CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 1 - Uitspraak Raad van State

Raadsvergadering 21 april 2026, gemeente SchiermonnikoogBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan Schiermonnikoog dorp34.062 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De exclusieve bevoegdheid van de raad brengt mee dat een derde er niet op mag vertrouwen dat handelingen van het college de raad binden indien dat vertrouwen niet mede wordt ontleend aan uitlatingen van de raad zelf (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2949, overweging 4.3). Anders dan [appellant sub 11] en anderen betogen, blijkt uit de brieven die in 2009 zijn verzonden niet dat de uitlatingen in die brief mede zijn gedaan door de raad zelf. In de brieven uit 2009, hiervoor onder 9 geciteerd, wordt weliswaar gesproken over een wijziging van de Huisvestingsverordening die is vastgesteld door de raad, maar uit het enkele feit dat de raad de Huisvestingsverordening

18

heeft gewijzigd, kan niet worden afgeleid dat de raad ook planologisch het gebruik voor zowel permanente als recreatieve bewoning bij recht wenste mogelijk te maken. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de Huisvestingsverordening en een bestemmingsplan afzonderlijke regelingen zijn met een eigen doel en toetsingskader (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7648, overweging 1.8). Bij een bestemmingsplan gaat het om een afweging of een bestemming vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is en of die bestemming strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Dat is een andere afweging dan de afweging die plaatsvindt bij de vraag of in het kader van de Huisvestingswet op grond van de Huisvestingsverordening al dan niet een onttrekkingsvergunning nodig is in het licht van het belang van de samenstelling van de woningvoorraad op Schiermonnikoog. Om die reden kan aan de enkele omstandigheid dat de raad in 2009 heeft besloten de Huisvestingsverordening aan te passen en voor het recreatieve gebruik van tweede woningen geen onttrekkingsvergunning te vereisen, niet de aanspraak worden afgeleid dat ook planologisch het gebruik van een woning voor zowel recreatieve als permanente bewoning positief zal worden bestemd.

Dit geldt ook niet gelet op de omstandigheid dat de brieven uit december 2009 dateren van ná de vaststelling van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" en in dit bestemmingsplan, dat kort daarvoor was vastgesteld op 24 maart 2009, het recht op zowel recreatieve als permanente bewoning niet was opgenomen en recreatieve bewoning expliciet als strijdig gebruik was omschreven. Het voorgaande betekent ook dat aan het enkele feit dat volgens [appellant sub 11] en anderen in de ten tijde van de planvaststelling geldende Huisvestingsverordening nog steeds was geregeld dat een onttrekkingsvergunning voor hun woningen niet is vereist en dat op basis van de Huisvestingsverordening hun woningen zowel voor permanente als voor recreatieve bewoning mogen worden gebruikt, geen gerechtvaardigde verwachtingen kunnen worden ontleend over de bestemming die in het bestemmingsplan aan hun woningen zou worden toegekend.

[appellant sub 11] en anderen verwijzen in dit verband weliswaar nog naar de toelichting van het college aan de raad over de wijziging van de Huisvestingsverordening, die als bijlage bij de brieven uit 2009 is gevoegd, maar daarin staat dat bij de totstandkoming van het nieuwe bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 discussie heeft plaatsgevonden over de vraag binnen welk gebied recreatiewoningen permanent bewoond mogen worden en dat het resultaat daarvan is dat in het bestemmingsplan aansluitend aan het dorp een zone is aangegeven waarbinnen recreatiewoningen ook gebruikt mogen worden voor permanente bewoning, zonder verlies van de recreatieve status. Aan deze woningen is de hiervoor onder 9.13 besproken bestemming "Recreatie - Recreatiewoningen 3" toegekend. Die bestemming is echter niet toegekend aan de woningen van [appellant sub 11] en anderen, zo is hiervoor onder 9.13 ook overwogen. In de brief van het college aan de raad staat dat het voor de tweede woningen in het dorp gaat om een wijziging van de Huisvestingsverordening. 9.16.

Daarentegen is de Afdeling het wel met [appellant sub 11] en anderen eens dat op basis van de brieven die het college in 2009 aan hen heeft verzonden, waaronder de daarin opgenomen vermelding "Voor u betekent dit dat het pand [adres] voor permanente bewoning mag worden gebruikt en dat de status van tweede woning (recreatie) hierdoor niet in het gedrang komt", bij hen de indruk kan zijn ontstaan dat een gebruik van hun woningen voor permanente bewoning ook planologisch geen gevolgen zal hebben voor de mogelijkheid om hun woningen op een later moment weer voor recreatieve bewoning te gebruiken. Hetzelfde geldt voor een in 2009 verzonden e-mail van een medewerker van de gemeente aan een tot de groep [appellant sub 11] en anderen behorende appellant, waarin die medewerker heeft vermeld dat om te stimuleren dat tweede woningen permanent worden bewoond, de

19

clausule dat de recreatieve status bij permanente bewoning zou komen te vervallen, is opgeheven. De raad heeft echter ook in deze uitlatingen van zowel het college als van een medewerker in dienst van de gemeente naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding hoeven zien alsnog een vorm van dubbelgebruik van zowel permanente als recreatieve bewoning planologisch bij recht toe te staan. Naast het feit dat de uitlatingen van het college en een medewerker van de gemeente uit 2009 niet aan de raad kunnen worden toegerekend, geldt namelijk ook dat sinds 2009 tot aan de planvaststelling op 15 februari 2022 geruime tijd is verstreken en in de tussentijd de planologische inzichten verder zijn gewijzigd. De Afdeling gaat daar onder 9.17 nog nader op in. Bovendien blijkt uit de dossierstukken, waaronder de brief van het college aan de raad uit september 2021, dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog Dorp" op 15 februari 2022 nadrukkelijk wel rekening heeft gehouden met de verwarring die mogelijk kan zijn ontstaan door de onder meer in december 2009 verzonden brieven aan [appellant sub 11] en anderen.

Zo heeft de raad ook aan woningen waar het recreatieve gebruik na de inwerkingtreding van het vorige bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 meer dan een jaar onderbroken is geweest of is beëindigd en die daardoor niet meer werden beschermd door het overgangsrecht uit dit plan, toch de aanduiding "overige zone voorwaardelijk recreatief gebruik" toegekend. Dit met het doel om zo enerzijds recht te doen aan de verwarring die mogelijk kan zijn ontstaan door de in 2009 verzonden brieven, op basis waarvan woningen voor permanente bewoning in gebruik genomen kunnen zijn in de veronderstelling dat dit niet tot gevolg zou hebben dat de overgangsrechtelijke bescherming voor het recreatieve gebruik zou vervallen, en anderzijds met het doel ook te kunnen toewerken naar een nieuwe, wenselijk geachte planologische situatie met permanente bewoning. Dit geldt onder meer voor de woning van [appellanten sub 7] aan de [locatie 10], de woning van [appellant sub 9] op de locatie [locatie 9] en de woning van [appellant sub 13] aan de [locatie 11], waar de overgangsrechtelijke bescherming voor het recreatieve gebruik was vervallen, maar via de uitsterfregeling de mogelijkheid is geboden dit recreatieve gebruik voort te zetten.

