CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitspraak Raad van State

Raadsvergadering 20 januari 2026, gemeente SchiermonnikoogBij agendapunt: Herstel bestemmingsplan Schiermonnikoog - dorp34.062 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

[appellant sub 8] wenst dat in de planregels wordt toegestaan dat bijgebouwen die zijn gerealiseerd ter plaatse van de bestemming "Tuin - Overtuin" op dezelfde wijze mogen worden gebruikt als de bijbehorende woning. De wens van [appellant sub 8] ziet niet op zelfstandige bewoning in de vorm van dubbele bewoning of recreatief verblijf, maar bewoning die functioneel verbonden is met het hoofdgebouw. Ter illustratie noemt hij het realiseren van een logeerkamer voor gezinsleden/familie. 18.1. In artikel 26.5, aanhef en onder a, van de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan is bepaald dat tot een gebruik strijdig met de bestemming "Tuin - Overtuin" in ieder geval wordt gerekend het gebruik van de gebouwen voor zelfstandige en/of recreatieve bewoning dan wel (recreatief) nachtverblijf, tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding "recreatiewoning", in welk geval recreatieve bewoning is toegestaan. Op grond van deze planregel was het door [appellant sub 8] gewenste gebruik, namelijk het gebruiken van zijn bijgebouw voor bewoning, bijvoorbeeld het realiseren van een slaapkamer, niet toegestaan. 18.2. Ook de planregels van het herstelbesluit van 16 juli 2024 staan bewoning van

51

gebouwen ter plaatse van de bestemming "Tuin - Overtuin" niet toe. In de planregels van het herstelbesluit is dit als volgt geregeld. Uit de bouwregels behorende bij de bestemming "Tuin - Overtuin" volgt dat ter plaatse van deze bestemming bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zijn toegestaan. Het gaat [appellant sub 8] om de mogelijkheid om bijbehorende bouwwerken in zijn tuin te kunnen gebruiken voor bijvoorbeeld het realiseren van een slaapkamer. Dat de planregels hieraan in de weg staan, blijkt uit de definitie van bijbehorend bouwwerk opgenomen in artikel 1.21 van de planregels van het herstelbesluit. Daarin is een bijbehorend bouwwerk als volgt gedefinieerd: "a. indien sprake van een bijbehorend bouwwerk in de bestemming Tuin - Overtuin: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw behorende bij de door middel van de figuur 'relatie' gekoppelde percelen, zoals weergeven in Bijlage 5 bij de regels opgenomen kaart Overtuinen; b. indien sprake van een bijbehorend bouwwerk in overige bestemmingen: een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw".

Uit deze definitie van bijbehorend bouwwerk, onder sub a, volgt dat een bijbehorend bouwwerk in zowel architectonisch als functioneel opzicht ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw behorende bij de door middel van de figuur 'relatie' gekoppelde percelen, zoals weergeven in bijlage 5 bij de regels opgenomen kaart Overtuinen. Dit gekoppelde perceel is het perceel met de woonbestemming die is toegekend aan de woning van [appellant sub 8]. Bijbehorende bouwwerken in de met deze woonbestemming gekoppelde overtuin mogen dus alleen worden gebruikt voor een gebruik dat in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het gebruik van het hoofdgebouw, in dit geval de woning van [appellant sub 8]. Van functionele ondergeschiktheid is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geen sprake als de functie nauw verweven is met de functie van het hoofdgebouw, zoals bad- of doucheruimte of een slaapkamer. Dit betekent dat anders dan [appellant sub 8] wenst niet alle gebruiksmogelijkheden voor zijn woning ook zijn toegestaan in de bijbehorende bouwwerken in de tuin bij zijn woning.

De Afdeling plaatst hierbij de opmerking dat in artikel 26.5.1, aanhef en onder b, sub 2, van de planregels is opgenomen dat het wel is toegestaan gebouwen ter plaatse van de bestemming "Tuin - Overtuin" te gebruiken ten behoeve van thuiswerken en/of kantoor aan huis, voor zover dit gebruik geen bezoekers aantrekt of op andere wijze overlast veroorzaakt voor de omgeving. 18.3. Het voorgaande betekent dat zowel in de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als in de planregels van het herstelbesluit is geregeld dat gebouwen ter plaatse van de aan de tuin van [appellant sub 8] toegekende bestemming "Tuin - Overtuin" niet mogen worden gebruikt voor nachtverblijf/bewoning, dan wel voor andere functies die niet functioneel ondergeschikt zijn aan de woning. In zoverre zit er geen verschil tussen de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan en de planregels van het herstelbesluit. 18.4. Zoals hiervoor onder 16 is overwogen, staat in paragraaf 2.4.3 van de plantoelichting dat een overtuin een essentieel onderdeel vormt van het beschermd dorpsgezicht en dat het van belang is om het open karakter van deze tuinen te beschermen en zo veel mogelijk in stand te houden. De overtuinen staan volgens de plantoelichting onder druk. In bijgebouwen van

