CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 1 - Uitspraak Raad van State

Raadsvergadering 17 februari 2026, gemeente SchiermonnikoogBij agendapunt: Herstel bestemmingsplan Schiermonnikoog - dorp34.062 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Eindconclusie over de bestemming "Wonen" met de aanduiding "overige zone voorwaardelijk recreatief gebruik (2)" 9.52. Gelet op wat hiervoor onder 9.1 tot en met 9.51 is overwogen, concludeert de Afdeling dat de raad zijn keuze om voor de woningen van de onder 9 vermelde appellanten het recreatieve gebruik uitsluitend bij uitsterfregeling toe te staan en niet als zodanig te bestemmen, van een deugdelijke motivering heeft voorzien. De individuele omstandigheden die de onder 9 vermelde appellanten in dit verband naar voren hebben gebracht leiden niet tot een ander oordeel. Het enige resterende gebrek dat de raad in dit verband nog dient te herstellen, heeft betrekking op de redactie van artikel 28.5.3 van de planregels van het herstelbesluit. In dit artikel is de uitsterfregeling geformuleerd die geldt voor woningen waaraan de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2" is toegekend. Die uitsterfregeling bevat twee verschillende peilmomenten die kunnen leiden tot rechtsonzekerheid. Op dit punt verwijst de Afdeling terug naar wat hiervoor onder 9.10.1 is overwogen. DE ZOGENOEMDE "TWEEDE WONINGEN" MET ALLEEN DE BESTEMMING "WONEN", ZONDER DE AANDUIDING "OVERIGE ZONE - VOORWAARDELIJKE RECREATIEF GEBRUIK (2)"

34

10. Zoals hiervoor onder 9.2 is overwogen, hebben bovenstaande overwegingen geen betrekking op de zogenoemde "tweede woningen" waaraan alleen de bestemming "Wonen" is toegekend, zonder de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik (2)". Op die woningen gaat de Afdeling hieronder nader in. Het gaat om de volgende appellanten: - [appellant sub 11] en anderen, alleen wat betreft de woning [locatie 4], eigendom van [appellant sub 11 F]; - [appellant sub 12], eigenaar van de woning [locatie 21]; - [appellanten sub 1], eigenaar van de woning [locatie 22]. 10.1. Aan de woningen [locatie 4], [locatie 21] en [locatie 22] is in zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als in het herstelbesluit van 16 juli 2024 de bestemming "Wonen" toegekend, zonder een aanduiding betrekking hebbend op recreatief verblijf. Dit betekent dat deze woningen uitsluitend zijn bestemd voor wonen en dat recreatieve bewoning ter plaatse niet is toegestaan. 10.2.

Uit de verschillende dossierstukken blijkt dat de raad aan woningen die waren vermeld op de zogenoemde "tweede woningen-lijst" de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik (2)" heeft toegekend, indien: a) het recreatieve gebruik van die woningen nog werd beschermd door het overgangsrecht uit het vorige bestemmingsplan, bijvoorbeeld omdat dit recreatieve gebruik nooit langer dan een jaar is onderbroken, of b) de overgangsrechtelijke bescherming uit het vorige plan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 na de inwerkingtreding van dat plan is vervallen, bijvoorbeeld omdat het recreatieve gebruik nadien meer dan een jaar is onderbroken, of omdat het recreatieve gebruik nadien is beëindigd als gevolg van permanente bewoning. De reden dat de raad aan deze woningen, ondanks dat de overgangsrechtelijke bescherming niet meer van toepassing is, toch de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik (2)" heeft toegekend, is om recht te doen aan de verwarring die mogelijk is ontstaan als gevolg van de in 2009 verzonden brieven over de koerswijziging in het kader van de Huisvestingsverordening.

Als gevolg daarvan hebben de ontvangers van deze brief mogelijk hun recreatieve gebruik tijdelijk gestaakt dan wel volledig gestaakt ten behoeve van permanente bewoning in de veronderstelling dat dit niet tot gevolg zou hebben dat de overgangsrechtelijke bescherming voor het recreatieve gebruik zou vervallen, zo heeft de raad overwogen. De Afdeling verwijst naar voorgaande overweging 9.16, waar zij daar ook op is ingegaan. 10.3. De raad heeft het recreatieve gebruik niet toegestaan, dus ook niet bij uitsterfregeling, ten aanzien van woningen die weliswaar waren vermeld op de zogenoemde "tweede woningen-lijst", maar waar al ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 personen stonden ingeschreven en waar dus al in 2009 permanent werd gewoond en het recreatieve gebruik was geëindigd. Voor deze woningen geldt volgens de raad namelijk dat de overgangsrechtelijke bescherming voor het recreatieve gebruik toen al was vervallen en de in 2009 verzonden brieven over de koerswijziging in het kader van de Huisvestigingsverordening en de mogelijke verwarring die toen is ontstaan, daarmee niet van invloed zijn geweest op de keuze om de woning weer permanent te gaan bewonen.

Mogelijk zijn deze woningen nadien alsnog weer voor recreatieve bewoning in gebruik genomen zonder dat daartegen handhavend is opgetreden, maar dat laat onverlet dat dit recreatieve gebruik alsnog dient te worden beëindigd, zo stelt de raad. Dit geldt volgens de raad voor de woningen van T. [appellant sub 11F], [appellant sub 12] en [appellanten sub

35

1]. De Afdeling zal hieronder nader ingaan op wat zij over hun situatie hebben aangevoerd. [appellant sub 11F] (beroep van [appellant sub 11] en anderen) 10.4. [appellant sub 11F] bevestigt in het beroepschrift dat de woning [locatie 4] ten tijde van de inwerkingtreding van het vorige bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 permanent werd bewoond. Dit was volgens [appellant sub 11F] tijdelijk in afwachting van de verhuizing naar een andere woning. Inmiddels wordt de woning weer gebruikt voor recreatieve bewoning, aldus [appellant sub 11F]. [appellant sub 11F] wijst erop dat hij voorafgaand aan die permanente bewoning bij de gemeente heeft geïnformeerd wat de gevolgen zijn indien de woning [locatie 4] permanent wordt bewoond. Bij brief van 31 januari 2008 heeft het college het volgende medegedeeld: "Hierbij delen wij u mede dat wij er geen bezwaar tegen hebben dat de woning [locatie 4] permanent wordt bewoond. De status van deze woning (recreatief gebruik) verandert hierdoor niet. Wij binden deze toestemming niet meer aan een termijn; u mag de woning permanent laten bewonen zo lang als u wilt." Op basis van deze toezegging is de woning tijdelijk permanent bewoond, aldus [appellant sub 11F].

Gelet hierop is het volgens [appellant sub 11F] onevenredig om aan hem tegen te werpen dat ten tijde van de inwerkingtreding van het vorige bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 de woning permanent werd bewoond, daarmee de recreatieve bewoning niet werd beschermd door het overgangsrecht uit dat plan en dat om die reden het recreatieve gebruik niet meer mag worden voortgezet. De woning is inmiddels ook alweer langere tijd in gebruik als recreatiewoning, aldus [appellant sub 11F]. Hij wenst dat aan zijn woning een bestemming wordt toegekend die zowel permanente als recreatieve bewoning onbeperkt toestaat. 10.4.1. De Afdeling stelt voorop dat net als voor de andere woningen van de onder 9 vermelde appellanten, het betoog van [appellant sub 11F] dat hij een bestemming toegekend wenst te krijgen die zowel permanente als recreatieve bewoning onbeperkt bij recht toestaat, niet slaagt. Op dit punt is er ten aanzien van de woning van [appellant sub 11F] geen verschil met wat hiervoor onder 9.2 tot en met 9.20 is overwogen ten aanzien van de woningen van de onder 9 vermelde appellanten. 10.4.2. Daarentegen is naar het oordeel van de Afdeling door de raad echter onvoldoende onderbouwd waarom voor de woning van [appellant sub 11F] niet ook bij uitsterfregeling is toegestaan om de recreatieve bewoning voort te zetten.

