Integrale Waterveiligheidsstrategie de Wadden - Schiermonnikoog
Tekst van het document
2.6.5
Maatregelen
Het verder stimuleren van het meegroeien van de kust met zeespiegelstijging vraagt ruimtebeslag (maar biedt ook ruimtelijke kwaliteit voor natuur en recreatie). Dit meegroeien kan gestimuleerd worden door het aanleggen van kerven dan wel door de aangroei van kwelders en voorlanden te stimuleren. In principe is het uitgangspunt dat het meegroeien geen of zo min mogelijk negatieve impact mag hebben op andere functies en dat de huidige waterveiligheid hierbij niet in het geding mag komen (zie Bijlage A). Hiervoor is beheer noodzakelijk. Voor het meegroeien van de zandige kust is het belangrijk dat Rijkswaterstaat haar suppletieprogramma blijft uitvoeren en daarmee zorgt voor voldoende zand in het systeem om meegroeien te faciliteren. De aanleg van kerven en het beheer is een taak voor de gebiedsbeheerder (het waterschap of Rijkswaterstaat bij primaire keringen en andere beheerders als bijvoorbeeld Staatsbosbeheer in buitendijks gebied). De gemeente zal m.b.t. het meegroeien van voorlanden een rol spelen bij de communicatie en eventuele aanpassing van het bestemmingsplan. Het waterschap en/of Rijkswaterstaat zal moeten beoordelen of de waterveiligheid in het geding komt. Onderscheid in kan worden gemaakt in:
Kerven: Om het meegroeien van duinen te stimuleren is het nodig op deze locaties kerven aan te leggen en deze kerven actief te beheren. Dit beheren houdt in dat de overvloedige vegetatie verwijderd wordt, eventuele embryoduinen die voor de ingang van de kerf ontstaan verwijderd worden (zie Bijlage A) en wordt gemonitord of er geen zwakke plekken ontstaan. Vaak wordt hiervoor een deel van het bovenste duin afgegraven waardoor sediment het gebied in kan waaien.
Voor het meegroeien van voorlanden is het nodig het overlopen van verhogingen in het landschap te stimuleren dan wel openingen te maken in deze verhogingen zodat het water bij hoogwater naar binnen kan stromen.
PR4634.20 • april 2024
31
2.7
Afwegingskader voor de te kiezen ambitie
De keuze voor de ambities in het ruimtelijk beleid en versterking van natuurlijke processen is uiteindelijk een bestuurlijke afweging. Omdat het gaat om het ruimtelijk beleid op de Waddeneilanden ligt in eerste instantie bij de gemeentes zelf om de eigen ambities kenbaar te maken en vervolgens hierover in gesprek te gaan met de andere overheden en partners. De keuze heeft ook impact op de handelingsperspectieven van de veiligheidsregio’s, hoe groter de ruimte ambitie des te meer het mogelijk is dat de Waddeneilanden voor zichzelf kunnen zorgen bij een overstroming. Bij de keuze voor ambities zijn de volgende argumenten van belang: -
Wat zijn de kosten en baten. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in de kosten per stakeholder (als de gemeente, de burgers, instellingen) en de maatschappelijke kosten (ongeacht wie ze draagt). In deze studie zijn de uitvoeringskosten niet geraamd, wel is kwalitatief benoemd wat de omvang van mogelijke maatregelen is op basis van het aantal objecten. De vermeden schade kan gezien worden als de baten.
-
De verantwoordelijkheden. Hoe worden de taken verdeeld en bij wie worden ze belegd. Denk hierbij aan de beleidsvorming, vergunningverlening en de handhaving en inspectie.
-
De uitvoerbaarheid. Het gaat er hierbij om wat ervoor nodig is om de ambitie te vertalen naar beleid en uitvoering voor een stakeholder. Ook is er voldoende capaciteit nodig om vergunningen te beoordelen en te handhaven.
-
De leefbaarheid op de eilanden. De kans op een overstroming kan niet worden uitgesloten. In geval van een dijkdoorbraak is de kans groot dat er ook op het vasteland grote schade zal zijn door overstromingen en de bijbehorende storm. In dat geval zal de hulp lastig op gang kunnen komen en zijn mensen enige tijd op zichzelf aangewezen. Anderzijds zijn de mensen die op de eilanden wonen ook gewend aan het wonen op de eilanden en hier trots op, hoewel dit natuurlijk niet opgaat voor de tijdens een overstroming aanwezige toeristen. De vraag is in welke mate de mensen de eilanden ook willen verlaten of bij willen dragen aan herstel.
Ook spelen lokale aspecten een rol als hoe de maatregelen passen bij de identiteit van het eiland en andere ruimtelijke aspecten. De centrale vraag is dus wat men ervoor over heeft om de leefbaarheid op de eilanden in geval van een hoogwater of overstroming te vergroten c.q. bij zeespiegelstijging op het huidige niveau te handhaven, en voor het buitendijkse gebied in welke mate men wil inzetten op natuurlijke processen of op ad hoc versterkingsmaatregelen en/of toekomstige aanpassing of verplaatsing van functies. Onderdeel van deze afweging is dus de acceptatie van risico en gevolgen.
PR4634.20 • april 2024
32
3
Beschermd gebied door primaire waterkeringen
3.1
Inleiding
We spreken over het binnendijkse deel van Schiermonnikoog voor het gebied dat beschermd wordt door primaire keringen. Er wordt onderscheid gemaakt in 2 dijktrajecten, namelijk de duin aan de Noordzeezijde en de dijk aan de Waddenzeezijde, beide met een norm van 1/1.000 per jaar (dat betekent dat er ieder jaar een kans is van 1/1.000 dat er een overstroming optreedt als de kering exact aan de norm voldoet). Voor beide trajecten is het Lokaal Individueel Risico maatgevend, niet de Maatschappelijke Kosten Baten Analyse waarbij het gaat om de kosten van een versterking en reductie van het economisch risico.
Figuur 10 Normen voor primaire waterkeringen. De kleuren geven de maximaal toelaatbare overstromingskans (ondergrens) aan, zoals deze is gedefineerd in de Waterwet (afbeelding uit https://waterveiligheidsportaal.nl/).
Op Schiermonnikoog zijn binnendijks de objecten in kaart gebracht10 zoals die zijn beschreven in hoofdstuk 2. In Tabel 5 staat het totaal aantal objecten per sector.
10 Deze objecten zijn opgenomen in een database die ook kan worden ontsloten via een viewer.
PR4634.20 • april 2024
33
SECTOR GEBOUWDE OMGEVING EN RUIMTELIJKE ORDENING RECREATIE EN TOERISME NIET ZELFREDZAMEN AANLANDPUNT ENERGIE HULPDIENSTEN EN ONDERSTEUNING LEVENSMIDDELEN WATERHUISHOUDING DRINKWATER ENERGIE VEILIGHEID ICT&TELECOM LANDBOUW, TUINBOUW EN VISSERIJ GEZONDHEID INFRASTRUCTUUR
AANTAL OBJECTEN
847 628 16 1 9 1 26 2 13 0 4 8 1 2
Tabel 5 Aantal objecten per sector op Schiermonnikoog.
3.2
Overstroombaar gebied
Bij de uitwerking van de het overstroombaar gebied is onderscheid gemaakt in drie zichtjaren: huidig, 2050 en 2100. Bij de verschillende zichtjaren wordt rekening gehouden met zeespiegelstijging, ook wordt voor 2050 en 2100 verondersteld dat de waterkeringen exact aan de norm voldoen (de faalkans blijft dus gelijk). Dat betekent dat waterkeringen worden versterkt en zonodig ook maatregelen voor behoud van de kustlijn worden genomen. Wel zal de waterdiepte na een dijkdoorbraak toenemen. Voor de maximale waterdieptekaarten maken we gebruik van de basisgegevens op het LIWO11. Hierbij combineren we overstromingsscenario’s van verschillende doorbraaklocaties tot een dreigingsbeeld. We maken hierbij conform hoofdstuk 2.5.2 onderscheid in twee dreigingsbeelden: 1.
De waterdiepte in geval van een extreme overstroming (grofweg een 1/100.000pj gebeurtenis), als gevoeligheidsanalyse kijken we ook naar het dreigingsbeeld wat hoort bij de normsituaties (grofweg een 1/1.000pj gebeurtenis).
2.
De waterdiepte na een overstroming als de storm is gaan liggen en het getijde weer als normaal is. Voor de situatie ná een overstroming is het overstromingsbeeld ingeschat op basis van de hoogte van het gemiddeld astronomisch hoogtij. Voor de huidige situatie is het hoogtij NAP+1.05m wat in 2050 en 2100 toeneemt met resp. 47 en 121cm. In kaart is gebracht welk gebied binnendijks dan nog overstroomd is en dus niet vrij kan afstromen. Dit gebied zal met pompen watervrij moeten worden gemaakt, hierbij wordt opgemerkt dat de reguliere ontwerpnorm van afvoercapaciteit van polders ongeveer 15mm/dag is.