Met deze uitsterfregeling heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende recht gedaan aan de verwarring die als gevolg van de in 2009 verzonden brieven en de in de Huisvestingsverordening ingezette koerswijziging kan zijn ontstaan. De afweging van de raad 9.17. Gebruik in strijd met een bestemmingsplan of gebruik dat onder de bescherming van het overgangsrecht valt, doet op zichzelf geen gerechtvaardigde verwachtingen ontstaan over een toe te kennen bestemming. Wel is vereist dat de raad bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan afweegt of het alsnog als zodanig bestemmen van dit gebruik in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De afweging of het als zodanig bestemmen van zowel permanente als recreatieve bewoning van de woningen van [appellant sub 11] en anderen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, heeft de raad in dit geval gemaakt, zo blijkt uit de verschillende dossierstukken. Zo staat in onder meer de zienswijzennota dat het gebruiken van een woning als tweede woning of voor andere recreatieve doeleinden een aantal problemen met zich brengt, zoals leegstand in bepaalde perioden van het jaar en te hoge prijzen voor de vrijkomende woningen, waardoor eilandbewoners vaak niet meer als koper in aanmerking komen voor die woningen.

Ook nu staat de leefbaarheid van Schiermonnikoog onder grote druk door een gebrek aan woningen waar permanent mag worden gewoond, zo staat in de zienswijzennota. Dit is volgens de zienswijzennota de afgelopen jaren versterkt door de verder verslechterende omstandigheden op de zeer krappe woningmarkt, het tekort aan (betaalbare) woningen als gevolg daarvan en de beperkte capaciteit om op Schiermonnikoog

20

te bouwen, waardoor het doel om zo veel mogelijk woningen voor permanente bewoning te behouden nog belangrijker is geworden. Woningen die permanent worden bewoond zijn van groot belang voor de leefbaarheid op Schiermonnikoog, waaronder het behoud van het voorzieningenniveau op het eiland. Daarbij geldt dat inwoners en toekomstige inwoners die sociaal, cultureel en economisch gebonden zijn aan het leven op Schiermonnikoog noodzakelijk zijn voor een leefbare toekomst op Schiermonnikoog, zo staat in de zienswijzennota. De Afdeling acht de keuze van de raad om zo veel mogelijk woningen voor permanente bewoning te behouden en niet ook te bestemmen voor recreatieve bewoning, met de hiervoor weergeven toelichting van een deugdelijke motivering voorzien. Gelet op het beperkte aantal woningen op Schiermonnikoog, is een aantal van ongeveer 80 woningen die op de zogenoemde "tweede woningen-lijst" hebben gestaan, verhoudingsgewijs een substantieel aantal en kunnen deze woningen ook daadwerkelijk bijdragen aan het verminderen van het tekort aan permanente woningen op het eiland. Dit mede ook gelet op de beperkte mogelijkheden om op een eiland als Schiermonnikoog nieuwe woningen te realiseren.

[appellant sub 11] en anderen hebben weliswaar twijfels geuit over de vraag of behoefte bestaat aan het type woningen dat zij bezitten en of aan dit type woningen ook daadwerkelijk een tekort bestaat op Schiermonnikoog, maar de Afdeling ziet geen aanleiding van de raad te vereisen dat hiernaar voorafgaand aan de planvaststelling nog nader onderzoek was verricht. Gelet op de algehele tendens op de woningmarkt en het feit dat de uitsterfregeling ook een andere doelstelling heeft, namelijk het toewerken naar het door de raad gewenste toekomstperspectief, waarbij woningen gelet op het behoud van de leefbaarheid op Schiermonnikoog permanent bewoond worden en blijven, heeft de raad naar het type woningen dat [appellant sub 11] en anderen bezitten in het licht van het woningtekort geen specifiek nader onderzoek hoeven te verrichten. 9.18. De omstandigheid dat de raad het gebruik van de zogenoemde tweede woningen voor zowel permanente als recreatieve bewoning niet als zodanig wilde bestemmen, laat echter onverlet dat het op de weg van de raad lag om te onderzoeken welke andere regeling kon worden getroffen. Het wederom opnieuw onder het overgangsrecht brengen van het recreatieve gebruik van de zogenoemde tweede woningen, is namelijk alleen mogelijk als aannemelijk is dat dit gebruik op termijn zal worden beëindigd.

Zoals de raad ook heeft onderkend, ligt dat echter niet in de lijn der verwachting. Om die reden heeft de raad gekozen voor een uitsterfregeling. Die keuze heeft de raad mogen maken. Het is namelijk vaste jurisprudentie van de Afdeling dat bij gebruik dat in het vorige plan al onder het overgangsrecht viel en waarvan niet waarschijnlijk is dat dit gebruik op termijn zal worden beëindigd, kan worden gekozen voor een uitsterfregeling. Met een uitsterfregeling wordt namelijk voorkomen dat in strijd wordt gehandeld met het uitgangspunt dat het in beginsel niet is toegestaan om een bepaald gebruik tweemaal achter elkaar onder het algemene overgangsrecht te brengen. Een uitsterfregeling is immers geen overgangsrecht, maar een bijzondere vorm van positief bestemmen. Door te voorzien in een uitsterfregeling krijgt de gebruiker van de gronden of bouwwerken in feite een 'verlenging' van het - in de opvatting van de raad - ongewenste gebruik en zelfs meer dan dat. Anders dan bij het algemene gebruiksovergangsrecht is beëindiging op korte termijn bij een uitsterfregeling immers niet het streven. Ook heeft een uitsterfregeling een voordeel voor de bewuste gebruiker uit een oogpunt van bewijslast en rechtszekerheid.

Bij gebruiksovergangsrecht moet namelijk de gebruiker aannemelijk maken dat het met het geldende plan strijdige gebruik reeds bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het plan om aanspraak te kunnen maken op de

21

bescherming van het overgangsrecht, terwijl bij een uitsterfregeling in de planregels staat dat het bewuste (ongewenste) gebruik mag worden voortgezet en hoeft het gebruik dus niet aannemelijk te worden gemaakt. 9.19. De Afdeling volgt [appellant sub 11] en anderen niet in hun betoog dat de voor hun woningen getroffen uitsterfregeling juist een averechts effect heeft en daarmee niet uitvoerbaar zou zijn. In onder meer de zienswijzennota is onderkend dat een woningeigenaar in de uitsterfregeling wellicht aanleiding zal zien het recreatieve gebruik niet te staken of zijn woning juist weer voor recreatieve bewoning in gebruik te nemen, om zo de mogelijkheid voor recreatieve bewoning van zijn woning niet te verliezen, maar dit laat onverlet dat de raad wil toewerken naar het gewenste toekomstperspectief waarin woningen permanent bewoond worden en blijven. Dat geldt ook voor woningen waarvan de eigenaar het recreatieve gebruik niet zal staken, vanwege een gevreesde waardedaling, of vanwege kosten om de woningen weer in gebruik te nemen voor permanente bewoning. Juist omdat de verwachting bestaat dat het recreatieve gebruik niet voor alle woningen op korte termijn zal worden beëindigd, is gekozen voor de uitsterfregeling.

Een uitsterfregeling doet volgens de raad recht aan de rechten en belangen van de eigenaren van de zogenoemde tweede woningen, maar biedt ook perspectief om toe te werken naar de gewenste planologische situatie, waarbij het gebruik van woningen als tweede woning of voor andere recreatieve doeleinden zo veel mogelijk wordt beperkt. Die afweging van de raad acht de Afdeling voldoende onderbouwd. 9.20. De Afdeling concludeert dat zij in de hiervoor onder 9 weergegeven betogen geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de in de planregels opgenomen uitsterfregeling in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel, dan wel anderszins in strijd is met bijvoorbeeld de motiveringsplicht uit de Awb. Voor het oordeel dat de raad met de planvaststelling onrechtmatig heeft gehandeld, ziet de Afdeling daarom geen aanleiding. De betogen die hiervoor onder 9 zijn weergegeven, slagen dan ook niet.

