CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

B&W 6-1 Jaarverslag IBT 2022

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente SchiermonnikoogBij agendapunt: Lijst ingekomen stukken3.465 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

JAARVERSLAG 2022 van het interbestuurlijk toezicht (IBT) provincie Fryslân

Afdeling bestuurszaken Team IBT Mei-juni 2023

Inleiding Afgelopen jaar zag het IBT ‘nieuwe stijl’ het licht met ‘dialoog’ en ‘risicogericht maatwerk’ als uitgangspunten. ‘Provincie en toezichtontvanger kennen elkaars rol en verantwoordelijkheden, streven naar samenwerking en op basis van wederzijds vertrouwen werken zij in dialoog samen in dienst van de Friese mienskip’, zo luidde de formulering uit het Uitvoeringsplan. Deze nieuwe aanpak valt samen met de landelijke Agenda Toekomst van het Toezicht (ATT) waaruit ook een aantal nieuwe toezichtlijnen samenkomen. Risicogerichtheid en dialoog zijn er twee van. De ATT heeft een centrale doelstelling verbonden aan het vernieuwde interbestuurlijk toezicht: ‘Het interbestuurlijk toezicht is er omdat de overheid haar taken blijvend goed wil uitvoeren en dat inwoners en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat dit beschermd en geborgd is’. Voor de provincie is dat niet anders. Wettelijke basis Wet- en regelgeving bepalen de kaders waarbinnen de provincie als toezichthouder en gemeenten en waterschappen als toezichtontvangers opereren.

De wettelijke basis onder het IBT wordt gevormd door de Waterschapswet, Archiefwet, Natuurbeschermingswet, Huisvestingswet statushouders, Wet luchtkwaliteit, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Besluit ruimtelijke ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) (en bijbehorende Amvb’s Besluit omgevingsrecht en Ministeriele regeling omgevingsrecht), Erfgoedwet, Wet verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) en de Wet gebruik Friese taal. Op (korte) termijn zijn de Omgevingswet, Wet Open Overheid en de nieuwe Archiefwet ook onderdeel van dit wettelijk kader en zullen een aantal van bovenstaande wetten komen te vervallen. Doel en werkwijze Afgelopen jaar zijn alle ‘toezichtontvangers’ bezocht. Het doel van de (vooral digitale) bezoeken was een eerste verkenning van het veld en het opbouwen van een persoonlijk netwerk. Daarnaast is er inhoudelijk gesproken over de domeinen waarop toezicht wordt gehouden. In Fryslân wordt er toezicht gehouden op zeven domeinen, te weten: omgevingsrecht (VTH), archief- en informatiebeheer, archeologie en monumentenzorg (erfgoed), huisvesting statushouders, water en riolering en Frysk. Dat verliep langs twee wegen: 1.Dialoogsessies in ochtend en middagsessies per gemeente. Deze hebben vooral in de eerste helft plaatsgevonden, gevolgd door de verslaglegging later in het jaar. 2.

Thematisch onderzoek In deze periode zijn twee themaonderzoeken geformuleerd binnen de domeinen omgevingsrecht (VTH) en archeologie (erfgoed).

2

1. De praktijk van het toezicht Onderdeel van de Uitvoeringsagenda 2022 was het vormgeven en opstarten van ambtelijke gesprekken met toezichtontvangers met het doel om de actuele stand van zaken in kaart te brengen. Ook landelijke ontwikkelingen en regionale samenwerking kwamen als overkoepelende thema’s ter sprake. 1.1 Toezicht op omgevingsrecht (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving VTH) Centraal in de ‘dialoogsessies’ stonden de risico’s en de beheersing ervan in de uitvoering van de VTH-taken Wabo. Daarnaast is ook ingegaan op de ontwikkelingen richting de Omgevingswet. Alle partijen binnen de provincie Fryslân (gemeenten, Wetterskip Fryslân, Fumo Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing - en de provincie zelf) staan voor flinke uitdagingen. Per 1 januari 2024 wordt de Omgevingswet van kracht. In elke organisatie lopen er projecten om de implementatie van deze wet tot een succes te maken. Hierbij wordt met verschillende partijen samengewerkt. Positief is dat nagenoeg alle gemeenten een Omgevingsvisie geformuleerd hebben en volop aan het experimenteren zijn met pilotprojecten op gebied van het Omgevingsplan, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van de Crisis en Herstel Wet. Er zal voor een groot aantal bestemmingsplannen gebruik worden gemaakt van het overgangsregime dat bovengenoemde wet mogelijk maakt.