De gebruikte overstromingsbeelden voor de norm en extreme situatie voor de verschillende zichtjaren zijn weergegeven in Figuur 11.
11 https://basisinformatie-overstromingen.nl/#/maps
PR4634.20 • april 2024
34
Maximale waterdiepte bij dreigingsbeeld bij de norm
Maximale waterdiepte bij extreem dreigingsbeeld Heden
Dreigingsbeeld enkele dagen na een doorbraak
2050
2100
Figuur 11 Overstromingsbeelden voor het gebied beschermd door primaire waterkeringen verschillende zichtjaren en dreigingsbeelden.
3.3
Eisen aan objecten bij verschillende ambitieniveaus
De ambitieniveaus moeten gezien worden als aanvullend op elkaar. Bij een hoger ambitieniveau worden aanvullende eisen gesteld aan de kwetsbaarheid van de ruimtelijke omgeving. In de komende paragrafen wordt ingegaan op de consequentie van verschillende ambitieniveaus voor een waterveiligheidsstrategie. Hierbij wordt steeds gekeken naar welke objecten getroffen worden. Afhankelijk van de invulling van de ambitie moet beleid/plannen gemaakt worden om de functie van deze objecten te behouden.
3.3.1
Schuilen & overleven (ambitieniveau 1)
Voldoende schuilplaatsen Bij ambitieniveau schuilen & overleven gaat het om voldoende schuilplaatsen tijdens een overstroming. Hierbij wordt als eis gesteld dat minimaal 1/3 van de woningen gegeven de maximale waterdiepte tijdens een overstroming een droge verdieping moet hebben. Een droge verdieping gaat ervan uit dat er géén water staat (0 cm en dus geen 20cm) op de begane grond of op een hogere verdieping waarbij een verdiepingshoogte van 2.65m is gehanteerd, conform LIWO). Het aantal bouwlagen is beschikbaar in de BAG. Bebouwde omgeving voor bewoners van Schiermonnikoog Tabel 6 geeft het percentage woningen en panden dat een droge verdieping heeft.
PR4634.20 • april 2024
35
Op het gehele eiland zijn tot tenminste het jaar 2100 voor de extreme situatie voldoende schuilplaatsen aanwezig. Na enkele dagen zullen de waterstanden afnemen en ontstaat de situatie ná een overstroming. In deze situatie is het water teruggetrokken en hebben bijna alle objecten een droge verdieping binnen de klasse gebouwde omgeving en recreatie & toerisme. Geconcludeerd is dat er voldoende schuilmogelijkheden zijn voor de inwoners van Schiermonnikoog. SCHIERMONNIKOOG (831 OBJECTEN) HUIDIGE SITUATIE 2050 2100
NORMSITUATIE
EXTREME SITUATIE
NÁ OVERSTROMING
89% 89% 85%
84% 81% 66%
100% 100% 100%
Tabel 6 Percentage objecten van gebouwde omgeving en ruimtelijke ordening dat een droge verdieping heeft.
Toeristen en recreatiewoningen Ook is gekeken naar de situatie waarbij er toeristen op het eiland zijn. In het hoogseizoen zijn alle bedden bezet, maar dit aantal is sterk seizoen afhankelijk. Deze toeristen zijn gestationeerd op recreatieterreinen, campings, in hotels en in het dorp. Tijdens het seizoen van overstromingen veronderstellen we dat weinig mensen kamperen. Bij een verwachte overstroming zijn er voldoende schuilmogelijkheden, bij een extreme overstroming is het beperkt tot ongeveer 50% waarmee aan de gestelde eis van 1/3 van de objecten wordt voldaan. Daarnaast zijn er ook hotels die als 1 object zijn geregistreerd. In combinatie met het aantal schuilplekken in woningen is het als voldoende ingeschat om te overleven, vooral omdat na de overstroming er veel meer ruimte is. SCHIERMONNIKOOG (1460 0BJECTEN) HUIDIGE SITUATIE 2050 2100
NORMSITUATIE
EXTREME SITUATIE
NÁ OVERSTROMING
80% 80% 75%
72% 69% 59%
100% 100% 100%
Tabel 7 Percentage objecten van gebouwde omgeving en ruimtelijke ordening + recreatie en toerisme dat een droge verdieping heeft.
Niet zelfredzamen, hulpverlening en energie aanlandpunt In Tabel 8 is het overzicht van het aantal objecten per sector opgenomen en hoeveel er overstromen. De elektriciteitsverbinding met het vasteland staat op een zeer kwetsbare plek. In alle zichtjaren en situaties overstroomt het energie aanland punt. Na de overstroming zal deze locatie droogvallen waarbij het onduidelijk is of deze nog functioneert na blootstelling aan zout zeewater. Voor de hulpverlening gaat het om het continueren van coördinatie en het veilig stellen van het materiaal en levensmiddelen. Ook de hulpdiensten overstromen bijna allemaal. De locaties waar niet zelfredzamen verblijven zijn ook kwetsbaar. Bij extreme overstromingen zijn alle locaties kwetsbaar. Na zeespiegelstijging in de zichtjaren 2050 en 2100 ook in dan verwachte overstromingssituaties.
PR4634.20 • april 2024
36
Het gemeentehuis (en een gemeenschapsgebouw) overstroomt alleen bij extreme situaties. Omdat het gemeentehuis overstroomd is het wellicht noodzakelijk een back-up te regelen voor het crisiscentrum. NORM
NÁ OVERSTR.
NÁ OVERSTR.
EXTREEM
EXTREEM
LEVENSMIDDELEN
NORM
HULPDIENSTEN
NÁ OVERSTR.
ENERGIE AANLANDPUNT
EXTREEM
NIET ZELFREDZAMEN
NORM
# OBJ
AMBITIE 1 - SCHUILEN EN OVERLEVEN
16
13
16
0
16
16
0
16
16
0
1
1
1
0
1
1
0
1
1
0
9
8
9
0
8
9
0
8
9
0
1
0
1
0
0
1
0
0
1
0
Tabel 8 Objecten horende bij ambitie 1 en getroffen worden bij verschillende situaties (norm en extreem) en zichtjaren (huidig, 2050 en 2100). In de laatste kolom wordt aangegeven hoeveel objecten ná een overstroming nog getroffen zijn. Dit is relevant voor het herstel van het eiland.
3.3.2
Vitaal beschermen en bereikbaarheid (ambitieniveau 2)
Bij dit ambitieniveau gaat het aanvullend op ambitie 1 over vitale objecten en bereikbaarheid op en naar het eiland (aanlegplaatsen en bereikbaarheid via hoofdwegen) na een overstroming. Te zien is dat bij een extreme overstroming vrijwel alle objecten overstromen. Het drinkwaterstation overstroomt niet, een andere locatie met een gemaal wel. Voor de sector energie gaat het diverse objecten als trafo’s en het gasdistributiestation. Een van de trafo’s zal na de overstroming ook nog onder water staan omdat het water niet onder vrij verval kan wegstromen. Bij de ICT en Telecom is het onder andere de telefooncentrale die overstroomt. Onduidelijk is wat het effect van de bloostelling aan zeewater is en hoe snel opstart weer kan plaatsvinden.
# OBJ
NORM
NÁ OVERSTR.
NORM
EXTREEM
NÁ OVERSTR.
NORM
EXTREEM
NÁ OVERSTR.
WATERHUISHOUDING
26
20
21
0
20
23
1
20
23
4
DRINKWATER
2
1
1
0
1
1
0
1
1
0
ENERGIE
13
5
9
0
6
9
0
6
9
1
VEILIGHEID
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
ICT&TELECOM
4
1
3
0
1
3
0
1
3
0
EXTREEM
AMBITIE 2 - VITAAL BESCHERMEN EN BEREIKBAARHEID
Tabel 9 De objecten die getroffen worden bij verschillende situaties (norm en extreem) en zichtjaren (huidig, 2050 en 2100). In de laatste kolom wordt aangegeven hoeveel objecten ná een overstroming nog getroffen zijn. Dit is relevant voor het herstel van het eiland.
PR4634.20 • april 2024
37
Infrastructuur Een beeld van de bereikbaarheid van het eiland ná een overstroming in 2100 is opgenomen in Figuur 12. Voor Schiermonnikoog zijn enkele dagen na de doorbraak, als ook weer water naar zee is gestroomd de wegen niet overstroomd. In deze situatie is op basis van de hoogtekaart (AHN met een 5m grid) bepaald wat de waterstand is uitgaande van de waterstand tijdens vloed bij een normaal getijde. Hierbij wordt opgemerkt dat de overstroming ook gecombineerd zal gaan met extreme storm. Hierdoor is het tijdens de overstroming vrijwel onmogelijk dat mensen zich verplaatsen over het eiland. Na de storm zal er ook sprake zijn van grote windschade wat ook grote impact kan hebben op de bereikbaarheid. Te zien is dat de naarmate de zeespiegel stijgt meer wegen overstroomd raken. Echter omdat er maar 1 kern is op het eiland speelt de verbinding tussen kernen geen rol. Wel is de haven slecht bereikbaar. Mogelijke keuzes kunnen zijn het verhoogd aanleggen van wegvakken, lokaal beschermen of op termijn verleggen van routes.
