CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

220211_Systeemstudie_Fryslân.pdf

Informatiebijeenkomst Raad 9 mei 2022, gemeente Schiermonnikoog35.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Daarbij komt dat er over de gehele breedte van alle netvlakken (koppelstations, middenspannings- en laagspanningsnet) de komende jaren enorme werkpakketten uitgevoerd moeten worden, die met huidige uitvoersnelheid lastig te realiseren zijn. Naast het opschalen van uitvoercapaciteit en het doorontwikkelen van rekenmodellen om betere investeringsbeslissingen te kunnen maken, zal er ook werk geprioriteerd moeten worden. Het stimuleren van alternatieve oplossingen, die eenvoudiger te realiseren zijn, is cruciaal. Voorbeelden hiervan zijn sturing van klantgedrag (bijvoorbeeld tijdsafhankelijk laden van elektrische auto’s) door het geven van financiële prikkels, het toepassen van systeemflex en processen in de industrie te hybridiseren. Het stimuleren van alternatieve oplossingen is aan te raden en kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door financiële risico’s af te dekken, knelpunten inzichtelijk te maken voor marktpartijen en het voor marktpartijen wettelijk mogelijk te maken hierop in te spelen.

65077 – Openbaar

10.

Duiding en context van de resultaten

10.1

Impact op de Friese samenleving

83

De scenario’s zoals in deze systeemstudie als kapstok zijn gehanteerd komen elk met hun eigen uitdagingen maar ook met hun eigen impact op de Friese samenleving en het landschap. Er zijn verschillen tussen de scenario’s, maar er is ook een basis die vergelijkbaar is in alle de scenario’s. Uiteraard zijn er ook scenario’s buiten de gehanteerde hoekpunten mogelijk, maar dat vergt dan wel extremere maatregelen op een ander vlak om op klimaatneutraal uit te komen. In alle scenario’s is een mate van netverzwaring nodig, in combinatie met andere oplossingen, zoals het verlaten van de redundantie en het toepassen van systeemflex om de balans op het elektriciteitsnet te handhaven, en om congestie te voorkomen. Het gaat tenminste om het reeds geplande netontwerp van het middenspanningsnet (met toevoegingen van distributieruimtes, en 20kV of 10kV-netverzwaringen), het toevoegen van waarschijnlijk minimaal vier nieuwe koppelstations, en verzwaringen en aanpassingen van het hoogspanningsnet. De hoeveelheid systeemflex waar in dat geval van is uitgegaan varieert tussen de 600-900 MW aan backup-centrales (Gas-to-power), 400-1300 MW Power-to-gas (conversie van elektriciteit naar waterstof) en 1900-3100 MW grootschalige batterijopslag. Dit heeft zijn weerslag op direct ruimtegebruik, maar ook op de ruimtelijke inrichting.

Het zijn dus niet alleen zon en wind die beslag gaan leggen op de ruimte, maar ook netverzwaring en flexibiliteit zullen ingepast moeten worden in elk reëel te verwachten scenario richting klimaatneutraliteit. In alle scenario’s worden meer woningen in Fryslân aangesloten op een warmtenet, wat met name in een dichtbebouwde omgeving een logische oplossingsrichting voor verduurzaming van de warmtevraag kan zijn, maar uiteraard ook om invulling van die warmtevraag vraagt. In de scenario’s zijn voor 2030 22.000 woningen op het warmtenet aangesloten, en in 2050 tussen de 42.000-117.000. Geothermie, restwarmte, en aquathermie gaan dan ook een belangrijkere rol spelen, waarbij aquathermie ook eisen stelt aan de elektrische aansluiting. Het Regionale scenario maakt het meest gebruik van warmtenetten en het zal een hele opgave met zijn om dat te realiseren. Er is bovendien in dat scenario niet voldoende warmte beschikbaar in de vorm van geothermie, aquathermie, en restwarmte om de benodigde warmtevraag van de warmtenetten in te vullen, en wordt in het scenario aangevuld door warmte uit het verstoken van groen gas. In het scenario Regionale sturing is bovendien geen rekening gehouden met de Lelylijn. Als deze opgave daar nog bovenop komt ontstaat er een additionele warmtevraag die ingevuld zal moeten worden. In Fryslân vindt veel veeteelt plaats.

