Toelichting op Verordening rechtmatigheid PW, IOAW, IOAZ en WI 2023.docx
Tekst van het document
Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de
rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een
partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze
rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.
Een bijzondere situatie doet zich voor bij studerende partners. Indien de studerende partner jonger is dan
27 jaar, dan wordt de partner uitgesloten van het recht op bijstand en is artikel 3.3. lid 2 van dit hoofdstuk van toepassing. Echter wanneer de studerende partner ouder is dan 27 jaar, dan heeft de studerende
partner wel recht op bijstand. Het recht op individuele inkomenstoeslag komt de gehuwden dan samen toe. In die gevallen moet getoetst worden aan het eerste lid van artikel 36 Participatiewet.
Artikel 3.4 Uitzicht op inkomensverbetering De gemeente heeft niet de mogelijkheid om bepaalde groepen uit te sluiten van individuele
inkomenstoeslag. Dit vanwege het individuele karakter van de individuele inkomenstoeslag (zie Rechtbank Rotterdam 14-03-2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1847, Rechtbank Limburg 29-08-2016,
ECLI:NL:RBLIM:2016:7454 en Rechtbank Amsterdam 05-04-2017, nr. AMS 16/4202). De gemeenteraad of het college kan de doelgroep die in aanmerking komt voor de individuele inkomenstoeslag wel inperken
via de beoordeling of belanghebbende ‘geen uitzicht heeft op inkomensverbetering’ (zie bijvoorbeeld CRvB 06-03-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:665). Het college of de gemeenteraad kan er voor kiezen om voor een bepaalde groep te regelen dat zij zicht hebben op inkomensverbetering. Een bekend voorbeeld in dit verband is de uitsluiting van studenten (zie ook TK 2008-2009, 31 441, nr. 12). Ook aan wie in de
referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeidsverplichting of een re-
integratieverplichting kan worden uitgesloten (ECLI:NL:CRVB:2006:AY0260, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1251). De individuele beoordeling moet dus ook plaatsvinden als een belanghebbende behoort tot een doelgroep waarvoor in het gemeentelijk beleid is geregeld dat die geen zicht heeft op inkomensverbetering. 18
Artikel 3.5. Hoogte individuele inkomenstoeslag Hoogte toeslag Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden.
De hoogte wordt vastgesteld op een vast bedrag. Hierdoor behoeft het bedrag niet per jaar geïndexeerd te worden (in verband met efficiëntie voor de uitvoering). De hoogte van de individuele inkomenstoeslag zal
tweejaarlijks geëvalueerd worden. Indien er een reden is om de hoogte van de toeslag te wijzigen, zal het college dit aan de raad voorleggen.
Hoofdstuk 4. Wet Inburgering Algemene toelichting De Wet Inburgering 2021 kent aan de gemeenteraad geen bevoegdheid toe tot het maken van een
verordening in medebewind. Dit laat onverlet dat de gemeenteraad op grond van artikel 121 van de
Gemeentewet nog wel de autonome bevoegdheid heeft om een zogenoemde posterieure verordening te
maken. Het mag daarin gaan over onderwerpen ten aanzien waarvan door wetten, algemene maatregelen
van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, voor zover de verordening van de gemeenteraad niet met die wetten, algemene maatregelen van bestuurd of provinciale verordeningen in strijd is. In deze verordening is gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Bij artikelsgewijze toelichting is telkens
opgenomen waarom gebruik is gemaakt van deze bevoegdheid en waarom er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 121 van de Gemeentewet. In een aantal gevallen bieden bepalingen de mogelijkheid voor het college tot het stellen van nadere regels.
Artikel 4.2. Verrekenen boete met de bijstandsuitkering Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een boete die het college op grond van de wet aan de inburgeringsplichtige heeft opgelegd, te verrekenen met een eventuele algemene bijstandsuitkering.
Hiermee kan worden bereikt dat het college de boete niet met een aanmaning en een dwangbevel (vergelijk artikel 5:10 Awb en artikel 4:117 Awb) hoeft in te vorderen.
Artikel 4.93 lid 1 Awb bepaald dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts
geschiedt voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Een raadverordening
is een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 4:93 lid 1 Awb. Hoewel de oude Wet inburgering (zoals die luidde tot 1 januari 2013) een apart voorschrift bevatte (artikel 44) op grond waarvan het college de
bestuurlijke boete kon verrekenen met algemene bijstand, is een dergelijk voorschrift in de nieuwe wet
niet teruggekeerd. Uit de wetgeschiedenis blijkt echter niet dat dit een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Daarom levert te bepaling over de verrekening in deze verordening geen strijd op met de Wet inburgering 2021 en wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 121 van de Gemeentewet.
De verrekening is hier geformuleerd als een bevoegdheid van het college. Bij de toepassing van die
bevoegdheid sluit het college aan bij het geldende debiteurenbeleid van deze gemeente. Bij verrekening wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet.
19
De verrekening vindt plaats met de algemene bijstandsuitkering die op grond van de Participatiewet aan
een inburgeringsplichtige kan worden verleend. Het verstrekken van een uitkering kan namelijk een vorm van ‘ontzorgen’ zijn als bedoeld in artikel 56a van de Participatiewet.