Huidig
2050
Legenda Groen: Weg is droog na een overstroming. Oranje: tussen 0 en 20cm na een overstroming Rood: Weg is overstroomd met > 20 cm na een overstroming. 2100 Figuur 12 De bereikbaarheid van het eiland ná een overstroming, waarbij per wegvak is aangegeven of er water staat en hoeveel (meer of minder dan 20cm).
3.3.3
Vitaal beschermen ++ (ambitieniveau 3)
Bij het derde ambitieniveau wordt aanvullend nog gekeken naar drie sectoren, namelijk land-& tuinbouw en visserij, gezondheid en infrastructuur. In Tabel 10 zijn het aantal getroffen objecten weergegeven. Voor Schiermonnikoog blijken veel locaties in de land- en tuinbouw en visserij
PR4634.20 • april 2024
38
kwetsbaar te zijn. In de sector transport gaat het om een helikopterplatform en de vuurtoren, deze overstromen niet. EXTREEM
NÁ OVERSTR.
NORM
EXTREEM
NÁ OVERSTR.
NORM
EXTREEM
NÁ OVERSTR.
INFRASTRUCTUUR
NORM
LAND-& TUINBOUW, VISSERIJ GEZONDHEID
# OBJ
AMBITIE 3 – VITAAL BESCHERMEN ++
8 1 2
8 1 0
8 1 0
0 0 0
8 1 0
8 1 0
0 0 0
8 1 0
8 1 0
2 0 0
Tabel 10 Aantal objecten dat getroffen wordt bij verschillende situaties (norm en extreem) en zichtjaren (huidig, 2050 en 2100). In de laatste kolom wordt aangegeven hoeveel objecten ná een overstroming nog getroffen zijn. Dit is relevant voor het herstel van het eiland
3.4
Ruimtebeslag voor versterken van waterkeringen
Binnen het kennisprogramma zeespiegelstijging is vastgesteld dat de waterkeringen minimaal tot 3m (en waarschijnlijk ook 5,4m) zeespiegelstijging versterkt kunnen worden. Deze versterkingen zijn technisch uitvoerbaar en betaalbaar, echter heeft de inpassing wel grote impact. Voor de Noordzeekust is de verwachting dat, mits doorgegaan wordt met suppleren, de bodem buitendijks meegroeit. Voor de Waddenzeekust is het nog zeer onzeker of de bodem voldoende snel kan meegroeien met (versnelde) zeespiegelstijging. Voor de waterkeringen betekent dit dat in de toekomst het noodzakelijk zal blijven om waterkeringen te versterken omdat de zeespiegel de komende eeuwen zal blijven stijgen. Deze versterkingen vragen ook ruimtebeslag. Het kan zinvol zijn om ruimte te reserveren zodat deze gevrijwaard wordt van nieuwe bebouwing, of dat functies die worden gerealiseerd dijkversterkingen niet in de weg zitten. Deze reserveringen kunnen ook worden gebruikt om ruimte te creëren bij het vervangen of groot onderhoud aan bestaande functies. Door het kennisprogramma zeespiegelstijging is voor verschillende klimaatscenario’s aan de hand van tijdlijnen in kaart gebracht wat het ruimtebeslag is. Het ruimtebeslag, en de impact op de bestaande bebouwing, is in kaart gebracht voor versterkingen met groene dijken.
Het ruimtebeslag heeft betrekking op de ruimte die binnendijks nodig is bij deze standaard oplossing. Ook is gekeken naar constructieve oplossingen (met bv damwanden) die minder ruimtebeslag vragen en minder (nauwelijks) impact hebben op de bestaande bebouwing. Opgemerkt wordt dat er natuurlijk ook andere oplossingen zijn die leiden tot een andere ruimtelijke impact. Zo kan er landwaarts of zeewaarts worden versterkt maar zijn er ook alternatieven voor groene keringen. In Tabel 11 is het ruimbeslag en het aantal te amoveren woningen opgenomen. Dit heeft op Schiermonnikoog geen invloed op woningen, wel op (landbouw)grond.
PR4634.20 • april 2024
39
1 M ZSS
RUIMTEBESLAG IN M VOOR GROENE DIJKEN (3,9 KM) GEWOGEN GEMIDDELDE 0-10m MINIMALE BREEDTE 0-10m MAXIMALE BREEDTE 10-20m TE AMOVEREN WONINGEN BIJ GROENE DIJKEN BIJ BINNENDIJKSE VERSTERKING
0-5
2 M ZSS
5,4M ZSS
30-40m 30-40m 40-50m
>100m >100m >100m
0-5
0-5
Tabel 11 Ruimtebeslag bij groene waterkeringen bij een bepaalde mate van zeespiegelstijging
3.5
Maatregelen
Om te voldoen aan de gestelde eisen binnen de ambitieniveaus zijn verschillende maatregelen denkbaar. Deze maatregelen verschillen per ambitieniveau, waarbij het uiteindelijk draait om het functieverlies te voorkomen.
Risicogestuurd ruimtelijk beleid Bij het ambitieniveau schuilen en overleven wordt nu voldaan aan de eis voor voldoende schuilplaatsen. Wanneer de eis te soepel wordt gezien of wanneer toch niet aan de eis wordt voldaan, kan nog overwogen worden schuilplaatsen (shelters) op strategische plekken te plaatsen. Dit kan een nieuw gebouw zijn, maar ook kan gekeken worden binnen de bestaande bouw op het eiland. Voor niet-zelfredzamen moeten evacuatieplannen gemaakt worden om hen te beschermen tegen de overstroming. Voor de elektriciteitsaansluiting moet gekeken worden hoe deze minder kwetsbaar gemaakt kan worden tegen overstromingen. Dit is een object waarbij de functie sterk locatie-afhankelijk is en niet zomaar te verplaatsen is. Wanneer we kijken naar het tweede en derde ambitieniveau draait het om vitale objecten beschermen en het eiland bereikbaar te houden. De ontsluiting via doorgaande wegen over het eiland ná een overstroming kan onvoldoende zijn. Hiervoor kunnen plannen gemaakt worden om de eilanden sneller weer geheel watervrij te maken of om te voorkomen dat het overstroomt door het wegtraject hoger aan te leggen of om omleidingsroutes te maken. Wat betreft de vitale objecten moet gekeken worden of deze tijdelijk hun functie verliezen (tijdens de overstroming) of daadwerkelijk kapotgaan en daarmee langere tijd hun functie verliezen.
Vervolgens kan ofwel het ontwerp aangepast worden ofwel plannen om langdurige uitval te voorkomen (tijdelijk functie uitschakelen tijdens overstroming). Te zien is dat ná een overstroming het gros van de objecten weer droog komt te staan.
Reserveringszones Voor de reserveringzones van waterkeringen kunnen strategieën (adaptatiepaden) worden ontwikkeld om het ruimtebeslag inzichtelijk te maken bij verschillende keuzes. Deze strategieën kunnen inzichtelijk maken wat de impact is van dijkversterkingen als functie van de zeespiegelstijging. Hierbij kunnen ook de mogelijke keuzes inzichtelijk worden gemaakt voor knelpunten die kunnen optreden uitgaande van de reguliere manier van dijkversterkingen. Op deze manier kunnen ook keuzes worden gemaakt over de lange termijn versterkingsstrategie, en vervolgens het ruimtebeslag wordt hiervoor nodig is.
PR4634.20 • april 2024
40
Dit ruimtebeslag kan dan verankerd worden in reserveringszones die onderdeel zijn van bijvoorbeeld water en bodem sturend en vastgelegd in een omgevingsvisie en omgevingsplan. In de onderstaande conceptuele figuur zijn als voorbeeld de contouren opgenomen van de ruimte die nodig is voor dijkversterking bij een bepaalde mate van zeespiegelstijging (0,5 – 5m) en bij een groene waterkering. Uit de figuur blijkt dat bij grotere zeespiegelstijging het amoveren van woningen noodzakelijk kan zijn bij groene dijken (het ruimtebeslag kan flink toenemen), voor Schiermonnikoog is dat echter nauwelijks het geval. De vraag is ook of groene keringen de beste oplossing zijn. Zo kan er ook zeewaarts worden versterkt, maar zijn er ook oplossingen met constructieve elementen die minder ruimte vragen. Het verdient aanbeveling hier een strategie of een zienswijze op te ontwikkelen. Hierin kan expliciet worden uitgewerkt wanneer bepaalde keuzes gemaakt moeten worden, maar ook zouden mogelijke oplossingen ook nu al kunnen worden uitgesloten waardoor ruimte beschikbaar blijft voor andere ontwikkelingen.