Hierdoor is er een grote (natte) biomassapotentie, welke ingezet zou kunnen worden voor de productie van groene gas. De verwachting is dat de omvang van de Friese veeteelt sector ongeveer gelijk blijft in 2030 en 2050 ten opzichte van nu. Wanneer uitsluitend gebruik gemaakt wordt van de in Fryslân beschikbare mest kan daar maximaal 4,3 PJ energie uit gewonnen worden. Voldoende om 26% van de warmtevraag van de gebouwde omgeving in 2030 in te vullen. Meer biomassa is aanwezig, de potentie is ingeschat op 17 PJ, maar een deel daarvan kan ook geschikt zijn voor hoogwaardigere toepassing dan direct voor energie. Er zijn ook flinke verschillen tussen de scenario’s. Op dit moment biedt het beleid in Fryslân niet veel ruimte voor windenergie. Dat is terug te zien in het scenario Regionale sturing en het scenario Internationale sturing. De energievraag wordt in het scenario Regionale sturing aangevuld met veel zon inclusief curtailment, en het scenario kent relatief lage energievraag. Door de pieken in aanbod van zon-PV raken veertien van de vijftien koppelstations overbelast ondanks dat forse curtailment is toegepast, waardoor verzwaring en toevoeging van flexibiliteit nodig is.

Bij het scenario Internationale sturing is een hogere economische groei, gepaard gaand met de Lelylijn aangenomen, en wordt er nog relatief veel energie geïmporteerd, zowel in de vorm van elektriciteit en biomassa, als in de vorm van waterstof.

65077 – Openbaar

84

In twee van de scenario’s is wél groei van windenergie verondersteld, omdat het in termen van infrastructuur en hoeveelheid vierkante meters een relatief efficiënt aanbod van elektriciteit geeft. In het scenario Nationale sturing wordt 1 GW extra wind verondersteld, dat komt neer op bijvoorbeeld 200 molens van 5 MW of 250 van 4 MW. De toekomstscenario’s laten zien dat bij sterk eenzijdige inzet van elektriciteitsopwekking richting zon-PV de impact op de energie-infrastructuur het grootst is. Dat is het sterkst te zien in het scenario Regionale sturing. Zonne-energie wordt bovendien vooral opgewekt in de zomer, terwijl de vraag naar energie piekt in de winter. Door het zwaartepunt van de opwek bij één van de energiebronnen te leggen, zullen de maximale vermogens groter moeten zijn om dezelfde hoeveelheid energie op te wekken. Deze grote vermogens leiden tot de noodzaak van veel transport, conversie, en opslag van elektriciteit, meer onbalans, spanningsproblematiek en meer congestieproblemen. De netten moeten sterk worden verzwaard, en er is ruimte nodig om de conversie, het backupvermogen, en opslag (systeemflex en plaatsgebonden flex) te kunnen leveren. Net als windturbines hebben ook deze verzwaarde elektriciteitsnetten en flex-oplossingen een ruimtelijke impact.

Een voorbeeld hiervan is de Bergumcentrale, die voorlopig en mogelijk ook op langere termijn vanwege de benodigde flexcapaciteit in bedrijf blijft. Door een mix van zon en wind, die verschillen in de momenten van energie-opwek veroorzaken, kan de infrastructuur beter worden benut doordat ze op verschillende momenten beslag leggen op de infrastructuur en elkaar daarin aanvullen. In de scenario’s Nationale sturing en het Europese sturing zie je een betere balans in zon en wind, wat resulteert in veel meer opwek van hernieuwbare energie tegen ongeveer dezelfde vraag op het gebied van netverzwaring en systeemflex. Niet alleen windmolens, maar ook biovergisters stuiten op verzet. En ook zonneweides op landbouwgrond hebben daar mee te maken. Er ligt daarmee een opgave om de ambitie van energieneutraal te integreren met het besef van de noodzaak tot nieuwe elementen in het energiesysteem, zoals verdeelstations, kabels, windmolens, geothermietorens, biovergistingsinstallaties, en flexibiliteitsvermogen. Qua ruimtelijk beslag vormt zonne-energie een grote factor, maar bijvoorbeeld netverzwaring en systeemflex samen tellen op tot 20-30% van de ruimte benodigd voor zonnepanelen, en tot 25-60% van de ruimte benodigd voor wind. Het is dus geen verwaarloosbare factor, en geeft bovendien nog niet eens het volledige beeld van wat er nodig is aan ruimte.