De raad heeft zich daarbij ten onrechte geen rekenschap gegeven van de omstandigheid dat al voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 bij brief aan [appellant sub 11F] is medegedeeld dat zijn woning permanent kan worden bewoond zonder verlies van het recht op recreatieve bewoning. Juist die brief heeft voor [appellant sub 11F] aanleiding gevormd de woning permanent te gaan/te blijven bewonen, zo stelt [appellant sub 11F]. De raad heeft in dergelijke vergelijkbare mededelingen uit december 2009 aanleiding gezien om aan woningen, ondanks dat de recreatieve bewoning niet meer overgangsrechtelijk werd beschermd, toch via een uitsterfregeling mogelijk te maken dat de recreatieve bewoning mag worden voortgezet. De Afdeling acht onvoldoende onderbouwd waarom deze uitzondering niet ook is gemaakt voor [appellant sub 11F], gezien de vergelijkbare mededeling die aan hem is gedaan voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009.

36

Het betoog van [appellant sub 11F] slaagt op dit punt. [appellant sub 12] 10.5. De woning van [appellant sub 12] gelegen aan de [locatie 21] is al sinds 1969 eigendom van de familie [appellant sub 12]. Oorspronkelijk was de woning eigendom van de ouders van [appellant sub 12]. Na het overlijden van de ouders is [appellant sub 12] in 2022 eigenaar geworden van de woning. De woning werd in de periode van 1969 tot 2002 gebruikt als recreatiewoning. Vanaf 2002 tot 2018 is de woning permanent bewoond door de moeder van [appellant sub 12], waarbij de kinderen van moeder [appellant sub 12] tijdens vakanties recreatief bij haar verbleven. Vanaf 2018 is de woning weer alleen in gebruik genomen als recreatiewoning. 10.6. Volgens de raad is er geen reden om voor de woning van [appellant sub 12] het recreatieve gebruik bij uitsterfregeling toe te staan, omdat de woning in de periode van 2002 tot 2018 permanent is bewoond en daarmee al langere tijd de overgangsrechtelijke bescherming voor het recreatieve gebruik is vervallen. [appellant sub 12] kan zich daarmee niet verenigen. Ter onderbouwing voert zij verschillende argumenten aan. Deels komen deze argumenten overeen met wat hiervoor onder 9 tot en met 9.20 al is besproken. Daar gaat de Afdeling niet opnieuw op in.

De Afdeling beperkt zich hieronder tot de betogen van [appellant sub 12] die specifiek op haar individuele situatie betrekking hebben. [appellant sub 12] betoogt dat er voor haar en haar moeder geen aanleiding bestond de permanente bewoning van de woning voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 te staken om zo op basis van het overgangsrecht het recht op recreatieve bewoning te kunnen behouden. Ter onderbouwing noemt [appellant sub 12] verschillende omstandigheden. Allereerst stelt [appellant sub 12] dat in de stukken voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009, zoals in de zienswijzennota en de inspraaknota over het (voor)ontwerp voor dit bestemmingsplan, al was vermeld dat permanente bewoning van woningen op de "tweede woningen-lijst", waarop ook haar woning was vermeld, mogelijk zou worden gemaakt zonder verlies van het recht op recreatieve bewoning. Op basis hiervan hebben zij en haar moeder erop vertrouwd dat de permanente bewoning van de woning geen gevolgen zou hebben voor het recht op recreatieve bewoning, aldus [appellant sub 12]. Daarnaast wijst [appellant sub 12] op de al in 2008 verzonden brief aan [appellant sub 11F], die hiervoor onder 10.4 is geciteerd.

Ook deze brief toont aan dat al ruim voor 2009 door de gemeente het standpunt werd ingenomen dat permanente bewoning van woningen op de "tweede woningen-lijst" niet het recht op recreatieve bewoning zou doen verliezen, aldus [appellant sub 12]. Hoewel deze brief niet aan haar moeder was gericht, was de inhoud van deze brief, gelet op de kleine gemeenschap op Schiermonnikoog, wel bij haar moeder bekend. Verder heeft [appellant sub 12] op de zitting onder verwijzing naar de Huisvestingsverordening 1994 ook nog gesteld dat in die verordening voor het college een verplichting was opgenomen om op het moment dat een woning die was vermeld op de "tweede woningen-lijst" permanent werd bewoond, de eigenaar van die woning schriftelijk te informeren over de gevolgen daarvan. De brief heeft haar moeder in 2002, toen de woning permanent werd bewoond, echter nooit ontvangen, aldus [appellant sub 12]. Al deze omstandigheden maken volgens [appellant sub 12] dat zij en haar moeder geen aanleiding zagen om de permanente bewoning van de woning voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 te staken. Daarnaast betoogt [appellant sub 12] dat indien, zoals de raad stelt, de recreatieve bewoning van haar woning al niet meer werd beschermd door het overgangsrecht van het

37

bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp", vastgesteld in maart 2009, het onbegrijpelijk is waarom zij in december 2009 dezelfde brief heeft ontvangen als de onder 9 vermelde appellanten. In dit verband stelt [appellant sub 12] dat ook in opvolgende Huisvestingsverordeningen na 2009 haar woning aan de [locatie 21] altijd op de "tweede woningen-lijst" is blijven staan. Zij is van mening dat de raad gelet op het gelijkheidsbeginsel aan alle woningen die op de "tweede woningen-lijst" staan minimaal de uitsterfregeling dient toe te kennen. Er is ook nooit eerder tegen het recreatieve gebruik van haar woning opgetreden, aldus [appellant sub 12]. [appellant sub 12] concludeert gelet op voormelde omstandigheden dat het niet toestaan van het gebruiken van haar woning als recreatiewoning in strijd is met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel als ook het gelijkheidsbeginsel. Primair wenst zij dat permanente en recreatieve bewoning bij recht worden toegestaan, dan wel subsidiair dat recreatieve bewoning via een uitsterfregeling wordt toegestaan. Indien dat niet mogelijk is, had volgens haar de recreatieve bewoning in ieder geval via persoonsgebonden overgangsrecht moeten worden toegestaan.

In dit verband betoogt zij ook dat de raad geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden dat zij, sinds zij de woning in 2018 in eigendom heeft verkregen uit de nalatenschap, aanzienlijk heeft geïnvesteerd in het verbouwen van de woning, ervan uitgaande dat de woning recreatief mocht worden gebruikt en dat haar woning ook voor de gemeentelijke belastingen wordt aangeslagen als recreatiewoning. 10.6.1. De Afdeling stelt voorop dat de keuze van de raad om niet voor alle woningen die stonden op de zogenoemde "tweede woningen-lijst" bij de Huisvestingsverordening het recreatieve gebruik via een uitsterfregeling toe te staan, niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De raad heeft de uitsterfregeling niet toegekend aan woningen waar de overgangsrechtelijke bescherming voor het recreatieve gebruik al vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 was vervallen. Volgens de raad heeft de in 2009 in het kader van de Huisvestingsverordening ingezette koerswijziging en de brieven die hierover in december 2009 zijn verzonden, bij de eigenaren van deze woningen niet tot verwarring geleid, omdat de woning al voor die tijd permanent werd bewoond waarbij het recht op recreatieve bewoning via het overgangsrecht al daarvoor was vervallen. De raad heeft die keuze naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderbouwd en ook mogen maken.