Figuur 13: uitwerken adaptatiepaden voor reserveringszones dijkversterking bij verschillende varianten van stijging van de zeespiegel (ZSS).
PR4634.20 • april 2024
41
4
Buitendijks gebied
4.1
Inleiding
Het buitendijks gebied is het deel van het eiland dan niet beschermd wordt door primaire keringen. Dit gebied kan onderlopen als de zeespiegel stijgt. In het buitendijks gebied liggen nog wel andere waterkeringen, deze worden echter niet beheerd en zo nodig versterkt. Het buitendijks gebied (de duinen en voorlanden) kan ook meegroeien met zeespiegelstijging. Dit is een dynamisch proces wat afhankelijk is van de hoeveelheid suppleties en ruimtelijke maatregelen om meegroeien te stimuleren. Op Schiermonnikoog zijn buitendijks de objecten in kaart gebracht12 zoals die zijn beschreven in hoofdstuk 2. In Tabel 12 staat het totaal aantal objecten per sector. SECTOR
AANTAL OBJECTEN BUITENDIJKS
GEBOUWDE OMGEVING EN RUIMTELIJKE ORDENING RECREATIE EN TOERISME NIET ZELFREDZAMEN AANLANDPUNT ENERGIE HULPDIENSTEN EN ONDERSTEUNING LEVENSMIDDELEN WATERHUISHOUDING DRINKWATER ENERGIE VEILIGHEID ICT&TELECOM LANDBOUW, TUINBOUW EN VISSERIJ GEZONDHEID INFRASTRUCTUUR
34 22 0 0 1 0 4 0 0 0 0 0 0 1
Tabel 12 Aantal objecten per sector op Schiermonnikoog.
De buitendijkse gebieden worden tijdens een storm ook belast door het water. Daarom zijn voor een aantal locaties ook afslagprofielen bepaald zodat duidelijk wordt of bepaalde objecten hierdoor extra gevaar lopen. Deze afslagprofielen geven aan wat de ruimtelijke impact is van de maatregelen.
4.2
Overstroombaar gebied
Voor de inventarisatie van de ruimtelijke gevolgen voor objecten en gebieden tijdens en na een overstroming is onderscheid gemaakt in drie zichtjaren: huidig, 2050 en 2100. Voor elk ambitieniveau voor een waterveiligheidsstrategie is per zichtjaar bepaald welke gebieden kunnen overstromen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen 4 terugkeertijden: 10, 100, 1.000 en 10.000 jaar. In Figuur 14 is voor de huidige situatie de waterdiepte opgenomen bij verschillende terugkeertijden op basis van LIWO13.
12 Deze objecten zijn opgenomen in een database die ook kan worden ontsloten via een viewer. 13 In het kader van de Europese Hoogwater Richtlijn (EU-ROR) worden deze overstromingskaarten de komende jaren
geactualiseerd. Deze kaarten komen hierna weer beschikbaar op LIWO.
PR4634.20 • april 2024
42
Geconstateerd is dat in de overstromingskaarten van LIWO ook gebieden overstromen die achter hoge gronden liggen. Hiervoor is een correctie uitgevoerd, overstroomde gebieden die niet verbonden zijn aan buitenwater zijn hiervoor verwijderd. Er is geen extra rekening gehouden met de rol van overige waterkeringen en duinen die wellicht kunnen doorbreken na belasting aan het water. Verondersteld is dat deze analyse al gedaan is in de beheerdersoordelen die zijn uitgevoerd bij het opstellen van de kaarten. Echter geconstateerd is dat er nog steeds hiaten zijn. Zo kunnen sommige delen mogelijk onterecht als niet overstroombaar worden beschouwd omdat ze niet meegenomen zijn in deze kaarten (zoals de veerweg) maar zijn er ook gebieden die te vaak overstromen omdat geen rekening is gehouden met ongereguleerde waterkeringen. In 2024 is een nieuwe actualisatie voorzien van de overstromingskaarten in het kader van de Europese Hoogwater Richtlijn (door Rijkwaterstaat). De waterdiepte na zeespiegelstijging is een toeslag op de waterdiepte uit de actuele scenario’s, de patronen zelf zijn niet aangepast omdat hiervoor de gegevens ontbraken. Een andere manier van kijken is om geen toeslag te doen op de waterdiepte maar de kans van voorkomen aan te passen op basis van de klimaatverandering.
Een gebeurtenis die in de huidige situatie een kans van 1/10.000ste per jaar voorkomen heeft, heeft vanwege klimaatverandering (het SSP 8.5 klimaatscenario zoals uitgewerkt door het KNMI) in 2050 een kans van orde grootte 1/3.333ste per jaar. En in 2100 is deze kans vergroot naar orde grootte 1/1.000ste per jaar. Een gebeurtenis die in de huidige situatie een kans van voorkomen van 1/10de per jaar heeft zal in 2100 een kans van voorkomen van ééns per jaar hebben. 1/10 per jaar
1/100 per jaar
1/1.000 per jaar
1/10.000 per jaar
Figuur 14 Overstromingsbeelden van buitendijks gebied bij verschillende terugkeertijden.
4.3
Eisen aan objecten bij verschillende ambitieniveaus
De ambitieniveaus moeten gezien worden als een stapeling. Bij een hoger ambitieniveau worden aanvullende eisen gesteld aan de kwetsbaarheid van de ruimtelijke omgeving. In de komende paragrafen wordt ingegaan op de consequentie van verschillende ambitieniveaus voor een waterveiligheidsstrategie. Hierbij wordt steeds gekeken naar welke objecten getroffen worden. Afhankelijk van de invulling van de ambitie moet beleid/plannen gemaakt worden om de functie van deze objecten te behouden. De objecten in het buitendijkse gebied hebben een functie in relatie tot de continuïteit op het gehele eiland.
PR4634.20 • april 2024
43
Als referentie voor het beschermingsniveau gaat we dan idealiter uit van een vergelijkbare bescherming als binnendijks, dat betekent een eis van 1/100.000pj. Deze eis is zoals eerder opgemerkt relatief streng. Voor deze strenge eis is gekozen vanwege de afhankelijkheid van het vasteland en in de wetenschap dat het vasteland waarschijnlijk ook veel schade heeft. Omdat een 1/100.000pj scenario ontbreekt is het meest extreme scenario gekozen. Op basis van de decimeringshoogte (de toename van de waterstand bij een situatie die 10 maal extremer is) kan de toename van de waterdiepte worden geschat. Dit werkt alleen voor het gebied dat al overstroomd is. Gebied dat nu niet overstroomt maar dat wel zal doen is niet in kaart gebracht. De maximale waterdiepte is altijd minder dan de maximale zeespiegelstijging die is voorzien.
4.3.1
Schuilen & overleven (ambitieniveau 1)
Voldoende schuilplaatsen Bij ambitieniveau schuilen & overleven gaat het om voldoende schuilplaatsen tijdens een overstroming. Hierbij wordt als eis gesteld dat minimaal 1/3 van de woningen een droge verdieping moet hebben. Een droge verdieping gaat ervanuit dat er géén water staat (0 cm en dus geen 20cm) op de begane grond of de eerste verdieping (2.65m hoog). Tabel 13 geeft het percentage woningen dat een droge verdieping heeft. In het buitendijks gebied van Schiermonnikoog zijn voldoende schuilplaatsen aanwezig in extreme situaties. Belangrijk te realiseren bij vluchtplaatsen voor het buitendijkse gebied is dat er vaak nog en vluchtmogelijkheid zal zijn naar het binnendijkse gebied op het eiland bij vaak voorkomende overstromingen. Waarschijnlijk is dat gebied namelijk nog droog. KANS OP VOORKOMEN OVERSTROMEN 34 0BJECTEN
PERCENTAGES HEEFT EEN DROGE VERDIEPING IN HUIDIGE SITUATIE
PERCENTAGES HEEFT EEN DROGE VERDIEPING IN 2050
PERCENTAGES HEEFT EEN DROGE VERDIEPING IN 2100
1/10 STE PER JAAR 1/100STE PER JAAR 1/1000STE PER JAAR 1/10.000 STE PER JAAR
93% 89% 86% 86%
93% 89% 86% 86%
93% 89% 86% 86%
Tabel 13 Percentage objecten van gebouwde omgeving en ruimtelijke ordening dat een droge verdieping heeft in huidige situatie in het buitendijkse gebied
De verwachting is dat toeristen op het eiland die in buitendijks gebied verblijven voldoende mogelijkheid hebben om zich naar droge objecten en/of binnendijks gebied te verplaatsen. In totaal zijn er 22 objecten buitendijks voor recreatie en toerisme, bij een 1/10.000 per jaar gebeurtenis hebben bijna 75% van de panden een droge verdieping. Niet zelfredzamen, hulpverlening en energie aanlandpunt In Tabel 14 is het overzicht van het aantal objecten per sector opgenomen. Een hulpdienst ligt buitendijks, echter deze kan onterecht niet overstromen. De veerweg overstroomt frequent al in de huidige situatie. Dit blijkt niet uit de overstromingskaarten uit LIWO voor buitendijks gebied omdat deze niet zijn uitgewerkt voor dit gebied. Opgemerkt wordt dat de analyses in dit rapport zijn opgesteld op basis van de LIWO kaarten.
