CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1006354 Bijlage 3 Rapport quickscan Wet natuurbescherming

Commissie Ruimte en Economie 5 februari 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Beantw. zienswijzen - bedenkingen omgevingsvergunning parkeerterrein Kriekemeet BH (1006354)10.908 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE Quickscan Wet natuurbescherming Diverse straten Burgh-Haamstede

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Diverse straten, Burgh-Haamstede Opdrachtgever

Gemeente Schouwen-Duiveland Postbus 5555 4300 JA Zierikzee

Rapportnummer

21428.001

Versienummer

D2

Status

Eindrapportage

Datum

10 maart 2023

Opsteller

De heer L. Golterman, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole Paraaf

Mevrouw S.E. Timmerman, MSc

Daarom Econsultancy KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 2

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 3 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 3 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 5

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 6

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 7 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ............................................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ........................................................................................................................................... 10 Vleermuizen ................................................................................................................................. 11 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 12 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 14 Ongewervelden ............................................................................................................................ 15 Planten ......................................................................................................................................... 15

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht ....................................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 7 Gebiedenbescherming ................................................................................................................... 8 Houtopstanden .............................................................................................................................. 9

Broedvogels .................................................................................................................................. 16 Vleermuizen ................................................................................................................................. 16 Kleine marterachtigen .................................................................................................................. 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën.................................................................. 18 Rugstreeppad, heikikker en boomkikker ..................................................................................... 18 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 18

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 19 7.1 7.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 19 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 20

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 22

Bijlage 1 Bijlage 2

21428.001 versie D1

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst

1 / 25

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gemeente Schouwen-Duiveland opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming in diverse straten te Burgh-Haamstede. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herinrichting van de Noordstraat, Ring en Weststraat en beoogd parkeerterrein ten oosten van de Kriekemeet en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocaties planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocaties niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

21428.001 versie D1

2 / 25

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie bestaat uit twee deelgebieden, gelegen aan diverse straten te Burgh-Haamstede. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie bestaat uit twee deelgebieden. Deelgebied 1 betreft verschillende straten in de kern van Burgh-Haamstede. De voornaamste straat is de Noordstraat, welke verhard is met klinkers en waar aan beide zijden bomenrijen aanwezig zijn. De Noordstraat loopt uit op de Ring: het plein rondom de Johannes de Doperkerk. Dit plein is eveneens belegd met klinkers. Er zijn verschillende bomen aanwezig en rondom de kerk is een onderhouden grasveld gelegen. De ring loopt richting het westen uit in de Weststraat. Deelgebied 2 bestaat uit een weide die begraasd wordt door vee. Rondom de weide zijn sloten en ruigtes gelegen. Twee toegangswegen naar de weide lopen langs watergangen en langs de brandweerkazerne.

21428.001 versie D1

3 / 25

Ten oosten van de onderzoekslocatie is het Natura 2000-gebied De Kop van Schouwen gelegen. Ten westen liggen agrarische percelen. Ten noorden en zuiden van de onderzoekslocatie loopt de bebouwing van het dorp verder. Op 2,5 kilometer afstand ligt de Oosterschelde. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 2.3 Zuidkant Ring (plein) in deelgebied 1.

21428.001 versie D1

Figuur 2.4 Noordstraat gezien vanaf Ring (deelgebied 1).

Figuur 2.5 Noordstraat gezien vanaf het noorden (deelgebied 1).

4 / 25

Figuur 2.6 Parkeerplaats aan het einde van Noordstraat (deelgebied 1).

Figuur 2.7 Aanloopweg naar deelgebied 2.

Figuur 2.8 Weide op deelgebied 2.

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de dorpsas van Burgh-Haamstede her in te richtingen volgens het Stedenbouwkundig plan Dorpsas Burgh-Haamstede (Gemeente Schouwen-Duiveland, 09 februari 2023). Hierbij is de visie om de dorpskern levendiger te maken en meer uitstraling te geven. Dit houdt beknopt in dat de straten en weide worden heringericht. Bij dit plan worden zo veel mogelijk bomen behouden en verdwijnen er geen waterwegen. De beoogde situatie is weergegeven in figuur 2.9:

Figuur 2.9

Nieuwe situatie Haamstede.

