CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Landschapsbiografisch essay Schierm..pdf

Informatiebijeenkomst Raad 10 november 2022, gemeente Schiermonnikoog20.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Schiermonnikoog als Nationaal Park Een landschapsbiografisch essay

Jeroen Wiersma, MA (De Herontdekkingsreiziger) Prof. dr. Marijn Molema (Rijksuniversiteit Groningen) Mirthe Bos (Rijksuniversiteit Groningen) Kayleigh van der Waard (Rijksuniversiteit Groningen) In opdracht van Nationaal Park Schiermonnikoog

1

Inhoud Proloog

3

Inleiding: de toekomst van het Nationaal Park Schiermonnikoog

4

Deel 1: Land scheppen op Schiermonnikoog

6

Kleine ontstaansgeschiedenis

9

Het productieve landschap

15

De waarde van recreatie en toerisme

27

Het landschap van de natuur

37

Deel 2: Spanningsvelden

42

Conclusie

46

Verantwoording

47

2

Proloog Meeuwen, ze bestaan al 30 miljoen jaar. Toen de mens nog ver weg was, waren zij getuige van de langzame vorming en bewoning van ons land. Ze vlogen ook boven de plek waar nu Schiermonnikoog ligt, een plek waar duizenden jaren geleden nog geen eiland lag. Stel je voor: meeuwen hebben het eiland Schiermonnikoog zien ontstaan en veranderen. Zo’n oude soort zal ook nog lang boven Schiermonnikoog blijven vliegen. Wat zullen zij zien in de komende decennia, in de komende eeuwen? Op welk Schiermonnikoog kijken zij neer? Een ding is zeker: een Nationaal Park zullen zij niet zien. Zoiets verzint alleen de mens. Deze soort maakt landkaarten, trekt lijnen en kleurt ze in. Ze geven die gebieden namen, zoals ‘park’. Zij plaatsen er het additief ‘nationaal’ voor en scheppen daarmee een ‘Nationaal Park Schiermonnikoog’. Het is een schakel van ideeën en verwachtingen die hen daartoe drijft. Wat mensen zien staat los van wat meeuwen zien: het strand, de duinen, huizen, landbouwpolders en de aankomst van de Rottum of de Monnik. Ondertussen leiden de mijmeringen van de mens tot denkbeelden. Sommige denkbeelden vormen zich tot plannen. En sommige van die plannen worden uitgevoerd. Daarmee zijn mijmeringen niet als de wolken die weer voorbijtrekken. Mijmeringen laten sporen achter: zij liggen aan de basis van het voortdurende menselijke ingrijpen op het eiland Schiermonnikoog.

En de meeuw? Die vliegt voort, onverschillig en opportunistisch. Gelukkig maar, want meeuwen horen bij Schiermonnikoog.

3

Inleiding: de toekomst van het Nationaal Park Schiermonnikoog Schiermonnikoog staat op een kruispunt in de geschiedenis. Er zijn kansen: de rust, de natuur, de cultuurhistorie, kleinschaligheid en toerisme. Dit maakt het eiland een magische plek voor vele generaties, of zij nu op het eiland zelf wonen of ‘op de wal’. Maar er zijn ook bedreigingen. Het zijn de mondiale thema’s die overal doorwerken. De zoektocht naar balans tussen economie en ecologie leidt in de Banckspolder tot hoofdbrekens over de stikstofuitstoot en de vermeende schade voor de natuur. Nog fundamenteler is de klimaatverandering waardoor de zeespiegel stijgt en de waterveiligheid bedreigd wordt. Hiermee samen hangt de energietransitie, waarvan iedereen de noodzaak wel inziet, maar waarvan de lasten toch ook wel ergens zullen neerslaan. Misschien wel op Schiermonnikoog, omdat er stroomkabels zijn geprojecteerd in haar mooie achtertuin. Of omdat er toch nog boortorens in het Waddengebied komen. Tenslotte is er de universele zorg om leefbaarheid, die op Schiermonnikoog onder druk staat als gevolg van vergrijzing en de smaller wordende basis onder voorzieningen als zorg en onderwijs. Aan aandacht voor kansen en bedreigingen is er overigens geen gebrek. Weinig vierkante kilometers zijn in Nederland zo beleidsrijk als de Waddeneilanden.

Een myriade aan overheden, samenwerkingsverbanden, investeringskaders en fondsbesturen ontfermen zich over de eilanden en de omringende Waddenzee. Overigens, wie denkt dat de bewoners van Schiermonnikoog en het gemeentebestuur zich hierdoor alleen maar gevleid voelen, heeft het mis. Er heerst ongemak over zoveel invloedrijke instanties ‘van de wal’ die over het eiland spreken. Er is een gevoel dat sommige zaken worden opgedrongen. Het gevoel iets te krijgen opgedrongen was in ieder geval aanwezig toen Nationaal Park Schiermonnikoog in 1989 werd ingesteld. We zijn ondertussen ruim dertig jaar verder. In die tijd hebben veel eilandbewoners meer gevoel en betrokkenheid bij het park ontwikkeld. De vraag dringt zich op wat het nationale park kan betekenen in het verzilveren van kansen en het tegengaan van bedreigingen? De toekomst van het nationale park verdient zijn eigen mijmeringen. Gedachten over die toekomst kunnen helpen bij de genoemde uitdagingen rond klimaatverandering, stikstof, energietransitie en leefbaarheid. Dit is het uitgangspunt van dit landschapsbiografische essay. Het essay, in letterlijke vertaling een ‘poging’, is een beproeving in het voorstelbaar maken van een andere invulling van het Nationaal Park. Het Nationaal Park is in veel opzichten het product van de twintigste eeuw.

In de twintigste eeuw greep de overheid diep in op tal van domeinen in de samenleving: de landbouw en industrie, de natuur, recreatie. De plannen waren sectoraal georiënteerd en concentreerden zich op één aspect. Nationale Parken waren een van de instrumenten bij het natuurbeleid, dat los van ander beleid een eigen leven ging leiden. Noodgedwongen dringt in de 21ste eeuw het besef door dat deze sectorale aanpak tekortschiet. De complexiteit van onze hedendaagse kansen en bedreigingen vraagt om een meer integrale aanpak. Op basis van deze overtuiging kunnen we het uitgangspunt van dit essay ook aanscherpen. Uitgangspunt is dat de toekomst van het Nationale Park gezocht moeten worden in meer verbindingen. Meer verbindingen tussen natuur & ecologie enerzijds en aspecten als de lokale economie en democratie, de cultuurhistorie, recreatie & toerisme en gemeenschap op Schiermonnikoog anderzijds. We zullen proberen de waarden scherp te krijgen waarmee inwoners en bij het eiland betrokken mensen ‘van de wal’ naar het landschap kijken. Waarden komen voort uit de idealen en principes waarmee mensen in het leven staan. 1 Als zodanig veranderden ze niet zo snel en vormen ze een drijfveer voor het menselijke handelen. Als verandering indruisen tegen diepgewortelde waarden, dan worden mensen over het algemeen boos of bedroefd.

Maar als veranderingen aansluiten bij de waarden van mensen, kunnen ze ook blij worden. Waarden krijgen pas betekenis in concrete situaties, in momenten waarop moeilijke keuzes gemaakt moeten worden. Het gaat dan om alle actoren binnen het speelveld van het eiland, in het heden, verleden en met een doorkijk naar de toekomst. Daarbij kan gedacht worden aan voormalige eigenaren van het eiland (het klooster Klaarkamp, de provincie Friesland, familie Stachouwer, John Erik Banck, de familie Von Bernstorff en de Rijksoverheid). Naast deze eigenaren hebben ook boeren, vissers, walvisvaarders, jagers, ondernemers en terreinbeheerders hun stempel op het landschap gedrukt.

1 S. H. Schwartz, “Are there universal asects in the content and structure of values?” Journal of Social Issues 50 (1994): 19-45.