52

woningen in de overtuinen wordt op enkele plaatsen recreatief gewoond. Daarnaast hebben bewoners extra bijgebouwenruimte nodig. Het toestaan van bewoning van bijgebouwen heeft onherroepelijk tot gevolg dat behoefte ontstaat aan extra bijgebouwen (bergruimte etc.). Dat is niet in overeenstemming met het beleid dat is gericht op de bescherming van het open karakter van overtuinen, zo staat in de toelichting. Wel zijn volgens de toelichting in de planregels de gebruiksmogelijkheden van gebouwen in de overtuinen verruimd voor thuiswerken/kantoor aan huis. 18.5. Uit de plantoelichting blijkt dus dat de raad bewoning van bouwwerken ter plaatse van de bestemming "Tuin - Overtuin" niet wenselijk acht, omdat dit volgens de raad naar verwachting zal leiden tot het bouwen van meer bouwwerken in de overtuinen en dat staat volgens de raad op gespannen voet met het belang dat het open karakter van de overtuinen zo veel als mogelijk behouden moet blijven. De Afdeling kan deze afweging van de raad volgen en acht de keuze van de raad waarom bewoning van bouwwerken in overtuinen niet wordt toegestaan, toereikend onderbouwd.

Daarbij overweegt de Afdeling dat [appellant sub 8] er weliswaar op wijst dat de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen ter plaatse van de bestemming "Tuin - Overtuin" in de planregels reeds is gemaximeerd op in totaal 50 m2 per overtuin, maar dat laat op zichzelf onverlet dat aannemelijk is dat het bieden van ruimere gebruiksmogelijkheden voor deze bouwwerken er toe leidt dat op meer plaatsen in de overtuinen bouwwerken zullen worden gerealiseerd en dat staat op gespannen voet met de keuze van de raad om juist te ontmoedigen dat meer bouwwerken in de overtuinen worden gerealiseerd om zo het open karakter van de overtuinen zo veel mogelijk te behouden. De Afdeling ziet geen aanleiding om ook in te gaan op het betoog van [appellant sub 8] dat hij het ook niet eens is met de stelling van de raad dat het onderscheid tussen nachtverblijf voor reguliere bewoning en recreatief nachtverblijf lastig handhaafbaar is. Met de hiervoor weergegeven onderbouwing is naar het oordeel van de Afdeling toereikend gemotiveerd waarom bewoning van bouwwerken ter plaatse van overtuinen niet is toegestaan. Het betoog van [appellant sub 8] slaagt niet. Zienswijze herstelbesluit 19.

In zijn zienswijze naar aanleiding van het herstelbesluit richt [appellant sub 8] zich tegen de in de planregels bij het herstelbesluit gewijzigde begripsomschrijvingen van bedrijfswoning en personeelsverblijf. Over de gewijzigde definitie van bedrijfswoning betoogt [appellant sub 8] dat wordt losgelaten door wie de bedrijfswoning wordt bewoond. Wat betreft de gewijzigde definitie van personeelsverblijf betoogt [appellant sub 8] dat wordt losgelaten dat de huisvesting in het gebouw of op het terrein van een bedrijf plaatsvindt. Ook wijst [appellant sub 8] in zijn zienswijze naar aanleiding van het herstelbesluit op verschillende locaties op de verbeelding waar volgens hem sprake is van tegenstrijdige aanduidingen en bestemmingen die niet overeenkomen met het huidige gebruik. Zo wijst hij onder meer op een horeca- of detailhandelsbestemming die volgens hem zou zijn toegekend aan een deel van een openbare weg en een woonbestemming die zou zijn toegekend aan een tennisbaan. 19.1. In zijn zienswijze en op de zitting heeft [appellant sub 8] niet kunnen toelichten wat zijn belang is waarom hij deze beroepsgronden over het herstelbesluit naar voren heeft gebracht.