In enkele gevallen wordt bij het noemen van risico’s aangegeven dat hierbij sprake is van een tekort aan ervaren vakkrachten. Dit blijkt ook uit de VTH-kwaliteitscriteria die in toenemende mate moeizamer op peil kunnen worden gehouden. Of gemeenteraden hierover consequent worden geïnformeerd, is niet duidelijk. Ten aanzien van de wettelijke verplichtingen (Bor, Mor) valt op dat er enkele gemeenten zijn die beleid, uitvoering en jaarverslaglegging op orde hebben of bezig zijn de stukken in lijn te brengen met de Omgevingswet. Wat het maatschappelijk effect is van vergunningverlening, toezicht en handhaving, wordt meestal achterwege gelaten. Ten aanzien van vereisten van de Big 8 (beleidscycli) valt het volgende op: van de 18 bezochte gemeenten zijn er 9 gemeenten die grotendeels voldoen aan de minimale wettelijke verplichtingen. Dit betreft specifiek: de beschikking hebben over vigerend beleid, een jaarlijks uitvoeringsprogramma en een jaarverslag met de te realiseren doelstellingen voor de nabije toekomst. De andere 9 gemeenten hebben geen of verouderd geschreven beleid, geen of een gebrekkig uitvoeringsprogramma en brengt als gevolg daarvan geen jaarverslag uit. In het kader van risicogericht maatwerk-toezicht werd de vraag gesteld welke risico’s zich voordoen in de werkuitvoering en welke aandachtspunten er zijn.

Meestal kwam naar voren dat men A) bij de implementatie van de Omgevingswet een tekort aan gekwalificeerd personeel voorzag en B) een afnemende dienstverlening bij het van kracht worden van de Omgevingswet mede door gebreken in aansluiting op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). 2.2 Toezicht op archief- en informatiebeheer

3

Op basis van de verslagen met de gemeenten in de eerste helft van het jaar ontstaat een wisselend beeld van de informatiepositie van gemeenten. Het uitgangspunt is overeenkomstig: alle gemeenten maken gebruik van de VNG KPI’s als referentiekader voor hun functioneren en bepalen zelf waarop ze willen inzetten. Het terrein betreft zowel de analoge archieven als digitale bestanden. De provincie kijkt (net als in het verleden) naar een aantal risicogebieden: het wel of niet hebben van een kwaliteitssysteem, de goede, geordende en toegankelijke staat van de informatie, wordt er tijdig vernietigd, dan wel overgebracht naar een duurzame omgeving. Het afgelopen jaar is geconstateerd dat er op deze terreinen een groot verschil is tussen de grotere en kleinere gemeenten is. Bij de kleinere gemeenten lijken kennis, personele bezetting en traditie (organisatie en doel) bepalend voor het feit dat ze op een aantal van bovengenoemde punten niet in control te zijn. Dat is niet zo gek. Dat resulteert in een bijna structurele inzet van externe bureaus die bijspringen op losvaste basis. Bij de grotere gemeenten lijken de strategische, tactische en uitvoerende informatiefuncties beter op elkaar afgestemd. Ook is er gekeken naar het functioneren van samenwerkingsverbanden.

De aanpak die gekozen is voor structurele samenwerking lijkt niet overal tot de gewenste meerwaarde door cultuurverschillen en verschillen in ambitie. Tussen de eilanden lijkt de samenwerking mogelijk mede door een gedeelde bestuurscultuur en- schaal beter te verlopen. Voor wat betreft de interne samenwerking is er een wisselend beeld: bij de grotere gemeenten lijkt het contact met de Functionaris Gegevensbescherming, de WOOcoördinator en de privacy-medewerker in gang gezet. Bij de kleinere wordt dit vooral vanuit juridische zaken benaderd en nemen de afdeling informatie er in de zijlijn kennis van. De aandacht voor invoering van een kwaliteitssysteem - vaak gebaseerd op KIDO - is latent bij de meeste gemeenten aanwezig, maar de praktische implementatie is voor veel gemeenten een brug te ver. Op de gemeente Heerenveen na is het risicodenken in dit domein niet erg groot. Er lijkt meer sprake van aandachtgebieden vanuit wettelijke noodzaak en personele en financiële grenzen. Voor wat betreft de techniek: een gemeenschappelijke deler tussen de gemeenten is de implementatie van het zaakgericht werken. De meeste gemeenten zijn hiermee gestart maar bevinden zich in sterk uiteenlopende fasen van ontwikkeling. Bij met name de kleine gemeenten voelt men zich comfortabel in een hybride situatie en voelt de stap naar volledig digitaal werken als een sprong in het duister.