4

Welke waarden speelden een rol in hun denken over en hun vormgeven van het landschap op Schiermonnikoog? Hoe zijn deze in de tijd veranderd? Omwille van de toekomstdiscussie over het Nationaal Park voegen we aan deze vragen nog eentje toe. Wij zijn van mening dat de verschillende en op elkaar inwerkende waarden tot spanningen hebben geleid. Waar knelt het? Hoe zijn deze spanningen ontstaan? Welke kansen biedt een nationaal park ‘nieuwe stijl’ om op een constructieve manier met deze spanningen om te gaan? Deze vragen staan centraal in het tweede deel van ons essay. De nadruk op waarden is geïnspireerd op het werk van de Deens-Amerikaanse landschapstheoreticus Kenneth Olwig. 2 In zijn werk benadrukt hij dat landschap een constructie is van de mens. In de constructie, die zowel mentaal als fysiek van aard is, klinken allerlei ideeën door die individuen en organisaties belangrijk vinden. De ontwikkeling en de invloed van die ideeën (of: waarden) is het resultaat van een historisch proces dat zijn eigen dynamiek kent. Om te begrijpen hoe het landschap veranderde, is het dus belangrijk hoe het denken over het landschap (en de waarden die daarin worden gelegd) veranderd is. Dit perspectief kan ons helpen om de huidige situatie te beschrijven en te begrijpen als een situatie waarin verschillende waarden met elkaar schuren en botsen.

Elk van die waarden kent zijn eigen dynamiek en laat zijn sporen achter in de landschapsgeschiedenis. In de toekomst is het van belang om manieren te vinden om botsende waarden beter op elkaar af te stemmen. Wij veronderstellen dat het beschrijven en begrijpen van de diverse waarden daarbij kan helpen. Met het benoemen van verschillen tussen waarden, die er nu eenmaal zijn, worden spanningen zichtbaar. Misschien lukt het om de spanningen ten aanzien van het Nationale Park Schiermonnikoog in de nabije toekomst te ontladen of te verminderen. Een voorwaarde daarvoor is echter dat de spanningen eerst (h)erkend en bediscussieerd worden. Dit essay hoeft tot doel om een dergelijke discussie te stimuleren en te ondersteunen. De ruimtelijke afbakening beslaat het gehele eiland Schiermonnikoog, waarbij ook de relatie tot het vaste land onder de loep worden genomen. We beginnen onze analyse rond het jaar 1300, de periode waarin het klooster Klaarkamp een uithof stichtte. We kijken door een fysisch-geografische, historisch-ecologische en een sociaaleconomische bril naar het eiland. Bovendien is er aandacht voor het politieke aspect in de omgang met het landschap van Schiermonnikoog. Deze invalshoeken staan centraal in het eerste deel. In het tweede deel leggen we de verbinding met de hedendaagse discussies over de toekomst van het Nationale Park.

2 Kenneth Olwig, “This is not a landscape: circulating reference and land shaping,” in European rural landscapes: persistence and change in

a globalising environment, onder redactie van H. Palang et al. (Dordrecht: Kluwer, 2004) 41-65. Kenneth Olwig, Nature’s ideological landscape (Londen: George Allen & Unwin, 1984).

5

Deel 1: Land scheppen op Schiermonnikoog De term ‘Nationaal Park’ is een Amerikaanse uitvinding. In 1872 werd het voor het eerst gebruikt om het natuurschoon van Yellowstone te bewaren. 3 De ontstaansgeschiedenis van het nationale park is nauw verbonden met een romantisch ideaal waarin mens en natuur in een harmonieuze relatie tot elkaar staan. De eerste parken werden ook geacht het ongerepte en ‘ware’ Amerika te bewaren. De landschappen kregen zodoende waarde als een bron voor culturele kracht en nationale identiteit. Het concept waaide over naar de rest van de westerse wereld. In Amerika lag de nadruk op grootse wildernis. Europa echter was arm aan ongerepte wildernis. Daarom werden het begrip Nationaal Park vooral op gebieden in de overzeese koloniën geprojecteerd. 4 Nationale Parken in Nederland Het begrip was echter ook behulpzaam in de strijd voor het behoud van natuur in eigen land. De industrialisatie en verstedelijking verkleinde de oppervlakte aan natuur drastisch. Daarom riepen verschillende natuurliefhebbers vanaf de jaren 1920 om nationale parken in Nederland op te richten. De Nederlanders deden dat uiteraard op hun eigen manier, die in grote mate afweek van de oorspronkelijke Amerikaanse aanpak. De staat stond op afstand, nationalisme was niet de drijvende kracht en recreatie was ook niet het hoofddoel.

Het eerste Nederlandse nationale park - De Veluwezoom – werd in 1930 op particulier initiatief ingericht. 5

Afbeelding 1: Nationaal Park De Veluwezoom. Opgericht in 1930 uit particulier initiatief als eerste nationale park van Nederland. 6

Het duurde nog een halve eeuw voor de eerste Nationale Parken vanuit overheidsinitiatief werden opgericht. Schiermonnikoog was in 1989 de eerste. Dat was het directe gevolg van de internationalisering van het natuurbeschermingsbeleid rond 1970. Nederland werd lid van het IUCN - de internationale gemeenschap voor natuurbescherming. De IUCN stelde allerlei regels en terminologie op rondom Nationale Parken. In Nederland kwam steeds meer nadruk op behoud van verschillende landschappen, het nationale parken-concept was daarbij behulpzaam. Recreatie, natuureducatie en natuurbescherming waren hoofddoelen bij het inrichten van Nationale Parken. 7

3 Bernhard Gissibl, Sabine Höhler en Patrick Kupper, Civilizing nature: National parks in global historical perspective (New York: Berghahn

Books, 2012), 1.

4 John Sheail, Nature’s spectacle: The world’s first national parks and protected areas (Londen: Earthscan, 2010), 7.

5 Henny van der Windt, “Parks without wilderness, wilderness without parks? Assigning national park status to Dutch manmade landscapes

and colonial game reserves,” in Civilizing nature: National parks in global historical perspective (New York: Berghahn Books, 2012): 208-209. “Uitkijkpunt De Driesprong, Nationaal Park Veluwezoom,” Natuurmonumenten, geraadpleegd via https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebieden/nationaal-park-veluwezoom/tips/uitkijkpunt-de-driesprong-nationaal-parkveluwezoom 7 Samenwerkingsverband Nationale Parken, Ontstaansgeschiedenis, feiten en ontwikkelingen Nederlandse Nationale Parken 1975-2006 (Den Haag: IFZ Bedrijfsuitgeverij, 2007), 1. 6

6

Nederland telt 21 Nationale Parken die volgens het Nationale Parken Bureau samen het ‘verhaal vertellen van de Nederlandse natuur’. Niettemin vielen deze ‘pronkjuwelen’ vanaf 2013 tussen wal en schip. De Rijksoverheid moest bezuinigen en besloot daartoe het gehele natuurbeleid te decentraliseren naar de provinciën. Nationale Parken werden ‘vervallen Rijkstaak’. Opvallend genoeg werd de zorg niet belegd bij de provincies. 8 De provincies mochten zelf bepalen of ze tot adoptie overgingen. Het leidde tot een verwarrende tijd voor de Nationale Parken. Ze moesten op zoek naar nieuwe financieringsvormen en regionale inbedding. Deze zoektocht ging voor de meeste Parken gepaard met grote hobbels, waardoor het eerder overleven was. 9 Er ontstond een paradox: de natuurgebieden droegen de prestigieuze titel van Nationaal Park, maar de titel zei niets meer en de parken werden uitgehold en aan hun lot overgelaten. “De pronkjuwelen waren van de ene op de andere dag de weeskinderen van de Nederlandse natuur.” 10

Figuur 1

Nationale Parken van wereldklasse Dat moest anders. In het parlement namen Kamerleden Van Veldhoven (D66) en Jacobi (PvdA) de taak op zich de Nationale Parken terug op de Rijksagenda te krijgen. 11 Met een tweetal moties (2013 en 2014) joegen zij een proces aan dat Nationale Parken een nieuwe positie gaf. Onderdeel hiervan was de verkiezing van het ‘mooiste natuurgebied van Nederland’ in 2016. Nationale Parken deden erg hun best in deze wedstrijd. De winnaar zou 300.000 euro ontvangen om te investeren in kwaliteitsverhoging van het park. Gezien de geldproblemen was het logisch dat veel Parken hun beste beentje voor zetten. Van de twintig genomineerden werden uiteindelijk door het publiek drie natuurgebieden als winnaar aangewezen. 12 “Deze verkiezing winnen betekent de nekslag voor een natuurgebied.” 13

8 Marcel Pleijte en Roel During, “Nationale parken in transitie: Governance-implicaties van een veranderend beleidskader,” WOt-paper 47

(december 2016), 1-2.