De enkele stelling op de zitting dat hij gebruiker is van de openbare ruimte en dat hij wil dat de raad omissies in het bestemmingsplan oplost, is onvoldoende om te concluderen dat de normen waarop [appellant sub 8] zich in dit verband beroept strekken ter bescherming van

53

zijn belang. De Afdeling verwijst in dit verband naar het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste, inhoudende dat de Afdeling een besluit niet mag vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Om die reden gaat de Afdeling niet inhoudelijk in op de beroepsgronden die [appellant sub 8] in zijn zienswijze over het herstelbesluit naar voren heeft gebracht. Dit nog daargelaten de vraag of de punten die [appellant sub 8] in zijn zienswijze noemt, zoals de volgens hem op de verbeelding aanwezige tegenstrijdige aanduidingen en bestemmingen, niet ook al naar voren hadden kunnen worden gebracht tegen het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan. HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 9] VOOR HET OVERIGE 20. In zijn zienswijze naar aanleiding van het herstelbesluit stelt [appellant sub 9] dat bij het doornemen van het herstelbesluit een aantal storende zaken naar voren zijn gekomen.

Hij stelt dat deze storende zaken niet te maken hebben met de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd tegen het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan, welke beroepsgronden betrekking hebben op zijn wens dat in het bestemmingsplan een dubbele gebruiksmogelijkheid voor zijn woning wordt opgenomen voor zowel recreatieve als permanente bewoning. Ondanks dat er geen verband is met zijn beroepsgronden, verdienen deze storende zaken naar de mening van [appellant sub 9] wel de aandacht en heeft hij deze zaken daarom genoemd in zijn zienswijze over het herstelbesluit. 20.1. De Afdeling gaat niet inhoudelijk in op de punten die [appellant sub 9] in zijn zienswijze noemt, omdat deze punten geen enkel verband hebben met het onderwerp waarvoor [appellant sub 9] beroep heeft ingesteld tegen het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan, zoals hij zelf ook in zijn zienswijze heeft vermeld, en daarnaast ook niet is gebleken dat [appellant sub 9] ten aanzien van de punten die hij in zijn zienswijze noemt alsnog als gevolg van het herstelbesluit in een nadeliger positie is gekomen en hem op deze punten redelijkerwijs niet kan worden verweten in dat verband niets te hebben aangevoerd in het kader van het oorspronkelijk op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan.

De Afdeling verwijst in dit verband naar haar vaste rechtspraak dat vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen, geen gronden kunnen worden aangevoerd tegen een herstelbesluit als die gronden al tegen het eerdere besluit, in dit geval het bestemmingsplan van 15 februari 2022, hadden kunnen worden aangevoerd. HET BEROEP VAN [APPELLANTEN SUB 1] VOOR HET OVERIGE 21. [appellanten sub 1] wijzen erop dat een deel van hun woning op de locatie [locatie 22] buiten de aanduiding "bouwvlak" valt. Het gaat volgens hen om ongeveer 25% van hun woning. Zij wensen dat de begrenzing van de aanduiding "bouwvlak" zo wordt aangepast dat die aanduiding hun hele woning beslaat. In hun nadere memorie betogen [appellanten sub 1] in dit verband dat de raad weliswaar stelt dat het bestemmingsplan toestaat dat aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak zijn gesitueerd, maar volgens [appellanten sub 1] is in hun geval daarvan geen sprake, omdat het deel van hun woning dat buiten het bouwvlak ligt geen architectonisch ondergeschikt deel is van hun woning, maar een integraal deel daarvan. In het deel van de woning dat buiten het bouwvlak ligt, zijn een deel van de keuken, bijkeuken, badkamer en slaapkamer gesitueerd, aldus [appellanten sub 1].

Zonder deze ruimtes is hun woning volgens hen niet meer functioneel en kan de woning niet meer worden bewoond.

