RV - Herstel bestemmingsplan Schiermonnikoog - dorp
Tekst van het document
Raadsvergadering van Onderwerp:
20 januari 2026
Herstel bestemmingsplan Schiermonnikoog-Dorp
Agendapunt
10
Schiermonnikoog, 6 januari 2026
Aan de Gemeenteraad, Inleiding Per memo van 25 november jl. bent u geïnformeerd over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (verder: de Afdeling) over het bestemmingsplan SchiermonnikoogDorp (202201923/1/R3). Door middel van dit raadsvoorstel wordt aan u voorgesteld om de volgende onderstaande wijzigingen in het plan aan te brengen. Hiermee voldoet u aan de opdracht van de Afdeling om de geconstateerde gebreken te herstellen. Wijzigingen A. Artikel 28.5.3 Deze planregels moet zodanig worden aangepast, zodat sprake is van een eenduidig peilmoment in plaats van twee peilmomenten. Bestaand artikel 28.5.3 luidt: "In afwijking van het gestelde in lid 28.5.1 onder b is recreatieve bewoning ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2' toegestaan. Indien er op de eerste dag van de 13e week na de inwerkingtreding van het plan, sprake is van permanente bewoning, dan mag recreatieve bewoning niet meer worden hervat. Recreatieve bewoning mag ook niet worden hervat, indien deze voor een periode van meer dan 12 aaneengesloten maanden na het onherroepelijk worden van het plan, is gestaakt." Nieuw artikel 28.5.3 komt te luiden: "In afwijking van het gestelde in lid 28.5.1 onder b is recreatieve bewoning ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2' toegestaan.
Indien er op de eerste dag van de 13e week na het onherroepelijk worden van het plan, sprake is van permanente bewoning, dan mag recreatieve bewoning niet meer worden hervat. Recreatieve bewoning mag ook niet worden hervat, indien deze voor een periode van meer dan 12 aaneengesloten maanden na het onherroepelijk worden van het plan, is gestaakt." B. Langestreek 140 Al voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" is op 31 januari 2008 bij brief aan de eigenaar medegedeeld dat de woning permanent kan worden bewoond zonder verlies van het recht op recreatieve bewoning. Dit is een andere brief dan de brief die eind 2009 is verzonden. Op het moment dat het bestemmingsplan "Dorp" op 23 oktober 2009 in werking trad, stond er op dit adres iemand ingeschreven. Daaruit maken wij op dat de woning toen niet recreatief werd gebruikt en daarom is in 2022 geen aanduiding ‘overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik’ opgenomen. De Afdeling acht onvoldoende onderbouwd waarom ook niet aan dit perceel de aanduiding ‘overige zone voorwaardelijk recreatief gebruik’ is toegekend.
Voor zes woningen die ook niet beschermd werden door het overgangsrecht, is een aanduiding opgenomen ‘overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik’, omdat wij niet konden uitsluiten dat de woningeigenaren er als gevolg van de brief voor hebben gekozen de woningen te (laten) gebruiken voor permanente bewoning met het vooruitzicht dat de woning daarna weer recreatief gebruikt zou mogen worden. Om die reden wordt aan dit perceel de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik’ toegekend.
C. Middenstreek 15/Voorstreek 10 Conform de verleende onttrekkingsvergunning dient niet 45% recreatieve bewoning in de regels te worden opgenomen, maar dient het percentage aangepast te worden naar 48%. Concreet houdt dit het volgende in: 1. de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ondergeschikte recreatie 2" komt voor dit perceel te vervallen; 2. er wordt een nieuwe aanduiding "specifieke vorm van wonen - ondergeschikte recreatie 3" opgenomen voor specifiek dit perceel; 3. aan artikel 28.1 wordt een nieuw lid f toegevoegd luidend: “ondergeschikte recreatieve bewoning van een woning tot ten hoogste 48% van de bruto-vloeroppervlakte van een woning, uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen ondergeschikte recreatie 3"; 4. bestaand artikel 28.1.f. tot en met h wordt vernummerd naar artikel 28.1.g tot en met i. D. Middenstreek 3 Het toestaan van het terras aan de Middenstreek 3 mag niet afhankelijk worden gemaakt van een toekomstig onderzoek, zoals dat nu is geregeld. Het terras is al geruime tijd niet meer in gebruik bij het horecabedrijf, omdat er in het verleden handhavend tegen is opgetreden. Ook is er geen concreet plan tot een dergelijke ingebruikname. Het is slechts een wens om de gronden in de toekomst als zodanig te kunnen of laten gebruiken.
