randvoorwaarden en drempelwaarden. De locatie ligt in een gebied met de bestemming ‘Waarden - Archeologisch Onderzoeksgebied A’ en de bestemming ‘Waarden - Archeologisch Onderzoeksgebied B’. In Onderzoeksgebied A is een archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een bouwplan waarbij het plangebied groter is dan 2.500 m2 en waarbij bodemingrepen gepland zijn of mogelijk worden gemaakt die dieper gaan dan 0,50 meter onder maaiveld. In Onderzoeksgebied B is een archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een bouwplan waarbij het plangebied groter is dan 5.000 m2 en waarbij bodemingrepen gepland zijn of mogelijk worden gemaakt die dieper gaan dan 0,50 meter onder maaiveld. Het aan te planten groen geeft een maximale diepte bodemverstoring van 0,25 m. De nieuw te realiseren loods heeft een oppervlakte van ca. 260 m 2. Bij een maximale oppervlakte verstoring van 2.500 m 2 blijft er ca. 2.240 m 2 over voor realisatie van het waterbassin om onder de grens van 2.500 m2 te blijven. Deze maximale oppervlakte voor het bassin is niet haalbaar, daar er ter plaatse geen ruimte is.

Tevens zullen de bodemingrepen voor realisatie van de loods en het waterbassin niet dieper dan 0,50 m reiken. Het planvoornemen voorziet niet in bouwwerkzaamheden die groter zijn dan 2.500 m 2 en dieper gaan dan 0,50 meter onder maaiveld. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Mocht derhalve een ontgrondingsvergunning noodzakelijk zijn dan wordt deze aangevraagd bij realisatie van het waterbassin.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

27

Cultuurhistorie Als uitwerking van het aspect cultuurhistorie heeft de gemeente Schouwen-Duiveland op 15 oktober 2012 de nota ‘Integraal erfgoedbeleid 2012 -2018: De schatkamer van Schouwen-Duiveland’ vastgesteld. Het adagium dat het erfgoedbeleid kenmerkt is ‘behouden, beleven, benutten’. In de nota wordt aangehaald dat, in het kader van de wettelijke plicht, in Schouwen-Duiveland het aspect cultuurhistorie actief wordt opgenomen in bestemmingsplannen. De nota beschrijft het totale erfgoedbeleid op hoofdlijnen. Vanuit deze visie wordt een actieplan uitgevoerd dat er zorg voor draagt dat cultuurhistorische waarden in de gemeente inzichtelijk worden gemaakt. Op de planlocatie zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch vlak of aardkundig waardevol gebied. Het plan heeft geen gevolgen voor cultuurhistorische waarden in de omgeving. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11

Natuur

Wet natuurbescherming In de Wet Natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de beoogde ontwikkeling invloed heeft op beschermde gebieden en beschermde soorten die zijn opgenomen in de Wet Natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden per 1 januari 2017 beschermd door de Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wnb vervangt onder meer de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998). In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb heeft betrekking op de vergunningplicht in verband met Natura 2000gebieden (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten. Vogelrichtlijn Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4, eerste en tweede lid van de Richtlijn 79/409 EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 (PbEG L103) inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn) is de Grevelingen inclusief binnendijks bij Sirjansland gelegen Dijkwater aangewezen als speciale beschermingszone. Toets Het plan betreft het herbestemmen van een intensieve veehouderij tot een plantenwekerij. Met deze omschakeling neemt de emissie van ammoniak af met circa 870 kg. De ontwikkeling komt derhalve ten gunste van de Grevelingen en het Dijkwater. De planlocatie bevindt zich bovendien op een afstand van circa 2 kilometer van het Dijkwater en heeft geen nadelige invloed op het behoud van de vogelstand. Toets overige storingsfactoren De beoogde ontwikkeling leidt, door de grote afstand van ca. 2,0 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Grevelingen, verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

28

Natuur Netwerk Nederland Natuur Netwerk Nederland is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het meest nabijgelegen gebied behorende tot Natuur Netwerk Nederland ligt op een afstand van ca. 75 meter van het plangebied. Gelet op de afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat dit niet leidt tot aantasting c.q. doorkruising van het Natuur Netwerk Nederland. Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘gebiedsbescherming’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is ook geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb). De wet geldt voor iedereen die negatieve effecten veroorzaakt op exemplaren of leefgebied van beschermde planten en dieren. Voor alle planten en dieren geldt een algemene zorgplicht. Activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten zijn verboden. Wel zijn onder de nieuwe Wet Natuurbescherming enkele definities aangepast. Zo is opzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren van vogels in sommige situaties toegestaan.