54

21.1. De Afdeling stelt voorop dat [appellanten sub 1] terecht stellen dat een deel van hun woning buiten de begrenzing van de aanduiding "bouwvlak" ligt. Dat is ook niet in geschil. De begrenzing van het bouwvlak is niet gewijzigd in het herstelbesluit. 21.2. Op de zitting heeft de raad bevestigd dat de woning van [appellanten sub 1] niet volledig is bestemd. Zo ligt volgens de raad het hoofdgebouw van de woning in zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als in het herstelbesluit van 16 juli 2024 niet geheel binnen het bouwvlak. Daarnaast is met de gewijzigde planregels in het herstelbesluit volgens de raad abusievelijk de aanbouw van de woning van [appellanten sub 1] niet meer goed bestemd. De reden daarvoor is dat de aanbouw in de planregels valt onder de definitie van aangebouwd bijbehorend bouwwerk en in de definitie van bijbehorend bouwwerk in de planregels van het herstelbesluit is vereist dat het gebruik van het bijbehorend bouwwerk functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. De Afdeling verwijst op dit punt terug naar de hiervoor onder 18.2 geciteerde definitie van bijbehorend bouwwerk opgenomen in artikel 1.21 van de planregels van het herstelbesluit. Van functionele ondergeschiktheid is in het geval van [appellanten sub 1] geen sprake gezien het hiervoor onder 21 omschreven gebruik dat plaatsvindt in de aanbouw.

Op de zitting heeft de raad op dit punt vermeld dat het herstelbesluit aldus moet worden aangepast dat in geval sprake is van een aanbouw niet is vereist dat het gebruik hiervan functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. De raad heeft op de zitting samenvattend bevestigd dat was beoogd de woning met aanbouw van [appellanten sub 1], zoals in het verleden is vergund, als zodanig te bestemmen. Nu de raad zelf ook erkent dat dit niet op de juiste wijze is gebeurd, moet worden geoordeeld dat zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als het op 16 juli 2024 vastgestelde herstelbesluit op dit punt niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid zijn vastgesteld. Het betoog van [appellanten sub 1] slaagt. HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 6] 22. [appellant sub 6] is eigenaar van de recreatiewoning gelegen aan de [locatie 29] in Schiermonnikoog. Hij richt zich tegen de planologische ontwikkelingen op de nabijgelegen locaties [locatie 30] en [locatie 31]. Voor de [locatie 30] gaat het om een nieuwe recreatieve bestemming en voor de [locatie 31] om een verplaatsing en vergroting van de woonbestemming. Op deze twee ontwikkelingen gaat de Afdeling hierna afzonderlijk in. [locatie 30] 23.

[appellant sub 6] wijst erop dat aan de recent nieuw gebouwde woning op de locatie [locatie 30] in het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan de bestemming "Recreatie - Recreatiewoningen 5" is toegekend. Deze bestemming staat recreatieve bewoning van recreatiewoningen toe. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 was ter plaatse een woonbestemming toegekend, aldus [appellant sub 6]. Volgens hem is dit in strijd met het gemeentelijk beleid inhoudende dat in de overtuinen, waartoe de locatie [locatie 30] volgens hem behoort, geen nieuwe recreatiewoningen mogen worden gebouwd. De overtuinen zijn namelijk onderdeel van het beschermd dorpsgezicht. Ook betoogt [appellant sub 6] dat het omzetten van een woning naar recreatiewoning in strijd is met het gemeentelijke beleid gericht op het behouden van woningen voor de woningzoekenden op Schiermonnikoog. 23.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 6] terecht stelt dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 aan de locatie [locatie 30] een

55

woonbestemming was toegekend en dat dit in het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan is gewijzigd in de bestemming "Recreatie - Recreatiewoningen 5". Die bestemming is ongewijzigd in het herstelbesluit van 16 juli 2024. 23.2. Ook stelt de Afdeling vast dat uit de door de raad overgelegde stukken blijkt dat al in 2017 een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk op de locatie [locatie 30] en het in strijd met het op dat moment geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 gebruiken van deze woning als recreatiewoning. De raad stelt in dit verband in het verweerschrift dat hij in 2015 heeft besloten ermee in te stemmen dat de woning [locatie 30] mag worden omgezet van de bestemming "wonen" naar de bestemming "recreatie". Dit staat ook in de inhoudelijke overwegingen van de verleende omgevingsvergunning. Daarin staat dat in het verleden de raad al een uitspraak heeft gedaan over het toestaan van een recreatiewoning op het perceel [locatie 30]. Daarbij is ook opgemerkt dat het bouwvolume en de locatie [locatie 30] te gering zijn om van een volwaardige woning te kunnen spreken. Deze omstandigheden hebben voor het college de reden gevormd om in 2017 de omgevingsvergunning te verlenen om in afwijking van het bestemmingsplan de op de locatie [locatie 30] nieuw te bouwen woning te gebruiken als recreatiewoning.