21428.001 versie D1

5 / 25

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 15 februari 2023. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zeeland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

21428.001 versie D1

6 / 25

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.

4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

21428.001 versie D1

7 / 25

• • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

4.3 Gebiedenbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.

Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.

21428.001 versie D1

8 / 25

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 21 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

21428.001 versie D1

9 / 25

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

5.1 Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten beschermd zijn, ook op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn de afgelopen 5 jaar de volgende categorie 1-4 broedvogels binnen een straal van enkele kilometers van de onderzoekslocatie waargenomen: huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, kerkuil, buizerd, havik en ransuil. De huismus en gierzwaluw zijn koloniebroeders die sterk gebonden zijn aan menselijke activiteit. De broedplaatsen zijn vrijwel altijd in of rondom bebouwing. Vaak zitten de nesten onder dakpannen, kieren en gaten in muren en nissen. Deze nesten worden meerdere jaren gebruikt. De deelgebieden zijn niet bebouwd, enkel bestraat of begroeid. Ten westen van de onderzoekslocatie, aan de gracht van slot Haamstede zijn enkele huismussen aangetroffen, rustend in het groen (zie figuur 5.1). Mocht de huismus op deze locatie verstoord worden door de werkzaamheden is Figuur 5.1 Rustplaats huismus. nader onderzoek naar de huismus allereerst noodzakelijk (zie hoofdstuk 6). Geadviseerd wordt om de werkzaamheden op deze locatie niet uit te voeren om verstoring in zijn algemeenheid te voorkomen. Nader onderzoek naar de gierzwaluw is niet noodzakelijk, door het missen van geschikte nestlocaties op de onderzoekslocatie.

21428.001 versie D1

10 / 25

De grote gele kwikstaart heeft een voorkeurshabitat in snelstromende beken. Vooral voor de broedlocatie is het van belang dat iets van een constructie in de vorm van een sluis, watermolen of stuw in de buurt is. Dit kan ook een natuurlijke constructie van boomwortels of een oever zijn. Verder worden bosrijke landschappen geprefereerd door de soort. Een waterpartij is afwezig op de onderzoekslocatie. Er is geen broedmogelijkheid voor de grote gele kwikstaart en nader onderzoek naar deze soort wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De buizerd, havik, ransuil en kerkuil hebben een voorkeur voor bossen of halfopen landschappen en broeden vaak in grote nesten, hoog in een boomkruin of in de vork van een boomstam. Kerkuilen maken hun nesten in oude schuren, kerken of nestkasten. Dergelijke nesten, sporen van nesten of prooiresten zijn binnen en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie niet aangetroffen. De nesten in bomen zijn in het bladerloze seizoen (o.a. in februari) goed te observeren. De gehele afwezigheid van bos of oude gebouwen op de onderzoeklocatie maakt deze ongeschikt voor de soorten. Het is daarom voor deze vogelsoorten uit te sluiten dat ze op of nabij de onderzoekslocatie broeden. Nader onderzoek naar deze soorten wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd) De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Overige broedvogels De bomen en groen op de onderzoekslocatie kunnen nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel en roodborst. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, Brandt's vleermuis, baardvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is niet bebouwd (enkel bestraat en begroeid), waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van enkel gebouwbewonende vleermuizen zoals laatvlieger en tweekleurige vleermuis aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde.

21428.001 versie D1

11 / 25

Sommige bomen op de onderzoekslocatie bezitten holtes, die mogelijk kunnen dienen als vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen (zie figuur 5-2). Volgens de opdrachtgever blijven zo veel mogelijk bomen behouden. Mochten er toch bomen verdwijnen dienen deze onderzocht te worden middels een boomholteinspectie (zie hoofdstuk 6). Het is al bekend dat er enkele bomen verdwijnen in deelgebied 2 om ruimte te maken voor de toegangswegen. Als uit de boomholteinspectie voortkomt dat er geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn in de te kappen bomen is nader onderzoek noodzakelijk.

