1. 7897033 1687857220815 1.1 Archol rap 539 IVO Dreischor Roterijdijk def 23-05-24
Tekst van het document
G.H. de Boer
539
Archol Rapport 539 Aanleg fietspad Dreischor-Schuddebeurs (Zuiddijk-Roterijdijk), gemeente Schouwen-Duiveland. Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende boringen)
Projectleiding:
drs. A.J. Tol
Auteur:
ir. G.H. de Boer
Tekstredactie
drs. A.J. Tol
Beeldmateriaal:
ir. G.H. de Boer
Opmaak:
A.J. Allen
Druk:
Archol bv, Leiden
Autorisatie:
drs. A.J. Tol
ISSN 1569-2396 © Archol, Leiden 2023 Einsteinweg 2 2333 CC Leiden info@archol.nl Tel. 071 527 33 13
Colofon .............................................................................................................................................................................. 1 Samenvatting .................................................................................................................................................................... 3 1 Inleiding.................................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doelstelling ................................................................................................................................ 4 1.2 Plangebied, huidig en toekomstig gebruik ....................................................................................................... 5 1.3 Beleidskader en onderzoeksopzet.................................................................................................................... 7 Administratieve gegevens ............................................................................................................................................. 8 2 Bureauonderzoek .....................................................................................................................................................
9 2.1 Inleiding en methodiek .................................................................................................................................... 9 2.2 Landschappelijk kader ..................................................................................................................................... 9 2.2.1 Geologische ontwikkeling ........................................................................................................................... 9 2.2.2 Geologie, geomorfologie en bodem .......................................................................................................... 13 2.3 Archeologisch en historisch kader .................................................................................................................. 18 2.3.1 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 18 2.3.2 Bekende archeologische vindplaatsen ....................................................................................................... 19 2.3.3 Relevant archeologisch onderzoek ............................................................................................................
19 2.3.4 Historisch kaartmateriaal .......................................................................................................................... 20 2.4 Globale archeologische verwachting .............................................................................................................. 27 Pleistocene dekzandlandschap ............................................................................................................................... 27 Kustveenmoeras ..................................................................................................................................................... 27 Oude getijdenlandschap ......................................................................................................................................... 28 Veenlandschap ....................................................................................................................................................... 28 Jonge getijdenlandschap ........................................................................................................................................ 28 Bedijkte polderlandschap........................................................................................................................................
29 3 Verkennend booronderzoek ................................................................................................................................... 30 3.1 Doel en vraagstellingen ................................................................................................................................. 30 3.2 Methodiek ..................................................................................................................................................... 30 3.3 Resultaten ..................................................................................................................................................... 31 3.3.1 Veldsituatie ............................................................................................................................................... 31 3.3.2 Lithologie en bodemopbouw .................................................................................................................... 31 3.3.3 Archeologie ...............................................................................................................................................37 4 Conclusie ................................................................................................................................................................
38 4.1 Conclusie ....................................................................................................................................................... 38 4.2 Advies ........................................................................................................................................................... 38 Literatuur......................................................................................................................................................................... 41 Figurenlijst ....................................................................................................................................................................... 43 Tabellenlijst ..................................................................................................................................................................... 44 Bijlage 1 Boorbeschrijvingen ............................................................................................................................................ 45
2
In opdracht van het Waterschap Scheldestromen heeft Archol BV een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende boringen) uitgevoerd voor het tracé Zuiddijk-Roterijdijk tussen Dreischor en Schuddebeurs (gemeente Schouwen-Duiveland). Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen aanleg van een fietspad langs de dijken. Daartoe zullen westelijk van de Roterijdijk en noordelijk van de Zuiddijk nieuwe watergangen worden gegraven. De graafwerkzaamheden reiken tot 2,0 m -NAP, het te ontgraven oppervlak bedraagt circa 5.000 m². De werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel in de bodem aanwezige archeologische resten. Doel van het onderzoek was om vast te stellen of de werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het bureauonderzoek was erop gericht om voor het plangebied de bekende archeologische waarden te inventariseren en een specifieke verwachting op te stellen ten aanzien van onbekende archeologische waarden Het veldonderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, het toetsen en nader aan scherpen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis hiervan is een advies opgesteld over de noodzaak van vervolgonderzoek.
Voor het plangebied waren op basis van het bureauonderzoek de volgende archeologische verwachtingen geformuleerd: een onbekende verwachting voor archeologische vindplaatsen van jager-verzamelaars uit de periode laat paleolithicum; een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode neolithicum-midden ijzertijd; een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode (late) ijzertijd-late middeleeuwen; een lage verwachting voor bewoningssporen uit de Nieuwe tijd. Het verkennend booronderzoek leverde een goed beeld op van de bodemopbouw van het plangebied. Aan de basis (vanaf 1,4 m -NAP) bevinden zich oude getijdenafzettingen. Deze bestaan wisselend uit kleiige wadvlakte-afzettingen en zandige plaat- of geulafzettingen. De afzettingen waren zowel tijdens als na de sedimentatie vermoedelijk ongeschikt voor bewoning. Op grond hiervan is de onbekende bijgesteld naar een lage verwachting. De oude getijdenafzettingen worden afgedekt door een pakket veen dat in sterke mate bleek gemoerneerd. In 5 boringen, verspreid over twee zones het tracé bleek het veenpakket wel intact. De top van het veraarde veen is aangetroffen tussen 1,0 en 1,3 m -NAP. Ten aanzien van de zones met intact veen geldt een (middel)hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode late ijzertijd en Romeinse tijd. De niet-intacte delen van het veenlandschap hebben een lage archeologische verwachting.
Het veen wordt afgedekt door jonge getijdenafzettingen. Deze bestaan overwegend uit zandige en kleiige schorafzettingen. In enkele boringen zijn (oudere) poelafzettingen aangeboord. Het pakket jonge getijdenafzettingen heeft een dikte variërend van 80 cm tot meer dan 3 meter. De maximale ontgravingsdiepte bedraagt circa 2,0 m -NAP. Dit is met uitzondering van het tracédeel rondom boringen 25 en 26, waar geen nieuwe watergang hoeft te worden aangelegd. Dit betekent dat de aanleg van de watergang kan leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden op alle drie landschappelijke eenheden (oude getijdenlandschap, veenlandschap en jonge getijdenlandschap). Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt voor een deel van het plangebied in het kader van de voorgenomen bodemingrepen een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geadviseerd: Ten aanzien van de zone met intact veen ter hoogte van boringen 23 en 24, wordt geadviseerd om tijdens de aanleg van de watergang een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden uit te voeren; Voor de overige tracédelen wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen.
3
In opdracht van het Waterschap Scheldestromen heeft Archol BV een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende boringen) uitgevoerd voor het tracé Zuiddijk-Roterijdijk tussen Dreischor en Schuddebeurs (Figuur 1.1). Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen aanleg van een fietspad langs de dijken. Daartoe zullen westelijk van de Roterijdijk en noordelijk van de Zuiddijk nieuwe watergangen worden gegraven. De werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel in de bodem aanwezige archeologische resten.
Figuur 1-1Ligging plangebied (rode lijn); inzet: ligging in Nederland (bron: Top25 Kadaster). Ten aanzien van een deel van het tracé (de Zuiddijk en het deel van de Roterijdijk ten noorden van de kruising met de Sasdijk) geldt een dubbelbestemming 'Waarden Archeologisch Onderzoeksgebied B'. 1 Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek dient plaats te vinden, indien de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 en dieper dan 50 cm. Deze grenzen worden bij realisatie van de plannen overschreden. Het tracédeel ten zuiden van de kruising met de Sasdijk heeft geen archeologische dubbelbestemming. Op grond hiervan is de initiatiefnemer door het bevoegd gezag (gemeente Schouwen-Duiveland) verzocht om op die tracédelen waarop een archeologische dubbelbestemming rust een verkennend booronderzoek uit te voeren. Doel van het onderzoek is vast te stellen of de werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het bureauonderzoek is erop gericht om voor het plangebied de bekende archeologische
1 'Schouwen0-Duiveland, Bestemmingsplan buitengebied', vastgesteld 26-03-2009).