De verleende omgevingsvergunning heeft voor de raad de reden gevormd het gebruik als recreatiewoning ook als zodanig te bestemmen in het bestemmingsplan. Dit is een keuze die de raad mag maken. In beginsel is namelijk vereist dat de raad het gebruik waarvoor reeds een omgevingsvergunning is verleend ook inpast in het bestemmingsplan. Omstandigheden kunnen aanleiding geven dat niet te doen, maar die omstandigheden ziet de Afdeling in dit geval niet, mede gelet op de beperkte omvang van de woning op de locatie [locatie 30]. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de situatie wat betreft de woning op de locatie [locatie 30] verschilt van de hiervoor onder 9 en verder besproken situaties, reeds omdat voor de in die overweging besproken woningen niet een vergelijkbare omgevingsvergunning is verleend als voor de woning [locatie 30], waarin het recreatieve gebruik in afwijking van het vorige bestemmingsplan bij vergunning is toegestaan. Het betoog slaagt niet. [locatie 31] 24. [appellant sub 6] betoogt dat de aan de locatie [locatie 31] toegekende woonbestemming in het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan is vergroot en verschoven. Dit leidt volgens hem tot een aantasting van de landschappelijk waardevolle overtuinen als overgangszone tussen het beschermde dorpsgezicht en de binnenduinrand van de Noorderstreek.

In dit visueel kwetsbare gebied zijn bouwaanvragen of uitbreidingen eerder altijd afgewezen, aldus [appellant sub 6]. Hij wijst daarbij op afwijzingen uit 2009. De locatie [locatie 31] gelegen aan de oostkant van het Tjebbeglop is een van de weinige locaties waar volgens hem de oorspronkelijke vorm van de overtuinen nog is waar te nemen. Met het toestaan van verdergaande bebouwing op deze locatie wordt het fraaie groene aanzicht en daarmee het beschermde dorpsgezicht onaanvaardbaar geschaad, zo betoogt [appellant sub 6]. De woonbestemming op de locatie [locatie 31] was volgens [appellant sub 6] in het voorheen geldende bestemmingsplan toereikend, waarbij de waardevolle overtuinen minder geweld werd aangedaan. 24.1. In vergelijking met het voorheen geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 is het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" op de locatie [locatie 31] vergroot door dit bestemmingsvlak langs de oostzijde van het Tjebbeglop te laten doorlopen tot aan de noordelijk gelegen Noorderstreek. Het bouwvlak binnen dit bestemmingsvlak is in vergelijking met het vorige bestemmingsplan verschoven in noordelijke richting. De raad

56

heeft voor deze aanpassingen gekozen op verzoek van de eigenaar van de locatie [locatie 31]. Hij heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat hij op die locatie graag een toekomstbestendige woning wenst te bouwen die voldoet aan de huidige duurzaamheidseisen, waarvoor de in noordelijke richting verschoven locatie van het bouwvlak, onder meer vanwege de ligging buiten het beschermd dorpsgezicht, meer mogelijkheden biedt. 24.2. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat hij geen ruimtelijke bezwaren heeft gezien om mee te werken aan het verzoek. Op de locatie [locatie 31], aan de oostzijde van de Tjebbeglop, is volgens de raad geen sprake meer van een overtuin. Oorspronkelijk was ter plaatse sprake van een overtuin die onderdeel was van de zuidelijk daarvan gelegen woning aan de [locatie 32]. De functie van overtuin behorende bij de woning aan de [locatie 32] is volgens de raad in de loop der tijd verloren gegaan. Zo wijst de raad erop dat het zuidelijke deel van deze voormalige overtuin inmiddels is bebouwd met woningen op de locaties [locatie 33] en [locatie 30] en het noordelijke deel van de voormalige overtuin volledig is ingepakt in het groen door bomen en opgaande beplanting.