Dit met uitzondering van wat hiervoor onder 9.4 is overwogen over het vereiste van "bestaande" recreatieve bewoning in de planregels van het 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan, als ook wat onder 9.10.1 is overwogen over de redactie van artikel 28.5.3 van de planregels van het herstelbesluit over het ter plaatse van de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2" toegestane gebruik. De Afdeling verwijst op die punten terug naar wat in die overwegingen is overwogen. De Afdeling zal in de hierna opgenomen overwegingen nog nader ingaan op de individuele situaties van de onder 9 vermelde appellanten en de vraag of daarin aanleiding moet worden gezien voor een afwijkend oordeel. De individuele situaties van de onder 9 vermelde appellanten [appellant sub 11] en anderen 9.21. Bij het beroepschrift van [appellant sub 11] en anderen is een namenlijst gevoegd van de personen namens wie het beroep is ingediend. In de voorgaande overwegingen is de Afdeling ingegaan op de betogen van [appellant sub 11] en anderen, waarbij de Afdeling deels ook is ingegaan op individuele situaties van de op de namenlijst vermelde personen, zoals de woningen die, anders dan de raad had beoogd, niet vallen onder bestaande recreatieve bewoning als opgenomen in de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan. 9.22.

In het beroepschrift wijzen [appellant sub 11] en anderen zelf ook op specifieke

22

individuele situaties. Onder meer wat betreft het belang om ook voor opvolgende generaties het recht op recreatieve bewoning onbeperkt te behouden, als ook wat betreft de gedane investeringen en gevreesde waardedaling van de woningen. Op deze punten ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Deze omstandigheden zijn door de Afdeling in de hiervoor weergegeven overwegingen meegenomen. 9.23. Ook wijzen [appellant sub 11] en anderen specifiek op tot hun groep behorende appellanten die de woning permanent bewonen. Uit de namenlijst bij het beroepschrift leidt de Afdeling af dat dit gaat om de woning aan de [locatie 6], bewoond door [appellant sub 11B]. Dat is blijkens de namenlijst namelijk de enige woning waar de eigenaar van de woning ten tijde van het instellen van het beroep ook op dat adres was ingeschreven. Betoogd wordt dat de woning permanent is bewoond in de veronderstelling dat het recht op recreatieve bewoning behouden zou blijven en dat gelet op de situatie op de huidige woningmarkt het niet eenvoudig is om die permanente bewoning weer te staken om de mogelijkheid voor recreatieve bewoning niet te verliezen. De Afdeling ziet ook daarin geen aanleiding voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van de uitsterfregeling onevenredig zijn.

De in de uitsterfregeling opgenomen termijn acht de Afdeling toereikend genoeg om een eventuele situatie van permanente bewoning te beëindigen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat aan de woning van [appellant sub 11B] in het herstelbesluit de aanduiding "overige zone voorwaardelijk recreatief gebruik 2" is toegekend. Met deze aanduiding heeft de raad, zoals hiervoor onder 9.10.1 is overwogen, beoogd te regelen dat de keuze tussen permanente en recreatieve bewoning voor het eerst op de eerste dag van de 13e week na het onherroepelijk worden van het herstelbesluit moet worden gemaakt. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 14 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4908, op dit punt heeft getroffen. Het herstelbesluit wordt onherroepelijk als de Afdeling in deze procedure einduitspraak doet. De termijn tot aan de einduitspraak acht de Afdeling toereikend genoeg om eventueel een situatie van permanente bewoning te beëindigen, indien dit door [appellant sub 11B] wenselijk wordt geacht met het oog op het behoud van de mogelijkheid voor recreatieve bewoning. Het betoog slaagt niet. 9.24.

In het beroepschrift van [appellant sub 11] en anderen wordt ook specifiek ingegaan op de woning aan de [locatie 4], maar zoals hiervoor onder 9.2 is overwogen, gaat de Afdeling op deze woning afzonderlijk in bij overweging 10 en verder, omdat aan deze woning uitsluitend de bestemming "Wonen" en niet de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke recreatief gebruik" is toegekend. 9.25. De Afdeling gaat ten aanzien van het beroepschrift van [appellant sub 11] en anderen tot slot in op een nader stuk dat is ingediend namens [appellant sub 11E], die vermeld is op de namenlijst bij het beroepschrift van [appellant sub 11] en anderen. In deze nadere memorie, die de Afdeling kort voor de zitting heeft ontvangen op 11 september 2025, worden meerdere beroepsgronden naar voren gebracht die specifiek betrekking hebben op de (recreatie)woningen van [appellant sub 11E]. Zo wordt in de nadere memorie onder meer betoogd dat de toegekende maatvoeringsaanduiding "aantal wooneenheden: 4" onjuist zou zijn en dat voor vier recreatieappartementen in het verleden een vergunning is verleend voor het recreatieve gebruik, waardoor deze appartementen niet onder de uitsterfregeling gebracht hadden mogen worden. Ook richt [appellant sub 11E] zich in de nadere memorie op de wijze waarop de uitsterfregeling in de planregels is opgenomen.

De Afdeling laat dit nadere stuk van [appellant sub 11E] wegens strijd met de goede procesorde niet toe tot de procedure. De Afdeling bespreekt de beroepsgronden die in het

23

nadere stuk van [appellant sub 11E] zijn opgenomen dus niet inhoudelijk. De redenen daarvoor zijn dat het nadere stuk zeer kort voor de zitting is ingediend en het nadere stuk nieuwe beroepsgronden bevat. Dit heeft tot gevolg dat andere partijen worden belemmerd om daar adequaat op te reageren en ook de Afdeling wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting. Bij het oordeel om het nadere stuk buiten beschouwing te laten, heeft de Afdeling ook van belang geacht dat zij in de uitnodiging voor de zitting, die is verzonden op 4 juli 2025, nadrukkelijk de waarschuwing heeft geplaatst dat de Afdeling nadere stukken, ook al zijn die stukken op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend, toch wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing kan laten. De Afdeling verwijst hierbij ook naar haar uitspraak van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844, overwegingen 5.1 tot en met 5.4, waarin de Afdeling al eerder heeft overwogen dat stukken, hoewel die meer dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend, wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Hierbij merkt de Afdeling ook op dat niet is gebleken waarom [appellant sub 11E] zijn nadere gronden niet eerder bij de Afdeling heeft kunnen indienen. Op de zitting heeft zijn gemachtigde hiervoor desgevraagd ook geen verklaring kunnen geven. [appellant sub 9] 9.26.

[appellant sub 9] staat op de namenlijst bij het beroep van [appellant sub 11] en anderen, maar heeft daarnaast ook zelf beroep ingesteld. Hij is eigenaar van de woning op de locatie [locatie 9]. Deze woning was oorspronkelijk eigendom van de vader van [appellant sub 9] die de woning gebruikte als tweede woning. In 2011 heeft [appellant sub 9] de woning overgenomen uit de nalatenschap, waarna hij de woning na een ingrijpende verbouwing zelf permanent is gaan bewonen. [appellant sub 9] vermeldt dat met name de toezegging uit 2009 dat de woning zowel voor permanente bewoning als voor recreatief verblijf mag worden gebruikt, voor hem de reden heeft gevormd de woning in eigendom te verkrijgen. Daarbij was de aankoopsom volgens hem gebaseerd op die dubbele gebruiksmogelijkheid. Uit het beroepschrift blijkt dat [appellant sub 9] thans in Leeuwarden woont en de woning weer opnieuw gebruikt voor recreatieve bewoning. De woning van [appellant sub 9] is een van de woningen waar de raad ervoor heeft gekozen om ondanks dat het gebruik voor recreatieve bewoning niet meer werd beschermd door de overgangsbepalingen uit het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009, omdat dat recreatieve gebruik als gevolg van permanente bewoning meer dan een jaar onderbroken is geweest, toch de bestemming "Wonen" met de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik" toe te kennen.