De Afdeling ziet, anders dan hiervoor onder 10.4.2 is overwogen bij [appellant sub 11F], geen aanleiding voor het oordeel dat de raad nader had moeten bezien of voor [appellant sub 12] toch een uitzondering had moeten worden gemaakt op deze beleidskeuze. Dat licht de Afdeling hieronder nader toe. 10.6.2. Allereerst overweegt de Afdeling dat zij [appellant sub 12] niet volgt in haar betoog dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er geen aanleiding bestond de permanente bewoning van haar woning voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 te staken. [appellant sub 12] verwijst in dit verband weliswaar naar stukken voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009, zoals de inspraaknota en de zienswijzennota over het (voor)ontwerp voor dit bestemmingsplan, maar zoals hiervoor onder 9.13 is overwogen, staat in deze stukken hoofdzakelijk dat erover wordt nagedacht om een regeling in te voeren in de Huisvestingsverordening, waarbij de status als tweede woning wordt behouden in geval van permanente bewoning.

Het enkele feit dat erover wordt nagedacht, waarbij bovendien alleen wordt gewezen op een aanpassing van de Huisvestingsverordening, betekent niet dat [appellant sub 12] er al voor de planvaststelling in 2009 gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het permanent blijven bewonen van de woning ook planologisch gezien geen nadelige gevolgen zou hebben. Daarbij vermeldt de Afdeling ook dat ten tijde van de

38

inspraaknota en zienswijzennota nog geen sprake was van een planvaststelling door de raad en [appellant sub 12] er op dat moment op bedacht had moeten zijn dat een andere planregeling zou kunnen worden vastgesteld. Bovendien merkt de Afdeling hierbij nog ten overvloede op dat vermoedelijk ook in het (voor)ontwerp voor het bestemmingsplan uit 2009 een woonbestemming was opgenomen voor de woning van [appellant sub 12] met een overgangsbepaling die alleen zag op strijdig gebruik dat plaatsvond ten tijde van de inwerkingtreding van het plan. Ook toen had [appellant sub 12] er dus op bedacht kunnen zijn dat het recht op recreatieve bewoning verloren zou kunnen gaan als dat niet meer plaatsvond op het moment van de inwerkingtreding van het plan uit 2009. Daarnaast volgt de Afdeling [appellant sub 12] niet in haar betoog dat zij gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan de in 2008 aan [appellant sub 11F] verzonden brief. Een vergelijkbare brief is niet aan [appellant sub 12] verzonden en de algemene stelling van [appellant sub 12] dat de inhoud van deze brief "bekend was op het eiland" is onvoldoende om te kunnen oordelen dat zij aan die brief gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen. Daarvoor acht de Afdeling vereist dat een vergelijkbare brief ook aan [appellant sub 12] of haar moeder was verzonden, hetgeen niet het geval is.

Verder volgt de Afdeling [appellant sub 12] ook niet in haar betoog dat de omstandigheid dat zij in 2002, toen de permanente bewoning was gestart, geen brief heeft ontvangen over de gevolgen van deze permanente bewoning in het kader van de Huisvestingsverordening 1994, voor haar het gerechtvaardigd vertrouwen gaf dat zij het recreatieve gebruik niet meer hoefde te hervatten om het recht op dat gebruik te behouden. Dit betoog volgt de Afdeling reeds niet omdat het betoog ziet op een regeling in de Huisvestingsverordening en de mogelijke gevolgen van permanente bewoning in het kader van de Huisvestingsverordening. Dat zegt op zichzelf niets over de planologische situatie. De Afdeling verwijst in dit verband terug naar wat hiervoor onder 9.15 is overwogen. 10.6.3. De andere betogen van [appellant sub 12] hebben betrekking op de situatie ná de vaststelling van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009, zoals de in december 2009 verzonden brief als ook de omstandigheid dat haar woning in de Huisvestingsverordeningen van nadien op de "tweede woningen-lijst" is blijven staan. Deze omstandigheden doen echter niet af aan het feit dat al vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 de overgangsrechtelijke bescherming voor de recreatieve bewoning was vervallen.

Dit maakt dat de raad dit recreatieve gebruik voor [appellant sub 12] niet alsnog via een uitsterfregeling of persoonsgebonden overgangsrecht planologisch heeft hoeven toestaan. 10.6.4. Dat [appellant sub 12] na het verkrijgen van de woning uit de nalatenschap naar eigen zeggen aanzienlijk heeft geïnvesteerd in de woning ervan uitgaande dat de woning recreatief mocht worden gebruikt, is ook geen omstandigheid waarin de raad aanleiding had moeten zien dit recreatieve gebruik alsnog, al dan niet via een uitsterfregeling of persoonsgebonden overgangsrecht, planologisch toe te staan. Daarvoor acht de Afdeling doorslaggevend dat het recreatieve gebruik al zodanig lang, namelijk reeds vanaf 2002, niet meer plaatsvond en dat [appellant sub 12] erop bedacht had moeten zijn dat het alsnog weer hervatten van dit gebruik mogelijk planologisch niet meer zou zijn toegestaan. Dit mede ook gezien de woonbestemming die in het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 aan haar woning was toegekend, waarbij - zoals hiervoor onder 9.12 is overwogen - recreatieve bewoning expliciet als strijdig gebruik was aangemerkt en het overgangsrecht in dit plan was beperkt tot gebruik dat plaatsvond ten tijde van de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan. De recreatieve bewoning van de woning van [appellant sub 12] vond ten tijde van de inwerkingtreding van dat plan echter al niet meer plaats.

39

10.6.5. Ook de omstandigheid dat een woning in het kader van de gemeentelijke belastingen wordt gezien als recreatiewoning levert geen gerechtvaardigd vertrouwen op. De Afdeling verwijst op dit punt terug naar wat hiervoor onder 9.31 hierover al is overwogen. 10.6.6. Tot slot overweegt de Afdeling dat [appellant sub 12] weliswaar heeft betoogd dat onduidelijk is hoe de raad het permanent bewonen van haar woning gaat effectueren en dat zij zelf elders in Nederland woont en daarom de woning niet voor permanente bewoning in gebruik kan nemen, maar dat zijn geen omstandigheden die maken dat de raad ook recreatief gebruik van de woning had moeten toestaan, zoals [appellant sub 12] wenst. Het is aan [appellant sub 12] zelf om op basis van het feit dat alleen permanente bewoning is toegestaan te besluiten wat zij met haar woning gaat doen. Hiervoor heeft zij verschillende mogelijkheden, zoals het verhuren van haar woning voor permanente bewoning, met in achtneming van het bepaalde in de Huisvestingsverordening, of bijvoorbeeld het verkopen van haar woning. Het is aan [appellant sub 12] zelf om daarin een afweging te maken. 10.6.7. De betogen van [appellant sub 12] slagen niet. [appellanten sub 1] 10.7. Blijkens het beroepschrift van [appellanten sub 1] werd hun woning [locatie 22], gebouwd in 1971, vanaf 2002 door de vorige eigenaar permanent bewoond.