PR4634.20 • april 2024
44
0 0 1 0
0 0 1 0
1/10.000
0 0 1 0
1/1000
0 0 1 0
1/100
LEVENSMIDDELEN
0 0 1 0
2050
1/10
HULPDIENSTEN
0 0 1 0
1/10.000
ENERGIE AANLANDPUNT
1/1000
NIET ZELFREDZAMEN
1/100
Huidig
1/10
1/10.000
1/1000
1/100
1/10
# OBJ
AMBITIE1 - SCHUILEN EN OVERLEVEN
0 0 1 0
0 0 1 0
0 0 1 0
2100
0 0 1 0
0 0 1 0
0 0 1 0
0 0 1 0
Tabel 14 Objecten horende bij ambitie 1 voor het buitendijks gebied (de KNRM locatie in de haven valt buiten het gebied in LIWO en is daarom niet aangemerkt als overstroombaar, deze locatie is wel kwetsbaar en daarom aangemerkt als overstroombaar).
4.3.2
Vitaal beschermen en bereikbaarheid (ambitieniveau 2)
Bij dit ambitieniveau gaat het aanvullend over vitale objecten en bereikbaarheid op en naar het eiland (aanlegplaatsen en bereikbaarheid via hoofdwegen). Het object in de sector waterhuishouding dat overstroomt is een minigemaal. 1/100
1/1000
1/10.000
1
1
1
0
1
1
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
2050
WATERHUISHOUDING
4
0
1
1
DRINKWATER
0
0
0
0
0
ENERGIE
0
0
0
0
0
VEILIGHEID
0
0
0
0
0
ICT&TELECOM
0
0
0
0
0
0
1/10
1/10.000
1/1000
0
1/100
Huidig
1/10
1/10.000
1/1000
1/100
1/10
# OBJ
AMBITIE2 – VITAAL BESCHERMEN EN BEREIKBAARHEID
2100
Tabel 15 De objecten behorende bij ambitie 2 die getroffen worden bij verschillende situaties in het buitendijkse gebied.
4.3.3
Vitaal beschermen ++ (ambitieniveau 3)
Bij het derde ambitieniveau wordt aanvullend nog gekeken naar drie sectoren, namelijk land-& tuinbouw en visserij, gezondheid en infrastructuur. Deze overstromen niet bij de beschikbare scenario’s in het buitendijkse gebied.
4.4
Afslagprofielen
Voor de Waddeneilanden zijn voor verschillende raaien langs de Rijksstrandpalenlijn afslagprofielen berekend. Een afslagprofiel is het aanwezige duinprofiel na het optreden van een zware stormconditie. De waterstanden en golven zijn afgeleid voor een stormconditie die overeenkomt met de ondergrens van het duintracé (zie Hoofdstuk 3).
PR4634.20 • april 2024
45
Deze condities zijn afgeleid met het programma Riskeer (v.23.1.1.1). In het programma Morphan (v.23.1.1.55358) worden de stormcondities gecombineerd met het aanwezige duinprofiel. De duinprofielen zijn beschikbaar voor de Jarkusraaien14 langs de Nederlandse kust. De ontwikkeling van het afslagprofiel gedurende een storm volgt uit het programma Morphan door het toepassen van het rekenhart XBeach (v1.24.5956-BOI-phase3). Dit kan voor verschillende scenario’s van zeespiegelstijging (zss). Per locatie (of raai) zijn de volgende stormcondities doorgerekend:
Stormcondities bij de ondergrens in de huidige situatie;
Stormcondities met 1,21 meter zeespiegelstijging (in 2100);
Als gevoeligheidsanalyse kijken we ook naar stormcondities met 2,0 meter zeespiegelstijging.
Stormcondities met zeespiegelstijging (1,21 en 2,0 meter) volgen uit het verhogen van de waterstanden in de stormcondities bij de ondergrens met 1,21 en 2,0 meter. De golven blijven onveranderd. Ook zijn er scenario’s voor meegroeien doorgerekend waarbij de mate van meegroeien gelijk is genomen aan de mate van de zeespiegelstijging (1,21 of 2,0 meter). Dit levert dezelfde resultaten op als de stormcondities bij de ondergrens voor het huidige zichtjaar. Voor de Waddeneilanden zijn karakteristieke raaien uitgekozen. Dit zijn raaien dwars op de Rijksstrandpalenlijn (RSP) langs de kust waar de gemeente geïnteresseerd is in de afslag van zand door een normsituatie storm en in de ontwikkeling van de raai over de tijd. Deze interesse kan komen door aanwezige bebouwing buitendijks welke geraakt zou kunnen worden of doordat het kustprofiel een groter gebied representeert. Een overzicht van de resultaten is weergegeven in onderstaande paragrafen. Schiermonnikoog De gemeente Schiermonnikoog heeft voor het eiland vijf karakteristieke kustprofielen uitgekozen (Figuur 15). Eerst worden de raaien langs de Rijksstrandpalenlijn (RSP) bij zandige keringen uitgewerkt. Vervolgens de harde keringen bij de Waddenhaven en Veerhaven. Hierbij is uitgegaan van duinen en keringen zonder rekening te houden met leidingen of boringen.
Voor leidingen en boringen zal telkens een analyse nodig zijn om aan te tonen dat het voldoet aan de hiervoor geldende eisen.
Figuur 15 Overzicht locaties op het Waddeneiland Schiermonnikoog
14 https://maps.rijkswaterstaat.nl/dataregister/srv/dut/catalog.search#/metadata/25664cfc-21bc-4de9-9f58-
bbcd1fab7d62
PR4634.20 • april 2024
46
RSP 3.80 Op en langs het kustprofiel RSP 3.80 bij de Badweg staan verschillende objecten. Op dit moment staat er een tijdelijk strandpaviljoen in de zomer op het strand. In de huidige situatie worden het (tijdelijk) strandpaviljoen en het toiletgebouw geraakt bij een normsituatie storm. Dit komt met name omdat het embryo duin voor het toiletgebouw en de fietsenstalling volledig erodeert. De verschillende scenario’s van zeespiegelstijging resulteren alleen in erosie van het primaire duinfront. De strandhotels die op/achter het duin gelegen zijn hebben op basis van deze Jarkusraai voldoende voorland om niet in gevaar te komen. De strandopgang ten westen van RSP 3.80 is maatgevend wat betreft inundatie (of wateroverlast)15. De strandopgang heeft een hoogte van 9,0m+NAP. Indien het profiel RSP 3.80 meegroeit met zeespiegelstijging dan kan het duinfront in stand blijven. De objecten in RSP 3.80 moeten dan worden aangepast. Strandtenten kunnen bijvoorbeeld iedere huur- of pachtperiode verplaatst worden om ervoor te zorgen dat het doorstuiven over het gehele gebied kan plaatsvinden en/of op palen gezet kunnen worden die voldoende hoog zijn en ver uit elkaar staan om doorstuiving zo min mogelijk te hinderen.
Figuur 16 Afslagprofielen voor Jarkusraai bij RSP 3.80 op het eiland Schiermonnikoog. Links is de locatie weergeven in rood op een satellietbeeld uit 2023. Rechts het startprofiel in zwart en een afslagprofiel voor het huidige zichtjaar zonder zeespiegelstijging (paars), een afslagprofiel met 1,21m zeespiegelstijging in 2100 (oranje) en een afslagprofiel met 2,0m zeespiegelstijging in 2100 (rood). Met de iconen zijn de objecten aangegeven.
RSP 6.60 Bij het kustprofiel 6.60 nabij de Prins Bernhardweg is op het strand in de zomermaanden een klein afhaalpaviljoen gevestigd. Hier is ook KNRM-strandbewaking aanwezig in de zomer. Op en achter het primaire duin staat een permanent strandpaviljoen en openbare toiletten. In de huidige normsituatie storm erodeert het duinfront, maar pas bij 1.21m zeespiegelstijging geldt dat de voorkant van de tweede duintop erodeert. Het strandpaviljoen wordt hierbij net niet geraakt (idem voor 2.0m zss). De strandopgang ter plekke van RSP 6.60 is maatgevend wat betreft inundatie (of wateroverlast)16. De strandopgang heeft een hoogte van 9,0m+NAP Indien profiel 6.60 meegroeit met zeespiegelstijging dan kan het duinfront in stand blijven. De KNRM-uitkijkstation in RSP 6.60 moet dan worden aangepast door deze op palen te plaatsen of jaarlijks te verplaatsen zodat het doorstuiven over het gehele gebied kan plaatsvinden.