4
waarden te inventariseren en een specifieke verwachting op te stellen ten aanzien van onbekende archeologische waarden. Op basis hiervan volgt een advies over de noodzaak en vorm van vervolgonderzoek.
Het plangebied omvat een circa 5 m brede strook pal westelijk van de Roterijdijk en noordelijk van de Zuiddijk. De strook loopt vanaf de Borgerdweg (Dreischor) tot aan de Sasdijk (Schuddebeurs; Figuur 1.2). De totale lengte van de nieuw te graven watergangen bedraagt ongeveer 1,1 km. De maximale ontgravingsdiepte voor de aanleg van de watergangen reikt tot circa 2,0 meter –NAP. Verder zal de bestaande sloot die ter hoogte van het aan te leggen fietspad ligt, worden gedempt. Ter hoogte van de afrit vanaf de Roterijdijk naar de hiernaast gelegen akkerpercelen (Figuur 1.2: de 'uitstulping' langs de Roterijdijk), zal geen nieuwe sloot worden gegraven, maar kan de huidige sloot worden gebruikt. Het plangebied omvat een negental percelen, deze staan kadastraal geregistreerd onder: gemeente Brouwershaven, sectie H, nrs. 258, 266. 267, 272, 273 en 674 en sectie L, nrs. 518, 529 en 532. Het betreft agrarisch gebied en in gebruik als bouwland (Figuur 1.2).
5
Figuur 1-2 Ligging van de zones met aan te leggen watergangen waarop een archeologische onderzoeksplicht rust (rood) en het tracé van het aan te leggen fietspad (groen) op een recente luchtfoto (ondergrond: Nationaal Georegister 2019).
6
Rijksniveau Al sinds 1961 kent Nederland een monumentenwet. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, die op zijn beurt per 1 juli 2016 is komen te vervallen en een deels is overgegaan naar de Erfgoedwet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord kan door de overheid verplicht worden een rapport te overleggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist: het archeologisch vooronderzoek. Dit onderzoek heeft tot doel vast te stellen of in het plangebied waardevolle vindplaatsen voorkomen. Het vooronderzoek is opgebouwd uit twee onderdelen: het bureauonderzoek (BO) en een eventueel inventariserend veldonderzoek (IVO), elk met bijbehorende standaardrapportages. Onderhavige rapportage betreft een bureauonderzoek. Het bureauonderzoek geeft een samenvatting van wat er in archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht bekend is over het plangebied. Het doel is om door middel van bestaande bronnen te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van de resultaten kan het bevoegd gezag een beslissing nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek. In het kader van dit onderzoek is ook kennis genomen van de Nederlandse Onderzoeksagenda Archeologie 2.0 (NOaA).
Deze onderzoeksagenda is echter voornamelijk een instrument dat ingezet kan worden bij het waarderen van archeologische vindplaatsen. Bij het onderhavig onderzoek, waarbij de nadruk ligt op de archeologische verwachting en de bodemkundige opbouw - en nog geen sprake is van een waardering van vindplaatsen - is deze agenda minder relevant. Provinciaal niveau De uitgangspunten voor het archeologiebeleid in Zeeland zijn vastgelegd in de Cultuurnota 2017-2020'.2 Sinds 12 mei 2009 zijn aanvullende richtlijnen voor uitvoerend archeologisch onderzoek vastgesteld door de Provincie, de thans vigerende richtlijnen dateren uit 2019.3 De richtlijnen vormen een aanvulling op de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, vigerende versie 4.1) en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. De provinciale richtlijnen hebben betrekking op een zestal geo-archeologische contexten: a. Bureauonderzoek met verkennend booronderzoek; b. Inventariserend veldonderzoek c. Inventariserend veldonderzoek in het Hollandveenlaagpakket d. Inventariserend veldonderzoek in het Laagpakket van Walcheren; e.
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek in plangebieden met mogelijke verstoringen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden, Pleistoceen dekzandgebied en/of Formatie van Koewacht Sinds 2008 heeft de provincie Zeeland een Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland (POAZ).4 De POAZ die in 2017 is herzien, kent 11 kernthema’s. Gemeentelijk niveau Via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de verantwoordelijkheid voor de omgang met het cultureel erfgoed voor een belangrijk deel komen te liggen bij de gemeenten. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft in 2008 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. De archeologische beleidsadvieskaart is opgenomen in de bestemmingsplannen.
2 Provincie Zeeland, 2016, Nota Provinciaal Cultuurbeleid 2017-2020, Middelburg. 3
Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 8080, 12 december 2019.
4 Provincie Zeeland 2017.
7
Soort onderzoek: Projectnaam: Archolprojectcode: Planologische aanleiding:
Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale perceelnummers:
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Fietspad Roterijdijk/Zuiddijk 1989 Vergunning (o.b.v. dubbelbestemming Waarde- Archeologisch Onderzoeksgebied B)
Lengte plangebied: Huidig grondgebruik:
Zeeland Schouwen-Duiveland Dreischor/Schuddebeurs Roterijdijk/Zuiddijk BWH00, sectie H, nrs. 258, 267, 273 en 674 BWH00, sectie L, nrs. 518, 529 en 532 42H NW: 57.570 / 411.505 ZW: 56.300 / 411.145 circa 1.100 m akker
Status AMK-terrein(en): Archis-waarnemingsnummers: ZAA-vondstmeldingen: Archis-vondstmeldingen: Monumentnummers (gebouwd):
Geen monumenten aanwezig
Archis-zaaknummer:
4861186100
Opdrachtgever:
Waterschap Scheldestromen mevr. M. Besuijen J.R. Dirksen Gemeente Schouwen-Duiveland Laan van Sint Hilaire 2 4301 SH Zierikzee G.P.A. Besuijen Gemeente Schouwen-Duiveland Laan van Sint Hilaire 2 4301 SH Zierikzee
Kaartbladen: Begin- en eindcoördinaten gebied:
Bevoegd gezag:
Adviseur bevoegd gezag:
Uitvoerder: Periode van uitvoering veldwerk:
Archeologisch Onderzoek Leiden BV juni 2020
Rapport versie Goedkeuring bevoegd gezag Beheer en plaats van vondsten en documentatie:
Definitief (24 mei 2023) Ja Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) Erfgoed Zeeland depot@erfgoedzeeland.nl Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) Erfgoed Zeeland depot@erfgoedzeeland.nl
Beheer en plaats van digitale documentatie:
8
Het bureauonderzoek is erop gericht aan de hand van bekende en verwachte archeologische waarden een verwachtingsmodel voor het terrein op te stellen en eventuele verstoringen in kaart te brengen. Dit verwachtingsmodel resulteert in een gespecificeerde archeologische verwachting, waarin voor zover mogelijk uitspraken worden gedaan over de datering, het complextype, de locatie, de omvang en diepteligging, de gaafheid en conservering, uiterlijke kenmerken en mogelijke verstoringen van mogelijk in het plangebied aanwezige archeologische waarden. Tijdens het bureauonderzoek is aan de hand van verschillende bronnen informatie verzameld om inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de (lokale) opbouw van de bodem en de sporen die de mens in het landschap heeft achtergelaten. Zo zijn aardwetenschappelijke gegevens en historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Het archeologisch informatiesysteem (Archis) is geraadpleegd om de bekende archeologische waarnemingen binnen en direct rondom het plangebied in kaart te brengen. Verder zijn uitgevoerde archeologische onderzoeken uit de directe omgeving geraadpleegd. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, protocol 4002), de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2014 en de eisen in de aanbestedingsleidraad van het Waterschap Scheldestromen. 5
Algemeen Het plangebied ligt in het zuidwestelijk zeekleigebied dat, door afwisselend optreden van sedimentatie, erosie en veengroei, is opgebouwd uit een gelaagd landschap van mariene afzettingen en veen. De landschappelijke ontwikkeling (optreden van erosie, sedimentatie en veengroei) werd in eerste instantie vooral bepaald door natuurlijke factoren (morfologie van het pleistocene ondergrond, de snelheid van de relatieve zeespiegelstijging en de sedimentbalans in het getijdebekken).6 Globaal vanaf de Romeinse tijd kreeg daarnaast ook de mens een steeds bepalender rol in de vorming én afbraak van het kustgebied.7 Pleistoceen De basis van deze holocene kustprocessen wordt gevormd door eolische en fluvio-periglaciale zanden uit het Weichselien. In deze (vooralsnog) laatste ijstijd werd Nederland niet bedekt met landijs. Wel lag door de lage temperatuur veel zeewater opgeslagen in de uitgebreide poolijskappen en gletsjers en was de Noordzee voor een belangrijk deel drooggevallen. Met name tijdens het Pleniglaciaal - de laatste fase van het Weichselien - was het klimaat soms zo koud en droog dat er lange perioden sprake was van een landschap waarin vegetatie nagenoeg geheel ontbrak. In dit open zandige pleniglaciale landschap hadden ijzige sneeuwstormen vrij spel.