Daarbinnen vormt ook onduidelijkheid over (digitale) vernietiging een punt van aandacht. De aandacht voor overbrenging van digitale documenten naar een e-depot bevindt zich bij de meeste gemeenten in een verkennende fase. Ook hier is sprake van een onderscheid tussen grote en kleine gemeenten. Aandacht voor de historische functie van informatie (publieksbereik) Ook hier overheerst een gevarieerd beeld. Op plaatsen met een gemeentearchivaris is sprake van structurele aandacht voor overgebrachte archieven, voor de overige lijkt het afhankelijk van de belangstelling van de dienstdoende ambtenaar. Veel van de inventarissen van de gemeentearchieven zijn wel online raadpleegbaar.

4

2.3 Toezicht op archeologie en monumentenzorg (erfgoed) 2.3.1 Archeologie De basis voor het toezicht is de Erfgoedwet. Het afgelopen jaar is gepeild hoe diep erfgoed is verankerd in het gemeentelijk beleid. Dat gebeurde op basis van een aantal wettelijke criteria. Geconstateerd werd dat de meeste Friese gemeenten over een erfgoedverordening beschikken, bij een aantal gemeenten bleef dit onduidelijk. Voor de goede orde: een erfgoedverordening is verplicht. Bij een aantal gemeenten is de erfgoedverordening minimaal 5 jaar oud. Het gebruik van FAMKE, de Friese archeologische waardenkaart, laat een alarmerend beeld zien. Uit de gesprekken ontstaat de indruk dat FAMKE bij veel gemeenten niet geactualiseerd is en daarmee als een statisch product “van de provincie” wordt ervaren. Een aantal gemeenten is bezig met verdiepingsslagen aan te brengen in FAMKE of heeft de ambitie FAMKE te updaten/actualiseren. Alleen Leeuwarden gebruikt FAMKE niet; deze gemeente maakt gebruik van eigen kaarten. 2.3.2 Monumentenzorg Niet alle gemeenten hebben een vastgestelde monumentenlijst. Sommige gemeenten zijn bezig met een inventarisatie, andere gemeenten hebben de lijst gewoonweg niet. Financiële afwegingen lijken hierbij een rol te spelen.

Wat opvalt is dat bij veel gemeenten nieuwe medewerkers binnen dit domein werkzaam zijn, dat niet overal formatie voor vrij is gemaakt of dat medewerkers het domein er als het ware ‘bij doen’. Door een gebrek aan formatie en specifieke kennis, is dit een kwetsbaar domein. Dit geldt ook voor grotere gemeenten. ‘We maken ons niet zozeer zorgen over monumenten waar bouwvergunningen zijn aangevraagd, maar vooral over hetgeen waar geen vergunning voor is aangevraagd. Daar is nu geen aandacht voor,’ aldus een erfgoedambtenaar. Tijdens de gesprekken is vaak gevraagd naar het al dan niet afwijken van de adviezen van adviesbureau Hûs en Hiem. Hoe vaak dit gebeurde kon niet worden aangegeven. Wel zei een gemeente dat er soms bewust wordt afgeweken van adviezen, omdat het beleid verouderd is. Een gemeente als Schiermonnikoog zegt juist nooit af te wijken, omdat zij veel waarde hecht aan de opvatting van een onafhankelijke expert. Opvallend is dat bij een aantal gemeenten in de begroting en jaarrekening geen informatie is opgenomen over erfgoed. Ook grotere gemeenten als Súdwest-Fryslân en Heerenveen, waar relatief veel wordt gedaan aan erfgoed, zijn hier eveneens voorbeelden van. 2.4Toezicht op huisvesting statushouders Gemeenten zijn wettelijk verplicht elk half jaar een bepaald aantal statushouders te huisvesten. Dit is de taakstelling.

De minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de taakstelling per gemeente. De hoogte van de taakstelling hangt af van het aantal inwoners en het verwachte aantal statushouders. De provincie ziet erop toe dat gemeenten voldoen aan de wettelijke taakstelling. Het toezicht op de huisvesting van verblijfsgerechtigden kent twee peilmomenten: 1 januari en 1 juli. Aan de hand van de realisatiecijfers van het COA gaat de provincie na of de gemeenten hun halfjaarlijkse taakstelling hebben gerealiseerd. Heeft een gemeente onvoldoende statushouders gehuisvest, dan heeft de toezichthouder de plicht om in te grijpen. Daarom valt een gemeente die een half jaar achterloopt op de taakstelling onder verscherpt toezicht van de provincie. Bij het verscherpt toezicht (trede 2) hanteren wij de bestuurlijke interventieladder. De eerste stap is ambtelijk 5

overleg, daarna volgen bestuurlijke gesprekken en een plan van aanpak (trede 3) als de situatie niet verbetert. De gemeente krijgt de tijd om verbetering te laten zien. Hoe het toezicht precies verloopt, is maatwerk. Blijft de gemeente na het doorlopen van de hele interventieladder nog steeds in gebreke, dan kan de provincie het werk van de gemeente gaan uitvoeren op kosten van de gemeente (trede 4 tot en met 6). Van de 14 gemeenten met een taakstelling hebben 6 gemeenten in de eerste helft van 2022 de taakstelling niet gehaald. In de tweede helft was de situatie als volgt: Van de 14 gemeenten met een taakstelling hebben 4 gemeenten de taakstelling niet gehaald.

2.5 Toezicht op water en riolering Op basis van de gesprekken in de periode januari-juni 2022 (en de eerdere pilotgesprekken in 2021), blijkt dat het domein water en riolering in beweging is. Uit de gesprekken concluderen we dat de rioleringstaken van de Friese gemeenten op orde zijn. Alle gemeenten maken gebruik van een wettelijk verplicht gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Hiervan zijn de meesten actueel, een aantal staat op het punt te verlopen of zijn recent verlopen. In deze gevallen gaven gemeenten aan te werken aan actualisering, bijvoorbeeld van de basisrioleringsplannen. Nieuwe wetgeving zoals de Omgevingswet brengt nieuwe taken met zich mee voor het IBT, maar hoe deze er precies uit komen te zien is op dit moment niet duidelijk. Wel is er gesproken over de eventuele effecten van de wet. De verplichting voor het opstellen van een GRP komt te vervallen. Ongeveer de helft van de gemeenten heeft aangeven het GRP te blijven gebruiken omdat het een effectief sturingsinstrument is. Een kwart van de gemeenten heeft hier nog geen besluit over genomen, zeker twee gemeenten laten het instrument los. De verplichte wateronderdelen worden dan opgenomen in andere beleidsdocumenten (bijvoorbeeld in de Omgevingsvisie). Uit de gesprekken met de gemeenten blijkt dat in alle GRP’s in meer of mindere mate aandacht is voor klimaatadaptatie en duurzaamheid.

Dit thema zal een prominente plek innemen binnen de toekomstige Omgevingswet en het brede water (bodem) domein. In het kader van klimaatadaptatie hebben alle gemeenten meegewerkt aan de (verplichte) stresstesten (o.a. wateroverlast en overstroming). Vrijwel alle gemeenten hebben deze stresstesten uitgevoerd en in de meeste GRP’s wordt melding gemaakt van kwetsbare locaties die uit de tests naar voren zijn gekomen. Met name (toekomstig) hemelwateroverlast speelt een rol in Fryslân; vooral de wat meer stedelijke gemeenten geven aan dat zij waardevolle informatie uit de uitgevoerde stresstesten hebben gehaald die hen aanknopingspunten biedt om maatregelen te nemen. Belangrijk om te noemen: het gaat hier om theoretische stresstesten. De uitkomsten van deze testen zijn niet altijd gelijk aan de praktijk. ‘Blind’ aanpassingen doen in het straatbeeld op basis van deze testen, is af te raden. Uit de gesprekken blijkt verder dat klimaatadaptatie en duurzaamheid een thema is dat gemeenten hoger op de agenda (willen) plaatsen in de komende jaren. Het anticiperen op klimaatverandering en het verduurzamen van de leefomgeving brengen uitdagingen met zich mee die (gemeente) grensoverschrijdend zijn. Dit benadrukt ook de complexiteit van deze uitdaging.