Artikel 27 van de Wet inburgering bepaald dat het opleggen van een bestuurlijke boete achterwege blijft
als voor dezelfde gedraging de bijstand is verlaagd op grond van artikel 18 of 18b van de Participatiewet. Het opleggen van een boete is iets anders dan het verrekenen van een opgelegde boete met de bijstand. Artikel 27 wil dubbele sanctionering voorkomen. Verrekenen is geen sanctie en dient een ander doel, namelijk doelmatige invordering, zonder aanmaning en dwangbevel.
Hoofdstuk 5. Handhaving en fraudepreventie Algemeen Op grond van artikel 8b van de Participatiewet, artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ is de
gemeenteraad verplicht per verordening regels te stellen met betrekking tot fraudebestrijding. De tekst
van artikel 8b Participatiewet luidt als volgt: “De gemeenteraad stelt in het kader van het financiële beheer bij verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet”.
In dit hoofdstuk wordt bepaald dat het college een beleidsplan opstelt waarin de doelstellingen staan met betrekking tot het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de uitkeringen op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ.
Uitgangspunt hierbij is dat het college, als uitvoerder van de regelgeving door visie-elementen niet alleen de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking kan borgen en handhaven maar belangrijker nog, misbruik kan voorkomen.
Artikel 5.2. Opdracht aan het college Het college komt vierjaarlijks met een plan waarin de uitvoering voor handhaving wordt beschreven, waarmee nieuwe inzichten op basis van signalen kunnen worden opgenomen. Het plan bevat visieelementen voor het voorkomen en opsporen van fraude.
Vroegtijdig informeren van klanten (preventie) Belanghebbenden moeten duidelijk worden geïnformeerd over hun rechten en plichten zodat iedereen
weet wat wel en niet mag. Indien uitkeringsgerechtigden tijdig en volledig zijn geïnformeerd, kunnen ze worden aangesproken op hun gedrag.
Optimaliseren van de dienstverlening (preventie) Onnodige procedures roepen irritatie op en verminderen daardoor de bereidheid van de
uitkeringsgerechtigde om de wet en regels na te leven. Door op een klantvriendelijke manier
organisatorische belemmeringen weg te nemen, wordt de uitkeringsgerechtigde gestimuleerd in zijn gedrag. Een uitkeringsgerechtigde zal meer gemotiveerd zijn om zich aan de regels te houden.
Vroegtijdige detectie en afhandeling van fraudesignalen Een belangrijk instrument in de fraudebestrijding is ‘controle op maat’. Controle op maat houdt in: hoe
meer risico, hoe intensiever de controle. Iedereen zal worden gecontroleerd, alleen de een wat meer dan de ander.
20
Het preventief raadplegen van bronnen op internet, bijvoorbeeld bij het in behandeling nemen van een aanvraag, vindt niet plaats als er geen indicatie voor fraude is. Dat zou disproportioneel zijn.
In het kader van de subsidiariteit dient voorts te worden afgewogen of het doel (het verzamelen van bewijs voor fraude) ook op een andere, voor de betrokkene minder ingrijpende wijze, plaats kan vinden. Daarnaast kunnen er themacontroles worden uitgevoerd. Is de themacontrole niet gericht op alle
uitkeringsgerechtigden, maar slechts gericht op enkele groepen uitkeringsgerechtigden bijvoorbeeld met een bepaalde dubbele nationaliteit, dan kan het gaan om een onderscheid, dat als ‘verdacht’ is aan te merken. Een zodanig onderscheid dient te worden gerechtvaardigd door ‘zeer gewichtige redenen’ (ECLI:NL:CRVB:2015:1228 en ECLI:NL:CRVB:2015:1231).
Een protocol voorziet er tevens in te voorkomen dat onderzoek zich te lichtvaardig uitstrekt tot het
privéleven van uitkeringsgerechtigden en kan gaan leiden tot stelselmatige observaties, waardoor een min of meer volledig beeld kan gaan ontstaan van bepaalde aspecten van het leven van de uitkeringsgerechtigde of personen in diens omgeving.
Er vindt geen uitlokking plaats. De onderzoeker benadert de uitkeringsgerechtigde niet onder een valse naam of hoedanigheid.
Er is een systeem van signaalsturing. Gedurende het gehele proces van intake tot beëindiging van de
uitkering worden onduidelijkheden (signalen) die tijdens een gesprek, uit het dossier of via een tip naar voren komen nader onderzocht en afgehandeld.
Bij constatering van fraude: sanctionering Op het moment dat er fraude wordt gepleegd zal dit niet zonder gevolgen mogen blijven. Het teveel
ontvangen bedrag zal moeten worden teruggevorderd en geïnd, waarbij de beslagvrije voet moet worden gerespecteerd. De terugvordering is nader geregeld in beleidsregels. Tevens zal een bestuurlijke boete moeten worden opgelegd. Bij een fraudebedrag boven de € 50.000,00 (bruto-bedrag: aangiftegrens Openbaar Ministerie) zal in beginsel aangifte moeten worden gedaan wegens uitkeringsfraude.
Artikel 5.3. Aangifte bij het Openbaar Ministerie In de 'Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude' van het Openbaar Ministerie zijn de uitgangspunten vastgelegd wanneer door het college aangifte gedaan kan worden indien een gedraging van een uitkeringsgerechtigde leidt tot benadeling van de gemeente en er daarbij sprake is van het strafbare feit van uitkeringsfraude.
Onder de huidige regeling bestaat de verplichting voor gemeenten om een proces-verbaal op te maken en
aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 50.000,- (de aangifterichtlijn sociale zekerheid).
21