9 Pleijte en During, “Nationale parken,” 2.

10 Ed van Tellingen, “Nationale parken tussen wal en schip,” Leeuwarder Courant, 9 juli 2016.

11 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2015; Amendement; Amendement van de leden Jacobi en Van Veldhoven ter vervanging van nr. 56 dat beoogt middelen vrij te maken voor het opzetten en implementeren van een nieuwe standaard voor nationale parken. 26 november 2014. 12 “Winnaars mooiste natuurgebied van Nederland,” IVN Natuureducatie, 1 november 2016. 13 Koos Dijksterhuis, “Verkiezing nekslag voor natuur,” Trouw, 22 maart 2016.

7

De aandacht voor de Nationale Parken leidde tot een nieuwe paradox: de verkiezing zette de Nationale Parken weer op de kaart om daarmee burgers te trekken. Maar door de decentralisatie was er geldtekort waardoor de nationale parken niet goed aan de verwachtingen konden voldoen. Bovendien riep de verkiezing ook wel het beeld op van nationale parken als pretparken. Terwijl, volgens critici, de kwetsbare natuur voorop zou moeten staan.

Figuur 2 In de jaren 2014-2017 zijn meerdere rapporten en beleidsadviezen geschreven over Nationale Parken. Uiteindelijk werd gekozen voor de lijn van ‘Nationale Parken Nieuwe Stijl’. Dit zijn grotere samenhangende gebieden waarbinnen natuurkernen liggen en waarmee bewoners, maatschappelijke instellingen en ondernemers zich verbonden voelen. Deze Parken verbinden dus natuur met cultuurhistorie en regionale economie. Dat is een stuk breder dan Nationale Parken in de oude stijl. Deze waren met name gericht op natuurbescherming. Nationale Parken Nieuwe Stijl vragen om nieuwe spelregels tussen Rijk, provincies, grote terreinbeherende organisaties en de samenleving, waarbij iedereen weet wie waarvoor verantwoordelijk is. Tot 2023 is geld beschikbaar gesteld door het Rijk om de concrete vertaalslag naar de 21 parken te maken. Schiermonnikoog maakt hier gebruik van. Het park op dit eiland doet actief mee aan de zoektocht naar behoud en vernieuwing van het nationale park.

Figuur 3: Voorlopige politieke tijdlijn omtrent Nationale Parken Nieuwe Stijl, 2013-2023.

8

Kleine ontstaansgeschiedenis Normaalgesproken begint een landschapsbiografische schets van een plek met een uitgebreide verkenning van relicten uit de laatste ijstijden. Voor Schiermonnikoog kunnen we de gehele geschiedenis tot aan de Late Middeleeuwen overslaan, aangezien de ligging tussen twee zeeën ervoor heeft gezorgd dat Schiermonnikoog, net als de andere Waddeneilanden, veel meer in beweging is geweest dan het vasteland aan de andere kant van de Waddenzee. Het dynamische karakter van de zee heeft het land van west naar oost steeds weer doen afbreken en aangroeien. Door de schurende werking van water en wind is het landschap van Schiermonnikoog dus relatief jong, vergeleken met het terpen en wierdenlandschap langs de zuidkust van de Waddenzee dat al vanaf 2500 voor Christus bewoond werd. Historische bronnen waarin het eiland wordt genoemd gaan niet verder terug dan het jaar 1300. Het Schiermonnikoog van die tijd had niet alleen een compleet andere ligging en vorm dan het huidige eiland; het droeg ook een andere naam: Wervneraughe. Wervneraughe of Werveroog lag waar tegenwoordig Het Rif ligt, zo’n zes kilometer westelijk van de meest westelijke punt van het huidige eiland. 14 Veel meer dan de vroegere naam van het eiland is er uit die tijd niet bewaard gebleven.

Voor een schets van de verdere fysisch-geografische geschiedenis van het eiland zijn we aangewezen op de vroegste kaarten van het eiland.

Figuur 4: Schiermonnikoog op een kaart uit 1600-1650. 15

14 University of Groningen, Center for ecological and evolutionary studies, Salt marshes Schiermonnikoog: Field guide (Groningen: 19xx). 15 Kaart van de Waddenzee rondom Schiermonnikoog met de vaarweg van Zoutkamp langs dit eiland naar de Noordzee, 1600-1650,

Groninger Archieven, identificatienummer NL-GnGRA_817_1071.

9

Figuur 5: Schiermonnikoog op een kaart uit omstreeks 1700. 16

Figuur 6: De huidige ligging van Schiermonnikoog ten opzichte van de positie die het eiland zo’n 700 jaar geleden had. 17

16 Schiermonnikoog met het geulensysteem van Friesche Gat en Scholbalg. Anoniem en ongedateerd, omstreeks 1700. Collectie Fries

Museum, PTA588-001. 17 University of Groningen, Salt marshes Schiermonnikoog.

10

Figuur 7: De positie van Het Rif ten opzichte van Schiermonnikoog. 18

Duinvorming De oudste kaart van het eiland wordt gedateerd tussen 1600-1650. 19 We zien een dorpje te midden van een smalle paraboolvormige duinformatie met aan de Noordzeezijde een aan erosie onderhevig steil aflopend strand; een teken dat de zee hier aan het eiland vrat. 20 Op een kaart uit omstreeks 1700 wordt de westkop van het eiland gekenmerkt door een eveneens smalle duinenrij en drie zandplaten die door een geul van het strand zijn gescheiden. De duinpartijen hebben een andere vorm aangenomen. Naast de smalle duinenrij in het noordwesten zien we nu ook een zuidelijk duincomplex. Tussen beide duinformaties lag indertijd een strandvlakte met een slenk of glop. Via deze doorbraak kon bij extreem hoge waterstanden tijdens noordwesterstormen het Noordzeewater overslaan naar de achterliggende waddenvlakte. Op een kleurrijke en met grappige details gevulde kaart uit omstreeks 1730 lijkt een groot deel van het zuidelijke duincomplex in de zee verdwenen te zijn. Er rest enkel nog een klein puntje duin, nog altijd afgescheiden van de westelijke duinen door een strandvlakte. De zandplaten voor de kust van het eiland zijn in een iets andere vorm nog aanwezig en hebben een naam gekregen: Paardemarck en Het Roodhooft. Tussen de platen en de duinenrij lijkt het strand aan breedte te hebben gewonnen. Deze zogenaamde ‘kleine plaat’ was het decor voor strandjutterij en visserij.

Van de duinformaties die op 17de- en 18de eeuwse kaarten staan afgebeeld rest weinig meer, mede door verstuiving en afgraving. Relicten van deze oude duinen bevinden zich ten noordoosten van het Strandhotel, ter hoogte van de bunker Wassermann en onder de bebouwing van het dorp. Het grootste deel van de westelijke duinen, waaronder de Kobbeduinen, werd na 1854 gevormd door samenvoeging van een aantal zandplaten.21

18

Luchtfoto 2018, bewerkt door J. Wiersma.

19 Hidde Feenstra en Meindert Schroor, “Schiermonnikoog historisch op de kaart gezet,” Caert-thresoor: Tijdschrift voor de historisch

kartografie in Nederland 39, nr. 4 (2020): 3-11. 20 Feenstra en Schroor, “Schiermonnikoog”. 21 Lisanne Rietman, Schiermonnikoog: Onzichtbaar verleden. Een interdisciplinair onderzoek naar het historisch grondgebruik en landschapsbeheer in Nationaal Park Schiermonnikoog, Masterscriptie (Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2020).

11

De Kooiduinen zijn ouder. Ze waren al aanwezig in het jaar 1809 volgens een landmeter die in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken het eiland in kaart bracht.

Figuur 8: Schiermonnikoog op een kaart uit omstreeks 1730. De kaart is ten opzichte van de vorige kaarten gedraaid. Boven is zuid, onder is noord. 22

Figuur 9: De vormverandering en de duinvorming op Schiermonnikoog, periode 1568 tot 1963. 23

22 Kaartje van Schiermonnikoog en de zeegaten tussen het eiland, de Friese kust en Ameland, met de ondiepten daarop aangegeven,

Tresoar, kaartnummer 000758, familiearchief Van Beijma thoe Kingma.