Mede gelet op twee ingediende beroepen die gericht zijn tegen de opgenomen mogelijkheid om een terras in gebruik te mogen nemen, wordt voorgesteld deze mogelijkheid te verwijderen. Concreet houdt dit het volgende in: 1. artikel 26.5.2 komt daarmee in zijn geheel te vervallen; 2. de aanduiding “terras” komt te vervallen; 3. de aanhef luidend: “26.5.1 Specifieke gebruiksverboden” komt te vervallen; 4. in artikel 35.1.g. komt de zinssnede “en het terras dat voorwaardelijk is toegestaan op grond van de bestemmingsregels (Hoofdstuk 2)” te vervallen. E.. Artikel 28.2.2 In relatie tot de bijbehorende bouwwerken merken we op dat de bestaande regeling strikter is dan noodzakelijk. Om die reden wordt voorgesteld het woord ‘gezamenlijk’ te verwijderen.
Bestaand artikel 28.2.2 luidt: “Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en/of overkappingen geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en/of overkappingen per hoofdgebouw ten hoogste 20% van de oppervlakte van het gezamenlijk tot het hoofdgebouw behorende bouwperceel mag bedragen tot een maximum van 50 m².” Nieuw artikel 28.2.2 komt te luiden: “Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en/of overkappingen geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en/of overkappingen per hoofdgebouw ten hoogste 20% van de oppervlakte van het tot het hoofdgebouw behorende bouwperceel mag bedragen tot een maximum van 50 m².” F.. Martjeland 7 in relatie tot het begrip aanbouw Per abuis is de begripsbepaling artikel 1.6 “aangebouwd bijbehorend bouwwerk” foutief opgenomen, terwijl dit niet uit de plansystematiek volgt. Aangebouwde bijbehorend bouwwerken in een woonbestemming hoeven niet functioneel ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw. Wel als het gaat om bij de bestemming Recreatie – Recreatiewoningen 1 t/m 5. Voorgesteld wordt dit te wijzigen. Concreet houdt dit het volgende in: 1. bestaand artikel 1.6 luidend: “een bijbehorend bouwwerk dat aan een hoofdgebouw is gebouwd” komt te vervallen; 2. aan bestaand artikel 1.21 wordt een nieuw lid c.
toegevoegd, luidend: “indien sprake van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in de bestemming Wonen: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden en daaraan aangebouwd gebouw dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw”; 3. aan bestaand artikel 1.21 wordt een nieuw lid d. toegevoegd, luidend: “indien sprake van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in overige bestemmingen: een functioneel met een
4.
hoofdgebouw verbonden en daaraan aangebouwd gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw”. aan het bestaande artikel 1.44 wordt, conform het plan 2022 de volgende zinssnede toegevoegd luidend: met dien verstande dat binnen de bestemming Wonen een gebouw uitsluitend als hoofdgebouw wordt aangemerkt voor zover dit gelegen is binnen een bouwvlak.
Het bouwvlak op het perceel Martjeland 7 wordt aangepast, zodat alle woonfuncties geheel in het bouwvlak zijn opgenomen. Bestaande situatie:
Nieuwe situatie:
Advies 1. de gebreken in het bestemmingsplan Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog – Dorp conform raadsvoorstel te herstellen. Het aangepaste bestemmingsplan bestaat uit de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML bestand met identificatienummer NL.IMRO.0088.BPSchierDorp-VG03 en bijbehorende bestanden; 2. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.
Burgemeester en wethouders van de gemeente Schiermonnikoog, de secretaris, de locoburgemeester,
T. Kroeze
J. Hagen