Daar is de Afdeling hiervoor onder 9.16 op ingegaan. 9.27. [appellant sub 9] wijst in zijn beroepschrift uitgebreid op de voorgeschiedenis, waaronder de verschillende bestemmingsplannen en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, de verschillende opvolgende Huisvestingsverordeningen en de daarbij behorende beleidsregel over het onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning, als ook op beleidsstukken waaraan hij het vertrouwen heeft ontleend dat permanente en recreatieve bewoning planologisch bij recht zouden zijn toegestaan. De Afdeling heeft deze omstandigheden meegewogen in haar hiervoor weergegeven overwegingen. Dat geldt ook voor de stukken die [appellant sub 9] bij zijn nadere memorie van 25 maart 2025 heeft gevoegd en die hij heeft verkregen in het kader van een procedure op grond van de Wet open overheid. Met het aan de woning van [appellant sub 9] toekennen van de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik", ondanks dat de overgangsrechtelijke bescherming uit het vorige bestemmingsplan voor recreatieve bewoning van zijn woning niet meer gold, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende rekening gehouden met

24

de belangen van [appellant sub 9] en de verwarring die kan zijn ontstaan door de in 2009 in het kader van de Huisvestingsverordening ingezette beleidswijziging en de correspondentie daarover. 9.28. [appellant sub 9] maakt ook een vergelijking met de in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheid om een woning voor ten hoogste 45% te gebruiken voor ondergeschikte recreatie. Die mogelijkheid is volgens [appellant sub 9] overgenomen uit de Huisvestingsverordening, ondanks dat aan vrijwel alle eigenaren van de desbetreffende woningen nooit een omgevingsvergunning is verleend om hun woningen in afwijking van het op dat moment geldende bestemmingsplan te gebruiken voor ondergeschikte recreatie. Het is volgens hem willekeur dat de uitzonderingspositie die in 2009 in de Huisvestingsverordening is opgenomen voor tweede woningen daarentegen niet ook in het bestemmingsplan is overgenomen, terwijl het in beide situaties gaat om gebruik dat niet planologisch was toegestaan. Op dit punt is naar het oordeel van de Afdeling echter geen sprake van een vergelijkbare situatie, reeds omdat bij de verhuur van een ondergeschikt deel van de woning voor recreatie het resterende deel van de woning in gebruik blijft voor permanente bewoning. 9.29. [appellant sub 9] betoogt verder dat de uitsterfregeling in strijd is met het bestemmingsplan waarin deze uitsterfregeling is opgenomen.

Ter onderbouwing stelt [appellant sub 9] dat een woning door de gemeente altijd als recreatief in gebruik wordt beschouwd, tenzij er iemand op dat adres is ingeschreven. De status van "permanent recreatief gebruik, tenzij", zoals opgenomen in de uitsterfregeling, is volgens [appellant sub 9] strijdig met de bestemming "Wonen". Bovendien hoeft het feit dat er niemand is ingeschreven op een adres niet altijd te betekenen dat de woning recreatief in gebruik is, aldus [appellant sub 9]. 9.29.1. Ten aanzien van deze punten overweegt de Afdeling dat de vraag hoe het college controleert of een woning meer dan een jaar niet voor recreatieve bewoning in gebruik is geweest, een kwestie is van handhaving. Het is in een eventuele handhavingsprocedure enerzijds aan het college om te onderbouwen dat een woning langer dan een jaar niet recreatief in gebruik is geweest en daarmee de uitsterfregeling voor die woning zou zijn vervallen en anderzijds aan de eigenaar van die woning om eventueel met tegenbewijs aan te tonen dat dit recreatieve gebruik wel heeft plaatsgevonden. Een dergelijke handhavingskwestie is in deze procedure niet aan de orde. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de uitsterfregeling in strijd is met de bestemming "Wonen".

Aan een uitsterfregeling is inherent dat daarbij een bepaalde vorm van gebruik wordt toegestaan, welk gebruik de raad niet bij recht binnen de toegekende bestemming heeft mogelijk gemaakt en in zoverre in strijd is met die bestemming, maar onder de in de uitsterfregeling genoemde voorwaarden mag worden voortgezet. 9.30. Verder merkt de Afdeling op dat [appellant sub 9] in zijn nadere memorie van 30 juli 2025 weliswaar ook ingaat op de Huisvestingsverordening 2024-2028, maar die Huisvestingsverordening ligt in deze procedure niet ter toets voor. 9.31. Ook overweegt de Afdeling dat [appellant sub 9] in zijn beroepschrift weliswaar stelt dat zijn woning ook altijd bij de gemeentelijke belastingen is aangeslagen als zijnde een tweede woning/zomerwoning, maar daaraan kunnen geen rechten op of rechtens relevante verwachtingen omtrent het planologische regime worden ontleend. 9.32. [appellant sub 9] wijst in zijn nadere memorie van 11 augustus 2025 tot slot op artikel

25

28.5.1, aanhef en onder f, van de planregels bij het herstelbesluit. In deze planregel is bepaald dat tot een gebruik strijdig met de bestemming "Wonen" in elk geval wordt gerekend het naar aard en omvang vergroten van het gebruik van de gronden en bouwwerken voor recreatieve bewoning ter plaatse van de aanduidingen "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik" en "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2". De Afdeling volgt [appellant sub 9] niet in zijn betoog dat de raad deze beperking niet in de planregels had mogen opnemen. Gelet op de uitsterfregeling heeft de raad ervoor mogen kiezen in het bestemmingsplan te regelen dat het recreatieve gebruik dat onder de uitsterfregeling is gebracht naar aard en omvang niet mag worden vergroot. Het gaat immers om gebruik dat de raad gelet op de uitsterfregeling niet verder wil faciliteren en dus om die reden naar aard en omvang niet mag worden vergroot. 9.33. De individuele betogen van [appellant sub 9] slagen niet. [appellanten sub 7] 9.34. [appellanten sub 7] zijn eigenaar van de woning [locatie 10], welke woning zij permanent bewonen.

De woning van [appellanten sub 7] is, net als de woning van [appellant sub 9], een van de woningen waar de raad ervoor heeft gekozen om ondanks dat het gebruik voor recreatieve bewoning niet meer werd beschermd door de overgangsbepalingen uit het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009, toch de bestemming "Wonen" met de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik" toe te kennen. Daar is de Afdeling hiervoor onder 9.16 op ingegaan. In het herstelbesluit is deze aanduiding gewijzigd in de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke recreatief gebruik 2". Ook daar is de Afdeling hiervoor onder 9.7 en verder op ingegaan. De keuze van de raad om het gebruik van de woning van [appellanten sub 7] voor recreatieve bewoning onder een uitsterfregeling te brengen, is in voorgaande overwegingen als zodanig in stand gebleven. De Afdeling ziet in de individuele beroepsgronden van [appellanten sub 7] geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De Afdeling overweegt hierover nog het volgende. 9.35. [appellanten sub 7] wijzen er in hun beroepschrift op dat zij op 23 november 2021, voor de vaststelling van het bestemmingsplan op 15 februari 2022, een omgevingsvergunning hebben aangevraagd om hun woning [locatie 10] te gebruiken voor recreatief verblijf. In hun nadere memorie van 22 juli 2022 hebben zij een besluit op bezwaar overgelegd van 1 juni 2022.