Figuur 5.2 Boom met holte op Noordstraat.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie bestaat voor een groot deel uit bestrating, grenzend aan bebouwing die geschikt is voor de bovengenoemde vleermuissoorten. Werkzaamheden kunnen mogelijk verstorend werken als er geen maatregelen worden genomen (zie hoofdstuk 6). Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het is echter van belang rekening te houden met verstoring door verlichting (zie hoofdstuk 6). Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De bomen in de Noordstraat vormen zo’n lijnvorming element. Echter is het door de verlichting van de drukke winkelstraat onwaarschijnlijk dat vleermuizen deze straat gebruiken als vliegroute. De ruigte en bomen in deelgebied 2, die van noord naar zuid strekt, vormt eveneens een lijnvormig element.

Het weghalen van enkele bomen tijdens de werkzaamheden hoeft een mogelijke vliegroute niet te verstoren, mits er rekening wordt gehouden met maatregelen (zie hoofdstuk 6).

5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.

21428.001 versie D1

12 / 25

Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: Noordse woelmuis, damhert, bunzing, das, konijn, haas, hermelijn, wezel. Het damhert is een uitsluitend bos- en natuurgebiedbewoner en komt niet voor in een bebouwde omgeving. De Noordse woelmuis leeft in hoge grassen en natte terreinen zoals rietland, moerassen, drassige hooilanden en duinvalleien. De Noordse woelmuis houdt van water en kan andere territoria bereiken door te zwemmen. De muis leeft een eenzaam bestaan, weg van andere woelmuizen. De muis graaft gangen onder de grond voor wintervoorraden en nesten, nesten kunnen ook in diepe rietkragen worden aangetroffen. De onderzoekslocatie biedt geen vernat habitat voor de soort. Nader onderzoek naar de Noordse woelmuis wordt niet noodzakelijk geacht. De haas en het konijn komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Konijnen wonen in uitgebreide, zelf gegraven gangenstelsels met vele gangen en kamers. Hazen maken legers (ondiepe uithollingen) in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen. Het grootste deel van de onderzoekslocatie is bebouwd. De weide biedt geschikt leefgebied voor de soorten. Echter zijn van de soorten enkel de verblijfplaatsen beschermd.

Nader onderzoek naar konijn en haas wordt niet noodzakelijk geacht. Wel is het van belang rekening te houden met de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabijgelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Nader onderzoek naar de das wordt niet noodzakelijk geacht. De bunzing, hermelijn en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De kleine marterachtigen zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen, begroeide sloten en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Deze lijnvormige elementen zijn aanwezig op deelgebied 2 in de vorm van halfdroge sloten en ruigtes (zie figuur 5.3).

Ook is er een eerdere waarneming gedaan van de hermelijn (zie figuur 5.3). In de omgeving is veel leefgebied van de soorten aanwezig. Het valt niet uit

21428.001 versie D1

Figuur 5.3 Geschikt leefgebied voor marterachtigen en waarneming hermelijn.

13 / 25

te sluiten dat door de werkzaamheden aan de ruigtes vaste migratieroutes en mogelijke verblijfplaatsen worden verstoord. Nader onderzoek naar kleine marterachtigen in deelgebied 2 wordt derhalve noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en bosmuis. Mogelijke verblijfplaatsen van deze soorten in deelgebied 2 kunnen worden aangetast. Het is daarom van belang rekening te houden met de zorgplicht (zie hoofdstuk 6).