Op enige afstand van de [locatie 31] zijn volgens de raad nog een beperkt aantal overtuinen die meer beantwoorden aan het oorspronkelijke beeld van een overtuin: grotendeels onbebouwd en zonder bomen en/of opgaande beplanting. Daarvan is in dit geval geen sprake meer. Ook wijst de raad erop dat het noordelijke deel van de Tjebbeglop, in welke richting het bouwvlak en bestemmingsvlak voor de locatie [locatie 31] zijn opgeschoven, buiten het beschermd dorpsgezicht ligt. Dit wordt bevestigd op de verbeelding bij het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan. De begrenzing van de dubbelbestemming "Waarde - Beschermd Dorpsgezicht" eindigt halverwege het Tjebbeglop. Het bouwvlak en het uitgebreide deel van de woonbestemming op de locatie [locatie 31] liggen buiten de begrenzing van deze dubbelbestemming. Dat in 2009 niet werd meegewerkt aan een vergelijkbaar verzoek, is er volgens de raad in gelegen dat sindsdien, in de zoektocht naar het mogelijk maken van woonbebouwing op locaties die niet meer worden beschouwd als overtuin, minder strikt dan in het verleden wordt beoordeeld of nieuwe bebouwing kan worden toegestaan. Dit geldt volgens de raad met name op locaties waar wordt aangesloten bij bestaande bebouwing.

Daarvan is volgens de raad in dit geval sprake, omdat de verschuiving van het bouwvlak in noordelijke richting aansluit op de situering van de bestaande bebouwing aan de andere, westelijke, zijde van het Tjebbeglop. De Afdeling ziet gelet op voormelde omstandigheden geen reden de raad niet te volgen in zijn oordeel dat de verschuiving van het bouwvlak en de vergroting van het bestemmingsvlak met een woonbestemming op de locatie [locatie 31] in noordelijke richting niet stuit op ruimtelijke bezwaren. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de verschoven nieuw te bouwen woning volgens de raad niet dan wel slechts beperkt zichtbaar zal zijn vanaf de Noorderstreek, waar de recreatiewoning van [appellant sub 6] is gesitueerd. Onder meer omdat de locatie [locatie 31] aanzienlijk lager ligt in vergelijking met de woningen aan de Noorderstreek, waardoor het zicht vanaf de Noorderstreek over het dak van de bebouwing aan het [locatie 31] gaat. Het betoog slaagt niet. EINDCONCLUSIE Tussenuitspraak 25. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het

57

bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. 26. De Afdeling heeft in deze uitspraak verschillende gebreken geconstateerd die nog niet zijn hersteld. De Afdeling zal de raad opdragen om de onderstaande gebreken te herstellen. Dit kan de raad doen op de hierna genoemde wijze: a) artikel 28.5.3 van de planregels van het herstelbesluit, welk artikel betrekking heeft op de uitsterfregeling voor woningen waaraan de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2" is toegekend, bevat twee peilmomenten die kunnen leiden tot rechtsonzekerheid. De raad kan dit gebrek herstellen op de wijze zoals in overweging 9.10.1 is toegelicht; b) ontoereikend is onderbouwd waarom voor de woning van [appellant sub 11F] aan de [locatie 4] het niet bij uitsterfregeling is toegestaan om de recreatieve bewoning voort te zetten, op vergelijkbare wijze als voor de woningen van de onder 9 vermelde appellanten. De Afdeling verwijst naar wat hierover onder 10.4.2 is overwogen. De raad kan dit gebrek herstellen door de woning van [appellant sub 11F] alsnog onder de uitsterfregeling te brengen, dan wel alsnog toereikend te motiveren waarom hiervoor niet is gekozen, waarbij de raad zich rekenschap dient te geven van de omstandigheden die onder 10.4.2 zijn vermeld.

c) onduidelijk is of de verleende onttrekkingsvergunning om de woning [locatie 1] te gebruiken voor recreatieve bewoning op de juiste wijze in de planregels is vertaald. Het gaat dan om het toegestane percentage aan recreatieve bewoning. De Afdeling verwijst naar wat hiervoor onder 11.4 is overwogen. De raad kan dit gebrek herstellen door in de planregels het toegestane percentage recreatief gebruik van de woning [locatie 1] te wijzigen, dan wel alsnog toereikend te motiveren waarom het op dit moment in de planregels opgenomen percentage wel in overeenstemming is met de eerder verleende onttrekkingsvergunning voor het recreatieve gebruik van de woning [locatie 1]; d) het bestemmingsplan biedt onvoldoende zekerheid over het antwoord op de vraag of een terras behorende bij de horecabestemming op de locatie [locatie 3] is toegestaan. De Afdeling verwijst naar wat hiervoor onder 15.5 is overwogen. De raad kan dit gebrek herstellen door de ruimtelijke aanvaardbaarheid van dit terras alsnog te beoordelen. Het is daarbij aan de raad om te beoordelen of het gebruik van het terras al overgangsrechtelijk wordt beschermd, zoals [appellanten sub 3] betogen en door de omwonenden [appellant sub 8] en [appellanten sub 7] daarentegen wordt weersproken.