Maar verstoren zonder tevoren goed onderzoek naar beschermde soorten te hebben uitgevoerd, blijft strafbaar. Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd. Het broedseizoen duurt globaal van 15 maart tot en met 15 juli. De bescherming van vogels is echter niet gebaseerd op een datum, maar op het daadwerkelijke broedseizoen. Dat kan ook al voor 15 maart of na 15 juli zijn. Het broedseizoen begint niet pas wanneer de eieren gelegd zijn. Het broedseizoen gaat al van start met de paarvorming, territorium afbakenen en het bouwen van nesten. In deze tijdsspan worden vogels, hun nesten en eieren beschermd door de Flora- en faunawet. Nesten mogen niet verwijderd, verstoord of leeggehaald worden. Toets effectenindicator Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde soorten. Uit de Effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie navolgende afbeelding.

Figuur 4.11.1 Uitsnede effectenindicator soorten (bron: synbiosys.alterra.nl)

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

29

Gezien het huidige gebruik van het plangebied als agrarisch bedrijf waarop de vervorming van het bouwvlak plaatsvindt, is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. QuickScan Om inzicht te krijgen over de aanwezige flora en fauna bij sloop van de sheds is ter plaatse van de sheds een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. Toets Quickscan Ten behoeve van het planvoornemen is in de periode juli 2023 een ecologisch onderzoek uitgevoerd door ABO-Milieuconsult B.V. Het onderzoeksrapport (rapport ANL23-8056) is als bijlage 4 toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onaannemelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming soorten. Nadelige effecten op beschermde flora en fauna worden niet verwacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. In onderstaande overzicht zijn de onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied opgenomen.

Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat flora en fauna geen belemmering vormt voor de sloop van de sheds. Conclusie Natuur Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘natuur’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12

Verkeer en parkeren

Verkeer Het plangebied blijft via de huidige inritten ontsloten op de Nieuwe weg. Als gevolg van onderhavig planvoornemen (het saneren van de intensieve veehouderij) nemen ten opzichte van de vigerende situatie de verkeersbewegingen af. Met onderhavig planvoornemen is er immers geen sprake meer van aanvoer van voer, afvoer van mest etc. Aan de op 2 september 2003 verleende vergunning ligt een akoestisch onderzoek ten grondslag. In dit onderzoek is uitgegaan van een verkeersgeneratie van: - 4 bestelauto’s per dag, zijnde 8 bewegingen met een bestelauto; - 3 tractors per dag, zijnde 6 bewegingen met een tractor. Voor onderhavig planvoornemen worden de in het akoestisch onderzoek gehanteerde verkeersbewegingen ook representatief geacht. De bestaande ontsluitingswegen van de bedrijfslocatie hoeven derhalve niet gewijzigd te worden. Parkeren Op 27 september 2018 heeft de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland het bestemmingsplan ‘parapluplan parkeernormen Schouwen-Duiveland’ vastgesteld. Op grond van artikel 3.1 van dit bestemmingsplan dient bij nieuwbouw en/of uitbreiding van gebouwen op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien en in stand te worden gehouden, overeenkomstig het ‘Parkeerbeleid 2017-2020’ of het daarvoor in de plaats tredende parkeerbeleid. Hierbij wordt de parkeernorm berekend over het nieuw te bouwen of het te wijzigen gedeelte.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

30

In het ‘Parkeerbeleid 2017-2020’ staat opgenomen dat er bewust geen parkeernormen vast gesteld zijn. Situaties zijn vaak erg specifiek en maatwerk is nodig. Dit kan geboden worden door gebruik te maken van de landelijke CROW-richtlijnen. Deze liggen vast in CROW publicatie nummer 317 “kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. Ook in bestemmingsplannen is verwijzen naar deze publicatie de oplossing. Als locatie hanteert de gemeente Schouwen-Duiveland de gehele gemeente, met uitzondering van Zierikzee, rest bebouwde kom (wanneer binnen de bebouwde kom) en buitengebied (wanneer buiten de bebouwde kom). De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom. Op basis van CROW geldt voor de categorie arbeidsextensief/bezoekers extensief (loods, opslag, transportbedrijf) per 100 m 2 bvo een parkeernorm van 1,3. De nieuwe opslagloods heeft een oppervlakte van 260 m 2. De totale parkeerbehoefte in de toekomstige situatie komt daarmee uit op 3 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om in de parkeerbehoefte te voorzien. Conclusie Verkeer en parkeren Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.13