5.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De waarnemingen van de streng beschermde levendbarende hagedis, hebben betrekking op het nabij gelegen Natura 2000 gebied de Kop van Schouwen. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende beschermde amfibieënsoorten waargenomen: rugstreeppad, heikikker en boomkikker. De heikikker, boomkikker en rugstreeppad komen voor rondom de onderzoekslocatie. De soorten planten zich voort in tijdelijk, ondiep water. Hoewel de soorten van origine meer in zandgronden voortkwamen zijn ze nu ook veel vertegenwoordigd in poldergebieden. Deelgebied 2 is omringd door verschillende sloten met ondiep, visvrij water (zie figuur 5.3). Hoewel de weide niet primair geschikt is voor de soorten kunnen individuen er sporadisch voorkomen. Bij het aanleggen van de parkeerplaats is het niet uit te sluiten dat er individuen verstoord en/of verwond worden.

Nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten op de onderzoekslocatie wordt noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6). Voor de te verwachten algemene amfibieënsoorten geldt op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Echter wanneer er onverhoopt toch werkzaamheden aan de watergangen plaatsvinden is het wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van ruim oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

21428.001 versie D1

14 / 25

5.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn de afgelopen 5 jaar geen beschermde libellen aangetroffen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte, meer algemene, waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn de afgelopen 5 jaar geen beschermde vlinders aangetroffen in de omgeving van de onderzoekslocatie.

5.6 Planten In een straal van 3 kilometer rondom de onderzoekslocatie is in de afgelopen 5 jaar de beschermde plant glad biggenkruid aangetroffen. Deze plant is een pionierssoort die voornamelijk groeit op droge, stikstofarme grond. Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin, erf en begraasd weiland is het niet te verwachten dat er zo’n beschermde plantensoort op de locatie te vinden is. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is.

21428.001 versie D1

15 / 25

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.

6.1 Broedvogels Huismus Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden om huismussen en hun leefgebied te verstoren. Indien er op de onderzoekslocatie rustplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Geadviseerd wordt om het groen van de aangetroffen rustlocatie buiten beschouwing van de werkzaamheden te laten en werkzaamheden in de buurt buiten het broedseizoen uit te voeren. Mocht dit onmogelijk zijn is nader onderzoek noodzakelijk. Nader onderzoek naar de leefomgeving van de huismus kan worden uitgevoerd door met verschillende onderzoeksrondes de functie van het leefgebied in te meten. Nader onderzoek zal uitgevoerd worden volgens het Kennisdocument Huismus van BIJ12. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn.

In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren.

6.2 Vleermuizen Enkele bomen op de onderzoekslocatie bevatten holtes die geschikt kunnen zijn als verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De doel van de initiatiefnemer is om zo veel mogelijk bomen te behouden. Zodra bekend is welke bomen moeten verdwijnen dienen deze geïnspecteerd te worden op holtes. Mochten

21428.001 versie D1

16 / 25

deze holtes geschikt zijn voor boombewonende vleermuizen wordt nader onderzoek naar vleermuizen in de bomen noodzakelijk geacht. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de eventuele geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die eventueel onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, Brandt's vleermuis, baardvleermuis, en watervleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode half mei tot en met half september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.

Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Zeeland, middels een ontheffingsaanvraag. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van potentieel aanwezige verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie, vliegroutes en foerageergebieden behouden kunnen worden en zal schade aan individuen worden voorkomen. Deze maatregelen betreffen het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting tijdens de realisatie- en gebruiksfase. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig (1700 – 2200K) met omlaag staande armaturen. Op deze manier wordt strooisellicht en hiermee verstoring van deze lichtgevoelige soortgroep voorkomen. Hierdoor zal de functionaliteit van het gebied behouden blijven tijdens en na de voorgenomen ingrepen.

6.3 Kleine marterachtigen De bunzing, wezel en hermelijn zijn beschermd volgens artikel 10 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden om vaste rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen. De lijnvormige elementen op de onderzoekslocatie kunnen mogelijk foerageer en leefgebied aanbieden aan kleine marterachtigen. Op onderzoekslocatie dient conform het protocol genoemd in “Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortenbescherming” in de periode maart tot en met augustus (voorplantingsperiode) 6 weken onderzoek uitgevoerd te worden met cameravallen. Middels dit nader onderzoek kan worden aangetoond of de beschermde bunzing, hermelijn en/of wezel gebruik maken van de onderzoekslocatie.