15 Er zijn meerdere strandopgangen ten westen van RSP 3.80 (Badweg). Dit betekent dat inundatie ook kan optreden
via deze strandopgangen waarna water via de kwelderkant de objecten nabij de Badweg kan bereiken. 16 Er zijn meerdere strandopgangen ten oosten van RSP 6.60 (Prins Bernhardweg). Dit betekent dat inundatie ook kan optreden via deze strandopgangen waarna water via de kwelderkant de objecten kan bereiken.
PR4634.20 • april 2024
47
Figuur 17 Afslagprofielen voor Jarkusraai bij RSP 6.60 op het eiland Schiermonnikoog. Links is de locatie weergeven in rood op een satellietbeeld uit 2023. Rechts het startprofiel in zwart en een afslagprofiel voor het huidige zichtjaar zonder zeespiegelstijging (paars), een afslagprofiel met 1,21m zeespiegelstijging in 2100 (oranje) en een afslagprofiel met 2,0m zeespiegelstijging in 2100 (rood). Met de iconen zijn de objecten aangegeven.
4.4.1
Harde keringen
Voor de Waddeneilanden zijn naast de zachte keringen (duinen) ook karakteristieke raaien uitgekozen voor de harde keringen (dijken en havens). Dit zijn locaties langs de kust waar de gemeente geïnteresseerd is in de inundatie van buitendijks gebied door een normsituatie storm. Een overzicht van de resultaten is weergegeven in Figuur 18 en Figuur 19. Schiermonnikoog De Veerhaven is de locatie waar de boot aanmeert vanaf het vaste land en daarom een zeer belangrijke locatie voor Schiermonnikoog. De gemeente ziet nu al dat de Veerdam jaarlijks een aantal keer onder water staat. Dat de kade onderloopt met een inundatiediepte van 50cm17 komt ook regelmatig voor (~ iedere 2 tot 5 jaar), zie linker Figuur in Figuur 18, kleinere overstromingen komen nog vaker voor (orde 10x per jaar conform de inschatting van de gemeente Schiermonnikoog). Dit zal in de toekomst bij 1m zss veel vaker gebeuren, namelijk meer dan 10x per jaar, zie rechter Figuur in Figuur 18. Om de veerhaven goed bereikbaar te houden lijkt het daarom nodig om actie te ondernemen. Bij de Waddenhaven valt op dat in de huidige situatie de haven niet zeer regelmatig onderloopt met een inundatiediepte van 50cm (~ iedere 5 tot 10 jaar), zie linker Figuur in Figuur 19. Uiteraard kunnen kleinere dieptes vaker voorkomen.
Bij een zeespiegelstijging van 1m neemt de overstromingsgevoeligheid van de Waddenhaven flink toe tot 10x per jaar een overstroming van 50 cm. Het gebouw op de terp behoudt een lagere inundatiefrequentie (~ iedere 2 tot 5 jaar), zie rechter figuur in Figuur 19.
17 Wateroverlast (of inundatie) van minder dan 50 cm kan vaker optreden. De studie van de Grave (2022) is gebaseerd
op een inundatiediepte van 50 cm.
PR4634.20 • april 2024
48
Figuur 18 Kustprofiel Veerhaven Schiermonnikoog - Overstromingsgevoeligheid van de veerhaven, uit: Overstromingsgevoeligheid veerhavens Waddenzee - 11205243-007-BGS-0001 (de Grave, 2020)
Figuur 19 Kustprofiel Waddenhaven Schiermonnikoog - Overstromingsgevoeligheid van de jachthaven, uit: Overstromingsgevoeligheid veerhavens Waddenzee - 11205243-007-BGS-0001 (de Grave, 2020)
4.4.2
Meegroeien duinen en voorlanden
In deze paragraaf wordt het meegroeien van duinen en voorlanden (zoals het nu gaat en met zeespiegelstijging) besproken. Hierbij is gebruik gemaakt van de Blokkendoos Levende Kust18. Meegroeien is in paragraaf 2.6.2 beschreven als de toename van het volume zand in de duinen (hoger dan NAP + 3.0 m) verdeeld over de breedte van het duin (per strekkende meter), zie ook Figuur 8. Verder wordt er ook stilgestaan bij het stimuleren van meegroeien en het daarbij behorende ruimtebeslag. Er worden drie varianten onderscheiden: Meegroeien duinen en voorlanden zoals het nu gaat (variant 1) Op Schiermonnikoog groeit het grootste gedeelte van de duinenkust aan (Blokkendoos Levende Kust). In het westen van het eiland zijn enkele locaties met een afname van het volume zichtbaar in het voorland op de meer zeewaartse plekken. Om een robuustere situatie voor de toekomst te creëren voor kustprofiel RSP 6.60 (Prins Bernhardweg) zou het gebied voor de meest zeewaarts gelegen duintop en het gebied tussen de eerste en de tweede duintop mee kunnen groeien en op termijn opgehoogd kunnen worden.
18 https://dmmangrove.hkvservices.nl/blokkendoos-levende-kust/
PR4634.20 • april 2024
49
Figuur 20 Blokkendoos Levendige Kust – Duingroei 1990-2021 zonder zeespiegelstijging per Jarkus-raai. Duingroei per raai is gedefinieerd (per strekkende meter) als een gemiddelde groei boven de 3m +NAP.
Op Schiermonnikoog valt wel op dat de westkant, nabij de Badweg (RSP 3.80), alle omliggende jarkusraaien niet voldoende meegroeien om de zeespiegelstijging te compenseren (zie witte pijl Figuur 21). De huidige sterkte van de duinen in dit gebied is echter wel robuust. De duinbeheerder kan met partners kijken hoe het stimuleren van meegroeien te verbeteren is waarbij wel opgemerkt moet worden dat dit gebied niet in de dominante windrichting ligt en het mogelijk moeilijk is het gebied te laten meegroeien. Wellicht is het meegroeien waarmee impliciet de omgeving rondom kustprofiel RSP 3.80 versterkt wordt daarom logischer.
Figuur 21 Blokkendoos Levendige Kust – Duingroei t.o.v. 2 meter zeespiegelstijging per Jarkus-raai. Duingroei per raai is gedefinieerd (per strekkende meter) als een gemiddelde groei boven de 3m +NAP.
Extra stimuleren meegroeien duinen en voorlanden (variant 2) Als voor de variant ‘stimuleren meegroeien duinen en voorlanden’ wordt gekozen zou dat voor de Waddeneilanden stimulering van aangroei betekenen. De verstuiving wordt dan meer gestimuleerd door verstuivingsgebieden en kerven te creëren in de buitendijkse gebieden, met name aan de west- en noordzijde van de eilanden.
PR4634.20 • april 2024
50
Dit zorgt voor meer aangroei en doorstuiving en zal de trend van vermindering in dynamiek keren indien deze gebieden op de juiste manier worden aangelegd (opening niet te hoog en juiste breedte), een redelijke oriëntatie hebben t.o.v. de dominante windrichting en actief onderhouden worden (embryoduinen en sommige vegetatie verwijderen). In zijn algemeenheid zou aan de noordoostkant van de eilanden meer dynamiek van de zeereep met beperkte doorstuiving gerealiseerd kunnen worden hoewel dit gezien de ligging t.o.v. de dominante windrichting lastiger te bewerkstelligen zal zijn. Eventueel zouden kerven aangelegd kunnen worden om dynamiek te bevorderen. Doorstuiving en daarmee sterkere aangroei van de duinenkust aan de oostzijde van de eilanden realiseren zal lastig zijn omdat vanwege de dominante windrichting vanuit het zuidwesten dit gebied waarschijnlijk niet of nauwelijks zal aangroeien. Een voorbeeld voor Schiermonnikoog is weergegeven in onderstaande Figuur 22.
Figuur 22 Locaties waar doorstuiving (windvaantjes) en waar meegroeien van voorlanden ( kan worden binnen ambitieniveau 2. In paars de primaire kering.
) gestimuleerd
Extra stimuleren meegroeien duinen en voorlanden (variant 3) Deze variant bouwt verder op de vorige variant. De maatregelen die daarin voorgesteld zijn gelden ook voor dit ambitieniveau. In dit ambitieniveau nemen we ook verstuivingsgebieden (in de primaire kering) in de noordelijke duingebieden op. Zeer relevant voor Schiermonnikoog is het meegroeien van het gebied tussen de eerste en tweede duinenrij. Dit vormt een risico voor de objecten gelegen in het kweldergebied tussen deze duinenrijen. Het vraagt nader onderzoek of verstuiving aan de zeezijde van de primaire kering op termijn leidt tot een robuustere duinwaterkering en of de aanleg van verstuivingsgebieden de duinwaterkering niet te veel verzwakt (duinwaterkering moet natuurlijk ten allen tijden aan de normering voldoen). Dit heeft als gevolg dat verschillende binnendijks gelegen functies vaker onderstoven raken. Daarnaast zou in dit ambitieniveau aan de gehele zuidzijde van de eilanden voorlandaangroei gestimuleerd worden. Voorlandaangroei dient ter reductie van de overstromingskans (bijv. tussen de Veerdam en de Waddenhaven). Omdat dit vooral open gebied betreft zijn er kennisvragen hoe dit het beste te bewerkstelligen. Wellicht kan er een zogenaamde ‘Slibmotor19’ ingezet worden waarbij strategisch kiezen van de locatie om gebaggerd sediment te deponeren leidt tot sterkere aangroei van voorlanden.