23 Isbary, 1936; Bakker et al., 1979; bewerkt door L. Rietman, in: Rietman 2020 .

12

Figuur 10: Reconstructie van de eilandvorming vanaf 1853. 24

Kweldervorming De huidige kwelders op het eiland zijn niet ouder dan 200 jaar. Ze ontstonden nadat zich op het strand kleine duinen hadden gevormd. Met het verder aangroeien van de duinenrij ontstond aan de zuidzijde daarvan een strandvlakte die vanwege de barrière van duinen buiten de invloed van het Noordzeewater kwam te liggen. Alleen tijdens extreem hoog water stroomde de vlakte onder, hoofdzakelijk vanuit de Waddenzee. Het water kwam in de luwte van de duinen tot stilstand, waardoor de zwaardere kleideeltjes tot bezinking kwamen. Iedere keer wanneer er een overstroming plaatsvond, groeide de kwelder in dikte met een dun laagje klei. De dikte van de kwelder hangt af van de ouderdom van de kwelder en van de hoogte van het onderliggende zand. Op basis van de hoogte van de gevormde kwelder kunnen we drie types kwelders onderscheiden: De lage kwelder, de middenkwelder en de hoge kwelder. De lage kwelders van Schiermonnikoog kenmerken zich door het voorkomen van langarige zeekraal, gerande schijnspurrie, lamsoor en gewoon kweldergras. Naarmate de successie vordert verdwijnt de gerande schijnspurrie, terwijl soorten als rood zwenkgras, melkkruid en het sterk geurende zeealsem verschijnen, gevolgd door zilte rus. Uiteindelijk wordt gewone zoutmelde de dominante soort na een successie van veertig tot zestig jaar.

De dominante soorten op de middenkwelder worden gevormd door lamsoor, zeealsem, zeekweek en rood zwenkgras. Met de jaren neemt de hoeveelheid lamsoor en zeealsem af. Op de hoge kwelder domineert 24 University of Groningen, Salt marshes Schiermonnikoog.

13

het rood zwenkgras in eerste instantie, samen met zeeweegbree en zeekweek. Na een successieperiode van zo’n zestig jaar domineert zeekweek op de hoge kwelder. 25

Figuur 11: Wanneer je de topografische kaarten uit 1970, 1990 en 2010 onder elkaar legt, wordt duidelijk zichtbaar dat de kwelders op Schiermonnikoog in betrekkelijk korte tijd terrein hebben gewonnen richting het oosten.

25 University of Groningen, Salt marshes Schiermonnikoog.

14

Het productieve landschap Het boerenbedrijf op Schiermonnikoog kent een lange voorgeschiedenis. Sinds de monniken met de grijze of ‘schiere’ pijen van het klooster Klaarkamp te Rinsumageest de bescheiden enclave van duinen en kwelders tussen Noordzee en Waddenzee in gebruik namen en er hun naam aan gaven, wordt er gezaaid, geoogst, gehooid en gemolken op het eiland. Onder het credo ‘ik moge verteerd worden, als ik maar nuttig ben’ begonnen de kloosterlingen van de cisterciënzer orde vanuit hun kloosterboerderij of uithof met het productief inrichten van het natuurlijke duin- en kwelderlandschap. 26 Dat deden ze in ieder geval al vanaf het eerste kwart van de 14de eeuw, blijkt uit oude oorkondes. 27 Om de van tijd tot tijd overstromende kwelders geschikt te maken voor de landbouw verschenen de nodige waterkundige werken in de vorm van lage dijkjes en eenvoudige waterlossingen. Nadat de basisinfrastructuur vorm had gekregen, kon een deel van de werkzaamheden worden overgelaten aan lekenbroeders en pachtboeren. Lekenbroeders bewerkten het land in ruil voor loon. 28 De pachtboeren bewerkten het land voor eigen risico en droegen een jaarlijkse pachtsom af aan het klooster Klaarkamp. 29 Tijdens de Reformatie vond een religieuze omwenteling plaats waarbij Protestantse hervormers de macht grepen en de Rooms-Katholieke erediensten niet langer tolereerden.

Het Roomse klooster Klaarkamp en de daartoe behorende uithoven werden gesloten. Alle bezittingen kwamen toe aan de Staten van Friesland, die het eiland in 1638 uit geldnood als ‘heerlijkheid’ verkochten aan de vermogende familie Stachouwer. Van natuur naar nuttig Los van de geldnood was de slechte staat van het eiland, met name de door vee aangevreten duinbegroeiing met afkalving als gevolg, een reden voor de Staten van Friesland om tot verkoop over te gaan. Tijdens het ruim tweehonderd jaar durende bewind onder de Stachouwers kalfde het westelijke en het zuidelijke deel van het eiland verder af door een reeks van overstromingen. Door twee verwoestende stormvloeden in 1717 en 1720 verdween een deel van de huizen op het eiland in zee. 30 Het gehucht Westerburen werd het zwaarst getroffen. Ook in het jaar 1737 en 1756 en 1760 heeft het flink gespookt op het eiland. Een ooggetuigenverslag vertelt ons daarover het volgende: In 1737 was er een groote landafspoeling geweest, en in 1756 waren huizen omgewaaid en schepen weggeslagen van hunne ankers, maar daags na Kerstmis in 1760 verhieven zich de golven zoo hoog, dat zij de kerk en onderscheidene huizen wegsleepten.

Eenige dagen te voren had het volk de banken en de preekstoel weggehaald uit de kerk en de lijken uit de graven, en wel iedere familie haar eigene dooden, daar men de gewoonte had de namen der overledenen op de doodskisten te plaatsen. De achtergeblevene doodskisten werden weggespoeld naar de zee, maar zo veel mogelijk opgehaald en verbrand, De aanzienlijken die in de kerk waren begraven werden onder een afdak geplaatst totdat de nieuwe kerk in gereedheid was en vervolgens aldaar ter aarde besteld. Sommige ingezetenen bleven in hunne huizen, totdat deze half waren ingestort, en moesten vervolgens de wijk nemen in de winterstorm zonder te weten waarheen. In de volgende jaren is het land over een afstand van een nagenoeg een uur gaans weggespoeld. Daar zeilen nu schepen waar men gewoon was konijnen te vangen in de duinen. 31 Gebouwen die na de stormvloed nog overeind stonden werden uit voorzorg verplaatst richting het buurschap Oosterburen. Dit buurschap groeide uit tot het huidige dorp Schiermonnikoog. Ruim een eeuw later, in november 1824 en februari 1825, werden de eilanders opnieuw geteisterd door watersnood. Door een ongekend hoge waterstand brak de duinrij op twee plaatsen. De zee vrat in haar stormachtige gedaante acht schepen van de Eilander vloot op.

32 Aangezien de zeevaart, met name de scholvisserij, voor een groot deel van 26 Jan Bank en Doeko Bosscher, Omringd door water: De geschiedenis van de 25 Nederlandse eilanden (Amsterdam: Promotheus, 2021), 203. 27 Rietman, Schiermonnikoog, 13. 28 Jan Holwerda, Arend J. Maris en Frans Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog door de eeuwen heen (Schiermonnikoog: Cultuurhistorische vereniging ‘t Heer en Feer, 2005), 16. 29 Bank en Bosscher, Omringd door water, 204. 30 Rietman, Schiermonnikoog, 15. 31 W.E.H. Lecky, “Schiermonnikoog,” Algemeen Handelsblad, 8 augustus 1894, geraadpleegd via delpher.nl. 32 Bank en Bosscher, Omringd door water, 207.

15

de werkende bevolking op dat moment de belangrijkste bron van inkomsten was, werkte deze gebeurtenis nog lang na in het collectieve geheugen van de eilanders. 33 Boeren vreesden voor verdere afkalving van de flink aangevreten vruchtbare kwelderweide aan de westzijde van het eiland, het zogenaamde Westerveld. 34 Het gevoel van veiligheid was door het natuurgeweld flink aangetast; vele bewoners verlieten het eiland uit vrees voor verdere verliezen. 35 Een angst die goed te begrijpen valt omdat de zeewering in een zeer slechte staat verkeerde. 36 Op een aantal plaatsen was de zee door het bescheiden polderdijkje ten zuiden van het dorp gebeukt en liet ter plaatse diepe poelen achter. Het meest westelijke en oostelijke deel van de zwaar beschadigde dijk kon worden hersteld, waarbij er een nieuw stukje dijk om de poelen werd gelegd. Het gehele middenstuk van de zeewering was dermate beschadigd geraakt dat de eilanders ervoor kozen om de dijk naar binnen toe te verleggen, waardoor er een deel van de reeds ingedijkte kwelder werd opgegeven. 37 Voor het terugwinnen van het gevoel van veiligheid zou er flink geïnvesteerd moeten worden in de kustverdediging. Maar daarvoor zou er eerst een schip met geld aan moeten meren op het gehavende eiland.

Afbeelding 2: Beroepsbevolking Schiermonnikoog 1832. 38

33 HisGIS, Fryske Akademy, 1832. Zie ook afbeelding 2. 34 Bank en Bosscher, Omringd door water, 207.

35 In de periode tussen 1810 en 1835 kromp de eilandbevolking met 10%. Zie daarvoor Bleuten 1971, 2. 36 Bank en Bosscher, Omringd door water, 207. 37 Zie afbeelding 4.