21428.001 versie D1

17 / 25

6.4 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

6.5 Rugstreeppad, heikikker en boomkikker De rugstreeppad, heikikker en boomkikker zijn beschermd volgens artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat het verboden is om individuen te doden, verwonden of verstoren. Nader onderzoek naar de soorten zal moeten aantonen/uitsluiten of deelgebied 2 onderdeel uitmaakt van het leefgebied van deze soorten. Nader onderzoek zal worden uitgevoerd conform de Soorteninventarisatieprotocollen (2017) van Netwerk Groene Bureaus, Kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017) en Kennisdocument Heikikker (BIJ12, 2017).

6.6 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

21428.001 versie D1

18 / 25

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is gelegen aan een gebied dat aangewezen is als Natura 2000: de Kop van Schouwen (zie figuur 7.1). De Kop van Schouwen valt onder de stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden.

Figuur 7.1 Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Wel ligt deelgebied 1 direct aan de grens van het Natura 2000-gebied. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de plaatselijke aard van de ingreep niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn daarintegen op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten

21428.001 versie D1

19 / 25

aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Als uit de AERIUS-berekening een overschrijding van de KDW volgt, kan een voortoets worden geadviseerd.

7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De onderzoekslocatie ligt wel naast de grens van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Dat komt omdat de Natura 2000 gebieden deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 7.2

Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Zeeland de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. Door de afstand (< 100 m) tussen de onderzoekslocatie en het Natuurnetwerk Nederland kan aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet op voorhand worden uitgesloten. Vervolgonderzoek door middel van een Nee, tenzij toetsing in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt noodzakelijk geacht. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek naar het Natura 2000-gebied kan een eventuele Nee, tenzij toets worden samengevoegd bij een eventuele voortoets.

21428.001 versie D1

20 / 25

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Bovendien blijven zo veel mogelijk bomen op de onderzoekslocatie behouden.

21428.001 versie D1

21 / 25

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Schouwen-Duiveland een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan diverse straten te Burgh-Haamstede. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herinrichting van verschillende delen van het dorp en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de dorpsas van Burgh-Haamstede her in te richtingen volgens het Stedenbouwkundigplan Dorpsas Burgh-Haamstede (Gemeente Schouwen-Duiveland, 09 februari 2023). Hierbij is de visie om de dorpskern levendiger te maken en meer uitstraling te geven. Dit houdt beknopt in dat de straten en weide worden vernieuwd. Bij dit plan worden zo veel mogelijk bomen behouden en verdwijnen er geen waterwegen. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.

In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren en/of broedvogelinspecties laten uitvoeren

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

mogelijk

mogelijk

oostelijke rustplaats huismus niet verstoren, anders nader onderzoek laten uitvoeren

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

mogelijk

boomholteinspectie om geschiktheid verblijfplaatsen vast te stellen, indien boomholtes geschikt zijn, nader onderzoek naar boombewonende vleermuizen laten uitvoeren

foerageergebied

minimaal

mogelijk

nee

nee

voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar, gebruik vleermuisvriendelijke verlichting

vliegroutes

ja

mogelijk

nee

nee

gebruik vleermuisvriendelijke verlichting

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

ja

nee

nader onderzoek kleine marterachtigen, aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Broedvogels

Vleermuizen

21428.001 versie D1

22 / 25

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

Amfibieën

ja

mogelijk

ja

nee

nader onderzoek rugstreeppad, heikikker en boomkikker, aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

0 km

mogelijk

ja

mogelijk

AERIUS-berekening laten uitvoeren

Natuurnetwerk Nederland

0 km

mogelijk

ja

mogelijk

Nee, tenzij toetsing laten uitvoeren (eventueel als onderdeel van een voortoets)