In 2018 hebben [appellanten sub 1] de woning gekocht. Ook zij hebben de woning vanaf dat moment, eerst alleen door [appellant sub 1A], in gebruik genomen voor permanente bewoning. Voor de woning van [appellanten sub 1] is daarmee sprake van een vergelijkbare situatie als de hiervoor besproken woning van [appellant sub 12], namelijk een woning die al sinds 2002 permanent wordt bewoond. De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding om ten aanzien van hun woning tot een ander oordeel te komen dan wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de woning van [appellant sub 12]. Daarbij overweegt de Afdeling nog dat [appellanten sub 1] weliswaar hebben betoogd dat zij voorafgaand aan de aankoop van de woning in 2017 contact hebben gehad met een ambtenaar van de gemeente en dat die ambtenaar aan hen zou hebben bevestigd dat hun woning recreatief mag worden gebruikt en dat dit ook in het nieuwe aankomende bestemmingsplan zo zal worden geregeld, maar de raad is niet gebonden aan dergelijke uitlatingen. De Afdeling verwijst op dit punt terug naar wat hierover onder 9.15 is overwogen. In dit verband merkt de Afdeling ten overvloede ook nog op dat de woning van [appellanten sub 1] al sinds 2002 tot op heden niet meer recreatief wordt gebruikt.

[appellanten sub 1] kunnen niet gerechtvaardigd vertrouwen dat zij onbeperkt de mogelijkheid zouden hebben om in de toekomst alsnog hun woning voor recreatieve bewoning in gebruik te nemen. De raad kan altijd op grond van gewijzigde planologische inzichten na verloop van tijd een niet meer benutte mogelijkheid niet overnemen in een nieuw opvolgend bestemmingsplan. De betogen van [appellanten sub 1] over de mogelijkheden om hun woning recreatief te gebruiken slagen dan ook niet. HET BEROEP VAN [APPELLANTEN SUB 5] OVER HET RECREATIEVE GEBRUIK VAN DE WONING [LOCATIE 1] 11. Zoals hiervoor onder 9.37 is overwogen, zijn [appellanten sub 5] ook eigenaar van de woning [locatie 1]. Aan deze woning is in het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan de bestemming "Wonen" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ondergeschikte recreatie". [appellanten sub 5] wijzen er in hun beroepschrift

40

gericht tegen dat bestemmingsplan op dat in de planregels is bepaald dat ter plaatse van de genoemde aanduiding ondergeschikt recreatief gebruik van een woning is toegestaan tot ten hoogste 45% van het bruto vloeroppervlak van de woning. Onder verwijzing naar een in 2016 verleende onttrekkingsvergunning op basis van de Huisvestingsverordening, betogen [appellanten sub 5] dat zij het recht hebben om 67 m2 van de vloeroppervlakte van de woning aan de [locatie 1] te gebruiken voor recreatief verblijf. Dit komt neer op 48% van het totale netto vloeroppervlak van deze woning van 139 m2. Voor de woning [locatie 1] zijn het bruto vloeroppervlak en het netto vloeroppervlak volgens [appellanten sub 5] gelijk. Dit betekent dat zowel 48% van het bruto vloeroppervlak als 48% van het netto vloeroppervlak wordt gebruikt voor recreatief verblijf, aldus [appellanten sub 5]. Met de in de planregels opgenomen beperking om maximaal 45% van het bruto vloeroppervlak van hun woning aan de [locatie 1] te mogen gebruik voor recreatief verblijf, is het bestaande recreatieve verblijf ten onrechte niet volledig bestemd, zo betogen [appellanten sub 5]. 11.1.

In de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan zijn, voor zover in dit verband relevant, de volgende planregels opgenomen: "Artikel 29 Wonen 29.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor: 1. een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; 2. ondergeschikte detailhandel als onderdeel van een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; en tevens voor de volgende functieaanduidingen: […]; e. ondergeschikt recreatief gebruik van een woning tot ten hoogste 45% van het brutovloeroppervlak van de woning, uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ondergeschikte recreatie"; […]. 11.2. In het bij besluit van 16 juli 2024 vastgestelde herstelbesluit is de aan de woning [locatie 1] toegekende aanduiding gewijzigd in "specifieke vorm van wonen - ondergeschikte recreatie 2". In de planregels bij dit herstelbesluit is het volgende bepaald: "Artikel 28 Wonen 28.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor: 1. een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; 2. ondergeschikte detailhandel als onderdeel van een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;

41

en tevens voor: […]; d. ondergeschikte recreatieve bewoning van een woning tot ten hoogste 25% van de brutovloeroppervlakte van een woning, uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ondergeschikte recreatie 1"; e. ondergeschikte recreatieve bewoning van een woning tot ten hoogste 45% van de brutovloeroppervlakte van een woning, uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ondergeschikte recreatie 2"; […]." 11.3. Hoewel in het herstelbesluit bij de woning van [appellanten sub 5] aan de [locatie 1] de aanduiding is gewijzigd in "specifieke vorm van wonen - ondergeschikte recreatie 2", geldt dat er inhoudelijk op dit punt niets is gewijzigd in vergelijking met het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan. Nog steeds is de ondergeschikte recreatieve bewoning beperkt tot ten hoogste 45% van het bruto vloeroppervlak van de woning. 11.4. Op de zitting heeft de raad bevestigd dat hij bij de planvaststelling heeft beoogd de verleende onttrekkingsvergunning voor de woning [locatie 1] in het bestemmingsplan in te passen en dit recreatieve gebruik dus positief te bestemmen.

De raad heeft daarbij ook erkend dat, ervan uitgaande dat de stelling van [appellanten sub 5] dat de onttrekkingsvergunning betrekking heeft op 48% van het bruto vloeroppervlak van de woning juist is, de in de planregels opgenomen beperking tot 45% van het bruto vloeroppervlak in zoverre een omissie is. Op dit punt is het bestemmingsplan om die reden in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog van [appellanten sub 5] slaagt dan ook. HET RECREATIEVE GEBRUIK OP DE [LOCATIE 2] Het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan wat betreft de [locatie 2] 12. In het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan is aan een deel van de woning op de [locatie 2] de aanduiding "recreatiewoning" toegekend. Ter plaatse van die aanduiding is naast permanente bewoning op grond van de planregels bij dat plan ook recreatieve bewoning toegestaan. [appellant sub 4], [appellanten sub 1], wonend aan respectievelijk de [locatie 23], [locatie 22] en [locatie 24], kunnen zich met die aanduiding niet verenigen en hebben om die reden gezamenlijk beroep ingesteld tegen het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan. [appellant sub 14] is eigenaar van de [locatie 2] en heeft zich in de procedure aangemeld als derdebelanghebbende. 12.1.