Bij de ruimtelijke planning dient dus rekening gehouden te worden met facetten van de energietransitie in brede zin. In Figuur 39 worden de scenario’s en hun kenmerken, uitdagingen, en hoeveelheid knelpunten schematisch weergegeven. Het scenario Regionale sturing wordt gekenmerkt door een grote hoeveelheid zon-PV en is er een groot aantal woningen (117.000) dat is aangesloten op het warmtenet.. Het scenario Nationale sturing kenmerkt zich door veel opwek door zon-PV én door wind en de aanwezigheid van een waterstofcentrale. De uitdagingen voor het elektriciteitsnet zijn in deze scenario’s het grootst. Het scenario Europese CO2-sturing kenmerkt zich door de grote hoeveelheid ingezette biomassa. Het scenario Internationale sturing kenmerkt zich door de grootste hoeveelheid ingezette waterstof, en moeten de gasnetten worden gebruikt om zowel groen gas als waterstof te transporteren. Daar speelt dus sterk het verdelingsvraagstuk, waarbij verschillende gebieden van verschillende gassoort worden voorzien, om te voorkomen dat overal dubbele gasinfrastructuur nodig is.

65077 – Openbaar

85

Figuur 39. Schematische weergave van kenmerken, uitdagingen, en hoeveelheid knelpunten van de verschillende energiescenârio’s. Congestie van het elektriciteitsnet remt de economische groei in de provincie. Op dit moment kunnen aansluitingen niet altijd gerealiseerd worden. Bij een toenemende congestie van het net worden deze problemen groter. Dit geldt voor de levering van elektriciteit bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein De Zwette in Leeuwarden. Bedrijven kunnen hier niet meer groeien en er is hierdoor geen plaats voor nieuwe bedrijven. Doordat de netcongestie direct de bedrijfsvoering van ondernemingen schaadt, en hiermee de beschikbare arbeidsplaatsen, remt dit de economische groei. Ook aan de terugleverkant zijn in grote delen van Fryslân nu knelpunten waardoor bijvoorbeeld zon-PV-projecten van lokale energie-initiatieven niet door kunnen gaan. Juist dit type projecten kunnen het draagvlak voor de energietransitie vergroten. Doordat deze projecten niet door kunnen gaan, worden initiatieven vanuit de Mienskip niet benut voor de energietransitie. Door de Mienskip handvatten te reiken om met andere initiatieven dan zonPV aan de slag te gaan, en waar mogelijk te faciliteren, worden inspanningen beter beloond en kunnen meer bijdragen aan de energietransitie.

Doordat bewoners kunnen profiteren van de projecten, en inspraak kunnen hebben kan dit het draagvlak vergroten.

10.2

Relatie met andere provincies en nationale ontwikkelingen

Fryslân heeft de ambitie om in 2050 volledig onafhankelijk van fossiele brandstoffen en/of zelfvoorzienend te zijn. Op jaarbasis wordt daarom getracht om minimaal meer hernieuwbare energie te produceren dan wordt verbruikt in 2050. Hierin verschilt Fryslân van andere provincies met een grotere energievraag, waarvoor import noodzakelijk is om in de energievraag te kunnen voorzien. In alle scenario’s wordt het energiesysteem in 2050 in ieder geval fossielvrij ingevuld. Er is echter niet één duidelijke route hoe deze ambitie precies ingevuld moet worden. In de scenario’s voor 2050 zijn daarom verschillen in de gevraagde import en export van energie zichtbaar. Sommige scenario’s zijn daarin afhankelijk van import van elektriciteit en/of biomassa om de vraag in te vullen, terwijl andere scenario’s daarin exporteren.