Ook is het aan de raad om in zijn afweging over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het terras de betogen van de omwonenden [appellant sub 8] en [appellanten sub 7] over de effecten van dit terras op de omgeving, zoals die hiervoor onder 15.1 en 15.2 zijn weergegeven, te betrekken; e) de bestaande woning met aanbouw(en) op de locatie [locatie 22] is niet als zodanig bestemd. De Afdeling verwijst naar wat hiervoor onder 21.2 is overwogen. De raad kan dit gebrek herstellen door de planregels en/of de verbeelding op dit punt aan te passen. 27. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast. Een dergelijk besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en medegedeeld. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.

58

28. De onder 26 opgesomde gebreken, waarvoor de raad wordt opgedragen die te herstellen, leiden er toe dat deze uitspraak voor de volgende appellanten een tussenuitspraak is: - [appellant sub 11] en anderen, uitsluitend voor zover het betreft [appellant sub 11A], [appellant sub 11B], [appellant sub 11D] (gebrek genoemd onder 26, sub a) en T. [appellant sub 11F] (gebrek genoemd onder 26, sub b); - [appellant sub 13] (gebrek genoemd onder 26, sub a); - [appellanten sub 5] (gebrek genoemd onder 26, sub c); - [appellanten sub 7] (gebrek genoemd onder 26, sub a en sub d); - [appellant sub 8] (gebrek genoemd onder 26, sub d); - [appellanten sub 3] (gebrek genoemd onder 26, sub d); - [appellanten sub 1] (gebrek genoemd onder 26, sub e). 29. Voor de onder 28 genoemde appellanten geldt dat in de einduitspraak zal worden beslist over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Dat geldt ook voor het verzoek van [appellant sub 8] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Einduitspraak [appellant sub 11] en anderen, voor zover het betreft [appellant sub 11C] en [appellant sub 9], als ook het individuele beroep van [appellant sub 9] 30.

Gelet op wat hiervoor onder 9.5 is overwogen, is het beroep van [appellant sub 11] en anderen, voor zover ingediend namens [appellant sub 11C] en [appellant sub 9], gericht tegen het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan gegrond. Omdat [appellant sub 9] ook zelfstandig beroep heeft ingesteld, is ook zijn individuele beroep gericht tegen dat bestemmingsplan gegrond. De woningen van deze appellanten voldeden niet aan de definitie van bestaande recreatieve bewoning als bedoeld in het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan, waardoor anders dan de raad had beoogd - de uitsterfregeling op deze woningen niet van toepassing was. Het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan is om die reden in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de woningen van [appellant sub 11C] en [appellant sub 9]. Dit betreffen de locaties [locatie 7] en [locatie 9]. Het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan moet in zoverre worden vernietigd. 31. Zoals hiervoor onder 9.8 is overwogen, is dit gebrek in het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan hersteld.

De van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 11] en anderen, voor zover ingediend namens [appellant sub 11C] en [appellant sub 9], als ook het individuele beroep van [appellant sub 9], gericht tegen het herstelbesluit van 16 juli 2024 zijn ongegrond. 32. De raad zal in de beslissing van deze uitspraak worden veroordeeld om het door [appellant sub 9] voor zijn individuele beroep betaalde griffierecht te vergoeden. De raad hoeft ten aanzien van het individuele beroep van [appellant sub 9] geen proceskosten te vergoeden, omdat zijn individuele beroep niet is ingediend door een professionele rechtsbijstandverlener, hij ook op de zitting zelf het woord heeft gevoerd voor zijn individuele