De Afdeling stelt allereerst voorop dat zij, anders dan [appellant sub 14] in zijn schriftelijke uiteenzetting naar voren brengt, geen aanleiding ziet voor het oordeel dat [appellant sub 4] en anderen geen belanghebbenden zouden zijn bij de aan de [locatie 2] toegekende aanduiding "recreatiewoning". De woning van [appellant sub 4A] op de [locatie 24] grenst aan de [locatie 2]. De andere woningen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 4] op de locaties [locatie 22] en [locatie 23] zijn op maximaal ongeveer 50 m van de locatie [locatie 2] gelegen. Dit is een niet zodanig grote afstand dat de [appellant sub 1A] en [appellant sub 4] geen belanghebbenden zijn bij de aan de locatie [locatie 2] toegekende aanduiding "recreatiewoning". Verder overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat [appellant sub 4] en [appellant sub

42

4A] volgens [appellant sub 14] geen zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan naar voren hebben gebracht onverlet laat dat zij als belanghebbenden wel beroep kunnen instellen. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraken van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, en 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, waarin de Afdeling is ingegaan op de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb. 12.2. In hun beroep gericht tegen het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan betogen [appellant sub 4] en anderen dat er nog juridische procedures aanhangig zijn over de mogelijkheid om de locatie [locatie 2] deels te gebruiken voor recreatief verblijf. Zij wijzen op de hoger beroepsprocedure bij de Afdeling over de aan [appellant sub 14] verleende omgevingsvergunning om in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 de woning op de locatie [locatie 2] deels te gebruiken voor recreatieve doeleinden, als ook de hoger beroepsprocedure bij de Afdeling over de door het college op grond van de Huisvestingsverordening Schiermonnikoog 2015 verleende vergunning voor het onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning op het perceel [locatie 2].

In die procedures hebben zij betoogd dat het recreatieve gebruik op de locatie [locatie 2] in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het is volgens [appellant sub 4] en anderen ongewenst om in het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan dit gebruik desondanks toch planologisch toe te staan, terwijl de juridische procedures daarover nog niet zijn afgerond. Zij verzoeken de Afdeling daarom dat plan te vernietigen, voor zover het de aanduiding "recreatiewoning" op de locatie [locatie 2] betreft. 12.3. In eerste instantie heeft de raad zich op het standpunt gesteld ervoor te hebben gekozen de voor de locatie [locatie 2] verleende vergunningen om de woning op die locatie deels te gebruiken voor recreatief verblijf in het bestemmingsplan te verwerken, omdat er geen aanleiding was voor de veronderstelling dat die vergunningen in rechte geen stand zouden houden. Nadien heeft de raad zich in het herstelbesluit echter alsnog op een ander standpunt gesteld en de aanduiding "recreatiewoning" op de locatie [locatie 2] met het herstelbesluit verwijderd. De reden hiervoor is dat de raad alsnog geen mogelijkheid ziet om het toekennen van die aanduiding te voorzien van een houdbare motivering.

Omdat de raad hiermee zelf te kennen geeft dat het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan op dit punt achteraf gezien niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, slagen de betogen van [appellant sub 4] en anderen. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 4] en anderen gericht tegen het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan gegrond is en dat dit plan moet worden vernietigd, voor zover het de aan de locatie [locatie 2] toegekende aanduiding "recreatiewoning" betreft. Het herstelbesluit van 16 juli 2024 wat betreft de locatie [locatie 2] 12.4. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de raad in het herstelbesluit zoals dat op 16 juli 2024 is vastgesteld er dus voor gekozen de aan de locatie [locatie 2] toegekende aanduiding "recreatiewoning" alsnog te verwijderen. Hiervoor is de volgende onderbouwing gegeven: "Het perceel [locatie 2] was in het plan uit 2022 bestemd voor Wonen met de aanduiding ‘recreatiewoning’. Dit vanwege het verlenen van een vergunning voor ondergeschikt recreatief gebruik van de woning tot 45%. Geconstateerd is dat de verleende vergunning onjuist is inbestemd. Bovendien is het inbestemmen te prematuur geweest. De Raad van State heeft geconcludeerd dat wij er niet in zijn geslaagd om een afdoende en houdbare motivering te geven voor het onttrekken van een deel (188 m2) van de woning.

Wij zien gelet op de grootte van de onttrekking in samenhang met de uitspraak van de Raad van State voor

43

specifiek dit perceel geen mogelijkheden voor een volhoudbare motivering. Wij zullen in de beslissing op bezwaar ons primaire besluit herroepen." In deze onderbouwing wordt verwezen naar uitspraken van de Raad van State. Dit zijn de uitspraken van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4264, en van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:273. De eerstgenoemde uitspraak van 15 november 2023 heeft betrekking op de aan [appellant sub 14] verleende omgevingsvergunning om in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 de woning op de locatie [locatie 2] deels te gebruiken ten behoeve van recreatieve doeleinden. De Afdeling heeft in die uitspraak onder 6.3.1 het volgende overwogen: "Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend een situatie zal ontstaan die in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarover overweegt de Afdeling het volgende. Op de zitting is besproken welke overlast [appellant sub 4A] zal kunnen ondervinden van het bouwplan op het perceel.

De in dat kader op de zitting door [appellant sub 14] ingenomen stelling dat het deel van de woning op het perceel dat voorziet in recreatief gebruik zal worden gebruikt door een bepaald type rustige mensen, waardoor weinig overlast zal ontstaan voor de omgeving, is planologisch niet geborgd in de besluitvorming of anderszins. Alleen al daarom kan deze stelling niet worden betrokken in de beoordeling van de Afdeling. Op de zitting is, aan de hand van de vormgeving en inrichting van de woning, met partijen vastgesteld dat in de uitbreiding van de woning op het perceel een groep van maximaal 8 personen kan verblijven voor recreatieve doeleinden. Dit omvat volgens [appellant sub 14] ook het gebruik van de op het perceel aanwezige tuin. De Afdeling stelt verder vast dat het perceel ligt ingeklemd tussen percelen waarop woonhuizen staan. Het perceel met de woning van [appellant sub 4A] grenst direct aan het perceel waarop het bouwplan ziet. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van het beoogde recreatief gebruik, waaronder de redelijkerwijs te verwachten geluidbelasting, de omvang van het recreatief gebruik en de locatie en situering waarop met het bouwplan het recreatief gebruik op het perceel is voorzien, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de gevraagde omgevingsvergunning in dit geval kon worden verleend.

Dat het college op de zitting heeft toegelicht dat binnen de gemeente een beleidslijn zou bestaan dat 35% van een woning verhuurd zou mogen worden voor recreatieve doeleinden maakt dat niet anders, alleen al niet omdat het college heeft toegelicht dat in het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend mogelijk een grotere oppervlakte zal worden gebruikt voor recreatieve doeleinden. Over de vergelijking van [appellant sub 4A] met de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" oordeelt de Afdeling dat in dit geval geen sprake is van een pension zodat die verwijzing niet slaagt. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van mening is dat de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Daardoor heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderbouwd dat de uitkomst van de gemaakte belangenafweging zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het betoog slaagt."

44

De tweede uitspraak van 24 januari 2024 heeft betrekking op de door het college op grond van de Huisvestingsverordening Schiermonnikoog 2015 verleende vergunning voor het onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning op het perceel [locatie 2]. In die uitspraak heeft de Afdeling onder 10.1 onder verwijzing naar de hiervoor geciteerde overweging uit de uitspraak van 15 november 2023, geoordeeld dat daarmee ook de onttrekkingsvergunning onvoldoende is onderbouwd. De genoemde twee uitspraken hebben voor de raad aanleiding gegeven om bij de vaststelling van het herstelbesluit te concluderen dat hij geen mogelijkheden ziet om met een voldoende draagkrachtige motivering de aanduiding "recreatiewoning" op de locatie [locatie 2] in stand te houden. Om die reden heeft de raad die aanduiding in het herstelbesluit verwijderd. 12.5. [appellant sub 14] heeft tegen het herstelbesluit beroep ingesteld, omdat hij zich er niet mee kan verenigen dat de aan een deel van zijn woning op de locatie [locatie 2] toegekende aanduiding "recreatiewoning" weer is verwijderd. In zijn beroep gericht tegen het herstelbesluit heeft hij vrijwel dezelfde beroepsgronden aangevoerd als in zijn beroep bij de Afdeling gericht tegen het nieuwe besluit op bezwaar van het college van 23 juli 2024.

