RV Verordening Rechtmatigheid Participatiewet IOAW, IOAZ en WI 2023 -nieuw.docx
Tekst van het document
Raadsvergadering van Onderwerp:
21 februari 2023
Verordening rechtmatigheid Participatiewet, IOAW, IOAZ en WI 2023
Agendapunt 11
Schiermonnikoog,
03 januari 2023
Aan de Gemeenteraad Inleiding De huidige verordening rechtmatigheid Participatiewet, IOAW en IOAZ 2020 is vastgesteld door de gemeenteraad op 15 september 2020. Sindsdien zijn er enkele wetswijzigingen geweest, waarop deze verordening van toepassing is. Hierdoor is aanpassing van deze verordening noodzakelijk. Vanuit de uitvoering zijn daarnaast wensen geuit om de verordening aan te passen. Dit vanwege de praktische uitvoerbaarheid. De Wet inburgering is tevens opgenomen in deze verordening. Aangezien er vanuit deze wet slechts één punt is, wat vastgesteld dient te worden in een verordening, is er voor gekozen hiervoor geen aparte verordening op te stellen en dit mee te nemen in de verordening rechtmatigheid Participatiwet, IOAW, IOAZ en WI 2023. Argumenten 1.1. De verordening is op onderstaande punten aangepast/gewijzigd. Deze aanpassingen/wijzigingen zijn het gevolg van een aantal wijzigingen in de wet welke gevolgen hebben voor deze verordening. Tevens is de Wet Inburgering toegevoegd en zijn er wijzigingen ten gevolge van signalen uit de uitvoering aangebracht. Algemene wijzigingen 1. De titel van deze verordening is gewijzigd van ‘Verordening rechtmatigheid Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Schiermonnikoog 2020’ naar ‘Verordening rechtmatigheid Participatiewet, IOAW, IOAZ en WI gemeente Schiermonnikoog 2023’. Hoofdstuk 2. Afstemming Artikel 2.7.
Gedragingen Participatiewet 1. In dit artikel worden drie categorieën van gedragingen benoemd, waardoor een belanghebbende een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17 tweede lid, 55 en 56a van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt. Op 1 januari 2022 is in de Participatiewet, artikel 56a lid 2, in werking getreden. Door deze wijziging in de Participatiewet is in dit artikel in de eerste categorie een derde gedraging toegevoegd. Het gaat hierbij om de volgende gedraging: Het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering Artikel 2.11. Duur van de verlaging bij schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. 1. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft een uitspraak gedaan over het afstemmen van geüniformeerde verplichtingen. Hier is uit naar voren gekomen dat de gemeenteraad niet de bevoegdheid heeft om in de afstemmingsverordening verschil te maken in hoogte of duur van de maatregel op basis van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.
Voor een schending van één van de verplichtingen van artikel 18 lid 4 Particiaptiewet moet eenzelfde maatregel gelden. Dit is nu niet het geval. Bij een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen a, c, d, e en h van de Participatiewet is in de verordening nu opgenomen dat er een verlaging geldt van 100% van de bijstandnorm gedurende twee maanden. In de overige gevallen geldt één maand. Door de
uitvoering wordt nu de meest gunstige bepaling toegepast. Dit is ook aangegeven door de CRvB. Dit dient te worden aangepast in de verordening. Er is wel beleidsvrijheid in de duur van de verlaging van 100%. In de afstemmingsverordening kan hiervoor een periode worden vastgesteld van tenminste één maand en maximaal drie maanden. Ons voorstel is hiervoor één maand aan te houden. Dit ook, aangezien in het geval van recidive de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm bedraagt, gedurende een periode van drie maanden. Artikel 2.12. Verrekenen en verlaging 1. Doordat er een aanpassing is in artikel 2.11. wordt dit ook doorgevoerd in artikel 2.12. Voorheen kon een verlaging, afhankelijk van de gedraging, verrekend worden over maximaal 2 maanden of maximaal 3 maanden. Gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen c, d ,e en h van de Participatiewet konden bijvoorbeeld verrekend worden over maximaal 2 maanden. Ons voorstel is, als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, om een verlaging over maximaal 3 maanden uit te spreiden en hierin afwegingsruimte bij de uitvoering te laten bestaan of de verlaging over 2 of 3 maanden moet worden uitgespreid. Hoofdstuk 3. Individuele inkomenstoeslag Artikel 3.2. Indienen verzoek en toekenning 1. De uitkering van individuele inkomenstoeslag vindt éénmaal per kalenderjaar plaats.