Door de wind verstoof veel zand waarbij vooral het fijnere stof over grote afstanden werd verplaatst; de drooggevallen Noordzeebodem vormde een grote zandbron. Het dekzand werd als een deken van fijn, zwak lemig zand afgewisseld met lemige lagen afgezet. Het erop volgende Laat-Weichselien werd gekenmerkt door enkele elkaar snel opvolgende klimaatwisselingen. Gedurende de warmere perioden (Bølling- en Allerød-interstadialen) ontstond een parkachtig landschap met berken en dennen. Tijdens de koude perioden (Dryas-stadialen) veranderde het landschap weer in een gure en vooral droge poolwoestijn. De begroeiing werd sterk gereduceerd en omvangrijke zandverstuivingen hadden weer vrij spel waarbij overwegend fijn, zwak lemige dekzand werd afgezet. Lithostratigrafisch worden de dekzanden gerekend tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel).8 Holoceen
5 SIKB 2018. 6 Beets & Van der Spek 2000. 7
Ervynck e t al. 1999; Vos & Van Heeringen 1997.
8 Schokker et al. 2005.
9
Na de laatste ijstijd (vanaf circa 11.700 jaar geleden) werd het klimaat geleidelijk warmer. Er ontwikkelde zich een dichte begroeiing waardoor verdergaande verplaatsing van het zand werd tegengegaan en bodemvorming kon optreden. Een ander gevolg van het veranderende klimaat in het begin van het Holoceen was de snelle stijging van de zeespiegel (meer dan 30 cm per eeuw).9 De Noordzee breidde zich snel uit en rond het begin van het Atlanticum (vanaf ongeveer 9.000 jaar geleden) drong de zee het Scheldebekken binnen (Figuur 2.1). Landinwaarts van het zich in zuidoostelijke richting uitbreidende getijdengebied vormde zich een kustmoeras waar veen tot ontwikkeling kwam (Basisveen Laag van de Formatie van Nieuwkoop).10 Omdat de zeespiegel snel bleef stijgen, kon het getijdengebied zich landinwaarts blijven uitbreiden. Rond 7.800 jaar geleden bereikte kustlijn de omgeving van het plangebied. Na een maximale omvang van het getijdengebied, rond 6.400 jaar geleden, verlandde het getijdengebied (Figuur 2.1). De sedimenten die in het getijdenbekken zijn afgezet worden gerekend tot het Laagpakket van Wormer (voorheen Afzettingen van Calais) van de Formatie van Naaldwijk. 11 Vanaf ongeveer 5.000 jaar geleden verliep de relatieve zeespiegelstijging veel trager (circa 10 cm per eeuw).
Hierdoor ontstond een relatief overschot aan sediment in het getijdenbekken, wat leidde tot de vorming van een gordel van strandwallen en duinen ongeveer ter hoogte van de huidige kustlijn. Met uitzondering van de openingen in de kustbarrière ter hoogte van de monding van de Schelde en het latere Zwingebied (in Zeeuws-Vlaanderen), werd het hele Scheldebekken afgesloten van de zee. In het verlande getijdenbekken kon geen sediment meer worden afgezet. De afsluiting van de kust zorgde bovendien voor een verdere verslechtering van de afwatering van het achterland. Het verlande getijdengebied en grote delen van het aangrenzende, dagzomende laat-pleistocene landschap, veranderden geleidelijk in een uitgestrekt veenmoeras. Uiteindelijk was zo rond 2.700 jaar geleden nagenoeg heel Zeeland met veen bedekt (Figuur 2.1). Het veen wordt lithostratigrafisch gerekend tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop.12
9 Kiden 1995. 10 Weerts & Busschers 2003. 11 Weerts 2003. 12 Weerts & Busschers 2003.
10
Figuur 2-1 Paleogeografische ontwikkeling van de omgeving van het plangebied (naar Vos et al. 2011). Rond 2600 jaar geleden brak de zee door de kustbarrière en kon ze, in eerste instantie via de bestaande rivieren de (Ooster)schelde en het Zwin, het achterliggende veengebied binnendringen dat daardoor weer onder mariene invloed kwam. De eroderende werking van de getijdenstroming en getijdenverschillen zorgden ervoor dat de aanwezige stroompjes, waardoor de achterliggende venen afwaterden, werden uitgeschuurd tot getijdengeulen. Via een zich op dergelijke wijze vertakkend systeem kon de zee bovendien steeds verder in het achterland binnendringen. Een gevolg van de inbraken was dat de natuurlijke ontwatering van het veengebied verbeterde, waardoor het veen oxideerde en inklonk. Bij hoogwater konden bovendien mariene sedimenten worden afgezet op het veen, wat de verdere inklinking - en daarmee ook verdrinking - van het onderliggende veenpakket versterkte. De omgeving van het plangebied kwam vermoedelijk rond het begin van de 4e eeuw na Chr. weer binnen het bereik van de zee.13 Van een uitgestrekt
13 Vos & Van Heeringen 1997.
11
veenlandschap was het grootste deel van Zeeland in korte tijd veranderd in een dynamisch getijdengebied, bestaande uit schorren, wadplaten, slikken en getijdengeulen. De mariene sedimenten die vanaf deze tijd op het veen zijn afgezet, worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren.14 Vanaf de 6e eeuw na Chr. begon het geulenstelsel te verlanden. De overwegend zandige getijdengeulen waren minder onderhevig aan klink dan de kleiige en venige afzettingen. Deze zogeheten differentiële klink zorgde ervoor dat de voormalige geulen hoger kwamen te liggen dan het omringende klei- en veenlandschap. Vanaf de vroege middeleeuwen vormden deze hogere getij-inversieruggen preferente bewoningsplekken in het onbedijkte, jonge getijdenlandschap. Invloed van de mens: dijken en moeren In de Middeleeuwen nam de invloed van de mensen op het landschap sterk toe. Als reactie op overstromingen werden, globaal vanaf de 10e eeuw, vliedbergen opgeworpen.15 Een grotere invloed op het landschap was de aanleg van kades, dijken en dammen, waarvan wordt aangenomen dat hiermee rond 11 e eeuw werd begonnen.16 Deze eerste, defensieve bedijkingen werden opgeworpen ter bescherming van de hoger opgeslibde en kernlanden - waaronder Dreischor.