In dat besluit op bezwaar is het besluit van 4 februari 2022, waarbij de aanvraag buiten behandeling was gesteld, herroepen en is alsnog een besluit genomen op de aanvraag. In het nieuwe besluit op de aanvraag, is de aanvraag om de woning [locatie 10] te mogen gebruiken voor recreatief verblijf alsnog afgewezen. De reden voor deze afwijzing is dat volgens het college de aanvraag in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de gemeente de recreatieve functie op Schiermonnikoog niet wil uitbreiden. Woningen recreatief gebruiken in plaats van voor permanente bewoning verhoogt de druk op de al gespannen woningmarkt en verzwakt de basis voor andere functies, zoals gemeenschappelijke voorzieningen, aldus het college. Bij hun nadere memorie van 16 mei 2024 hebben [appellanten sub 7] de uitspraak van de rechtbank overgelegd naar aanleiding van het beroep dat zij tegen het besluit van het college hebben ingesteld. Zij wijzen erop dat de rechtbank hun beroep gegrond heeft verklaard, het besluit van 1 juni 2022 heeft vernietigd en het college heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Als reden voor de vernietiging heeft de rechtbank overwogen dat uit de aanvraag, de aanvulling op de aanvraag en het bezwaar van [appellanten sub 7] blijkt dat zij de intentie hebben om hun woning permanent te blijven bewonen en daar ook hun hoofdverblijf te hebben, maar dat zij slechts als zij langere tijd op

26

reis zijn de woning willen verhuren voor recreatief verblijf, om als zij terugkomen de woning weer zelf te gaan bewonen. Volgens de rechtbank is het college hieraan voorbij gegaan, omdat het college lijkt uit te gaan van onbelemmerd recreatief gebruik, terwijl [appellanten sub 7] de woning als hoofdverblijf willen behouden en alleen recreatief willen verhuren als zij er niet zijn. De rechtbank heeft overwogen dat het college in het besluit had dienen aan te geven of, en zo ja, onder welke condities aan die aanvraag gevolg kan worden gegeven, waarbij de aard van de verhuur en de periode van de verhuur factoren van betekenis kunnen zijn. [appellanten sub 7] maken hetzelfde punt in het kader van het bestemmingsplan en het herstelbesluit. Zij wensen dat de raad daarin de mogelijkheid had geboden om hun woning, indien zij langere tijd van huis zijn, recreatief te mogen verhuren. 9.35.1. De Afdeling stelt voorop dat het nieuwe besluit op bezwaar dat het college naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft genomen op 19 november 2024 in deze procedure niet voorligt. [appellanten sub 7] hebben tegen dit nieuwe besluit op bezwaar opnieuw beroep ingesteld bij de rechtbank. Dat is een afzonderlijke procedure die hier niet aan de orde is.

In deze procedure over het bestemmingsplan beoordeelt de Afdeling uitsluitend of de raad toereikend heeft gemotiveerd dat hij in het bestemmingsplan geen uitzondering heeft opgenomen voor het tijdelijk recreatief gebruiken van woningen die onder de uitsterfregeling zijn gebracht, waarbij de eigenaren van de woning bijvoorbeeld wel op het adres ingeschreven staan, maar de woning tijdelijk recreatief verhuren als zij langere tijd van huis zijn. De Afdeling acht de keuze van de raad om dit niet in algemene zin in het bestemmingsplan toe te staan voldoende onderbouwd. Het in algemene zin toestaan dat woningen die onder de uitsterfregeling worden gebracht toch tijdelijk recreatief mogen worden verhuurd, druist namelijk in tegen wat de raad met de uitsterfregeling heeft beoogd, namelijk ervoor zorgen dat woningen met een woonbestemming ook daadwerkelijk permanent worden bewoond met het oog op het behoud van onder meer het voorzieningenniveau en de leefbaarheid op het eiland. Indien [appellanten sub 7] hun woning wensen te verhuren indien zij voor langere tijd van huis zijn, is het aan hen om binnen de mogelijkheden die onder meer de Huisvestingsverordening biedt hun woning bijvoorbeeld te verhuren voor tijdelijke permanente bewoning. Daar staat het bestemmingsplan niet aan in de weg.

Dit uiteraard met de kanttekening dat permanente bewoning voor een periode langer dan een jaar op grond van de uitsterfregeling de mogelijkheid voor recreatieve bewoning doet verliezen. 9.36. De individuele betogen van [appellanten sub 7] slagen niet. [appellanten sub 5] 9.37. [appellanten sub 5] zijn eigenaar van verschillende woningen op Schiermonnikoog. Het gaat om de woningen [locatie 14], [locatie 15], [locatie 16] en [locatie 17], [locatie 12] en [locatie 18] en [locatie 1]. De woningen [locatie 14], [locatie 15], [locatie 16] en [locatie 17] en de woningen [locatie 12] en [locatie 18] zijn in zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als in het herstelbesluit van 16 juli 2024 bestemd als "Wonen" met de aanduiding "overige zone voorwaardelijk recreatief gebruik". Dit geldt niet voor de woning [locatie 1]. Over die woning hebben [appellanten sub 5] afzonderlijke beroepsgronden naar voren gebracht die de Afdeling onder 11 en verder bespreekt.

27

9.38. [appellanten sub 5] verhuren de woningen [locatie 14], [locatie 15], [locatie 16] en [locatie 17] en de woning [locatie 12] en [locatie 18] als recreatiewoningen onder de naam "[bedrijf]". Dit gold tot voor kort niet voor de woning [locatie 12]. Die woning werd blijkens het beroepschrift sinds oktober 2021 permanent bewoond door de zoon van [appellanten sub 5] en zijn partner. Blijkens het verhandelde op de zitting is die permanente bewoning met het oog op de uitsterfregeling weer gestaakt en is ook die woning inmiddels weer opnieuw in gebruik genomen voor recreatieve bewoning. Wat betreft de woning [locatie 12] hebben [appellanten sub 5] weliswaar een mailwisseling overgelegd met een ambtenaar van de gemeente over de gevolgen van de permanente bewoning van de woning [locatie 12] voor het recht op het recreatief gebruiken van die woning, maar die e-mail geeft geen aanleiding voor het oordeel dat voor de woning [locatie 12] de uitsterfregeling niet had kunnen worden toegekend.

In de e-mail staat weliswaar dat de woning [locatie 12] op de lijst staat van woningen die sinds jaar en dag recreatief worden gebruikt en dat het de bedoeling is om voor deze woningen in het aankomende nieuwe bestemmingsplan een dubbelbestemming op te nemen voor wonen en recreatief gebruik, maar naast het feit dat een dergelijke e-mail van een ambtenaar de raad niet bindt, geldt ook dat in de e-mail uitsluitend een verwachting wordt uitgesproken over de toekenning van een dubbelbestemming voor permanente bewoning en recreatief gebruik. Dat laat onverlet dat de inzichten bij de uiteindelijke planvaststelling anders kunnen zijn op basis van de verder verslechterde omstandigheden op de woningmarkt, zoals hiervoor onder 9.17 is toegelicht. Om die reden heeft de ambtenaar in zijn mail ook een waarschuwing gegeven een en ander in de gaten te houden als het nieuwe bestemmingsplan wordt gepubliceerd. 9.39. Wat betreft hun individuele omstandigheden, wijzen [appellanten sub 5] er verder op dat hun bedrijf zich al tientallen jaren richt op de recreatieve verhuur en dat zij geenszins van plan zijn die recreatieve verhuur te staken. Ook dat is op zichzelf geen reden om te oordelen dat de raad het recreatieve gebruik van de woningen van [appellanten sub 5] niet onder een uitsterfreling heeft mogen brengen.