Jaarlijks moeten rechthebbenden hiervoor nu een nieuwe aanvraag indienen om het recht opnieuw vast te kunnen stellen. Ons voorstel is om voor uitkeringsgerechtigden, na een eerste aanvraag of waarbij bij ons al bekend is dat zij recht hebben op individuele inkomenstoeslag (IIT), deze toeslag jaarlijks automatisch toe te laten kennen. Dit scheelt in de administratieve last bij uitkeringsgerechtigden. In veel gevallen zal er namelijk geen wijziging in de beoordeling voor IIT optreden. Middels hercontroles wordt bekeken of betrokkenen nog aan de voorwaarden voldoen, waarop de toeslag wel of niet kan worden uitgekeerd. Door dit op deze wijze te regelen verwachten wij ook een minder hoge werklast voor de uitvoering. Artikel 3.3. Recht op individuele inkomenstoeslag 1. Het eerste lid geeft aan wie recht heeft op individuele inkomenstoeslag. Hieraan is de tekst toegevoegd ‘van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd’. Hiervoor is gekozen omdat hiermee de tekst van de verordening gelijk is aan de beschrijving in de wet en daarmee duidelijker. Hoofdstuk 4. Individuele studietoeslag 1. Dit gehele hoofdstuk is komen te vervallen. Tot 1 april 2022 was de regeling (individuele) studietoeslag opgenomen in hoofdstuk 4 van de verordening rechtmatigheid Participatiewet, IOAW en IOAZ 2020.
Per 1 april 2022 is hoofdstuk 4 van deze verordening van rechtswege komen te vervallen. De nieuwe studietoeslag is nu namelijk in de wet geregeld. De wet heeft het college de gebonden bevoegdheid gegeven de studietoeslag uit te voeren. Hoofdstuk 4. Wet Inburgering 1. De Wet Inburgering (WI) is toegevoegd aan deze verordening. Voor het uitvoeren van de WI geldt geen aparte verordeningsplicht, hiervoor kunnen beleidsregels volstaan. De verplichtingen voortvloeiend uit de Wet Inburgering (WI) zijn door de gemeente Schiermonnikoog bij de gemeente Leeuwarden ondergebracht. Deze verordening verandert niks aan die situatie. Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 6.2. Overgangsrecht 1. Dit artikel is opgenomen bij de inwerkingtreding van de huidige verordening op 1 november 2020. Dit overgangsrecht is nu niet meer van toepassing en kan daarom worden verwijderd. Risico’s Niet van toepassing.
Financiële toelichting De activiteiten die voortvloeien uit wijzigingen in deze verordening, worden gedekt uit bestaande budgetten. Aanpassingen/wijzigingen leiden niet direct tot een bijstelling. Vervolg & Planning Raadsbesluit:
21-02-22
Publicatie:
Na besluit raad
Inwerkingtreding:
Na besluit raad
Uitvoering inlichten:
Na besluit raad
Communicatie & Participatie • Desbetreffende teams bij Noard-East Fryslan informeren over de wijzigingen in de verordening en over de vernieuwde werkwijze betreffende de individuele inkomenstoeslag (Ynkommen, Administraasje, Terugvordering & verhaal). Uitkeringsgerechtigden worden daarnaast regelmatig geinformeerd over rechten, plichten en wijzigingen die tijdens een uitkeringsperiode van toepassing zijn.
Bijlagen 1. RB Verordening rechtmatigheid PW, IOAW, IOAZ en WI 2023 gemeente Schiermonnikoog 2. Toelichting op Verordening rechtmatigheid PW, IOAW, IOAZ, WI 2023 Burgemeester en wethouders van de gemeente Schiermonnikoog,
de secretaris,
de burgemeester,
R. Thedinga
I. van Gent