In Fryslân kiezen verschillende gemeenten ervoor om stimuleringsprogramma’s op te zetten die burgers kunnen helpen klimaatbewuste keuzes te maken. Een voorbeeld hiervan is de uitgifte van gemeentelijke subsidies voor het vergroenen van particuliere tuinen (verwijdering van bestrating). Het afdwingen van gedrag door middel van gemeentelijk beleid is (nog) 6

niet aan de orde en voor veel gemeenten onaantrekkelijk vanwege het dwingende karakter. Wat opvalt is dat Friese gemeenten bij de uitvoering van waterzorgplichten gemiddeld over minder fte’s beschikken dan elders in gemeenteland. Oorzaak hiervan is de veranderende arbeidsmarkt. Het aantrekken en behouden van technisch geschoold personeel wordt volgens gemeenten steeds ingewikkelder. De kwetsbaarheid van gemeenten neemt hierdoor toe; een aantal gemeenten probeert dit te bestrijden door bijvoorbeeld cruciale informatie over het rioolwezen te digitaliseren. Een andere gekozen methode is het oprichten van een flexpool van technische medewerkers die door meerdere gemeenten ingezet kunnen worden. Tot slot wordt er ook ingezet op het aanbieden van werk- en leerplekken (en traineeships), waarmee het aantrekken van nieuw en jong personeel eenvoudiger moet worden.

2.6 Toezicht op gebruik Friese taal Het beeld van op welke manier het Frysk leeft bij de Friese gemeenten is heel wisselend. De oorzaak hiervan lijkt de beschikbaar gestelde tijd en geld; dit verschilt aanzienlijk tussen de Friese gemeenten. Hieronder een voorbeeld. Een bepaalde Friese gemeente heeft geen budget beschikbaar voor het Frysk, al is door dezelfde gemeente wel taalbeleid vastgesteld. Voor het oppakken van activiteiten is de gemeente nagenoeg volledig afhankelijk van provinciale subsidies. Een andere gemeente heeft juist ruim voldoende formatie beschikbaar gesteld om het Frysk actief te stimuleren. Bij zes van de Friese gemeenten is er ongeveer vier uur per week beschikbaar voor het Frysk. Daarbij is gebruik kunnen maken van provinciale subsidies een belangrijk hulpmiddel voor het kunnen vormgeven van taalbeleid. Tijdens onze gesprekken hoorden we verschillende ideeën over hoe het Frysk (meer) zichtbaar te maken. Bij zeker vier gemeenten heeft het Frysk een plekje in de programmabegroting, via concrete doelstellingen en activiteiten. Hiermee is verzekerd dat er structurele aandacht is voor het Frysk, omdat het onderdeel van de P&C-cyclus is. In gesprekken met andere gemeenten zou dit als een best-practise teruggekoppeld kunnen worden (probeer het taalbeleid in de programmabegroting te krijgen).

Hierbij moet wel een kanttekening worden geplaatst: doelstellingen uit de programmabegroting vloeien vaak voort uit datgene wat in het coalitieakkoord is opgenomen. Is het Frysk onbenoemd gelaten, dan is het ingewikkeld om het Frysk in de programmabegroting te plaatsen. Tot slot: het taalbeleidsplan/uitvoeringsplan van één Friese gemeente sprong er positief uit. Een concreet plan waarin per activiteit beschreven is hoeveel geld er nodig is. Tot slot blijft een interessante vraag wat de correlatie is tussen beschikbare formatie in een gemeente en de zichtbaarheid of het gebruik van het Frysk.