38 HisGIS, Fryske Akademy, 1832.

16

Afbeelding 3: Grondgebruik Schiermonnikoog 1832. Het belastbare landoppervlak van Schiermonnikoog bestond in de eerste helft van de 19de eeuw voor iets meer dan de helft van de totale oppervlakte uit duin. Hier en daar lag een akkertje bouwland aan de voet van de duinen. Bomen waren er amper. Het slot ‘Rijsbergen’ van de Stachouwers lag deels verscholen in een aangeplant bos, maar daar was het dan ook wel mee gezegd. Een groot deel van het eiland bestond uit kwelders en behoorde toe aan de Stachouwers. 39 Boeren konden er hun vee laten weiden. Iedere boer betaalde daarvoor een bedrag per koe aan de Vrijheer. ’s Ochtends werden alle koeien van het eiland op een centrale plaats in het dorp verzameld. Vanuit daar trokken twee herders met de kudde richting de gemeenschappelijke kwelderweilanden; het Westerveld en het Oosterveld. Tegen zonsondergang keerde de kudde onder hoorngeblaas weer terug naar het dorp, en werden de koeien door de boeren naar de stal gebracht en gemolken. 40

39 HisGIS, Fryske Akademy, 1832. Zie afbeelding 3.

40 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 42.

17

Afbeelding 4: Schiermonnikoog omstreeks 1850. 41

Polderboeren Dat schip kwam, samen met de nieuwe eigenaar van het eiland: de steenrijke Amsterdamse jurist en filantroop John Erik Banck. Toen hij het eiland in 1858 voor een som van 96.000 gulden kocht van de Stachouwers, was hij amper 24 jaar oud. Na zijn aankoop begon Banck direct met datgene wat de Stachouwers hadden nagelaten: het op orde brengen van de kustverdediging. Aan de Noordzeezijde deed hij dat door het aanplanten van helm zodat de verstuiving van de duinen werd tegengegaan. Vanaf 1860 werd er jaarlijks zo’n 180.000 vierkante meter helm aangeplant. Daarmee deed hij direct ook de tuinierende dorpsbewoners een grote gunst, omdat het stuivende zand vanuit de duinen de moestuinen in woestijntjes deed veranderen. 42 Aan de waddenkust investeerde hij in een forse zeedijk ten zuiden van het dorp. De aanleg vond plaats in 1860 en werd in minder dan zes maanden voltooid. Naar het oosten toe werd de dijk flink uitgebreid, waardoor er in totaal zo’n 400 hectare vruchtbaar polderland ontstond. Met de dijk diende Banck dus twee doelen: het op orde brengen van de kustverdediging en het scheppen van een goed fundament voor de verdere ontwikkeling van de landbouw op het eiland. De landbouw was ten tijde van de Stachouwers nauwelijks georganiseerd.

Afgezien van de in 1762 gestichte veestalling ‘Pathmos’ aan de Langestreek, met ruimte voor zo’n zeven koeien, wat jongvee en een paard, kende het eiland eigenlijk geen echte boerderijen die voor een markt produceerden. 43 De meeste eilanders hadden hooguit één koe per gezin en waren in dat opzicht zelfvoorzienend in hun zuivelbehoefte. De gemeenschappelijke weilanden bleven vrij schraal omdat er geen planmatige bemesting plaatsvond. Het ongeorganiseerde karakter van de landbouw uitte zich in het landschap door een mozaïek van kleine stukjes land met een gemiddelde omvang van nog geen hectare. 44 De nieuwe eigenaar van het eiland en ondernemer in hart en nieren zorgde binnen zijn ‘Banckspolder’ voor strak verkavelde en ruim opgezette weilanden die door de centraal gelegen Polderdijk goed bereikbaar waren. Daarvoor moest de bestaande Polderdijk een flink stuk naar het oosten toe worden uitgebreid. Na de bedijking werd een deel van de hooilanden en weilanden omgezet tot akker voor het verbouwen van aardappelen, rogge en haver. De aardappelen dienden als veevoer voor het eigen bedrijf. De granen vonden een afzetmarkt op de vaste wal. Het stro bleef op de boerderij. 45 Het gemengde karakter van het boerenbedrijf bleef tot 1962 bestaan.

Na de overstroming die in dat jaar plaatsvond en veel schade toebracht aan de landbouwgronden werden de spaarzame akkers weer als grasland in gebruik genomen.

41 “Kaart van Schiermonnikoog in de atlas van Eekhoff,” Tresoar, 1854. 42 Rietman, Schiermonnikoog, 16.

43 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 138. 44 Op basis van HisGIS, Fryske Akademy.

45 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 181.

18

Alles wat maar nodig was om op een moderne manier te kunnen boeren liet Banck vanaf de vaste wal aanslepen: ervaren Friese boeren en Texelse landarbeidersfamilies, paarden, Texelse schapen en werktuigen. 46 Banck liet in totaal vier voor die tijd moderne boerderijen bouwen: De Oorsprong, De Kooiboerderij, Eureca en De Branding. Bij de Kooiboerderij lag tussen het groen van de wilgen een eendenkooi verstopt waarmee wilde eenden werden gelokt en gevangen. Het was niet de eerste eendenkooi van het eiland. Al rond 1700 werden eenden gevangen midden in het toenmalige kweldergebied. Toen het dorp meer naar het westen werd verplaatst verdween de kooi. Op die plek staat nu het dorpshuis van Schiermonnikoog. 47 De eendenkooi naast de kooiboerderij was met haar wilgenbosje een markant element in het kale polderlandschap, dat omgeven was door kale duinen en kale kwelders. Met de komst van de polderboeren waren er nu twee soorten boeren op het eiland actief. De dorpsboeren en de polderboeren. Was je dorpsboer dan melkte je hooguit vijf of zes koeien in een bescheiden boerenwoning midden in het dorp. De melk werd rechtstreeks verkocht aan dorpsgenoten of gasten. Naast dorpsboer was je ook voerman; met paard en wagen toog je naar het Wad en bracht je de passagiers vanaf de veerboot aan land. Was je polderboer dan had je meer ruimte, meer land, meer koeien en dus meer melk.

Polderboeren verwerkten de melk tot boter die in het dorp werd verkocht. Een enkele polderboer maakte kaas maar dat gebeurde sporadisch. De nieuwe skyline van Schiermonnikoog: Dennenbossen en een schoorsteen John Erik Banck drukte zijn stempel op het eiland door te investeren in kustverdediging en landbouw. Zijn opvolger Hartwig Arthur Berthold Graf Von Bernstorff had daarentegen een heus kuuroord voor ogen, met als voorbeeld het Duitse eiland Norderney. De Duitse graaf kocht Schiermonnikoog van Banck in het jaar 1893 voor 200.000 gulden. Van een kuuroord is het nooit gekomen. Wel realiseerde hij een badhotel en een veerdienst, maar zonder al te veel succes. In 1906 kwam het eiland toe aan zijn zoon Georg Ernst. Deze man investeerde net als zijn vader in de ontwikkeling van het toerisme. Hij liet opnieuw een veerboot varen tussen de Groninger Noorderhaven en het eiland via het Reitdiep en Zoutkamp en blies het noodlijdende badhotel weer nieuw leven in (hetgeen niet wegnam dat het hotel later door de zee verzwolgen werd). In 1926 investeerde hij in een veerdam aan de zuidkant van het eiland. 48 Landschappelijk had de graaf grote impact omdat hij dennenbossen liet planten in de kale duinen. Het werk liet hij uitvoeren door eilanders. Hij betaalde de arbeiders 7 cent per uur. Voor dat loon verbeterden ze in het najaar de duingrond door de aanplant van lupine.

In het voorjaar werden de éénjarige dennen geplant, afkomstig van twee kwekerijen op het eiland. Met de aanplant van de dennenbomen maakte de graaf zich populair op het eiland: Terwijl voorheen in menig gezin ’s winters met helmmatten breien slechts een schamel stukje brood verdiend kon worden, geeft de duinbeplanting het geheele jaar volop werk en brengt de graaf alzoo welvaart onder de arme bewoners. 49 Naast het aanplanten van dennenbossen roerde de Duitse graaf zich ook in de zuivelproductie op het eiland. Dat gebeurde nadat er op het eiland onrust was ontstaan tussen de dorpsboeren en de polderboeren. Aanleiding voor de onrust was de komst van een zuivelfabriek, op initiatief van twee ondernemers van de vaste wal. De zuivelfabriek met de naam ‘De Eensgezindheid’ kwam in het jaar 1925 door aandrijving van een stoommachine letterlijk op stoom. Stoom kwam er ook uit de oren van de dorpsboeren, die zich vanaf het begin tegen de zuivelfabriek hebben verzet. De polderboeren die in 1860 naar het eiland kwamen, zagen ze nog altijd als nieuwkomers. De rust en goede vrede kon blijven bestaan zolang de polderboeren boter maakten en de dorpsboeren hun melk rechtstreeks aan de bevolking verkocht. De zuivelfabriek dreigde dit evenwicht te gaan verstoren.