In de volgende eeuwen werd de bedijkingsactiviteit offensiever: waar bedijkingen tot dan toe het vooral tot doel hadden om zeewater buiten te houden, beoogden deze vanaf de 13e eeuw ook landaanwinning en het herwinnen van eerder verdronken gebieden. 17 In eerste instantie werden daartoe de hoger opgeslibde schorren, die aan de kernlanden grensden, omdijkt. Ook werden niet alleen de relatief veilige hoger gelegen gronden bedijkt, maar werd de inpoldering van de geulen ter hand genomen. Als eerste werden dammen aangelegd om de inbraakgeulen af te sluiten. Nadat de afgedamde geulen waren verzand, konden deze worden ingepolderd. Op deze wijze werden de geulen (Gouwe en Sunnemare) tussen de oude kernlanden Drieschor, Duiveland en Schouwen in de loop van de 14e eeuw ingepolderd, waarna de voormalige eilanden één geheel vormden. Een andere activiteit die een belangrijke invloed had op het landschap was veenwinning (moernering). Gedroogd veen (turf) was uitermate geschikt als brandstof. Daarnaast was het veen zeer gewild voor de productie van zout. Veenwinning in de Zeeuwse kustvlakte gaat in elk geval terug tot de Romeinse tijd, maar was nog beperkt van omvang.18 Gedurende de middeleeuwen werd moernering echter een belangrijke industrie waarbij het veen op grote schaal werd afgegraven. Door het darinckdelven op de buitendijkse slikken konden de zeegeulen zich uitbreiden.
Golfslag, eb- en vloedwerking leidden niet zelden tot aantasting van de dijk.19 Binnendijkse moernering leidde echter eveneens tot onwenselijke situaties. Zo kon veenwinning in de nabijheid van dijken tot instabiele waterkeringen leiden. Ook zorgden de afgravingen voor verlaging van het maaiveld in de polder. Zo is het dorp Bommenede in de 12e eeuw verdronken als gevolg van moerneringsactiviteiten.20 Daar komt nog bij dat een van bijwerking van de bedijkingen was dat het kombergingseffect van het kustgebied dermate werd verkleind dat het zeewater bij stormvloeden in de zeearmen en grote getijdengeulen tot grotere hoogte werd opgestuwd. Tegelijkertijd waren de dijken en polders als gevolg van veenwinning ook nog eens kwetsbaarder geworden voor overstroming. Per saldo hadden de menselijke activiteiten het risico op en de gevolgen van de overstromingen dus juist vergroot! Moernering en dijkonderhoud bevonden zich niettemin in een gevaarlijke spagaat: de lucratieve moernering leverde welkome inkomsten om bedijking of dijkherstel te kunnen financieren. Bedijking en overstromingen Het plangebied ligt in twee polders: de polder Dreischor (Zuiddijk) en de polder Noordgouwe (Roterijdijk). Dreischor is ontstaan uit het omdijken van de drie schorren Mareland, Bellaert en Sirjansland.
Vermoedelijk gebeurde dit al voor 1200; de oudste vermelding van Dreischor (Dreeskiere) dateert uit 1206.21 De polder was echter geen lang leven beschoren. Bij
14 Weerts 2003. 15 Van de 51 vliedbergen die op Schouwen-Duiveland hebben gelegen, zijn op twee na alle afgegraven (Besteman 1981, Kuipers 1984, Bos
& Oele 1986). 16 Kuipers 1982. 17 Ondanks het ontbreken van duidelijke aanwijzingen zijn veel historici geneigd om directe verbanden te leggen tussen de (in historische bronnen) gedocumenteerde stormvloeden van 1014 en 1042 n.Chr. en de eerste bedijkingsactiviteiten in de Zeeuwse kustvlakte in de 11e eeuw. Technische kennis, sociale organisatie, financiële middelen en economische belangen van de middeleeuwse polderbewoners zijn waarschijnlijk evenzeer, zo niet meer, doorslaggevend geweest (Soens 2005). 18 De Kraker & Borger 2007, Jongepier 1995, Van den Broeke 1996. 19 Van de Ven 2003. 20 Pleijter & Van Wallenburg 1994. 21 Moerman 1956, Berkel & Samplonius 1995.
12
stormvloeden in december 1287 en februari 1288 braken de dijken. De hierbij ontstane inbraakgeul, het Dijkwater, scheidde Sirjansland van het oostelijk deel van de polder Dreischor.22 Een gedeelte van Dreischor werd in 1300 herdijkt, de nieuwe Sirjanspolder kwam vijf jaar later tot stand.23 Nadat de Noordgouwe, de geul tussen de eilanden Dreischor en Schouwen, in 1374 werd afgesloten en ingepolderd, was Dreischor verbonden met Schouwen. Tot in de 17e eeuw vormden de Zuiddijk en de Noordgouwsedijk (de huidige Roterijdijk) buitenwaterkerende dijken die de polders Dreischor en Noordgouwe beschermden tegen overstroming vanuit het Dijkwater: In 1610 werd de voormalige inbraakgeul tussen Dreischor en Sirjansland afgedamd. De volledige bedijking ervan zou evenwel nog een aantal eeuwen duren. In de loop van de 18e, 19e en 20e eeuw werden stukje bij beetje, delen van het Dijkwater ingepolderd: o.a. de Maarlandpolder, de Galgepolder, de Sint-Jeroenspolder, de Suzannapolder en de Adriana-Johannapolder. polder Dreischor Noordgouwe
bedijking voor 1200, 1300 1374
overstroming 1287/1288, 1341, 1532, 1570, 1808, 1953 1808, 1953
polders in het Dijkwater Sint-Jeroenspolder 1458, 1603, 1647 1530, 1630, 1682, 1715, 1953 Maarlandpolder 1489 1570, 1715, 1808, 1953 Galgepolder 1653 1715, 1808, 1825, 1953 Suzannapolder 1832 1953 Adriana1872 1953 Johannapolder Tabel 2.1 Bedijkingen en overstromingen in de omgeving van het plangebied (bron: Gottschalk 1971, 1975; 1977, Wilderom 1964). Zoals een groot deel van de Zeeuwse kustgebied gedurende de middeleeuwen en Nieuwe tijd veelvuldig te maken heeft gehad met overstromingen, bedijkingspogingen en landverliezen, bleven dergelijke catastrofes ook de omgeving van het plangebied niet bespaard. Nadat de polders, na de watersnoodramp in 1953, weer drooggevallen waren, werd een groot aantal dijken afgegraven en werden polders samengevoegd.
Geologie Van (de directe omgeving van) het plangebied zijn geologische boringen beschikbaar in het DINOloket. Deze boringen verschaffen een globaal inzicht in de geologische opbouw, dikte en diepteligging van de verschillende geologische pakketten en laageenheden.
22
Gottschalk 1971.