2. Themaonderzoeken Aansluitend op de bevindingen uit de pilots en de gesprekken in 2021 en 2022 zijn in het najaar twee verdiepende themaonderzoeken gestart. We zoomden daarbij in op twee toezichtdomeinen: het omgevingsrecht en archeologie & monumentenzorg. Op 7

het terrein van het omgevingsrecht betrof het de status van het uitvoeringsprogramma VTH, het Jaarverslag VTH 2021 (FUMO-basistaken en thuistaken van uw gemeente). Ook werd een uitvraag gedaan naar de wijze waarop wordt voldaan aan de VTH-kwaliteitscriteria. Bovendien werd gevraagd naar de wijze waarop de gemeenteraad geïnformeerd is over de stand van zaken t.a.v. de VTHkwaliteitscriteria. Op archeologisch terrein werd verdieping gezocht op het punt van het wel of niet voldoen aan de Monumentenwet, specifiek Artikel 38a van de Monumentenwet zoals van toepassing op grond van artikel 9.1 eerste lid van de Erfgoedwet zegt: de gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheerverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Op grond van bovenstaand artikel dienen de door de gemeente vastgestelde bestemmingsplannen en/of beheerverordeningen rekening te houden met de archeologische verwachtingswaarden. Het risico van niet of onvoldoende rekening houden met aangetoonde of te verwachten monumenten (archeologische verwachtingswaarden is dat archeologische waarden en informatie ongedocumenteerd verdwijnen.

Archeologische waarden die verdwijnen kunnen niet hersteld worden; eens weg is altijd weg. Het gebruik van FAMKE door de gemeenten is in deze vraagstelling besloten. Er bestaat een vermoeden dat nog veel Friese gemeenten slechts de archeologische waarden in FAMKE hebben opgenomen en dat de archeologische verwachtingswaarden missen. Voor 2007 was dit een gangbare werkwijze omdat de wet hier geen nadere eisen aan stelde. Echter, in 2007 is de toenmalige Monumentenwet middels de Wijziging op de Archeologische Monumenten Zorg (WAMZ) aangepast en sindsdien dienen ook de archeologische verwachtingswaarden te worden opgenomen. Ook onder de huidige Erfgoedwet (2016) is artikel 38a van toepassing gebleven. Door middel van dit onderzoek, wat beschouwd kan worden als een beperkte nulmeting en waarin we ons richten op een beperkt aantal plannen, proberen we hier in Fryslân inzicht in te krijgen. Wij hebben geconstateerd dat bij meerdere gemeenten een aantal wettelijk vereiste documenten ontbreken en dat daarmee niet kan worden vastgesteld of er op het vlak van VTH en Erfgoed wordt voldaan aan de wettelijke eisen en welke risico’s dat met zich meebrengt. In de uitvoeringsagenda 2023-2024 komt daar een vervolg op. De aandacht gaat uit naar de gemeenten die in onze ogen het hoogste risico lopen. 3.

Klachten en signalen Onderdeel van de wettelijke taak als interbestuurlijk toezichthouder is het behandelen van klachten en signalen over de uitvoering van de wettelijke medebewindstaken door gemeenten, waterschappen of gemeenschappelijke regelingen. In 2022 zijn er 4 klachten/signalen binnengekomen. Het betrof grotendeels klachten op het toezichtdomein Omgevingsrecht. Deze klachten/signalen zijn afgehandeld in overeenstemming met het klachtenprotocol.

4. Personele ontwikkelingen 8

Opgemerkt moet worden dat het team in de loop van het afgelopen jaar aan slagkracht moest inboeten door vertrek en overlijden van twee teamleden.

5. Kennisdeling Kennisbijeenkomsten hebben als doel het delen van best practices, leren van elkaar en het bespreken van relevante wettelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. In het voorjaar heeft een kennissessie met de kring van Friese raadsgriffiers bij de gemeente Fryske Marren in Sneek plaatsgevonden. Onderwerp was het horizontaal toezicht (“horizontale controle”) van de gemeenteraad. Heinrich Winter, hoogleraar toezicht aan de Rijksuniversiteit Groningen, liet er zijn licht op schijnen. Een van de conclusies was dat het interbestuurlijk toezicht door de gemeenteraad over het algemeen als technocratisch wordt ervaren. Op het terrein van Archief en Informatie is tweemaal deelgenomen aan een landelijke LOPAI-sessie (Landelijk Overleg Provinciaal Archief Inspecteurs) en is er op het provinciehuis een maal een kennisbijeenkomst voor Fries archivarissen georganiseerd.

6. Vooruitblik Voor het resterende gedeelte van 2023 en 2024 wordt er een uitvoeringsagenda IBT opgesteld. Deze zal worden gedeeld met onze toezichtontvangers.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=7395efb1-5d04-48ea-8ca2-d144fe42dbc2