65077 – Openbaar

86

De balans van elektriciteit, biomassa, en waterstof voor de verschillende scenario’s wordt in Figuur 40 weergegeven, en laat zien welk scenario meer of minder afhankelijk is van import, en hoeveel er wordt geëxporteerd. Het geeft niet een heel zuiver beeld, omdat er verschil kan zijn tussen energie in de energiedrager, en energie die nodig is om de energiedrager te produceren. Zo zou er bijvoorbeeld meer energie in elektriciteit nodig zijn om eenzelfde hoeveelheid energie in de vorm van waterstof te produceren. De hoeveelheid energie die nodig is om energiedragers te produceren, is primaire energie, terwijl wij in het figuur de uiteindelijke, ofwel ‘finale energievraag’ weergeven. Alleen de scenario’s Regionale sturing en Nationale sturing komen in termen van finale energie netto ongeveer op energieneutraal uit. Het scenario Nationale sturing heeft zodanig veel elektriciteit over dat het de energie van waterstof compenseert. Dat betekent echter nog niet dat het voldoende zou zijn met die hoeveelheid elektriciteit ook waterstof te produceren, en zal in termen van primaire energie niet geheel energieneutraal zijn. In de Europese en Internationale scenario’s wordt meer aangesloten op de huidige filosofie dat import van energie ook een goede mogelijkheid is voor energievoorziening (denk aan de huidige import van olie/benzine en gas).

Bij het scenario Europese sturing wordt er netto ongeveer 30 PJ geïmporteerd, en bij het scenario Internationale sturing is dat ongeveer 23 PJ.

Figuur 40. Vraag en aanbod van elektriciteit, biomassa, en waterstof (per jaar). Alleen in het scenario Internationale sturing is er netto import van elektriciteit nodig. In het Nationale scenario wordt niet geïmporteerd maar juist 10 PJ geëxporteerd naar buiten de provincie. Wat biomassa betreft is er in het Regionale en Nationale scenario meer potentie dan vraag. In het Europese en Internationale scenario is de vraag naar biomassa groter dan de potentie en zal er dus geïmporteerd moeten worden. Daarnaast moet de potentie zich uiteraard nog vertalen in daadwerkelijke productie. Inzet op fossielvrij zou betekenen dat waterstof die wordt ingezet ook een fossielvrije variant is, en dit kan zijn groene waterstof uit Nederlandse of buitenlandse productie. In geen van de scenario’s wordt eigen productie van groene waterstof voorzien, maar dat zou natuurlijk kunnen plaatsvinden, zeker wanneer er relatief veel elektriciteitsoverschotten zijn. In alle scenario’s komt een duidelijk beeld terug dat Fryslân grotendeels of volledig kan voorzien in de eigen elektriciteitsbehoefte. Het is echter niet wenselijk om te functioneren als een eiland. Uitwisseling van energiedragers met andere provincies leidt tot een robuuster energiesysteem in Fryslân en Nederland.

Doordat er verschillende routes naar een fossielvrij energiesysteem zijn met ieder een andere uitwisseling van energiedragers met omliggende provincies is er voor ieder route een andere behoefte aan energie-infrastructuur.

65077 – Openbaar

87

Wel kan er gesteld worden dat Fryslân en aangrenzende provincies (Flevoland, Drenthe, Overijssel en Groningen) een relatief kleine energievraag en een groot potentieel voor hernieuwbare opwek hebben. Netto export van elektriciteit naar dichtbevolkte provincies is daarom niet ondenkbaar. Het Friese elektriciteitsnet is momenteel niet ingericht op veel export naar aangrenzende provincies. Er is immers geen 380 kV-net aanwezig, zoals in Groningen, Drenthe en Flevoland. Daarnaast is het distributienet van Liander in Fryslân van oudsher niet berekend op grote teruglevering door hernieuwbare opwek, omdat de capaciteit van het elektriciteitsnet bepaald werd op basis van de vraag naar elektriciteit, welke in Fryslân kleiner is dan in dichtbevolkte provincies. De energieinfrastructuren zijn als gevolg hiervan ook beperkter dan in dichtbevolkte provincies met grote industriële clusters. Een sterke groei van het hernieuwbare energieaanbod zorgt daardoor sneller voor knelpunten in het huidige distributienet. Voor gastranssport (doorvoer vanuit Groningen naar Noord-Holland) is voldoende capaciteit aanwezig in de huidige infrastructuur. Met de komst van de waterstofbackbone is zowel transport van verschillende kwaliteiten aardgas als waterstof mogelijk. Het Friese net is minder vermaasd dan in andere provincies.