De Afdeling verwijst terug naar wat in dit verband hiervoor onder 9.19 is overwogen. Dat volgens [appellanten sub 5] de uitsterfregeling ook verhindert dat zij hun woningen zullen verhuren voor permanente bewoning, omdat dit het recht op recreatieve bewoning zal doen verliezen, is ook een omstandigheid die de Afdeling hiervoor onder 9.19 heeft meegewogen. Het kan wellicht zo zijn dat voor enkele woningen, zoals mogelijk enkele woningen van [appellanten sub 5], geldt dat de uitsterfregeling tot gevolg zal hebben dat die woningen juist niet meer voor permanente bewoning in gebruik worden genomen om zo de mogelijkheid voor recreatieve bewoning niet te verliezen, maar dat laat, zoals hiervoor onder 9.19 is overwogen, onverlet dat de raad wil toewerken naar het door hem gewenste toekomstperspectief waarin woningen permanent worden bewoond en ook blijven. Dat toekomstperspectief wordt niet bereikt waanneer het bij recht toegestaan blijft om woningen zowel voor permanente bewoning als ook voor recreatieve bewoning te gebruiken. 9.40.

Tot slot overweegt de Afdeling dat de algemene oproep van [appellanten sub 5] dat het college zich beter kan richten op de handhaving van illegale situaties, zoals situaties waarbij een persoon staat ingeschreven op een adres terwijl de woning in de praktijk niet wordt gebruikt voor permanente bewoning, er niet aan af doet dat de raad voor de uitsterfregeling heeft mogen kiezen. Handhaven tegen andere illegale situaties staat los van deze bestemmingsplanprocedure. 9.41. De individuele betogen van [appellanten sub 5] slagen niet.

28

[appellant sub 2] 9.42. [appellant sub 2] is eigenaar van de woning [locatie 13] in Schiermonnikoog. De woning van [appellant sub 2] is bestemd als "Wonen" met de aanduiding "overige zone voorwaardelijk recreatief gebruik". Dit is niet gewijzigd in het herstelbesluit. [appellant sub 2] heeft zijn woning in 2001 gekocht en gebruikt de woning net als de vorige eigenaar als vakantiewoning. [appellant sub 2] wijst op een specifieke situatie met betrekking tot zijn woning, waar de Afdeling hieronder nader op zal ingaan. 9.43. [appellant sub 2] wijst er allereerst op dat in 1973 een bouwvergunning is verleend om de voormalige zuivelfabriek op de locatie aan de Paaslandweg te verbouwen tot meerdere zomerwoningen. Een van die zomerwoningen is zijn woning aan de [locatie 13]. De verlening van een vergunning voor een zomerwoning betekent dat de woning vanaf het moment van de realisatie bedoeld is geweest voor recreatief gebruik, aldus [appellant sub 2]. Ook in de verleende bouwvergunning uit 1989, voor het vergroten van de woning, wordt gesproken over een zomerwoning, aldus [appellant sub 2]. [appellant sub 2] stelt primair dat de raad verplicht is deze verleende bouwvergunningen over te nemen in het bestemmingsplan.

In dit verband maakt hij ook een vergelijking met andere eerder verleende bouwvergunningen voor de locaties [locatie 19] en het Leer- en Ontwikkelcentrum Schiermonnikoog, waar volgens hem de toegekende bestemming in het bestemmingsplan wel in overeenstemming zou zijn gebracht met een eerder verleende vergunning. 9.43.1. Op dit punt stelt de Afdeling allereerst voorop dat het vaste jurisprudentie is dat aan een door het college verleende bouwvergunning wat betreft het gebruik geen zelfstandige betekenis meer toekomt na de inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439, overweging 3.1). Daarnaast wijst de Afdeling er in dit verband op dat [appellant sub 2] weliswaar meent vertrouwen te kunnen ontlenen aan bouwvergunningen uit 1973 en 1989, maar uit de dossierstukken blijkt dat de woning van [appellant sub 2] voorafgaand aan het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 viel onder het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Nabij de Kom" uit 1974, welk bestemmingsplan is geactualiseerd in 1983 en 1999.

In de actualisaties uit 1983 en 1999, na de eerder genoemde uitspraak van de Kroon, is de woning van [appellant sub 2] opnieuw bestemd voor uitsluitend eengezinshuizen, waarbij in de planregels expliciet was bepaald dat eengezinshuizen uitsluitend mochten worden gebruikt voor permanente bewoning. Al voor de aankoop van de woning door [appellant sub 2] in 2001 was de woning [locatie 13] dus planologisch bestemd voor uitsluitend permanente bewoning. 9.43.2. Ook het beroep dat [appellant sub 2] in dit verband doet op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op. Bij de locaties [locatie 19] en het Leer- en Ontwikkelcentrum Schiermonnikoog, waar volgens [appellant sub 2] de toegekende bestemming wel in overeenstemming zou zijn gebracht met een verleende vergunning, gaat het niet om een inpassing van zowel recreatieve als permanente bewoning van een al bestaande woning, zoals in het geval van [appellant sub 2]. Reeds om die reden kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. 9.43.3. De betogen van [appellant sub 2] over eerder verleende bouwvergunningen slagen niet. 9.44. [appellant sub 2] wijst er ook op dat, zoals hiervoor onder 9.12 is overwogen, in het opvolgende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 aan zijn woning de

29

bestemming "Recreatie - Recreatiewoningen 4" was toegekend en dat dit kennelijk met de vaststelling van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp - Herziening 2010", vastgesteld op 19 april 2011, weer is gewijzigd in de bestemming "Wonen". Volgens [appellant sub 2] was hij hiervan echter niet op de hoogte en hoefde hij hiervan ook niet op de hoogte te zijn. Ter onderbouwing wijst hij erop dat hij in januari 2011 voorafgaand aan de vaststelling van de herziening met de betrokken wethouder heeft gesproken over de bestemming van zijn woning. Besproken is dat aan zijn woning een dubbelbestemming zou worden toegekend op basis waarvan zowel permanente als recreatieve bewoning bij recht zou zijn toegestaan, aldus [appellant sub 2]. Hij wijst erop dat hij vervolgens in mei 2011 een brief van het college heeft ontvangen, waarin het volgende was vermeld: "Door u is van de mogelijkheid gebruik gemaakt om een zienswijze in te dienen tegen het bestemmingsplan Schiermonnikoog - Dorp - Herziening 2010. Uw zienswijze is met name gericht tegen de bestemming van het woonhuis op het perceel [locatie 13]. De gemeente heeft op 19 april 2011 het bestemmingsplan vastgesteld en besloten om de huidige bestemming te handhaven. Deze bestemming houdt in dat de woning zowel permanent als recreatief mag worden gebruikt.

Een exemplaar van het raadsbesluit met de voor u van belang zijn de passages hebben wij hierbij gevoegd. Het raadsbesluit over het bestemmingsplan publiceren wij binnenkort in onze gemeentelijk nieuwsbrief, op onze website www.schiermonnikoog.nl en in de Staatscourant. In deze publicatie staat hoe en wanneer u beroep kunt instellen tegen het raadsbesluit." Ook in deze brief wordt de dubbelbestemming voor zowel permanente bewoning als recreatief gebruik bevestigd, aldus [appellant sub 2]. Hij stelt dat hij ervan mocht uitgaat dat dit ook als zodanig in het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp - Herziening 2010" op de juiste wijze was verwerkt. Om die reden had hij geen reden om tegen dat bestemmingsplan beroep in te stellen, aldus [appellant sub 2]. Hij stelt daarna geen nieuwe brieven meer te hebben ontvangen dat de situatie anders zou zijn dan zoals was vermeld in de hiervoor geciteerde brief uit mei 2011. 9.44.1. De Afdeling begrijpt dat de brief uit mei 2011 voor meerdere uitleg vatbaar is en daarmee voor verwarring heeft gezorgd. Aan de brief uit 2011 kan [appellant sub 2] echter geen recht ontlenen op de toekenning van een bestemming die zowel permanente als recreatieve bewoning van zijn woning bij recht toestaat. Dit licht de Afdeling hieronder toe. Allereerst wijst de Afdeling erop dat de brief uit mei 2011 is verzonden door het college en niet door de raad.