23 Wilderom 1964.
13
Figuur 2.2 Diepteligging pleistocene ondergrond met geologische boringen (bron: RCE / DINOloket). Aan de basis van het pakket holocene afzettingen bevinden zich de pleistocene dekzandafzettingen. De top hiervan bevindt zich globaal vanaf 14 m -NAP (ca. 14 m -mv) en dieper (Figuur 2.2). Het tracédeel ter hoogte van de Roterijdijk wordt doorkruist door een holocene getijdengeul, hier is de pleistocene ondergrond tot meer dan 20 m -NAP geërodeerd. In verscheidene boringen in de omgeving van het tracé wordt de pleistocene ondergrond afgedekt door een dunne laag basisveen (5 tot 20 cm dik). Het basisveen of - waar dit niet is aangetroffen - het pleistocene substraat, gaan naar boven toe over in oude getijdenafzettingen (Laagpakket van Wormer). In het merendeel van de boringen bevindt de top hiervan zich tussen circa 1,5 en 2,3 m -NAP. De dikte van het pakket bedraagt veelal meer dan 12 meter. De oude getijdenafzettingen worden afgedekt door een laag veen van 0,5 tot 1,0 m dik. De bovenzijde van het veen bevindt zich tussen circa 1,0 en 2,0 m -NAP. In enkele boringen zijn aanwijzingen voor moernering (o.a. boringen 42H948 en 42H9978). Het Hollandveen wordt afgedekt door jonge getijdenafzettingen (Laagpakket van Walcheren).
Het plangebied staat afgebeeld op de geologische kaart van Nederland (schaal 1:50.000; Figuur 2.3).24 Volgens de kaart bestaat de geologische opbouw van het tracé langs de Zuiddijk uit een opeenvolging van jonge getijdenafzettingen op Hollandveen op oude getijdenafzettingen (code A2.3b). De jonge getijdenafzettingen hebben een volle/laatmiddeleeuwse ouderdom ('Duinkerke IIIa'; code A0.3a). In het oostelijk deel van het tracé hebben de jonge getijdenafzettingen mogelijk een jongere ouderdom ('Duinkerke IIIb') en zijn de oude getijdenafzettingen vertand in het Hollandveen aanwezig (code A2.3b). De geologische opbouw van het tracé langs de Roterijdijk bestaat uit jonge getijdenafzettingen op Hollandveen op oude getijdenafzettingen (code A0.3b; 'Duinkerke IIIb'). Tussen beide tracédelen is een noordwest-zuidoost georiënteerde jonge getijdengeul gekarteerd (code Bd3.b). Hier hebben de jonge getijden(geul)afzettingen zich erosief tot in de oude getijdenafzettingen ingesneden. In grote delen van 24 Van Rummelen 1970.
14
de polders pal zuidelijk en westelijk van het plangebied (het voormalige Dijkwater), bestaat de geologische opbouw uit diep in gesneden jonge getijdenafzettingen ('Duinkerke IIIb'; code D0.3b).
Figuur 2.3 Uitsnede van de geologische kaart met de ligging van het plangebied (bron: Van Rummelen 1970). Bodem Op de landsdekkende bodemkaart (schaal 1:50.000) staat het plangebied gekarteerd als kalkrijke, lichtzavelige poldervaaggronden met een wisselend profielverloop (code Mn15A).25 Het plangebied heeft een grondwatertrap VI, wat betekent dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) tussen dan 40 en 80 cm -mv ligt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) dieper dan 120 cm -mv bedraagt.
25 Pleijter & Van Wallenburg 1994.
15
Figuur 2.4 Uitsnede van de bodemkaart met de ligging van het plangebied (bron: Pleijter & Van Wallenburg 1994). Een gedetailleerder beeld van de (voormalige) bodemopbouw geeft oude bodemkaart die door Kuipers in jaren 40 van Schouwen-Duiveland is opgesteld (Figuur 2.5).26 In het gehele plangebied zijn 'nieuwlandgronden' gekarteerd. In de polder Dreischor (tracédeel Zuiddijk) komen '(diepe) zavelige schorgronden' (resp. codes MNs21 en MNs22) of '(diepe) lichtzavelige schorgronden' (resp. codes MNs31 en MNs32). In de polder Noordgouwe (tracédeel Roterijdijk) komen behalve '(diepe) zavelige schorgronden' (codes MNs21 en MNs22) ook 'iets humeuze en zandige hoge plaatgronden' voor (code MNk6). Deze plaatgronden hebben een zandige profielopbouw (zand vaak binnen 50 cm -mv), een kleidek ontbreekt.
26 Kuipers 1947.
16
Figuur 2.5 Projectie van het plangebied (rode lijn) op een uitsnede van de gedetailleerde bodemkaart van Dreischor (bron: Kuipers 1947). Geomorfologie en reliëf De geomorfologische kaart (schaal 1:50.000) laat weinig differentiatie zien: de ruime omgeving van het plangebied staat gekarteerd als 'vlakte van getij-afzettingen' (code 2M35).27 Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) varieert de maaiveldhoogte ter hoogte van het plangebied tussen 0,5 en +1,0 m NAP (Figuur2.6). In het kaartbeeld komen vooral de hoger gelegen getijdengeulafzettingen in de polders in het voormalige Dijkwater duidelijk naar voren. Ook de voormalige geul (Stroomdamme) loop is hier nog te herkennen.
27 Alterra 2006.
17
Figuur 2.6 Ligging van het plangebied (rode lijn) op een uitsnede van het AHN3 (bron: AHN3 2020).
Op de archeologische verwachtingskaart van de Schouwen-Duiveland heeft het plangebied een onbekende archeologische verwachting voor de perioden ijzertijd-Romeinse tijd en middeleeuwen. 28. De onbekende verwachting hangt samen met de op de oude bodemkaart gekarteerde schorgronden.29 De bodemkaart geeft geen (vlakdekkende) informatie over het onderliggende veenlandschap. Uit geologische boringen blijkt evenwel dat onder het pakket schorafzettingen nog intact veen aanwezig kan zijn. Op de archeologische beleidskaart geldt voor het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde Archeologisch Onderzoeksgebied B'.30 Voor deze zone geldt dat archeologisch onderzoek dient plaats te vinden, indien de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 en dieper dan 50 cm. Ontheffing kan worden verleend indien voorafgaand aan de (bouw)werkzaamheden een archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd op basis waarvan in voldoende mate kan worden vastgesteld dat de voorgenomen werkzaamheden niet zullen leiden tot aantasting van archeologische waarden.
28 De Boer 2008. 29
Kuipers 1947.
30 'Schouwen-Duiveland, Bestemmingsplan buitengebied', vastgesteld 26-03-2009.
18
In Archis3 staan enkele archeologische monumenten en vindplaatsen geregistreerd in de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 m; Figuur 2. 7): Ongeveer 400 meter ten westen van het plangebied, aan de noordrand van Schuddebeurs, liggen de resten van een laat-middeleeuws klooster (terrein van hoge archeologische waarde; monumentnr. 15947). Het betreft het Karthuizerklooster Sion, dat werd gebouwd in 1434 en verwoest in 1575. Het klooster omvatte verschillende gebouwen, waaronder een kapel. Ongeveer 500 meter ten noorden van het plangebied, westelijk van de Zuid Langeweg, staat een vondstelding weergegeven (Figuur 2.7: rode stip ['A']). Deze melding betreft de vermeende locatie van een huisplaats uit de Nieuwe tijd, die op basis van archiefgegevens is bepaald. 31Op dezelfde locatie is ook vondst van een bronzen hielbijl geregistreerd. 32 In 1993 zijn bij wegwerkzaamheden aan de Bogerdweg (ter hoogte van nr. 32 - ongeveer 260 meter noordelijk van het plangebied, resten van een knuppelweg aangetroffen (Figuur 2.7: rode stip ['B']).33 De knuppelweg lag op een diepte van 20 cm onder het wegdek en bestond uit boomstammen/houten palen (circa 3 meter lang en 5 cm dik) en is gedateerd rond 1700.34 In de polder ten zuiden van het plangebied staat het verdronken nederzetting Maye weergegeven.35 Maye was een vissersdorp dat in de 16e eeuw verdronk.