De Friese gemeenschap is hecht en relatief intensief bij de energietransitie betrokken. Voorbeelden hiervan zijn lokale energiecoöperaties en initiatieven om autonome energiesystemen (microgrids) te realiseren. Ook is er behoefte aan lokale afstemming over gebiedsontwikkeling. De inwoners van Fryslân zijn namelijk trots op hun gemeenschap en op hun landschap. Toch vraagt de landelijke overheid ook van de provincie Fryslân om een koers en richting aan te geven, juist bedoeld om de lokale initiatieven handvatten te geven om te doen wat nodig en wenselijk is om de Friese doelen voor de energietransitie te bereiken.

10.3

Transitiepaden en no-regret-systeemkeuzes

De doelstelling om in 2050 volledig onafhankelijk en/of zelfvoorzienend te zijn, in combinatie met de tussenliggende doelen in 2030, maakt dat er actie nodig is om te komen tot deze doelstellingen. De uitkomsten van alle scenario’s laten zien dat er knelpunten ontstaan, maar ook dat er nieuwe energiedragers als warmte en waterstof ontwikkeld moeten worden. Er moet een balans ontstaan tussen initiatieven, waarbij het behalen van de doelen hand in hand gaan met het wegnemen van knelpunten in het Friese energienet. Tot 2030 zien we binnen de sectoren activiteiten ontstaan die een bijdrage moeten leveren aan de doelstellingen. We maken hierbij het onderscheid tussen cross-sectorale initiatieven en sectorale initiatieven.

Cross-sectorale initiatieven De scenario’s laten zien dat de volgende twee opgaven in meerdere sectoren van belang zijn, namelijk 1. het ontwikkelen van collectieve warmtenetten en 2. het ontwikkelen van flexibiliteit in het energiesysteem. Warmtenetten hebben hun waarde bij het verduurzamen van de gebouwde omgeving, de industrie en de landbouw. In alle scenario’s is warmte een belangrijke onderdeel van de energiemix, variërend van 37% in het scenario Regionale sturing tot 12% in de scenario’s Europese CO2 sturing en Internationale sturing. Het ontwikkelen van warmtenetten is een intensief en langdurig traject. De ontwikkeling van het warmtenet in Leeuwarden duurt al bijna tien jaar en in de zomer van 2021 heeft de eerste proefboring voor de warmtebron plaatsgevonden. Deze ontwikkelduur is ook te zien in ander gemeenten en provincies. Geothermie en aquathermie zijn in Fryslân belangrijke bronnen van warmte. Locatiespecifiek biedt restwarmte uit de industrie beperkte mogelijkheden. Om de ontwikkeling van warmtenetten te stimuleren, moet gewerkt worden aan de volgende knelpunten: •

Financieringen van de risico’s; het volloop- en ontwikkelrisico moeten worden verkleind om projecten sneller te ontwikkelen.

•

De provincie en gemeenten moeten de vergunningverlening van trajecten versnellen, zodat tijdwinst geboekt kan worden.

65077 – Openbaar

•

88

Gemeenten moeten duidelijkere regie voeren op de stedelijke ontwikkelopgaves. Dit betekent concretisering van de transitievisies voor warmte en vervolgens een versnelde uitvoering daarvan.

•

Regievoering op de beschikbaarheid van externe warmtelevering voor de industrie, zodat industriële bedrijven met zekerheid investeringen en toekomstplannen kunnen maken.

•

Opzetten van een organisatiestructuur voor de ontwikkeling én exploitatie van gemeentelijke warmtenetten.

Naast collectieve warmte is flexibiliteit van groot belang om knelpunten in het energiesysteem niet op te laten treden of beheersbaar te houden. Hierin maken we het onderscheid tussen plaatsgebonden flexibiliteit, zoals thuisbatterijen en slim-laden, en systeemflexibiliteit, zoals power-to-gas en grootschalige batterijen. Plaatsgebonden flexibiliteit gebeurt in de gebouwde omgeving veelal ‘achter de voordeur’. Daarom is het van belang dat tijdens de nieuwbouw van woningen ook flexibiliteit qua energie wordt meegenomen in het ontwerp en dat bij grootschalige woningrenovaties partijen (kunnen) komen met een aanbod om flexibiliteit achter de voordeur een plaats te geven. Een vergelijkbare oplossing op een iets grotere schaal is het lokaal oplossen van vraag en aanbod, waardoor de belasting van het elektriciteitsnet beperkt blijft. In de mobiliteit sector doet de markt zijn werk als het gaat om het aandeel EV’s. De volgende stap kan gezet worden om bi-directioneel laden de standaard te maken en marktmodellen voor vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. In de industrie kan ook flexibiliteit worden ingezet om een bijdrage te leveren aan systeembalans. Denk daarbij aan HT-warmtepompen, gas-to-power en power-to-gas. Ook moet systeemflexibiliteit toegevoegd worden in de elektriciteitsproductiesector.