In dit nieuwe besluit op bezwaar is de in 2018 aan [appellant sub 14] verleende omgevingsvergunning om een deel van zijn woning in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken voor recreatief verblijf alsnog herroepen en is zijn vergunningaanvraag voor dit recreatieve gebruik alsnog geweigerd. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van heden in zaak nr. 202405622/1/R3, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de betogen van [appellant sub 14] gericht tegen het nieuwe besluit op bezwaar niet slagen. De Afdeling ziet geen aanleiding om over de identieke betogen in deze bestemmingsplanprocedure anders te oordelen. Daarbij overweegt de Afdeling nog dat [appellant sub 14] in zijn beroep gericht tegen het herstelbesluit weliswaar betoogt dat het herstelbesluit dateert van 16 juli 2024 en dat het nieuwe besluit op bezwaar in de vergunningsprocedure dateert van een later moment, namelijk 23 juli 2024, wat betekent dat ten tijde van het herstelbesluit de in 2018 verleende omgevingsvergunning nog niet was herroepen, maar dat laat onverlet dat de raad vooruitlopend op die herroeping in het herstelbesluit al de aanduiding "recreatiewoning" kon verwijderen. De raad heeft hieraan dezelfde motivering ten grondslag gelegd als het college in het nieuwe besluit op bezwaar.

De Afdeling ziet in wat [appellant sub 14] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze motivering geen stand houdt. Daarvoor verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van heden in zaak nr. 202405622/1/R3 in de vergunningsprocedure. 12.6. De betogen van [appellant sub 14] slagen niet. DE LOCATIE [LOCATIE 3]: DETAILHANDEL EN HET TERRAS 13. [appellanten sub 3] zijn eigenaren van het pand [locatie 3] in Schiermonnikoog. Hun beroep heeft betrekking op twee aspecten, namelijk het ontbreken van de planologische mogelijkheid voor detailhandel ter plaatse en de wijze waarop het terras in de planregels is bestemd. Op dit terras hebben ook de beroepen van [appellanten sub 7], wonend aan de [locatie 10], en [appellant sub 8], wonend aan de [locatie 25], betrekking. Hieronder gaat de Afdeling op deze twee aspecten in. Detailhandel 14. [appellanten sub 3] wijzen er in hun beroepschrift op dat in het bestemmingsplan zoals dat op 15 februari 2022 is vastgesteld aan hun pand de bestemming "Horeca" is toegekend.

45

Volgens [appellanten sub 3] is in 2013 een omgevingsvergunning verleend om naast horeca hun pand ook te gebruiken voor detailhandel. Dit was in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt door ter plaatse zowel horeca als detailhandel planologisch toe te staan, aldus [appellanten sub 3]. De planologische mogelijkheid voor de detailhandel is in het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan volgens hen ten onrechte weer vervallen. De vermelding in de zienswijzennota dat er al geruime tijd geen sprake meer is van detailhandel en dat dit om die reden planologisch niet wordt toegestaan, is volgens [appellanten sub 3] niet alleen onjuist, maar ook irrelevant. Het feit dat voor het gebruik voor detailhandel een omgevingsvergunning is verleend, waarmee het gaat om legaal gebruik, betekent dat dit gebruik in het bestemmingsplan planologisch moet worden toegestaan, zo betogen [appellanten sub 3]. 14.1. In het bestemmingsplan zoals dat op 15 februari 2022 is vastgesteld, is aan de locatie van [appellanten sub 3] aan de [locatie 3] de bestemming "Horeca" toegekend. Een aanduiding "detailhandel" ontbreekt. In het herstelbesluit van 16 juli 2024 is dit aangepast en is wel de aanduiding "detailhandel" toegekend. Op grond van artikel 10.1, aanhef en onder f, van de planregels bij dit herstelbesluit is ter plaatse van deze aanduiding detailhandel toegestaan.

In het voorstel van het college aan de raad met betrekking tot het herstelbesluit staat op dit punt: "Op het perceel [locatie 3] is een detailhandelsfunctie aanwezig. Dit is ook vergund en er is niet gebleken dat er geen sprake meer is van een goede ruimtelijke ordening. Om deze reden stellen wij u voor om de vergunning alsnog in het bestemmingsplan in te bestemmen door het opnemen van een aanduiding." Dit voorstel heeft de raad overgenomen in het herstelbesluit. Hieruit blijkt dat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij heeft gedaan in het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan. Niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven. Om die reden is het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog van [appellanten sub 3] slaagt. Terras 15. Het pand [locatie 3] dat eigendom is van [appellanten sub 3] is bestemd als "Horeca". Het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan biedt de mogelijkheid aan de achterzijde van deze horecabestemming een terras te exploiteren ter plaatse van de aanduiding "terras".

In de planregels is volgens [appellanten sub 3] ten onrechte bepaald dat een terras ter plaatse alleen is toegestaan indien "door middel van een onderzoek naar de publiekaantrekkende werking en de akoestiek is aangetoond dat het terras geen onevenredige hinder veroorzaakt voor de omgeving." Dit betekent dat er een nader afwegingsmoment is omtrent het toegestane grondgebruik en dat is volgens [appellanten sub 3] niet toegestaan, omdat dit leidt tot rechtsonzekerheid. Zij verwijzen hierbij ter vergelijking naar de uitspraken van de Afdeling van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3971, overweging 17.5 en 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2791, overweging 6.4. De planregel is volgens [appellanten sub 3] vaag en nodigt uit tot discussie. Zij betogen dat sprake is van een bestaand terras en dat dit terras bij recht zonder nadere voorwaarden in het bestemmingsplan had moeten worden toegestaan. Ter onderbouwing betogen zij dat het terras weliswaar niet was toegestaan op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009, maar dat dit gebruik werd beschermd door het overgangsrecht uit dit plan, omdat het gebruik als terras wel was toegestaan op basis van het daarvoor geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Kom" uit 1979 en het gebruik al ten tijde van dit bestemmingsplan is aangevangen.

Vervolgens is het gebruik van het terras voortgezet onder de geldigheid van het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009 en nadien nooit langer dan een jaar

46

onderbroken geweest, aldus [appellanten sub 3]. Als bijlage bij het beroepschrift hebben zij meerdere verklaringen van onder meer gebruikers van het terras gevoegd om dit te onderbouwen. 15.1. [appellant sub 8], wonend aan de [locatie 25], betoogt daarentegen dat de raad al bij de planvaststelling had moeten oordelen dat het exploiteren van een terras op het aangrenzende perceel [locatie 3] hoe dan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en daarom planologisch niet kan worden toegestaan, ook niet onder nadere voorwaarden. Ter onderbouwing wijst hij erop dat zijn tuin grenst aan het terras. Onder meer het stemgeluid van gebruikers van het terras zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat, aldus [appellant sub 8]. Volgens [appellant sub 8] is in een soortgelijke situatie bij de vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 26] in Schiermonnikoog" geoordeeld dat een combinatie van woningen en een horecaterras op korte afstand van elkaar ongewenst is. In dit verband wijst [appellant sub 8] ook op de publieksaantrekkende werking van een terras. Veel gebruikers van het terras zullen volgens hem via de kortste route, namelijk via de smalle steeg langs zijn woning, het terras bereiken, waardoor er feitelijk door zijn tuin een mensenstroom ontstaat.