Voor de dorpsboeren voelde deze aanstaande verandering als een bedreiging voor de verworven monopolypositie op de rechtstreekse verkoop van melk. Die exclusiviteit wilden ze bewaken, temeer ook omdat ze door de beperkte ruimte in de dorpskern geen uitbreidingsmogelijkheden hadden. 50 De polderboeren daarentegen kampten met afzetproblemen van hun boter door de komst van margarine, die op het eiland gretig aftrek vond. Ze waren direct enthousiast over de oprichting van ‘De Eensgezindheid’. Om de fabriek van voldoende melk te kunnen voorzien waren echter alle boeren van het eiland nodig. De polderboeren oefenden 46 Bank en Bosscher, Omringd door water, 210.

47 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 18. 48 Bank en Bosscher, Omringd door water, 214.

49 Nieuwsblad van het Noorden, 4-10-1911, via www.delpher.nl

50 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 70-71.

19

druk uit op de dorpsboeren en dreigden om hun melk voor een lagere prijs in het dorp te gaan verkopen als de dorpsboeren niet instemden met de fabriek. De eensgezindheid onder de boeren op het eiland leek met de komst van de fabriek ironisch genoeg verder weg dan ooit.

Afbeelding 5: Zuivelfabriek Schiermonnikoog (links), na 1973 gebruikt als recreatiewoningen. 51 Nadat de fabriek ondanks de bezwaren van de dorpsboeren in werking was gesteld, bleek dat de melk die voor acht cent bij de boeren werd afgenomen voor veertien cent aan de consument werd verkocht. Een aantal boeren schrok van dit prijsverschil en is toch weer rechtstreeks aan de bevolking gaan leveren, wat nog meer spanningen veroorzaakte tussen de boeren. Landeigenaar Graaf Von Bernstorff greep twee jaar na de oprichting van ‘De Eensgezindheid’ in en koos de zijde van de boeren die trouw bleven aan de zuivelfabriek door in nieuwe pachtvoorwaarden vast te leggen dat boeren die grond van de graaf pachten verplicht hun melk aan de fabriek moesten leveren. Een aantal boeren verzette zich hiertegen door toch rechtstreeks melk aan de bevolking te blijven leveren. De graaf hield zich op zijn beurt aan zijn woord, ontnam hen het land en gaf het aan de boeren die wel trouw zijn blijven leveren aan de fabriek. Eén van de gedupeerde boeren kwam nu met het plan om melk dat op de vaste wal door zuivelfabrikant Lijempf uit Dokkum werd geproduceerd op het eiland uit te gaan venten. De Dokkumer zuivelmakers waren enthousiast en zijn akkoord gegaan met een grotere afzetmarkt als wenkend perspectief.

De chaos leek compleet nu de eerdere balans van de op het eiland gericht zuivelproductie voorgoed verstoord was. 52 Tijdens de crisis van de jaren dertig betaalde de zuivelfabriek dermate lage melkprijzen dat de aangesloten boeren achterdochtig werden. De gezamenlijke achterdocht bracht de eilanderboeren dichter bij elkaar wat in 1932 heeft geleid tot de oprichting van Boerenbelang. 53 De verenigde boeren namen vervolgens contact op met verschillende zuivelfabrieken aan de vaste wal en konden met hun melk in Dokkum terecht voor een hogere melkprijs. Deze actie zette kwaad bloed bij de eigenaar van ‘De Eensgezindheid’, die vervolgens de stekker uit de acht jaar eerder opgerichte zuivelfabriek trok. Voor enkele jaren moesten nu de melkbussen van de eilanderboeren over de dijk worden gesleept waar ze door melkboot ‘de Roomhoorn’ naar Oostmahorn werden gebracht. Het gesleep met de melk was arbeidsintensief en ging bovendien ten koste van de kwaliteit. Na de oprichting van de Coöperatieve zuivelfabriek ‘Schiermonnikoog G.A.’ in 1936 op initiatief van Boerenbelang beschikte het eiland drie jaar later weer over een eigen zuivelfabriek. 54

51 Woningen aan de Paaslandweg te Schiermonnikoog, Tresoar, fotonummer 24722, Weenink en Snel ‘s Gravenhage. 52 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 73.

53 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 74. 54 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 81.

20

Figuur 12: Bevolkingsontwikkeling Schiermonnikoog

KADER BEVOLKINGSGROEI Het verloop van de bevolkingsontwikkeling voor de jaren 1812 – de invoering van de Burgerlijke Stand – is lastig te achterhalen. Voor de zeventiende en achttiende eeuw zijn historici voornamelijk afhankelijk van secundaire literatuur. In de zeventiende eeuw was de landbouw van Schiermonnikoog in slechte staat en was de zee een bedreiging. In de achttiende eeuw groeide het inwoneraantal van Schiermonnikoog, voornamelijk door de zeevaart, strandjutterij, walvisvaart en visserij. Zo stonden er in 1640 120 woningen op Schiermonnikoog en dit aantal was in 1737 gestegen naar 270 woningen. Figuur 12 geeft de bevolkingsontwikkeling in aantallen weer van Schiermonnikoog over de periode 1812-2020. De bevolking is in deze periode niet gestaag toegenomen. De piek na 1850 is opvallend. Deze trend kan verklaard worden door zowel de nationale als regionale context na de jaren 1850. Vanaf 1850 nam door de epidemiologische transitie de Nederlandse bevolking toe: de voedselkwaliteit nam toe, epidemieën waren minder dodelijk door vernieuwde medische kennis en de kwaliteit van de publieke gezondheidszorg nam toe. Daarnaast zorgde de bedijking in 1860 voor een toegenomen landbouwproductiviteit, waardoor de bevolking kon groeien. Rond de jaren 1881 keldert de bevolkingsontwikkeling.

Dit heeft waarschijnlijk – tegenstrijdig genoeg – te maken met de oprichting van de zeevaartschool in 1872. De eilanders volgden namelijk een opleiding aan de zeevaartschool, om vervolgens te werken en wonen in grotere havensteden in Nederland. De bevolking kromp van ongeveer duizend inwoners naar zeshonderd inwoners. Meer dan de helft van de eilanders was vrouw. De afname van het belang van de zeevaart (en de sluiting van de zeevaartschool in 1934) heeft waarschijnlijk gezorgd voor een stabiele toename van de bevolking in naoorlogse periode van 1946 tot 2020. Het is daarnaast waarschijnlijk dat de groei van het toerisme op Schiermonnikoog vanaf de jaren 1970 heeft bijgedragen aan deze toename. 55 Het bevolkingsaantal van Schiermonnikoog groeit – in geringe mate – anno 2022 nog steeds. In de periode 20152020 groeide Schiermonnikoog met 2.2%. In 2020 had Schiermonnikoog een tijdelijke krimp van -1.2%, dat mogelijk samenhangt met de Coronacrisis. Het geboorteoverschot is al sinds het jaar 2000 negatief. Vergeleken met 1990 wonen er sinds 2013 meer ouderen en veel minder jongeren in de leeftijdsgroep 15-44 jaar op Schiermonnikoog. Sinds 2007 kent Schiermonnikoog een zeer hoge demografische druk. De grijze druk is hoog.

Dit heeft waarschijnlijk te maken met het negatieve migratiesaldo van Schiermonnikoog: jongeren en starters gaan studeren, werken en wonen 55 Zie pagina 27 en verder voor meer informatie over toerisme op Schiermonnikoog.