In het Archief van het Zeeuws Archeologisch Depot zijn geen andere vindplaatsen binnen het plangebied bekend.
In de directe omgeving van het plangebied zijn in het verleden slechts enkele archeologisch onderzoeken uitgevoerd (Figuur 2.7). In het kader van de aanleg van een fietspad tussen Dreischor en Nieuwerkerk (Nieuweweg-Stolpweg) is in 2013 een bureauonderzoek met verkennende boringen uitgevoerd.36 Op basis van de bevindingen is voor een deel van het onderzochte tracé een archeologische begeleiding van de uit te graven bermsloot aanbevolen. Deze zone ligt circa 3 kilometer zuidelijk van het plangebied en valt ruim buiten het kaartbeeld van Figuur 2.7. Bij de archeologische begeleiding zijn verschillende laat-middeleeuwse sporen aangetroffen.37 Het voormalige kloosterterrein in Schuddebeurs (monumentnr. 15947) is onderdeel van een veldinventarisatie van 24 AMK-terreinen op Schouwen-Duiveland die in 2010 heeft plaatsgevonden.38 Voor onderzoek op het AMKterrein werd evenwel geen toestemming verleend.
31 Archis-zaakidentificatienr.: 3219550100. 32 Archis-zaakidentificatienr.: 2808419100; Martens 1966. 33 Archis-zaakidentificatienrs.: 3007240100 en 2885004100. 34 Van Sloten 1993, Van Heeringen 1994. 35
https://intgwbp.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=CultuurHistorie
36 Archis-zaakidentificatienr.: 2418671100; D'hondt 2013. 37 Archis-zaakidentificatienr.: 2456085100; Mientjes 2015.
38 Archis-zaakidentificatienr.: 2325561100; Mulder et al. 2011.
19
Figuur 2.7 Bekende vindplaatsen en onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied.
Oude kaarten geven een beeld van het plangebied vanaf het eind van de 16e eeuw. Op de kaart van Christiaan Sgroten (circa 1573) is goed te zien dat Dreischor/Schouwen nog gescheiden is van Duiveland door het Dijkwater en de Zuidgouwe (Figuur 2.8). Het dorp Dreischor en het klooster Zyon (ter hoogte van het huidige Schuddebeurs) zijn weergegeven. Ook de (grotere) dijken lijken te zijn afgebeeld door Sgroten. De kaart van Visser-Roman (halverwege de 17e eeuw) toont een globale indeling van de omgeving van het plangebied. Door de weergave van de wegen en dijken is de ligging van het plangebied redelijk goed aan te geven (Figuur 2.9). Herkenbaar zijn de Zuiddijk en de Noordgouwsedijk (Roterijdijk). In het Dijkwater zijn al enkele polders bedijkt: de Maarlandpolder, Galgepolder, Bantam- of Sint Jeroenspolder en de Saspolder (Klein-Bettewaardpolder). Grote delen van het voormalige zeegat liggen nog open. In de directe omgeving van het plangebied staat geen bebouwing weergegeven.
20
Figuur 2.8 Projectie van het plangebied (rode lijn) op de kaart van Sgroten (circa 1573; bron: Provincie Zeeland Geoloket).
Figuur 2.9 Projectie van het plangebied (rode lijn) op de kaart van Roman-Visser (circa 1655; bron: Provincie Zeeland Geoloket).
21
De 'Kaarte van het Westelyk Gedeelte van Schouwen en Duyveland' door de gebroeders Hattinga (uit 1752) laat een gedetailleerder en verfijnder, maar deels vergelijkbaar beeld zien van de omgeving van het plangebied (Figuur 2.10). De huidige dijken en wegen zijn herkenbaar, in het plangebied staan geen huizen/boerderijen weergegeven. Verder is de te zien dat het Dijkwater geleidelijk aan verder raakt ingepolderd.
Figuur 2.10 Projectie van het plangebied (rode lijn) op de kaart van de Hattinga's (1752; bron: Provincie Zeeland Geoloket). De kadastrale kaarten uit het begin van de 19e eeuw laten meer detail zien39. Tevens zijn de percelen en bebouwing nauwkeurig weergegeven. De minuutplans laten een vrijwel ongewijzigd topografisch beeld zien. In de directe omgeving van het plangebied staat geen bebouwing afgebeeld.
39
minuutplan Dreischor, Zeeland, sectie C 'Het Dorp', blad 02 (MIN09022C02), minuutplan Noordgouwe, Zeeland, sectie C 'Kloosterblok', blad 01 (MIN09069C01).
22
Figuur 2.11 Projectie van het plangebied (rode lijn) op de kadastrale minuutplans (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort). De topografische indeling blijft min of meer ongewijzigd tot aan de ruilverkaveling in jaren 50 (vgl. Figuren 2.12 t/m 2.15). Vanaf dan maakt het kleinschalig verkavelde gebied in de polder Dreischor en de Noordgouwepolder plaats voor een rationeler landschap met grotere kavels. De verschillende kleine polders die in het voormalige Dijkwater ten zuiden van het plangebied liggen (o.a. Maarlandpolder, Galgepolder, Adriana Johannapolder, Jongepolder, St. Jeroenspolder en Suzannapolder) worden grotendeels samengevoegd tot enkele grotere polders: de huidige Adriana Johannapolder en St. Jeroens- of Bantampolder). De topografische kaarten geven geen aanwijzingen voor al dan niet verdwenen bebouwing in het plangebied in de afgelopen circa vier eeuwen.
23
Figuur 2.12 Projectie van het plangebied (rode lijn) op de topografische kaart uit 1916 bron: topotijdreis.nl).
Figuur 2.13 Projectie van het plangebied (rode lijn) op de topografische kaart uit 1950 bron: topotijdreis.nl).
24
Figuur 2.14 Projectie van het plangebied (rode lijn) op de topografische kaart uit 1962 bron: topotijdreis.nl).
Figuur 2.15 Projectie van het plangebied (rode lijn) op de topografische kaart uit 2012 bron: topotijdreis.nl).
25
Figuur 2.16 Geologische en archeologische tijdstabel.
26
Op basis van de landschappelijke, archeologische en historische gegevens, aangevuld met de informatie over geologische ontwikkeling en bewoningsgeschiedenis, kan voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting worden opgesteld. Hierbij kunnen van onder naar boven vijf 'archeologische landschappen' worden onderscheiden (tabel 2.2): landschap pleistocene ondergrond
bewoningsperiode
archeologische verwachting onbekend
laat-paleolithicum en mesolithicum kustveenmoeras laat mesolithicum laag oude getijdenlandschap vroeg neolithicum laag midden/laat neolithicum onbekend veenlandschap bronstijd /vroege ijzertijd laag ijzertijd / Romeinse tijd (middel)hoog jonge getijdenlandschap middeleeuwen middelhoog bedijkte polderlandschap late middeleeuwen middelhoog Nieuwe tijd laag Tabel 2.2 Vereenvoudigde gestapelde archeologische verwachting.