Houtopstanden

n.v.t

-

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Indien er op de onderzoekslocatie rustplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Geadviseerd wordt om het groen van de aangetroffen rustlocatie buiten beschouwing van de werkzaamheden te laten en werkzaamheden in de buurt buiten het broedseizoen uit te voeren. Zo niet is nader onderzoek naar vaste rustplaatsen van de huismus noodzakelijk. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Enkele bomen op de onderzoekslocatie bevatten holtes die geschikt kunnen zijn als verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Het doel van de initiatiefnemer is om zo veel mogelijk bomen te behouden. Zodra bekend is welke bomen moeten verdwijnen dienen deze geïnspecteerd te worden op holtes. Mochten

21428.001 versie D1

23 / 25

deze holtes geschikt zijn voor boombewonende vleermuizen, wordt nader onderzoek naar vleermuizen in de bomen noodzakelijk geacht. Gelet op de eventuele geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die eventueel onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, Brandt's vleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. De bunzing, wezel en hermelijn zijn beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden om vaste rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen. De lijnvormige elementen op de onderzoekslocatie kunnen mogelijk foerageer en leefgebied aanbieden aan kleine marterachtigen. Op onderzoekslocatie dient conform het protocol genoemd in “Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortenbescherming” in de periode maart tot en met augustus (voorplantingsperiode) 6 weken onderzoek uitgevoerd te worden met cameravallen. Middels dit nader onderzoek kan worden aangetoond of de beschermde, bunzing, hermelijn en/of wezel gebruik maken van de onderzoekslocatie.

Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. De rugstreeppad, heikikker en boomkikker zijn beschermd volgens artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat het verboden is om individuen te doden, verwonden of verstoren. Nader onderzoek naar de soorten zal moeten aantonen/uitsluiten of deelgebied 2 onderdeel uitmaakt van het leefgebied van deze soorten. Nader onderzoek zal worden uitgevoerd conform de Soorteninventarisatieprotocollen (2017) van Netwerk Groene Bureaus, Kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017) en Kennisdocument Heikikker (BIJ12, 2017). De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied.

Wel ligt deelgebied 1 direct aan de grens van het Natura 2000-gebied de Kop van Schouwen. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de plaatselijke aard van de ingreep niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn daarintegen op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van gebiedsbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUScalculator). Als uit de AERIUS-berekening een overschrijding van de KDW volgt, kan een voortoets worden geadviseerd. Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Zeeland de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. Door de afstand (< 100 m) tussen de onderzoekslocatie en het Natuurnetwerk Nederland kan aantasting van de wezenlij-

21428.001 versie D1

24 / 25

ke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet op voorhand worden uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van gebiedsbescherming door middel van een Nee, tenzij toetsing in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt noodzakelijk geacht. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek naar het Natura 2000-gebied kan een eventuele Nee, tenzij toets worden samengevoegd bij een voortoets.

Econsultancy 10 maart 2023.

21428.001 versie D1

25 / 25

GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2022). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-KennisdocumentHuismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument heikikker. Opgehaald van bij12.nl/assets/BIJ12-2017-008-Kennisdocument-Heikikker1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument rugstreeppad. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-017Kennisdocument-Rugstreeppad-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Bouwens, S (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Opgehaald van https://www.zoogdiervereniging.nl/publicaties/2017/handreiking-kleine-marters-relatie-tot-soortbescherming Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 10 maart 2023 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Zeeland, periode 2018-2023. NDFF. Geraadpleegd op 10 maart 2023 van https://ndff-ecogrid.nl.

Netwerk groene bureaus (2017). Soorteninventarisatieprotocollen https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aankwaliteit/soortinventarisatieprotocollen/protocollen-vis-amfibie-reptiel-vogel. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 10 maart 2023 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 10 maart 2023 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-02-17.

Provinciale bronnen Provincie Zeeland (2022). Natuurnetwerk Zeeland. Opgehaald van https://www.zeeland.nl/natuur-enlandschap/natuurnetwerk-zeeland

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadeli ge gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13706532/1