Zoals hiervoor onder 9.15 is overwogen, is de raad niet gebonden aan uitlatingen van het college. Daarnaast is sinds de brief uit 2011 geruime tijd verstreken en zijn sindsdien de woonomstandigheden op Schiermonnikoog verder in nadelige zin gewijzigd. Daar is de Afdeling hiervoor onder 9.17 nader op ingegaan. Bovendien wijst de Afdeling erop dat in de brief van het college staat dat is besloten om de huidige bestemming te handhaven. Mede gelet op de daarvoor in de brief opgenomen alinea, waarin wordt gewezen op de zienswijze van [appellant sub 2] die was gericht tegen de bestemming van het woonhuis voor zijn perceel, is daarmee mogelijk bedoeld uit te drukken dat die bestemming, waartegen [appellant sub 2] zich kennelijk had gericht, in het vastgestelde plan toch is gehandhaafd. Met de daarna opgenomen vermelding dat die bestemming inhoudt dat de woning zowel permanent als recreatief mag worden gebruikt,

30

heeft het college mogelijk beoogd te wijzen op de overgangsrechtelijke bescherming uit het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp - Herziening 2010" uit 2011. Omdat het recreatieve gebruik in het daarvoor geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 als zodanig was bestemd, was dit gebruik namelijk nog steeds toegestaan onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp - Herziening 2010". De Afdeling begrijpt dat [appellant sub 2] de brief van het college uit 2011 op dit punt anders heeft geïnterpreteerd en dat de brief ook voor andere uitleg vatbaar is, maar dat laat onverlet dat, mede gezien het feit dat in de brief ook wordt verwezen naar de relevante raadsstukken, het op de weg van [appellant sub 2] lag de relevante raadstukken te raadplegen. Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat in de brief staat dat een exemplaar van het raadsbesluit met de relevante passage is bijgevoegd. Daarbij tekent de Afdeling bovendien nogmaals aan dat, zoals hiervoor al is overwogen, de brief van het college ook onverlet laat dat het uiteindelijk de raad is die beslist welke bestemming aan de woning van [appellant sub 2] wordt toegekend. 9.44.2.

Bovendien tekent de Afdeling in dit verband nog aan dat de partiële herziening die de raad in 2011 heeft vastgesteld juist aantoont dat de raad, ondanks de in 2009 ingezette koerswijziging in de Huisvestigingsverordening, waarover ook [appellant sub 2] in december 2009 een brief heeft ontvangen, nog steeds de door hem gewenste planologische situatie continueerde, namelijk dat zo veel mogelijk woningen op Schiermonnikoog voor permanente bewoning worden bestemd. 9.45. [appellant sub 2] heeft tot slot betoogd dat zijn zienswijze in de zienswijzennota op een onjuiste wijze zou zijn weerlegd. In de samenvatting van de zienswijze staat dat hij bezwaar maakt tegen de uitsterfregeling, terwijl hij in zijn zienswijze niets heeft geschreven over een uitsterfregeling, aldus [appellant sub 2]. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat het bestemmingsplan in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld. In een zienswijzennota mag een vertaling worden gemaakt van wat in de zienswijze is vermeld. De zienswijze van [appellant sub 2] is in de zienswijzennota zo vertaald dat hij zich niet kan verenigen met de uitsterfregeling voor recreatief gebruik.

Dat is ook waar zijn zienswijze in feite op neerkomt, omdat hij in plaats van een uitsterfregeling, zoals die in het bestemmingsplan is opgenomen, wenst dat het gebruik als recreatiewoning, naast het gebruik voor permanente bewoning, positief wordt bestemd. Van een onzorgvuldige weergave van de zienswijze is dan ook geen sprake. 9.46. De individuele betogen van [appellant sub 2] slagen niet. [appellant sub 13] 9.47. [appellant sub 13] is eigenaar van de woning [locatie 11]. Deze woning is net als de woning van [appellant sub 2] onderdeel van de voormalige zuivelfabriek die is omgebouwd tot zogenoemde zomerwoningen. Aan de woning van [appellant sub 13] is met het herstelbesluit naast de aanduiding "overige zone voorwaardelijke recreatief gebruik 2" ook de aanduiding "specifieke vorm van wonen ondergeschikte recreatie 1" toegekend. De reden is dat de woning bestaat uit twee delen. Een deel wordt permanent bewoond door [appellant sub 13B] en een deel wordt gebruikt voor recreatief verblijf. Dit recreatieve verblijfsdeel heeft de raad beoogd als zodanig te bestemmen met het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van wonen ondergeschikte recreatie 1". Op grond van die aanduiding is ondergeschikte recreatieve bewoning tot 25% van het brutovloeroppervlak van de woning bij recht toegestaan. Dit volgt uit artikel 28.1, aanhef en onder d, van de planregels van het herstelbesluit.

Daartegen is het

31

beroep van [appellant sub 13] niet specifiek gericht. Het beroep van [appellant sub 13] ziet op zijn wens dat aan de gehele woning een bestemming wordt toegekend die zowel recreatieve bewoning als permanente bewoning bij recht toestaat. De onderbouwing die [appellant sub 13] hiervoor geeft, komt grotendeels overeen met wat hiervoor ten aanzien van [appellant sub 2] is besproken. [appellant sub 13] wijst er net als [appellant sub 2] in de kern op dat de woning [locatie 11] is gebouwd als zomerwoning en volgens hem dus nooit tot de woningvoorraad behoorde. Hij kan zich daarom niet verenigen met het standpunt van de raad dat aan zijn woning een woonbestemming moet worden toegekend met als doel te waarborgen dat zijn woning onderdeel blijft van de woningvoorraad. De Afdeling verwijst op dit punt terug naar wat onder meer hiervoor onder 9.43.1 is overwogen bij het beroep van [appellant sub 2]. De woningen aan de [locatie 13] en [locatie 11] waren ook in het voor het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 geldende bestemmingsplan al bestemd voor eengezinshuizen die uitsluitend mochten worden gebruikt voor permanente bewoning. Bovendien wordt de woning van [appellant sub 13] gedeeltelijk ook al sinds langere tijd voor permanente bewoning gebruikt.

De Afdeling ziet daarom, net als bij de woning van [appellant sub 2], geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet een woonbestemming heeft kunnen toekennen. Daarbij wijst de Afdeling er bovendien op dat de raad, ondanks dat de woning van [appellant sub 13] al sinds lange tijd gedeeltelijk permanent wordt bewoond, toch aan de volledige woning de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2" heeft toegekend om [appellant sub 13] alsnog de keuze te bieden de woning volledig recreatief in gebruik te nemen, ondanks dat de overgangsrechtelijke bescherming hiervoor al was vervallen. Hierbij overweegt de Afdeling nog dat de omstandigheid dat [appellant sub 13B] op leeftijd is, zoals door haar als bijzondere omstandigheid naar voren is gebracht, voor de raad geen reden hoefde te vormen een langere keuzetermijn in het kader van de uitsterfregeling te bieden. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de raad met de aan de woning van [appellant sub 13] toegekende aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2", zoals hiervoor onder 9.10.1 is overwogen, heeft beoogd te regelen dat de keuze tussen permanente en recreatieve bewoning voor het eerst op de eerste dag van de 13e week na het onherroepelijk worden van het herstelbesluit moet worden gemaakt.