globale diepte (m -NAP) -14 m -13 m -2 m -1 à -2 m ca. -1 m vanaf het maaiveld
Het dekzand vormde het bewoonbare landschap totdat het rond het einde van het mesolithicum (ongeveer 6.000 v.Chr), als gevolg van de stijgende zeespiegel, vernatte en geleidelijk overgroeid raakte met veen. Dit betekent dat de pleistocene landschap alleen bewoonbaar is geweest voor jager-verzamelaars. De archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars wordt bepaald door de morfologie (en intactheid) van het dekzandlandschap. De vindplaatsen bevinden zich bij voorkeur in ecologische gradiëntzones (overgangen van nat naar droog, zoals bijvoorbeeld dekzandruggen grenzend aan depressies of langs de randen van beekdalen). In dergelijke zones kunnen in principe zowel nederzettingsterreinen met een dichte strooiing van vuursteenmateriaal, als kleine jachtkampementjes met een ijle vondststrooiing aanwezig zijn. Bij dergelijke vindplaatsen wordt voornamelijk strooiing van houtskool, (bewerkt) vuursteen en (ander) natuursteen verwacht. De resten bevinden zich in de top van het (ongestoorde) natuurlijke dekzand. Uit de geologische boringen blijkt dat delen van het pleistocene oppervlak zijn afgedekt met basisveen, en naar verwachting dus nog deels intact zijn. Het aantal beschikbare geologische waarnemingen (boringen) is evenwel te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van de intactheid, opbouw en reliëf van de pleistocene ondergrond te krijgen.
Om deze reden is de archeologische verwachting voor het intacte dekzandlandschap onbekend. De top van het pleistocene oppervlak ligt bovendien ruim beneden de maximale diepte van de voorgenomen werkzaamheden/verstoringen. Eventueel aanwezige archeologische resten samenhangend met het dekzandlandschap worden dan ook niet bedreigd door de voorgenomen ingrepen.
Onder invloed van de stijgende zeespiegel veranderde de omgeving van het plangebied tegen het einde van het mesolithicum in een kustveenmoeras, waar in eerste instantie eutrofe rietvenen tot ontwikkeling kwamen. Het gebied vormde een onaantrekkelijke locatie voor (tijdelijke) bewoning. Het gebied zal in deze vrij korte periode vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van (zeer) tijdelijke aard waren: jacht, visvangst, deposities. De eventuele resten daarvan, die zich in of op het basisveenpakket bevinden, zijn niet met de gebruikelijke prospectiemethoden op te sporen. De verwachting voor vindplaatsen in het kustveenmoeras is dan ook laag.
27
Vermoedelijk in de loop van het neolithicum kwam de omgeving van het plangebied binnen bereik van de zee te liggen. Het verdrinkende (en met kustveen overgroeide) pleistocene landschap transformeerde zich in een waddengebied dat landinwaarts overging in een lagunair gebied; sedimentatie van onderwater kleien en zanden domineerde hier. In die landschappelijke delen die buiten het bereik van de zee lagen, konden in eerste instantie eutrofe rietvenen tot ontwikkeling komen. De wadden, lagunes en kustveenmoerassen vormden in deze periode nog weinig aantrekkelijke locaties voor (semi-)permanente bewoning; de archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het vroeg-/middenneolithicum is om deze reden laag. Rond het begin van het midden-neolithicum bereikte het getijengebied zijn maximale omvang, waarna het gebied begon te verlanden. Het landschap bestond, in plaats van alleen uit wadden, mogelijk ook uit kwelders en geulen met hoger opgeslibde oevers. Een dergelijke omgeving bood weliswaar aanzienlijk meer bestaansmogelijkheden: veeteelt en kleinschalige akkerbouw op de hoger opgeslibde oevers langs de geulen, jacht en visvangst in de lager gelegen moerassen en kreken. Evenzo zullen ook grote delen van het oude getijdenlandschap ongeschikt zijn geweest voor bewoning.
Door de afdekking van de oude getijdenafzettingen met veen en jongere getijdenafzettingen bestaat te weinig kennis van de opbouw en paleogeografie van het oude getijdenlandschap. Om deze reden geldt een onbekende verwachting voor vindplaatsen uit het laat-neolithicum. Ten aanzien van die delen van het oude getijdenlandschap die geërodeerd zijn door dieper ingesneden, jonge getijdengeulen geldt sowieso een zeer lage archeologische verwachting. De top van het oude getijdenlandschap bevindt zich naar verwachting rond 2,0 m -NAP.
Door definitieve sluiting van de kustbarrière rond 4000 jaar geleden verslechterde de afwatering in het gebied en vond op uitgebreide schaal veengroei plaats. De bewoningsmogelijkheden namen hierdoor af. Het gebied zal in deze tijd vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. Te denken valt aan al of niet rituele deposities of overblijfselen van vervoer (achtergelaten kano, knuppelweg door het veen). Eventuele resten daarvan, die zich in het veenpakket bevinden, zijn niet met de gebruikelijke prospectiemethoden op te sporen. Voor vindplaatsen uit de periode bronstijd / midden-ijzertijd geldt om deze reden een lage archeologische verwachting. In de loop van de ijzertijd drong de zee via de Schelde het veengebied binnen. In eerste instantie leidde dit tot ontwatering van het veen, hetgeen gunstige bewoningscondities creëerde. Voor vindplaatsen uit de late ijzertijd en Romeinse tijd geldt een middelhoge archeologische verwachting. Dergelijke vindplaatsen kunnen worden aangetroffen in de top van het (veraarde) Hollandveen, met name in die zones waar het veen ontwaterd is. Vindplaatsen uit de genoemde periodes worden veelal gekenmerkt door een lage vondstspreiding en de afwezigheid van een cultuurlaag. Het kan gaan om boerderijen of huisplaatsen dan wel een cluster daarvan.
Binnen de vindplaatsen kunnen fragmenten aardewerk, (on)verbrand botmateriaal, natuursteen en metaal worden aangetroffen. Daar waar het veenlandschap is geërodeerd door jongere getijdenafzettingen (m.n. ter hoogte van de getijdengeulen), geldt een (zeer) lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de late ijzertijd en Romeinse tijd. Verder hebben ook middeleeuwse moerneringsactiviteiten geleid tot vergraving van het veenlandschap en daarmee mogelijk ook tot aantasting van eventueel aanwezige vindplaatsen. Zeker is dit evenwel niet: bij archeologisch onderzoek in het kader van de aanleg van de Westerscheldetunnel zijn te midden van zones met gemoerneerd veen, delen met intact veen aangetroffen waarop restanten van boerderijen uit de Romeinse tijd aanwezig waren. 40 Mogelijk vormde de aanwezigheid van oudere bewoningsresten op het veen juist een aanleiding voor de middeleeuwse veenwinners om de desbetreffende delen van het veen intact te laten. De top van het Hollandveen bevindt zich naar verwachting rond 1 à 2 m -NAP.
Het jonge getijdenlandschap dat globaal vanaf de jaartelling is gevormd, begon enkele eeuwen later te verlanden. De overwegend zandige getijdengeulen waren minder onderhevig aan klink dan de kleiige en venige afzettingen. Deze zogeheten differentiële klink zorgde ervoor dat de voormalige geulen hoger kwamen te liggen dan het omringende klei-
40 Sier 2003.
28
en veenlandschap. Vanaf de vroege middeleeuwen vormden juist deze hogere getij-inversieruggen preferente bewoningsplekken in het onbedijkte, jonge getijdenlandschap. Uit de het bureauonderzoek blijkt dat de ondergrond van het plangebied grotendeels uit (jonge) schorafzettingen bestaat. omgeving van het plangebied geen wordt door twee van dergelijke jonge getijdengeulen. Er zijn geen aanwijzingen aanwezigheid van voor vroeg-middeleeuwse getijdengeulen in het gebied. Wel zouden deze in theorie onder schorafzettingen aanwezig kunnen zijn. Om deze reden geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen vanaf de vroege middeleeuwen. Het kan zowel gaan om grotere nederzettingsterreinen, losse huisplaatsen, boerderijerven, mottes e.d. De vindplaatsen kenmerken zich doorgaans door een archeologische cultuurlaag en een lage tot hoge vondstdichtheid (aardewerk, houtskool, bot, baksteen, natuursteen, glas en/of metaal). Ook kunnen sporen van landgebruik, begravingen en losse sporen aanwezig zijn. Deze zijn met een booronderzoek evenwel niet of nauwelijks op te sporen. De archeologische resten worden verwacht in het pakket jonge getijdenafzettingen op enige diepte onder maaiveld.