Daarnaast is volgens [appellant sub 8] onduidelijk waar de fietsen worden geparkeerd van de gebruikers van het terras. Hiervoor is op het terrein van de horecagelegenheid geen ruimte, aldus [appellant sub 8]. Over de inhoud van de planregels betoogt [appellant sub 8] dat voor de ingebruikname van het terras ten onrechte geen omgevingsvergunning is vereist, waarmee geen rechtsbescherming wordt geboden. Ook is volgens hem rechtsonzeker aan welke eisen het nadere onderzoek moet voldoen om het terras in gebruik te mogen nemen. Er lijkt alleen een onderzoek te hoeven plaats te vinden naar geluid, terwijl het onderzoek naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het terras volgens hem meer omvat. Tegen de gewijzigde planregels bij het herstelbesluit gelden volgens [appellant sub 8] dezelfde bezwaren. Verder betoogt [appellant sub 8] dat het terras ook in strijd is met de Welstandsnota van de gemeente Schiermonnikoog, waarin de wens en het voornemen staat om bestaande groenstroken te behouden, waarbij expliciet is vermeld dat verharding voor bijvoorbeeld een terras ongewenst is. 15.2. Ook [appellanten sub 7], wonend aan de [locatie 10], kunnen zich met het terras niet verenigen. Voor het bestaande terras is volgens hen nooit een vergunning verleend. [appellanten sub 7] zijn van mening dat het terras in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Ter onderbouwing betogen zij dat een terras niet passend is in een overtuin gezien het zwaarwegende ruimtelijke en cultuurhistorische belang dat de raad aan overtuinen toekent. Ook vrezen zij voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat, vanwege geluidhinder en een toenemende drukte van de bezoekers van het terras. Onduidelijk is volgens hen onder welke voorwaarden het terras op basis van het bestemmingsplan wel is toegestaan. Zo is onduidelijk wat in de planregels wordt bedoeld met een onderzoek naar de publieksaantrekkende werking en de akoestiek, aldus [appellanten sub 7]. 15.3. In de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan zijn, voor zover in dit verband relevant, de volgende planregels opgenomen: "Artikel 26 Tuin - Overtuin 26.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Tuin - Overtuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

47

[…] c. een terras ter plaatse van de aanduiding "terras", mits door middel van een onderzoek naar de publiekaantrekkende werking en de akoestiek is aangetoond dat het terras geen onevenredige hinder veroorzaakt voor de omgeving; […] 26.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: […] d. het gebruik van gronden ten behoeve van een terras voor de uitoefening van een horecabedrijf, met uitzondering van de gronden voorzien van de aanduiding "terras", met dien verstande dat de terrasfunctie vervalt op het moment dat de aangrenzende horecafunctie komt te vervallen." 15.4. In de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde herstelbesluit zijn, voor zover in dit verband relevant, de planregels als volgt gewijzigd: "Artikel 26 Tuin - Overtuin […] 26.5.2 Voorwaardelijk gebruik Het gebruik van de gronden ten behoeve van een terras behorend bij een horecabedrijf is uitsluitend toegestaan, ter plaatse van de aanduiding "terras" en met dien verstande dat: 1. de terrasfunctie uitsluitend in gebruik mag zijn, indien door middel van een onderzoek naar de publieksaantrekkende werking en de geluidsbelasting is aangetoond dat het terras geen onevenredige hinder veroorzaakt voor de omgeving; 2. de terrasfunctie vervalt op het moment dat de aangrenzende horecafunctie vervalt." 15.5.

[appellanten sub 3] en de omwonenden [appellant sub 8] en [appellanten sub 7] verschillen weliswaar van mening over de ruimtelijke effecten van het terras, maar zijn wel allen van mening dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het terras al bij de planvaststelling had moeten beoordelen en niet had kunnen doorschuiven naar een toekomstig moment. De Afdeling volgt hen in dit betoog. Met het vereiste in de planregels dat het terras uitsluitend is toegestaan indien door middel van een onderzoek naar de publieksaantrekkende werking en de geluidsbelasting is aangetoond dat het terras geen onevenredige hinder veroorzaakt, is sprake van een nader afwegingsmoment omtrent het toegestane grondgebruik. Het bestemmingsplan biedt daarmee onvoldoende zekerheid over het antwoord op de vraag of het terras is toegestaan en is daarmee in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. De Afdeling verwijst op dit punt ter vergelijking naar onder meer de door [appellanten sub 3] genoemde uitspraak van de Afdeling van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3971, overweging 17.5.

Daarbij merkt de Afdeling op dat gelet op de omstandigheid dat al in het ontwerpbestemmingsplan het terras, destijds nog zonder nadere beperkingen, was toegestaan, de Afdeling ervan uitgaat dat al bij de planvoorbereiding bekend was dat [appellanten sub 3] een in het verleden al bestaand terras bij hun horecabestemming wensen voort te zetten. Het was aan de raad om bij de planvaststelling te beoordelen of dit terras

48

ruimtelijk aanvaardbaar is en planologisch kan worden toegestaan. De raad heeft op de zitting gesteld dat hij een terras passend vindt op de desbetreffende locatie en hieraan ook medewerking wenst te verlenen, maar gelet op de zienswijzen van [appellant sub 8] en [appellanten sub 7] hieraan in het vastgestelde bestemmingsplan alsnog nadere voorwaarden heeft verbonden. Deze voorwaarden leiden echter tot een nader afwegingsmoment omtrent het toegestane grondgebruik en zijn daarmee in strijd met de rechtszekerheid. Het standpunt van de raad dat het bestemmingsplan een zogenoemd "bestemmingsplan met verbrede reikwijdte" is als bedoeld in artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet en artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw (hierna: BuChw), omdat in artikel 3.1, eerste lid, onder ah, van de Regeling uitvoering Chw is bepaald dat artikel 7c van het BuChw ook geldt voor het plangebied Dorp Schiermonnikoog, maakt dit oordeel niet anders. Ook dan geldt dat wanneer sprake is van een in het verleden al bestaand terras, kenbaar is dat de exploitant dit terras wil blijven voortzetten en de raad dit terras ook als zodanig wenst te faciliteren, de raad al bij de planvaststelling de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan beoordeelt en niet de planologische mogelijkheid van het terras afhankelijk stelt van nader onderzoek en de daarbij te verrichten beoordeling.

De betogen van [appellanten sub 3] en [appellant sub 8] en [appellanten sub 7] slagen op dit punt. HET BEROEP VAN [APPELLANTEN SUB 7] VOOR HET OVERIGE Overtuin achter [locatie 27]/[locatie 28] en [locatie 10] 16. [appellanten sub 7] zijn naast de hiervoor besproken woning [locatie 10] ook eigenaar van de locaties [locatie 27]/[locatie 28]. De locaties [locatie 10] en [locatie 27]/[locatie 28] liggen achter elkaar. Aan de locaties [locatie 27]/[locatie 28] is de bestemming "Detailhandel" toegekend en aan de locatie [locatie 10] de bestemming "Wonen". Aan de achterzijde van de woning [locatie 10] bevindt zich een zogenoemde "overtuin", eigendom van [appellanten sub 7]. Een overtuin is een tuin die een essentieel onderdeel vormt van het beschermd dorpsgezicht, zo staat in paragraaf 2.4.3 van de plantoelichting. De planregels zijn erop gericht het open karakter van deze tuinen te beschermen en zo veel mogelijk in stand te houden. Om die reden is aan de overtuinen in het bestemmingsplan een specifieke bestemming toegekend "Tuin - Overtuin", waarin onder meer voor de bebouwingsmogelijkheden een specifieke regeling is opgenomen. 16.1.