Echter zijn er ook beperkingen aangezien het transport langs de zuidzijde (waar geen geulen zijn) een kostbare aangelegenheid is. Een reële vraag is of deze optie kosteneffectief is (nog afgezien van natuurwetgeving). 19 https://www.ecoshape.org/nl/pilots/slibmotor-haven-van-harlingen/
PR4634.20 • april 2024
51
Een voorbeeld voor Schiermonnikoog is weergegeven in onderstaand Figuur 23.
Figuur 23 Locaties waar doorstuiving (windvaantjes) en waar meegroeien van voorlanden ( kan worden binnen ambitieniveau 3. In paars de primaire kering.
4.5
) gestimuleerd
Maatregelen
Om te voldoen aan de gestelde eisen binnen de ambitieniveaus zijn verschillende maatregelen denkbaar. Deze maatregelen verschillen per ambitieniveau, waarbij het uiteindelijk draait om functieverlies te voorkomen. Bij het ambitieniveau schuilen en overleven wordt nu voldaan aan de eis voor voldoende schuilplaatsen. Zeker als in overweging wordt genomen dat mensen in veel gevallen naar het binnendijkse gebied kunnen vluchten. Wanneer we kijken naar het tweede en derde ambitieniveau draait het om vitale objecten beschermen en het eiland bereikbaar te houden. Wat betreft de vitale objecten moet gekeken worden of deze tijdelijk hun functie verliezen (tijdens de overstroming) of daadwerkelijk kapot gaan en daarmee langere tijd hun functie verliezen. Als hier sprake van is kan ofwel het ontwerp aangepast worden ofwel plannen gemaakt worden om langdurige uitval te voorkomen. De mate waarin het meegroeien van de kust (voorlanden en duinen) gestimuleerd wordt is een beleidskeuze en raakt aan de identiteit van het eiland. De stevigheid van de duinen kunnen als dat nodig is gewaarborgd worden door extra zand handmatig aan de duinen toe te voegen. Hetzelfde geldt voor de andere duingebieden op het eiland. Voor de niet-primaire waterkeringen op het eiland geldt dat de bescherming door deze (vaak gemeentelijke) keringen achteruit zal gaan door zeespiegelstijging.
Deze keringen kunnen door lokale beschermingsmaatregelen versterkt worden of objecten die daarvan afhankelijk zijn kunnen verplaatst worden. Deze keringen zouden door het meegroeien van voorlanden en duinen mogelijk minder opgehoogd hoeven te worden en de effecten van een eventuele doorbraak zullen verkleinen door het hogere voorland omdat minder water naar binnen zal stromen. De haalbaarheid en snelheid van het natuurlijk verhogen van de voorlanden staat ter discussie vanwege de relatief geringe hoeveelheid sediment in de waterkolom aan de Waddenzeezijde.
PR4634.20 • april 2024
52
5
Synthese en aanbevelingen
5.1
Synthese
De Waddeneilanden zijn uniek in Nederland. In geval van een (dreigende) overstroming kan de verbinding met het vasteland enige tijd wegvallen. De herstelperiode kan lang duren, zeker als er schaarste is aan middelen en andere delen van Nederland ook zijn getroffen. Voor alle objecten kan worden bepaald wat de overstromingsgevoeligheid is (met >20cm) en wat de ‘maatgevende waterstanden’ in verschillende zichtjaren zijn gegeven een verwachte klimaatverandering. De vraag is op hoeveel objecten het ruimtelijk beleid van toepassing is. In het onderzoek zijn verschillende ambitieniveaus beschouwd voor het ruimtelijke beleid. Dit ruimtelijk beleid is aanvullend op het beleid voor preventie (keringen) en kustlijnzorg. Het ruimtelijk beleid draagt bij aan snelle terugkeer naar een normale(re) situatie na een overstroming. Het ruimtelijk beleid heeft ook impact op de crisisbeheersing, hoe robuuster de inrichting op de Waddeneilanden hoe groter de leefbaarheid bij rampen en hoe kleiner de opgave bij hulpverlening. Het ambitieniveau zelf is een keuze voor bestuurders. Vier mogelijke ambities zijn geformuleerd, uitgaande van de maximale waterdieptes die kunnen optreden bij extreme situaties.
Ambitie 1: Schuilen en overleven;
Ambitie 2: Schuilen, overleven en basis voor herstel vitale infrastructuur;
Ambitie 3: Schuilen, overleven en basis voor herstel vitale infrastructuur ++;
Ambitie 4: Voorkomen impact aan alle bebouwing. Ambitie 4 is bestempeld als onhaalbaar en niet verder uitgewerkt. Het is vanuit de historie van de Waddeneilanden en de omvang van nieuwe ontwikkelingen niet reëel te veronderstellen dat alle nieuwbouw (en reconstructie) zo wordt vormgegeven dat er geen schade is bij een overstroming. Ambitieniveau 4 komt hiermee te vervallen.
De ruimtelijke inspanning bij ambitie 3 is groter dan bij 2, en die van 2 groter dan bij 1. Het is niet nodig om de inspanning nu direct te leveren, hierdoor zouden de kosten erg hoog zijn. Het is aantrekkelijker om mee te liften met groot onderhoud en vervangingsopgaven de komende decennia. Dit vereist wel een keuze in de ambities, en een duidelijke verankering in de ruimtelijke planvorming met ontwerpeisen. In het afwegingskader is onderscheid gemaakt in de kosten (en wie deze draagt), de verantwoordelijkheden en de uitvoerbaarheid. Uit de pilots blijkt dat het aantal objecten waarvoor maatregelen nodig zijn bij ambitie 1, 2 en 3 beperkt is, zeker als kan worden aangesloten bij geplande vervangingsopgaven. Door het koppelen aan vervangingsopgave en nieuwbouw zijn de kosten relatief beperkt, en onderdeel van deze vervangingsopgave. De kosten zijn vooral voor rekening van de eigenaren van de objecten en onderdeel van de (ver)bouwkosten. De strategieën zijn wat betreft uitvoerbaarheid niet echt onderscheidend. Ambitieniveau 1 zou wellicht meer ‘ad hoc’ geregeld kunnen worden maar vereist ook inzicht in maatgevende waterstanden en overstromingscontouren. Voor de andere ambitieniveaus is dat ook nodig.
Omdat de realisatie van maatregelen enige tijd (mogelijk decennia) zal vergen is het van belang om het goed te borgen in de planvorming zodat het een randvoorwaarde is bij de uitvoering. Hierdoor kan eenvoudig getoetst worden bij vergunningverlening of aan de eisen wordt voldaan, en kan ook toezicht worden gehouden.
PR4634.20 • april 2024
53
Ambitie 1 (hulpverlening en ondersteuning, niet zelfredzamen, levensmiddelen en energie aanlandpunt)
Ambitie 2 (Waterhuishouding, drinkwater, energie, veiligheid en ICT & Telecom)
Ambitie 3 (Land- en Tuinbouw en Visserij, Gezondheid, Infrastructuur) Figuur 24 in kaart gebrachte objecten per ambitieniveau
De kosten van rampenplannen zijn relatief goedkoop al vergen die wel een inspanning (inclusief het onderhoud middels oefeningen).
PR4634.20 • april 2024
54
De afhankelijkheid van rampenplannen neemt af naarmate de ambitie in het ruimtelijk beleid groter is, echter rampenplannen zullen wel nodig blijven al is het om mensen te waarschuwen en bij te dragen aan het herstel en redding/evacuatie. Extra investeren in waterkeringen (met zwaardere normen) is natuurlijk ook een mogelijkheid, hierdoor neemt de kans op een overstroming af maar er blijft een risico. Het verhogen van deze normen is nu niet aan de orde. Dat vereist dat er ook in dat geval expliciete keuzes nodig zijn voor ruimtelijk beleid en risico acceptatie. In het huidige onderzoek is vooral gekeken naar het aantal objecten dat wordt blootgesteld, waarbij uitval is verondersteld. Aanvullend zou nog gekeken kunnen worden in welke mate de functie weer kan worden opgestart als het water weg is, of snel hersteld kan worden, zeker als blijkt dat het water enige dagen na een doorbraak is gezakt waardoor grote delen weer droog staan. Nu is verondersteld dat bij blootstelling aan meerdere decimeters water het object uitvalt, onderzocht kan worden bij welke waterdiepte een functie uitvalt. Voor nieuwbouwlocaties, die beperkt zijn op de eilanden, geldt dat bij de locatiekeuze rekening gehouden kan worden met het overstromingsrisico. Zo kan er onderscheid worden gemaakt in wel en niet overstroombaar gebied of een droge verdieping als vereiste.