Met de bedijkingen vanaf - globaal de 12e eeuw - maakte het plangebied deel uit van de bedijkte polders Dreischor en Noordgouwe. Gedurende de late middeleeuwen en Nieuwe tijd zijn beide polders nog verschillende malen overstroomd en opnieuw bedijkt of zelfs heringepolderd. Hierbij kunnen oudere (d.w.z. middeleeuwse) bewoningsresten zijn afgedekt. De geraadpleegde kaarten laten zien dat het gebied (vanaf de 16e eeuw) ogenschijnlijk steeds in gebruik is geweest als agrarisch gebied; er zijn geen aanwijzingen voor bebouwing uit de Nieuwe tijd. Ten aanzien van vindplaatsen uit de late middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting, voor bewoningsresten uit de Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting. Het gaat vermoedelijk om losse huisplaatsen, boerderijerven e.d., maar grotere nederzettingsterreinen zij ook niet uit te sluiten (zo heeft het gehucht Maye vermoedelijk net iets zuidelijk van het plangebied gelegen). Dergelijke vindplaatsen kenmerken zich doorgaans door een archeologische cultuurlaag en een lage tot hoge vondstdichtheid (aardewerk, houtskool, bot, baksteen, natuursteen, glas en/of metaal). Ook kunnen sporen van landgebruik, begravingen en losse sporen aanwezig zijn. Deze zijn met een booronderzoek evenwel niet of nauwelijks op te sporen. De archeologische resten worden verwacht in het pakket jonge getijdenafzettingen op enige diepte onder maaiveld.
29
Doel van het booronderzoek is de gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en aan te scherpen, door het (1) in kaart brengen van bodemopbouw, (2) het vaststellen van eventuele bodemverstoringen en de invloed hiervan op de archeologische verwachtingswaarde. Specifieke vraagstellingen die met het booronderzoek beantwoord worden zijn: − Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? − Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? − Bevinden zich archeologische relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte t.o.v. maaiveld en NAP? − Zijn archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja, wat is de horizontale en verticale positie daarvan, wat is hun datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? − In hoeverre worden eventuele aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodem verstorende werkzaamheden? − Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek wordt er geadviseerd?
Het onderzoek betreft een booronderzoek karterende fase van het IVO-Overig. Het onderzoek is uitgevoerd conform Protocol 4003: Specificatie Inventariserend Veldonderzoek VS03 van de KNA 4.1. en conform het Plan van Aanpak.41 Tijdens het veldonderzoek zijn 29 boringen gezet. De boringen zijn in twee raaien gezet, ter hoogte van de te graven watergang. De afstand tussen de boringen bedroeg 40 meter. De locaties van de boringen (x- en y-waarden) zijn uitgezet met meetlinten ten opzichte van de topografische elementen, de hoogtes zijn herleid aan de hand van het Actueel Hoogtebestand (AHN3). De boringen zijn gezet met een Edelmanboor (diameter 7 cm, tot ca. 1,0 m -mv) en een gutsboor (diameter 3 cm). De maximale boordiepte bedroeg 3,0 m -mv. De boringen zijn in het veld beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijving (ASB) en lithologisch conform de NEN 5104.42 De boorprofielen zijn als bijlage 1 opgenomen achter in het rapport. Tijdens het veldonderzoek zijn de bodemopbouw en de hierin aanwezige lagen beschreven en bestudeerd. Specifieke aandacht is besteed aan: de aard en kleur van het sediment; aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen); de genese van de laag; de aanwezigheid van cultuurlagen/bodemhorizonten en/of archeologische indicatoren.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden en verbrokkelen met het blote oog gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals houtskool, aardewerk, metaal, bot, verbrande leem en fosfaatvlekken). De gehanteerde methode is geschikt voor het vaststellen van de bodemopbouw, het bepalen van de verstoringsdiepte en het opsporen van vondstrijke, grotere nederzettingsterreinen met een vondst-/cultuurlaag.43 Deze methode is niet geschikt voor het opsporen van kleine of vondstarme nederzettingen (in het bijzonder vindplaatsen uit de late ijzertijd/Romeinse tijd op het veen). Zeer lokale archeologische resten - zoals graven, greppels, rituele deposities, e.d. - zijn evenmin structureel op te sporen door middel van een booronderzoek.
41 De Boer 2020. 42
Nederlands Normalisatie-instituut 1989.
43 Tol et al. 2012.
30
Figuur 3.1 Impressie van het plangebied. Boven: ter hoogte van boring 11 (foto in oostelijke richting); onder: ter hoogte van boring 20 (foto in zuidelijke richting).
Het plangebied bestond geheel uit bouwland (graan en groenbemester; Figuur 3.1). Het veldonderzoek kon worden uitgevoerd zoals tevoren was gepland.
Voor een overzicht van de ligging van de boringen wordt verwezen naar Figuur 3.2. De boorbeschrijvingen zijn als bijlage 1 achter in het rapport opgenomen. De boringen laten een gevarieerde en wisselende bodemopbouw zien. Aan de hand van de geo-archeologische lengteprofielen zal de bodemopbouw van boven naar beneden worden besproken (Figuur 3.3). Van boven naar beneden zijn de volgende (hoofd-)lagen aangetroffen:
31
− − − −
bouwvoor/geroerde laag; jonge getijdenafzettingen; veen; oude getijdenafzettingen.
Figuur 3.2 Boorpuntenkaart. Oude getijdenafzettingen Aan de basis van alle boringen (m.u.v. boring 18) zijn oude getijdenafzettingen aangetroffen (Figuren 3.3 en 3.4). In het overgrote deel van de boringen bestaan de oude getijdenafzettingen uit lichtgrijs, uiterst/sterk siltig, zeer fijn zand met dunne kleilagen en plantenresten. De top ervan (enkele decimeters) is veelal kalkloos. De afzettingen zijn geïnterpreteerd als zandige geul- of wadplaatafzettingen. In de boringen 7 t/m 10, 17 en 19 t/m 22 vormen deze zandige afzettingen de top van het oude getijdenlandschap. In het zuidwestelijke deel van het plangebied (boringen 23 t/m 29) worden de zandige afzettingen afgedekt door kalkloze, uiterst siltige klei met dunne zandlagen en plantenresten. De laag heeft een dikte van enkele decimeters en is geïnterpreteerd als wadvlakte-afzetting. In het noordoostelijk deel van het plangebied (boringen 1 t/m 6 en 11 t/m 16) bestaan de oude getijdenafzettingen uit licht(blauw)grijze, matig slappe, kalkloze, uiterst/sterk siltige klei met enkele zandlagen. Deze opbouw is eveneens geïnterpreteerd als wadvlakte-afzetting. In boring 18 zijn geen oude getijdenafzettingen aangetroffen; deze zijn tot (minimaal) 2,8 m -NAP (3,0 m -mv) geërodeerd door een jonge getijdengeul. De top van de oude getijdenafzettingen is aangetroffen tussen 1,3 en 2,6 m -mv (1,4 en 2,6 m -NAP).