59

beroep en hij op de zitting geen proceskostenformulier heeft overgelegd. Wat betreft het beroep van [appellant sub 11] en anderen geldt dat voor een deel van de personen die onderdeel zijn van dit beroep sprake is van een tussenuitspraak. Om die reden wordt in deze uitspraak voor het beroep van [appellant sub 11] en ander nog geen oordeel gegeven over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. [appellant sub 4] en anderen 33. Gelet op wat hiervoor onder 12.3 is overwogen, is het beroep van [appellant sub 4] en anderen gericht tegen het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan gegrond. Dat bestemmingsplan is in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld, voor zover het betreft de aan de locatie [locatie 2] toegekende aanduiding "recreatiewoning". Dat bestemmingsplan moet in zoverre worden vernietigd. 34. Met het herstelbesluit van 16 juli 2024 is geheel aan het beroep van [appellant sub 4] en anderen tegemoet gekomen, omdat in dit herstelbesluit de aan de locatie [locatie 2] toegekende aanduiding "recreatiewoning" is verwijderd. Om die reden is wat betreft het herstelbesluit voor [appellant sub 4] en anderen geen beroep van rechtswege ontstaan als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. 35. De raad zal in de beslissing van deze uitspraak worden veroordeeld om het door [appellant sub 4] en anderen betaalde griffierecht te vergoeden.

Omdat van de groep [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 4A] op de zitting werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener, zal de raad ook worden veroordeeld in de vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 4] en anderen, voor zover het [appellant sub 4A] betreft. De Afdeling kent deze proceskostenvergoeding alleen toe voor het verschijnen ter zitting en niet voor het beroepschrift, omdat het beroepschrift van [appellant sub 4] en anderen, waaronder ook namens [appellant sub 4A], niet door een professionele rechtsbijstandverlener is ingediend. Dat de professionele rechtsbijstandverlener van [appellant sub 4A] nadien op eigen initiatief een aanvulling op dit beroepschrift heeft ingediend betekent niet dat de raad voor dit aanvullende stuk ook proceskosten moet vergoeden. [appellant sub 2], [appellant sub 6], [appellant sub 10], [appellant sub 12] en [appellant sub 14] 36. De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 6], [appellant sub 10] en [appellant sub 12] gericht tegen het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als ook hun van rechtswege ontstane beroepen gericht tegen het herstelbesluit van 16 juli 2024 zijn ongegrond. 37. [appellant sub 14] heeft alleen beroep ingesteld tegen het herstelbesluit van 16 juli 2024. Zijn beroep gericht tegen dat besluit is ongegrond. 38.

De raad hoeft ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 6], [appellant sub 10], [appellant sub 12] en [appellant sub 14] geen proceskosten te vergoeden en ook geen griffierecht terug te betalen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: Einduitspraak: I. verklaart de volgende beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente

60

Schiermonnikoog van 15 februari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond: - [appellant sub 11] en anderen, voor zover ingediend namens [appellant sub 11C] en [appellant sub 9]; - het individuele beroep van [appellant sub 9]; - [appellant sub 4] en anderen; II. vernietigt het onder I. genoemde besluit, voor zover het betreft: - het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de locaties [locatie 7] en [locatie 9]; - de aan de locatie [locatie 2] toegekende aanduiding "recreatiewoning"; III. verklaart de volgende beroepen tegen het onder I. genoemde besluit ongegrond: - [appellant sub 2]; - [appellant sub 6]; - [appellant sub 10]; - [appellant sub 12]; IV. verklaart de volgende (van rechtswege ontstane) beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Schiermonnikoog van 16 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" ongegrond: - [appellant sub 11] en anderen, voor zover ingediend namens [appellant sub 11C] en [appellant sub 9]; - het individuele beroep van [appellant sub 9]; - [appellant sub 2]; - [appellant sub 6]; - [appellant sub 10]; - [appellant sub 12]; - [appellant sub 14]; V.

veroordeelt de raad van de gemeente Schiermonnikoog tot vergoeding van bij [appellant sub 4] en anderen, voor zover het [appellant sub 4A] betreft, in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de raad van de gemeente Schiermonnikoog aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 184,00 aan [appellant sub 9]; b. € 184,00 aan [appellant sub 4] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

61

Tussenuitspraak: VII. draagt de raad van de gemeente Schiermonnikoog naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 11] en anderen, voor zover het betreft [appellant sub 11A], [appellant sub 11B], [appellant sub 11D] en [appellant sub 11F], [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 8], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en tot slot [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op om: a. binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen de onder 26 genoemde gebreken te herstellen, en b. de Afdeling en de onder VII. genoemde appellanten de uitkomsten mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen; Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier. w.g. Hoekstra voorzitter w.g. Van Zuijlen griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025 810

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=aaa9718d-6a03-4429-9ad0-e7f6a639d60b