[appellanten sub 7] betogen in hun beroepschrift dat uit artikel 26.1, aanhef en onder a en b, van de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan volgt dat de overtuinen alleen mogen worden gebruikt en bebouwd ten behoeve van een aan de overtuin gekoppeld perceel, zoals aangegeven op de "Kaart Overtuinen", die als bijlage 5 bij de planregels is gevoegd. Op deze kaart is volgens [appellanten sub 7] hun overtuin alleen gekoppeld aan de bestemming "Detailhandel" op de percelen [locatie 27]/[locatie 28] en niet aan de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 10]. Dit is volgens hen onjuist. Daarnaast wijzen zij erop dat hun overtuin twee verschillende kadastrale percelen omvat, namelijk sectie B, nummers 1228 en 1229. Nummer 1228 wordt gebruikt als overtuin bij de woonbestemming op [locatie 10] en nummer 1229 als overtuin bij de detailhandelsbestemming op [locatie 27]/[locatie 28], aldus [appellanten sub 7]. Volgens hen is echter alleen een koppeling aangebracht met het kadastrale perceel 1228, welke koppeling bovendien voor dit perceel is aangebracht met de detailhandelsbestemming op de percelen [locatie 27]/[locatie 28], terwijl het kadastrale perceel 1228 hoort bij de woonbestemming op het perceel [locatie 10].

49

16.2. Aan de kadastrale percelen sectie B, nummers 1228 en 1229, die eigendom zijn van [appellanten sub 7] is in zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als in het herstelbesluit van 16 juli 2024 de bestemming "Tuin - Overtuin" toegekend. In de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan is over deze bestemming het volgende bepaald: "Artikel 26 Tuin - Overtuin 26.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Tuin - Overtuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. cultuurhistorisch waardevolle overtuinen, behorende bij de percelen zoals aangegeven op de kaart Overtuinen in Bijlage Kaart Overtuinen bij deze regels; b. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de bestemming van een aan een overtuin gekoppeld perceel zoals aangegeven op de kaart Overtuinen in Bijlage 5 Kaart Overtuinen bij deze regels; […]". In de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde herstelbesluit zijn deze planregels als volgt gewijzigd: "Artikel 26 Tuin - Overtuin 26.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Tuin - Overtuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. cultuurhistorisch waardevolle overtuinen, behorende bij de door middel van het figuur 'relatie' gekoppelde percelen, zoals weergegeven in Bijlage 5 bij de regels opgenomen de kaart Overtuinen; b.

gebruik behorende bij de door middel van het figuur 'relatie' gekoppelde aangrenzende bestemming, zoals weergeven in Bijlage 5 bij de regels opgenomen kaart Overtuinen; […]". 16.3. Uit artikel 26.1, aanhef en onder a en b, van de planregels van zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als het herstelbesluit van 16 juli 2024 volgt dat de overtuin uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van een aan de overtuin gekoppelde aangrenzende bestemming. Deze koppeling is aangeduid op de kaart Overtuinen die als bijlage 5 bij de planregels is gevoegd. Op deze kaart bij zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als het herstelbesluit van 16 juli 2024 is met een blauwe lijn de koppeling aangebracht tussen een overtuin en de aangrenzende bestemming(en) ten behoeve waarvan de overtuin mag worden gebruikt. De blauwe lijn op de kaart Overtuinen loopt door zowel de locatie [locatie 27]/[locatie 28] als de achterliggende locatie [locatie 10] heen. Daarmee is volgens de raad voldoende duidelijk dat de koppeling met de aangrenzende overtuin geldt voor beide locaties en daarmee dat de met een blauwe lijn gekoppelde overtuin voor zowel de [locatie 27]/[locatie 28] als de [locatie 10] mag worden gebruikt.

De Afdeling volgt de raad in deze toelichting en acht dit voldoende duidelijk weergegeven op de kaart Overtuinen bij de planregels, namelijk door de blauwe lijn op die kaart door zowel de locatie [locatie 27]/[locatie 28] als [locatie 10] te laten lopen.

50

Verder stelt de Afdeling, overeenkomstig het standpunt van de raad, vast dat de blauwe lijn die op de kaart Overtuinen door de locaties [locatie 27]/[locatie 28] en [locatie 10] loopt met zowel het kadastrale perceel 1228 als met het kadastrale perceel 1229 is verbonden. Dit volgt uit de dikke rode lijn waarmee op de kaart Overtuinen één overtuin is omlijnd. Deze dikke rode lijn loopt om de kadastrale percelen 1228 en 1229 heen en verschilt van de dunne rode lijnen, waarmee op de kaart de kadastrale percelen zijn aangeduid. Dit betekent dat de kadastrale percelen 1228 en 1229, die gezamenlijk dik rood zijn omlijnd, gezamenlijk één overtuin vormen. Daarbij merkt de Afdeling op dat het begrijpelijk is dat op de kaart Overtuinen geen betekenis toekomt aan de kadastrale percelen (die met lichte rode lijnen zijn aangeduid). Dit om te voorkomen dat wanneer een perceel in meerdere kadastrale percelen zou zijn opgesplitst ieder kadastraal perceel een overtuin zou vormen. Dat zou afbreuk doen aan de planregels waarin de bebouwingsmogelijkheden per overtuin zijn begrensd. 16.4. Samengevat geldt voor de locaties van [appellanten sub 7] dus dat de kadastrale percelen 1228 en 1229 gezamenlijk één overtuin vormen, gezien de dikke rode lijn op de kaart Overtuinen om deze twee kadastrale percelen gezamenlijk.

Deze overtuin, waartoe dus twee kadastrale percelen behoren, mag worden gebruikt voor zowel de locatie [locatie 27]/[locatie 28] (Detailhandel) als de achterliggende locatie [locatie 10] (Wonen), omdat de blauwe lijn waarmee de koppeling met de overtuin tot stand is gebracht door beide locaties loopt. Daarmee is op de kaart Overtuinen weergegeven wat [appellanten sub 7] met hun betoog hebben beoogd. De kaart Overtuinen behoeft wat betreft de locaties van [appellanten sub 7] dan ook geen aanpassing. De betogen van [appellanten sub 7] slagen op dit punt niet. Bedrijventerrein aan het Melle Grietjespad 17. [appellanten sub 7] hebben tot slot een beroepsgrond naar voren gebracht over de volgens hen ruime planologische mogelijkheden die zijn toegekend aan het bedrijventerrein aan het Melle Grientjespad en de vraag hoe zich dit verhoudt tot de beperkte bouwmogelijkheden binnen de overtuinen. Zij hebben deze beroepsgrond op de zitting ingetrokken. Deze beroepsgrond bespreekt de Afdeling daarom niet in deze uitspraak. HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 8] VOOR HET OVERIGE Bewoning van gebouwen ter plaatse van de bestemming "Tuin - Overtuin" 18. [appellant sub 8] woont aan de [locatie 25]. Aan zijn tuin is de bestemming "Tuin Overtuin" toegekend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=a24fef95-a125-4a62-9918-a99e44eed05f