Licht en duisternis

Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. Module Licht en Duisternis Anders dan in andere delen van Nederland kun je op Schouwen-Duiveland nog echte duisternis ervaren. Niet verlichten, slim, gericht en bewust verlichten zorgen er niet alleen voor dat onze duisternis behouden blijft, ze besparen vaak ook energie. Het duisternis beleid van de gemeente richt zich o.a. op de volgende sectoren: - terreinverlichting (sport): duurzaamheid, slimme en gerichte terreinverlichting; - veldverlichting: duurzaam en goed gericht, zodat zo weinig mogelijk licht wordt verstrooid. Bij onderhavig planvoornemen wordt geen kunstmatige verlichting geplaatst. Er wordt derhalve geen lichtoverlast veroorzaakt in het buitengebied. Conclusie licht en duisternis Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘licht en duisternis’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.14

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder wijzigingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:  Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden;  Plannen die kader stellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Passende beoordeling Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. In § 4.11 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen significant negatief effect heeft op Natura2000-gebieden en een passende beoordeling niet nodig is.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

31

Kaderstellend plan Een ruimtelijk plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. De omzetting van de bestemming ‘Agrarisch-intensieve veehouderij’ naar de bestemming ‘Agrarisch’ en de activiteiten die hierdoor mogelijk worden staan niet vermeld in de eerste kolom van onderdeel C en/of onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. worden hiermee niet overschreden derhalve is een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet aan de orde. Conclusie vormvrije m.e.r. beoordeling Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

32

5

Juridische planopzet

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en voorliggende toelichting. De regels en verbeelding zijn de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de regels ligt het juridische instrumentarium voor het gebruik van gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing vast. Op de verbeelding is de bestemming in beeld gebracht. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld. Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:2000. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd. Toelichting op de regels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:  Inleidende regels;  Bestemmingsregels;  Algemene regels;  Overgangs- en slotregels. Voor het vormgeven van de regels van onderhavig bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de regels van het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. Artikel 1 bevat de definities van begrippen die van belang zijn voor toepassing van het plan. Artikel 2 betreft de wijze van meten waarin wordt aangegeven hoe bij toepassing van de regels wordt gemeten. In beide artikelen is, conform de SVBP2012, een aantal standaardbegrippen en een aantal standaard meetwijzen opgenomen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Voor het plangebied geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch’ (Artikel 3).

De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. De bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door afwijken van de bouwregels en specifieke gebruiksregels. Ook zijn er afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik opgenomen. Tevens gelden voor het plangebied de bestemmingen ‘Waarden – Archeologisch Onderzoeksgebied A’ (Artikel 4) en ‘Waarden – Archeologisch Onderzoeksgebied B’ (Artikel 5). Op de aangewezen gronden ‘Waarden – Archeologisch Onderzoeksgebied A’ mag op basis van de onderliggende bestemming(en) worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 2.500 m2 (gemeten op maaiveldniveau) mag worden verstoord. Indien de verstoring meer dan 2.500 m2 bedraagt, én dieper reikt dan 50 cm, dient de aanvrager een archeologisch rapport te overleggen. Voor de aangewezen gronden ‘Waarden – Archeologisch Onderzoeksgebied B’ geldt een maximale grens van 5.000 m2 en dieper dan 50 cm. Hoofdstuk 3 Algemene regels Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

33

Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels voor het gehele plangebied. Artikel 6 Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 7 Algemene regels met betrekking tot het bouwen Hierin staan de regels ten aanzien van algemene bouwregels zoals bestaande maten, overschrijding van bouwgrenzen en afstand van geluidsgevoelige objecten tot wegen. Artikel 8 Algemene gebruiksbepaling In dit artikel wordt bepaald dat gronden enkel mogen worden gebruikt in overeenstemming met de voorschriften van het bestemmingsplan. Indien dit gebruik niet leidt tot het meest doelmatige gebruik van deze gronden zijn burgemeester en wethouders bevoegd hiervan ontheffing te verlenen (de zogenaamde toverformule). Artikel 9 Algemene ontheffingsregels Voor een aantal, ondergeschikte, afwijkingen van bouwen en /of gebruik ten opzichte van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders met dit artikel ontheffing verlenen. Artikel 11 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen, waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In artikel 14 is de strafbepaling vastgelegd.

In de overgangsregels (Artikel 15) is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotregel (Artikel 16) opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld. Bijlagen Bij de planregels is een bijlage bijgevoegd. Het betreft het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1).

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

34

6

Uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de financiële uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemers, die eigenaar zijn van de betreffende gronden fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Met de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarin een bepaling opgenomen wordt met betrekking tot planschade. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Schouwen-Duiveland komt, maar voor rekening van de initiatiefnemers.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg  Inspraak  Vaststellingsprocedure Het planvoornemen vindt plaats op eigen gronden. De ontwikkeling heeft geen negatieve milieugevolgen en zal niet voor overlast zorgen voor omliggende bedrijven of woningen. Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd, in welke periode een ieder een zienswijze in kan dienen.

Bestemmingsplan Nieuwe weg 3, Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13946314/1