De Afdeling verwijst in dit verband ook naar de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 14 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4908, op dit punt heeft getroffen. Het herstelbesluit wordt onherroepelijk als de Afdeling in deze procedure einduitspraak doet. De termijn tot aan de einduitspraak acht de Afdeling ook voor [appellant sub 13B]toereikend genoeg om eventueel een situatie van permanente bewoning te beëindigen. Daarbij wijst de Afdeling er bovendien op dat [appellant sub 13B] niet gehouden is de permanente bewoning te beëindigen. Permanente bewoning is als zodanig binnen de bestemming "Wonen" bij recht toegestaan. Een beëindiging van permanente bewoning is alleen aan de orde indien [appellant sub 13] op basis van de uitsterfregeling de mogelijkheid voor recreatieve bewoning van de gehele bewoning zou willen behouden. Het behoud van dat recht zou dan in het bijzonder bedoeld zijn voor de eventuele rechtsopvolgers van [appellant sub 13B]. Het is aan de familie [appellant sub 13] om op dit punt de afweging te maken of zij met het oog op het behoud van de mogelijkheid voor recreatieve bewoning van de gehele woning de permanente bewoning door [appellant sub 13B] beëindigen of niet. 9.48. De individuele betogen van [appellant sub 13] slagen niet. [appellant sub 10] 9.49.

[appellant sub 10] is eigenaar van de woning [locatie 20] in Schiermonnikoog. De

32

woning van [appellant sub 10] is bestemd als "Wonen" met de aanduiding "overige zone voorwaardelijk recreatief gebruik". Dit is niet gewijzigd in het herstelbesluit. [appellant sub 10] woont zelf in Amsterdam en gebruikt zijn woning op Schiermonnikoog als recreatiewoning. 9.50. [appellant sub 10] wijst er net als [appellant sub 2] en [appellant sub 13] op dat zijn woning nooit onderdeel is geweest van de woningvoorraad, omdat de woning altijd bedoeld is geweest als recreatiewoning. [appellant sub 10] stelt ter onderbouwing dat zijn woning oorspronkelijk als schuur was gebouwd, in 1973 is omgebouwd tot recreatief woonverblijf en sindsdien als zodanig in gebruik is. [appellant sub 10] stelt het recreatieve gebruik niet te willen staken. Volgens [appellant sub 10] is zijn woning bovendien ook niet geschikt voor permanente bewoning, omdat de woning niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 en ook niet voor dat doel is gebouwd. Het bestemmingsplan is dan ook onuitvoerbaar door aan zijn woning een woonbestemming toe te kennen die is bedoeld voor permanente bewoning, aldus [appellant sub 10]. De uitsterfregeling vormt volgens [appellant sub 10] bovendien een ongeoorloofde voortzetting van het overgangsrecht. 9.50.1.

Niet in geschil is dat in het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 en ook in het daarvoor geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Kom" uit 1979 en de actualisatie daarvan in 1993 aan de woning van [appellant sub 10] een woonbestemming was toegekend, waarbij in het bestemmingsplan uit 2009 recreatief verblijf expliciet als strijdig gebruik was aangemerkt. Recreatief gebruik van de woning vindt dus al sinds lange tijd onder de bescherming van het overgangsrecht plaats. Dat is als zodanig niet in geschil. De Afdeling is van oordeel dat de raad gelet op de in het vorige bestemmingsplan toegekende woonbestemming, opnieuw aan de woning van [appellant sub 10] een woonbestemming heeft mogen toekennen. Het recreatieve gebruik van [appellant sub 10] blijft op grond van de uitsterfregeling toegestaan. Daaraan is geen eindtermijn gebonden, mits [appellant sub 10] dat recreatieve gebruik blijft voortzetten en niet voor een periode van meer dan 12 aaneengesloten maanden staakt. De uitsterfregeling is ook geen ongeoorloofde voortzetting van het overgangsrecht. De Afdeling verwijst op dit punt terug naar wat zij hiervoor onder 9.18 over de uitsterfregeling heeft toegelicht. Bij een uitsterfregeling is, anders dan [appellant sub 10] betoogt, niet vereist dat dit gebruik op termijn wordt beëindigd.

Dat [appellant sub 10] stelt zijn recreatieve gebruik niet te willen beëindigen, maakt het oordeel van de Afdeling daarom niet anders. 9.50.2. Dat de woning van [appellant sub 10] ongeschikt zou zijn voor permanente bewoning betekent ook niet dat de raad geen woonbestemming had mogen toekennen. [appellant sub 10] stelt zelf het recreatieve gebruik te willen voortzetten. Dit is op basis van de uitsterfregeling toegestaan. Indien [appellant sub 10] op enig moment dit recreatieve gebruik toch zou willen staken en de woning in gebruik zou willen nemen voor permanente bewoning en de woning daarvoor niet geschikt zou zijn, is het aan [appellant sub 10] om een omgevingsvergunning aan te vragen voor de herbouw dan wel verbouw van een nieuwe woning die wel geschikt is voor permanente bewoning. Het bestemmingsplan staat daar niet aan in de weg. 9.50.3. De individuele betogen van [appellant sub 10] slagen niet. 9.51. De Afdeling overweegt tot slot dat [appellant sub 10] op 8 september 2025, kort voor de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van tien dagen voor de zitting voor het indienen van nadere stukken, een nader stuk bij de Afdeling heeft ingediend. Dit nadere stuk heeft inclusief bijlagen een omvang van 69 pagina’s. In het nadere stuk brengt [appellant sub 10] nieuwe beroepsgronden naar voren die verband houden met de door hem

33

aangevraagde omgevingsvergunning voor de herbouw van zijn recreatiewoning. In het nadere stuk is de vraag aan de orde of zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als het herstelbesluit van 16 juli 2024 in de weg staan aan de herbouw van een grotere recreatiewoning. Het gaat dan om de vraag of het vereiste van "bestaande" recreatieve bewoning in het bestemmingsplan van 15 februari 20022 als ook de planregel in het herstelbesluit van 16 juli 2022, inhoudende dat het naar aard en omvang vergroten van het gebruik van de gronden en bouwwerken voor recreatieve bewoning ter plaatse van de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik" is aangemerkt als strijdig gebruik, verhinderen dat de recreatiewoning wordt vergroot. [appellant sub 10] doet in dit kader ook een beroep op de zienswijzennota, waaruit zou volgen dat was beoogd het bouwplan voor zijn grotere recreatiewoning in het bestemmingsplan in te passen. De Afdeling laat dit nadere stuk van [appellant sub 10] wegens strijd met de goede procesorde niet toe tot de procedure. De Afdeling bespreekt de beroepsgronden die in het nadere stuk van [appellant sub 10] zijn opgenomen dus niet inhoudelijk.

De redenen daarvoor zijn dat het nadere stuk kort voor de zitting is ingediend en het nadere stuk nieuwe beroepsgronden bevat die in samenhang bezien met de bij het nadere stuk gevoegde bijlagen relatief omvangrijk en complex zijn. Dit heeft tot gevolg dat, mede gelet op het tijdstip waarop het nadere stuk is ingediend, andere partijen worden belemmerd om daar adequaat op te reageren en ook de Afdeling wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting. De Afdeling verwijst in dit verband terug naar wat hiervoor onder 9.25 over de goede procesorde en het indienen van nadere stukken is overwogen. In de redenen die [appellant sub 10] op de zitting naar voren heeft gebracht waarom het nadere stuk pas op 8 september 2025 bij de Afdeling is ingediend, ziet de Afdeling ook geen aanleiding het nadere stuk alsnog toe te laten tot de procedure. [appellant sub 10] wist naar aanleiding van de procedure over de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe recreatiewoning dat discussie bestond over de vraag of de planregels in de in deze procedure aan de orde zijnde bestemmingsplannen in de weg staan aan zijn bouwplan. Het laatste besluit op bezwaar hierover dateert van 17 juni 2025. Gelet hierop had [appellant sub 10] zijn nadere memorie ook eerder bij de Afdeling kunnen indienen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=993386fc-69fb-4490-abbb-2252128fa315