21

op het vasteland. Schiermonnikoog biedt namelijk te weinig baankansen en betaalbare woningen voor hoogopgeleide starters. Na de oorlog: Minder boeren, meer melk Doordat de Waddeneilanden voor de Duitsers van groot strategisch belang waren, werd er tijdens de Tweede Wereldoorlog een bezettingsmacht op Schiermonnikoog gestationeerd die het aantal inwoners van het eiland overtrof. In de Noorderduinen werd een bunkercomplex uit de grond gestampt met radarinstallaties die deel uitmaakten van het radarlint langs de Waddeneilanden. Het geheel van betonnen bouwsels kreeg de naam ‘Schlei’; de eilanders noemden het bunkercomplex ‘Schleidorp’. Naast de bunkerrestanten in de duinen zijn de oorlogsjaren in het landschap nu nog af te lezen op de drenkelingenbegraafplaats ‘Vredenhof’. De begraafplaats verrees in het jaar 1906 op initiatief van vijf eilanders, onder wie hoteleigenaar Sake van der Werff, met goedkeuren van de Duitse graaf die hiervoor een stukje grond ter beschikking stelde in de duinen langs de Reddingsweg. In de oorlogsjaren zijn er bijna honderd oorlogsslachtoffers op Vredenhof begraven. Geallieerden en Duitsers kwamen na een officieel eerbetoon zij aan zij te liggen op de begraafplaats.

56 De eilanders konden op 11 juni 1945 de vrijheid vieren nadat de laatste groep SS’ers, SD’ers en Nederlandse collaborateurs, die zich tot de tanden toe bewapend op de Kooiplaats hadden verschanst dankzij Canadese militairen, van het eiland werden verdreven. Meteen na de oorlog werd op grond van het ‘Besluit Vijandelijk Vermogen’ het eigendom van de familie Von Bernstorff door de Nederlandse regering in bezit genomen. In het licht van de latere aanwijzing tot Nationaal Park is deze onteigening een cruciale gebeurtenis. Immers, nadat Schiermonnikoog grotendeels eigendom was van de Staat kon de overheid zelf beschikken over haar eigendom. Toen vanaf de jaren 1970 een zoektocht begon naar geschikte gebieden voor het oprichten van nationale parken, was het logisch dat het ambtelijke oog op Schiermonnikoog viel. Maar eerst brak in het kader van de wederopbouw een tijd aan van modernisering aan op het eiland, met name binnen de landbouw. De nieuwe grondeigenaar – de Dienst der Domeinen – stuurde aan op vergroting van de boerenbedrijven. Aangezien de dorpsboeren vanwege hun gebrekkige ruimtelijke positie midden in het dorp geen grotere stal konden bouwen en daar ook niet de financiële middelen voor hadden, waren ze genoodzaakt te stoppen. De polderboeren werden aangemoedigd om te investeren in een efficiëntere bedrijfsvoering en bedrijfsuitbreiding.

De versnippering van de landerijen stond de verdere groei van de bedrijven in de weg, waardoor het middel van de Ruilverkaveling werd ingezet. Tussen 1960 en 1970 hebben er in totaal vier vrijwillige ruilverkavelingen plaatsgevonden waarbij het land van de stoppende dorpsboeren geleidelijk in handen kwam van de groeiende polderboeren door het verleggen van sloten en grenspalen. 57 Tussen 1959 en 1976 is het aantal boerenbedrijven op Schiermonikoog gehalveerd. 58 In 1970 werd de eerste ligboxstal op het eiland gebouwd, zes jaar later hadden zeven van de acht resterende boeren een ligboxstal. 59 Met het opkomen van de ligboxstal veranderde ook de manier waarop mest werd opgevangen. Bij de ouderwetse Friese grupstal werd de vaste mest (vermengd met stro) gescheiden van de urine (gier). Met de opkomst van de ligboxstal werd de mest niet langer meer gescheiden maar ontstond ‘drijfmest’.’ De vaste stalmest, goed voor de bodemstructuur en het insectenleven, verdween op deze manier langzaamaan parallel met de opkomst van de ligboxstallen. 60 De productieverhoging binnen de melkveehouderij die door landbouwminister en later Eurocommissaris Sicco Mansholt in gang was gezet, wierp zijn vruchten af op Schiermonnikoog.

Waar de tweeëntwintig eilanderboeren in 1939 garant stonden voor 584.000 liter melk op jaarbasis werd in het jaar 1966 door dertien boeren voor het eerst meer dan een miljoen liter melk geproduceerd. De melk werd voortaan opgeslagen in melktanks om vervolgens (na de sluiting van de eigen melkfabriek in 1973) naar de vaste wal te worden vervoerd. Eerst naar Ee; later naar Wolvega. 61 Twintig jaar later, in 1986, was de melkproductie tot drie miljoen liter opgelopen. De vier miljoen litergrens werd in 2001 gepasseerd. 62 Die cijfers werden onder andere behaald door uitbreiding van de veestapel met een nieuw koeienras, Holstein-Friesian. Deze koe was gefokt op eigenschappen die ideaal 56 Bank en Bosscher, Omringd door water, 225.

57 H.F. Schurink, Landbouw op de Waddeneilanden: Verschillen en de invloed van het isolement, Dissertatie (Wageningen: Landbouwhogeschool, 1976), 112. 58 Schurink, Landbouw, 119. 59 Schurink, Landbouw, 114. 60 Westerhuis 2022, in voorbereiding. 61 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 183. 62 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 183.

22

waren voor de productie in de nieuwe ligboxstallen. Daarnaast waren de uiers beter geschikt voor de melkmachines, die hun weg hadden gevonden op de eilander boerenbedrijven. Het belangrijkste was dat de melkproductie per koe een stuk hoger was bij dit nieuwe ras. Vrijwel de gehele Nederlandse veestapel werd in de jaren ’80 vervangen door Holstein-Friesian. In 1975 was 0,7% van de veestapel van het Holsteinras, in 1995 95%. 63 Het nieuwe koeienras kon haar topprestaties alleen leveren op een eiwitrijk dieet. De oude vaak kruidenrijke graslanden leverden onvoldoende eiwit. Ze werden gescheurd en ingezaaid met het zeer eiwitrijke Engels raaigras. Tijdens de graslandvernieuwing werd ook direct het storende reliëf uit de weilanden verwijderd, waardoor de boer met de steeds groter wordende landbouwmachines veel efficiënter kon maaien. Het Engels raaigras gaf niet alleen veel meer eiwit; het was goed bestand tegen hoge doseringen kunstmest, waardoor het gras veel sneller ging groeien. Naast het eiwitrijke raaigras werden de koeien gevoerd met krachtvoer, voor nog meer eiwit. Tussen 1975 en 1985 nam het gebruik van krachtvoer met een factor drie toe op het eiland. 64 Het krachtvoer en de kunstmest werd in zakken van 50 kilo vanuit Leeuwarden met de boot afgeleverd en opgeslagen in silo’s.

65 Vanaf 1993 werd er op het eiland ook mais verbouwd dat als ruwvoer aan de koeien werd voorgeschoteld. De belangrijkste reden voor het verbouwen van mais was de dalende opbrengst van de eerste snede gras door toedoen van een groeiend aantal ganzen op het eiland. 66 De schade die de ganzen veroorzaken aan het grasgewas in de polder levert al decennia spanningen op onder de boeren. Sinds 2001 is er een ganzengedoogbeleid van kracht op het eiland. Vanuit een regeling worden de boeren gecompenseerd voor de vraatschade die de ganzen aanrichten, maar over deze oplossing en de hoogte van de vergoedingen blijft discussie bestaan. 67 Boeren tegen de grenzen van een Nationaal Park Het huidige Schiermonnikoog kent zeven boerenbedrijven (melkvee), die samenkomen onder de naam vereniging Boerenbelang. Ongeveer 6% van de eilanders werkt in de landbouw. 68 De bedrijven zijn gevestigd in de Banckspolder, buiten de grenzen van het Nationaal Park. De oprichting van Nationaal Park Schiermonnikoog en de grensbepaling van het park ging niet zonder conflict met de vereniging Boerenbelang. Vanuit Den Haag werd in 1975 besloten dat er Nationale Parken moesten komen in Nederland. De eisen waren in eerste instantie simpel: het gebied moest bestaan uit minimaal 1000 hectare en er moest waardevolle natuur bestaan.