Binnen het overstroombaar gebied zijn gebieden die hoger liggen dan het gemiddeld hoogtij aantrekkelijker dan gebieden die lager liggen omdat deze eerste gebieden niet overstromen of relatief snel droogvallen.
Binnendijks Voor het binnendijks gebied neemt de verwachte maximale omvang (en vooral de diepte) van een overstroming toe in de toekomst. De kans op een overstroming blijft echter gelijk omdat waterkeringen worden versterkt. De maximale diepte is echter tijdelijk en alleen tijdens de piek. Nadat de zeewaterstand daalt zal ook water weer richting zee stromen, echter niet alles (met name in bedijkt gebied). Dat betekent dat het van belang is dat inwoners en toeristen een korte tijd kunnen schuilen zodat ze kunnen overleven (waarvoor ook evacuatieplannen nodig zijn). Uit de analyse blijkt dat er voldoende schuilplaatsen zijn voor inwoners en toeristen. Met name toeristen hebben wellicht hulp nodig om deze te vinden.
PR4634.20 • april 2024
55
Figuur 25: Waterdieptes in 2100: boven is de maximale waterdiepte tijdens een extreme overstroming. onder is de geschatte waterdiepte enkele dagen na een overstroming waarbij het water op vrij verval kan wegstromen door het getijde. (NB: het overstroomde gebied is weergegeven op basis van de huidige normsituatie, in de situatie van 2100 zal er een schil met waterdieptes van maximaal 1 m waterdiepte bij komen afhankelijk van de maaiveldhoogte)
Na het zakken van het water kunnen schuilplaatsen worden verlaten en kan een eerste herstel gaan plaatsvinden. Ook kunnen toeristen en inwoners dan naar de wal reizen. Herstel (en de leefbaarheid) kan worden bespoedigd door middelen, inclusief eten en drinken, veilig te stellen voorafgaand aan de overstroming zodat de periode beter overbrugd kan worden tot de verbindingen met de vast wal hersteld zijn. Een aantal objecten, zoals het energie aanlandpunt zijn cruciaal voor de voorzieningen en de leefbaarheid op het eiland. Overwogen kan worden deze locatie te wijzigen, lokaal te beschermen of in te zetten op een snel herstel. Het is nog onduidelijk wat de herstelmogelijkheden zijn van deze objecten en of uitval kan worden voorkomen bij de kritieke waterdieptes.
Buitendijks Het buitendijkse gebied is inherent onderdeel van de identiteit van de Waddeneilanden. Voor buitendijks gebied geldt dat hoogwater en overstromingen in de toekomst vaker voorkomen. Dit buitendijks gebied, deels beschermd door duinen en keringen vergt onderhoud. Dit gebied (evenals duinen en voorlanden bij primaire waterkeringen) kan (al dan niet vertraagd) meegroeien met zeespiegelstijging. De snelheid is afhankelijk van de locatie en de mate waarin dit meegroeien - een natuurlijk proces - wordt gestimuleerd.
PR4634.20 • april 2024
56
Figuur 26 Waterdiepte bij een 1/10.000 per jaar situatie in de huidige situatie. In 2100 komt deze situatie ongeveer 1/1.000pj voor. (NB: het overstroomde gebied is weergegeven op basis van de huidige normsituatie, in de situatie van 2100 zal er een schil met waterdieptes van maximaal 1 m waterdiepte bij komen afhankelijk van de maaiveldhoogte<0,5 en 0,5-1,0 m))
5.2
Conclusies en aanbevelingen
Conclusie 1. De studie laat zien dat de impact van zeespiegelstijging anders is voor het binnendijks en buitendijks gebied. Voor het binnendijkse gebied zorgen de waterkeringen voor een ondergrens in de kans van voorkomen van overstromingen. Voor het buitendijks gebied betekent zeespiegelstijging dat overstromingen vaker voorkomen, tenzij het gebied meegroeit met de zeespiegel of dat waterkerende elementen ook worden versterkt. Dit betekent dat er zicht moet zijn op deze waterkerende elementen, welke eisen hieraan gesteld worden en mogelijke ruimtebeslag voor toekomstige versterkingen. Conclusie 2: Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. Van de ruim 1500 in kaart gebrachte objecten heeft meer het merendeel een droge verdieping gedurende de overstroming. In deze schatting is ervan uitgegaan dat tijdens het seizoen dat er dijkdoorbraken mogelijk zijn er vrijwel geen mensen kamperen. Aanbeveling 1: Zorg dat bewoners en toeristen bekend (kunnen) zijn met mogelijke schuillocaties en wat van hen verwacht wordt om enkele dagen te overleven. Voor de uitwerking van dit handelingsperspectief is risico- en crisiscommunicatie het vertrekpunt.
Aanbevolen wordt dat de veiligheidsregio hiervoor een strategie opstelt op basis van de uitwerking van rampenplannen (waarin ook de mogelijkheden om vooraf het eiland te verlaten nog worden gemaximaliseerd). Aanbevolen wordt ook de eilandgemeentes en recreatiebedrijven bij de uitvoering te betrekken omdat deze daadwerkelijk het contact hebben met de inwoners en toeristen. Conclusie 3: Voor vitale en kwetsbare objecten kunnen voorzieningen worden getroffen om te schuilen en de overlevingskansen te vergroten (ambitie 1), en om aanvullend de vitale infrastructuur sneller te herstellen (ambitie 2 of 3) zodat de samenleving op het eiland sneller kan herstellen. Als ontwerpcriterium voor deze vitale objecten is hierbij een extreme overstroming gekozen omdat het vaste land mogelijk ook is getroffen en de eilanden mogelijk de eerste dagen op zichzelf zijn aangewezen. Het aantal objecten (en dus de kosten en de betrokken stakeholders) neemt toe als het ambitieniveau hoger ligt. In Tabel 16 is het aantal kwetsbare objecten opgenomen per ambitieniveau.
PR4634.20 • april 2024
57
SCHIERMONNIKOOG Aantal objecten
BINNENDIJKS O.b.v. maximale waterstand (en na een overstroming)
16 1
AMBITIE 1 Heden 2100 16 (0) 16 (0) 1 (0) 1 (0)
ONDERSTEUNING LEVENSMIDDELEN
9 1
9 (0) 1 (0)
WATERHUISHOUDING DRINKWATER ENERGIE VEILIGHEID ICT&TELECOM
26 2 13 0 4
SECTOR
NIET ZELFREDZAMEN AANLANDPUNT ENERGIE HULPDIENSTEN EN
LANDBOUW, TUINBOUW EN VISSERIJ GEZONDHEID INFRASTRUCTUUR
8 1 2
Aantal objecten
BUITENDIJKS O.b.v. maximale waterstand bij 1/10.000 gebeurtenis
0 0
Heden 0 0
2100 0 0
9 (0) 1 (0) AMBITIE 2 21 (0) 23 (12) 1 (0) 1 (0) 9 (0) 9 (1) 0 (0) 0 (0) 3 (0) 3 (0) AMBITIE 3
1 0
1 0
1 0
4 0 0 0 0
1 0 0 0 0
1 0 0 0 0
8 (0) 1 (0) 0 (0)
0 0 1
0 0 0
0 0 0
8 (2) 1 (0) 0 (0)
Tabel 16: Aantal objecten in huidige situatie en 2100 dat kwetsbaar is voor overstromingen in de huidige situatie en in 2100 bij een extreme overstroming. Voor primaire waterkeringen is onderscheid gemaakt in de maximale waterstand tijdens de overstroming en enkele dagen na de overstroming (getal tussen haken) als het water vrij heeft kunnen afstromen. Voor buitendijks gebied is uitgegaan van het extreemste scenario wat het meest vergelijkbaar is met de binnendijkse situatie.
Aanbeveling 2: De gemeente wordt geadviseerd het ambitieniveau vast te stellen waarbij het gaat de kaders die gelden voor verschillende functies en objecten bij voor nieuwe ontwikkelingen en renovatie. Het vastgestelde ambitieniveau zal in omgevingsplannen moeten worden verankerd zodat er duidelijkheid is voor alle stakeholders. Dat betekent dat de gemeente:
Kaders en richtlijnen opstelt voor het ruimtelijk beleid voor nieuwe ontwikkelingen en renovatie in samenspraak met de ruimtelijke partners (als provincie, waterschappen en Rijkswaterstaat). Het gaat dan om ontwerphoogten (op basis van waterstanden) en randvoorwaarden om van deze ontwerphoogtes af te wijken (bijvoorbeeld als door andere maatregelen de continuïteit van de functie of voldoende snel hersteld kan worden geborgd). Geadviseerd wordt om deze te verankeren zodat bij vergunningaanvragen voor nieuwe ontwikkelingen hieraan getoetst kan worden. De maatgevende waterstanden zoals deze zijn afgeleid in deze studie kunnen worden gebruikt als ontwerprandvoorwaarde voor nieuwe gebouwen.