Dat Schiermonnikoog werd aangemerkt als een van de opties is een logische gevolgtrekking uit de eigendomsgeschiedenis. Immers, sinds de onteigening van het kloosterbezit rond 1580 werd het eiland grotendeels als één bezit gezien. Vanaf de vroegmoderne periode wisselde het eiland van eigenaar maar het werd nooit verdeeld over verschillende eigenaren. De laatste particuliere eigenaar had de pech een Duitser te zijn, zodat de Nederlandse overheid het eiland als één stuk eigendom confisqueren kon. Die overheid paste in de naoorlogse decennia goed op de natuur van het eiland. Aanwijzing tot Nationaal Park lag in het logische verlengde. Maar onder de eilanders heerste weinig enthousiasme om van ‘hun Schiermonnikoog’ een Nationaal Park te maken. Dat kwam onder andere door de boeren. Zij zagen de oprichting van het Nationaal Park als een bedreiging voor hun vrijheid. Al in 1975 was er veel te doen rondom de agrarische bedrijven in (de buurt) van de aan te wijzen Nationale Parken. De ontwikkelingen in de landbouw werden gezien als veroorzakers van achteruitgang in natuur en landschap. Hierdoor zagen de beleidsmakers graag dat de bedrijfsvoering van de boeren werd afgestemd op het natuur- en landschapsbeheer. De kosten die dit met zich mee zou brengen zouden dan worden opgevangen door een ‘beheersbeloning’.

69 Al gauw werd voor Gerard Wallis de Vries, staatsecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk namens de VVD, duidelijk dat dit op Schiermonnikoog geen optie was. De staatssecretaris benadrukte in 1975 dan ook dat de agrarische gebieden van deze eilanden buiten het parkgebied zouden vallen en dat er op korte termijn passende beleidsmaatregelen zouden komen om de spanningen tussen landbouw en natuur te verminderen. 70 Toch werd in 1981 de mededeling gedeeld dat het gehele eiland, inclusief het agrarisch gebied 63 Westerhuis 2022, in voorbereiding. 64 Jansen et al 1985, 80.

65 Schurink, Landbouw, 116.

66 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 182.

67 Dirk van der Meulen, “Minder gans, meer grutto,” Leeuwarder Courant, 17 mei 2022, geraadpleegd via NexisUni. 68 Waddenacademie, Waddenbalans 2019 (Waddenacademie: 2020).

69 Redactie, “Twintig natuurgebieden worden ‘nationaal park’: Dit zijn ze,” Trouw, 7 februari 1975, geraadpleegd via delpher.nl.

70 Redactie, “Den Haag vreest onrust onder boeren over parkplannen,” Leeuwarder Courant, 7 februari 1975, geraadpleegd via delpher.nl.

23

de Banckspolder, zal worden aangewezen als Nationaal Park. 71 Op de democratische legitimiteit van de beslissing werd stevige kritiek geuit. Betrokkenen spraken van ‘psychologische blunders’ en waren van mening dat de onrust op het eiland voorkomen had kunnen worden. 72 Dat deze mededeling spanning opleverde op het eiland moge duidelijk zijn. In reactie op de kritiek kwam de Voorlopige Commissie Nationale Parken (ook: Commissie Kleisterlee, naar de voorzitter) naar het eiland. 73 Uit hun bezoek constateerden ze dat het gebruikspatroon op het eiland slechts op enkele plaatsen in conflict komt met de doelstellingen van een Nationaal Park, maar wel in dusdanige mate dat aanpassing niet of nauwelijks mogelijk is. Het zag het buitensluiten van de ‘conflicterende locaties’ als oplossing. In de afbeelding is de enclave van niet-Nationaal Park op het eiland te zien. De Vereniging Boerenbelang kan opgelucht ademhalen. De Banckspolder - het agrarische gebied van Schiermonnikoog – viel inderdaad buiten het Nationaal Park. Toch is dat niet de laatste strijd die de boeren moesten voeren. Om hun belangen vertegenwoordigd te krijgen, eisten ze zitting in het op te richten overlegorgaan. In 1983 vond een pittige discussie plaats in het dorpshuis, waarna besloten werd dat het inderdaad nodig is meer eilanders in het orgaan plaats te geven. De boeren werden vertegenwoordigd.

Dit overlegorgaan is van groot belang voor de eilanders. In de eerste jaren werd er gewerkt aan een gedragen beheers- en inrichtingsplan voor de natuur, dat in 1988 voor het eerst werd afgekondigd en daarna periodiek werd herzien. De boeren praatten mee, maar bleven in beginsel sceptisch en op hun hoede. Dit blijkt wel uit een citaat, opgetekend uit de mond van een van de boeren: Al die beheerregelingen zijn een wassen neus. Want men begint ons eerst een páár voorwaarden te stellen en langzaam maar zeker komen er steeds meer… 74 In de eerste jaren van het experiment Nationaal Park in Oprichting, dat in 1983 begon, werden deze beheerregelingen door de boeren standvastig afgewezen. De boeren kwamen dan ook in opstand toen in 1985 in het eerste voortgangsrapport de boeren worden beschuldigd van een negatieve impact op het landschap door kunstmest en wateronttrekking. Uiteindelijk zorgde deze discussie voor goed overleg over het eerste beheer- en inrichtingsplan, waardoor drie van de zeven boeren overstag gingen en heil zagen in de beheersubsidies die door de status Nationaal Park aan de boeren geboden kon worden. 75 Ook burgemeester Boekhoven (burgemeester van Schiermonnikoog van 1984 tot 1998) was enthousiast over de vruchten die het overlegorgaan afwierp. Het Reformatorisch Dagblad tekende op: Door het overlegorgaan krijgen de eilanders ineens zeggenschap over het beheer.

Welke beheerder er ooit komt, hij is gebonden aan het beheer- en inrichtingsplan en zal dus altijd het overlegorgaan moeten raadplegen. 76

71 Redactie, “Schiermonnikoog en Friesland ‘nationaal park’,” Leeuwarder Courant, 26 mei 1981, geraadpleegd via delpher.nl.

72 Redactie, “Lid Waddenadviesraad: bij presentatie plan Nationaal Park Schier zijn blunders begaan,” Leeuwarder Courant, 17 november

1982, geraadpleegd via delpher.nl.

73 Redactie, "Nationaal Park Schiermonnikoog weer dichterbij," Leeuwarder Courant, 27 mei 1983, geraadpleegd via delpher.nl. 74 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 166. 75 Holwerda, Maris en Ruddijs, Boeren op Schiermonnikoog, 166.

76 N. Sterk, “Schiermonnikoog wordt eerste Nationaal Park nieuwe stijl,” Reformatisch Dagblad, 3 maart 1989, geradpleegd via

https://www.digibron.nl/viewer/collectie/Digibron/id/tag:RD.nl,19890303:newsml_292a6431c6fc7c6228a3746548efc54f.

24

Figuur 13. Het toekomstige Nationale Park Schiermonnikoog zal ongeveer 5400 hectare groot zijn en sluit daarmee slechts zo’n 1000 hectare van het totale eiland uit. De totale omvang overtreft vijfmaal de landelijke minimumnorm, die ligt bij duizend hectare. Het park gaat heel Schiermonnikoog omvatten met uitzondering van de op de kaart ingetekende enclave. Daarbinnen liggen de bebouwde kom, de Banckspolder, het duingebied met recreatieve voorzieningen tussen Badweg en Prins Bernhardweg plus verder nog de jachthaven en de veersteiger. Als noordgrens geldt de laagwaterlijn, als zuidgrens het geulenstelsel op het Wad. 77

Sinds Schiermonnikoog in 1989 de woorden ‘in Oprichting’ mocht doorstrepen is Natuurmonumenten de nieuwe beheerder van het Nationaal Park. Ondanks de beheers- en inrichtingsplannen, waarmee ook de boeren akkoord waren gegaan, was er conflict tussen het natuurbeheer en het boerenleven. Boeren voelden zich in het nauw gedreven. Vrij letterlijk zorgt de begrenzing van het Nationaal Park ervoor dat boerenbedrijven niet kunnen uitbreiden. 78 Dit is gedeeltelijk opgelost door land aan te kopen op de vaste wal en de boeren krijgen gedeelten van de kwelder erbij om te begrazen, maar over het algemeen zijn er weinig uitbreidingsmogelijkheden voor de zeven melkveebedrijven. 79 Daarnaast kregen de boeren te maken met inbreuk op hun tradities, zoals het gebruik van de kwelder. Sinds een aantal jaar gaat het beter. 80 Toch verstoren ook huidige ontwikkelingen de rust bij de boeren. De problemen rond stikstof spaart ook de eilanderboeren niet. Hoe de boeren hiermee om zijn gegaan geeft de kracht van het eiland goed weer. De boeren worden omringd door kwetsbare natuur en ontkomen maatregelen stikstofuitstoot tegen te gaan niet, dat beseffen ze. De boeren kozen er echter voor gezamenlijk hun veestapel te verminderen om hieraan te voldoen dan dat een van de zeven bedrijven zou moeten stoppen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=17b96240-5032-4efa-be8d-983553e1d7ea