Zon en wind hebben daarin een belangrijk aandeel en zijn tegelijk een onderdeel van het probleem. Het ontwikkelen van meer wind zou helpen bij het verkleinen van het aanbodprofiel en daarmee de piekbelasting op het net. Ook is te zien dat flexibiliteit bij opwek in alle scenario’s van waarde is. Het is daarom van belang om de ontwikkeling van (coöperatieve) zonneparken hand in hand te laten gaan met het ontwikkelen van batterijen en andere flexibiliteitsoplossingen. Om de ontwikkeling van flexibiliteit te stimuleren moet gewerkt worden aan de volgende punten: •

Vergroot de bewustwording van het probleem bij gemeenten, het bedrijfsleven en energiecoöperaties. Maak hierbij duidelijk: -

dat uitbreidingsplannen niet kunnen worden doorgezet omdat een netaansluiting niet meer vanzelfsprekend is

-

de Friese samenleving hinder daarvan gaat ondervinden, onder andere door geremde economische groei.

•

Creëer financiële prikkels en zoek synergiën op om tot een sluitende businesscase van oplossingen voor knelpunten op het elektriciteitsnet, bijvoorbeeld door: -

alleen laadpleinen te realiseren in de buurt van locaties waar veel elektriciteit geproduceerd wordt, en dit bij voorkeur te combineren met batterijopslag.

•

De gemeenten en de provincie moeten regie hebben op het uitvoeren van plaatsgebonden flexibiliteit, bijvoorbeeld door: -

het plaatsen van een thuis- of wijkbatterij bij de ontwikkeling van nieuwbouwwoningen en -wijken te verplichten

-

het plaatsen van bi-directionele laadpalen bij tenders voor openbare laadpalen en -pleinen te verplichten

-

het aanbrengen van flexibiliteit bij hernieuwbare opwek te verplichten. Denk hierbij aan extra curtailment, power-to-gas en/of het plaatsen van een grootschalige batterij voor uitgestelde levering.

•

De gemeenten en de provincie moeten regie hebben op de exploitatie van systeemflexibiliteit zodat nadelig effecten voorkomen kunnen worden.

•

De gemeenten en de provincie moeten systeemflexibiliteit stimuleren door bijvoorbeeld: -

ruimte te reserveren

-

vergunningstrajecten te verkorten.

65077 – Openbaar

-

89

marktpartijen in contact te brengen met Liander en TenneT zodat gezamenlijke planvorming plaats kan vinden.

•

Het inzichtelijk maken door de netbeheerder van de knelpunten in het elektriciteitsnet en het aanwijzen van de locaties die gebaat zijn bij toepassing van systeemflexibiliteit. Een voorbeeld hiervan is het bijhouden van een knelpuntenkaart of een register met knelpunten en oplossingen

Sector specifieke initiatieven Naast de cross-sectorale activiteiten zijn er een aantal sectorspecifieke initiatieven die opgestart kunnen gaan worden. Het gaat daarbij om:

Isolatie van de gebouwde omgeving Alle warmte die niet gebruikt wordt, hoeft niet opgewekt, opgeslagen en getransporteerd te worden. Het isoleren van de bestaande woningvoorraad tot minimaal energielabel B en bij voorkeur energielabel A, heeft daarmee direct invloed op het verkleinen of voorkomen van knelpunten in het energienet. De transitievisies warmte van alle gemeenten laten zien dat de meerderheid de komende jaren inzet op het isoleren van woningen en pas daarna een keuze gaat maken voor de warmtebron. Daarnaast moet gedachten worden aan warmteterugwinning uit ventilatielucht en afvalwater, het kiezen voor een duurzaam warmtebron en -afgiftesysteem met hoge efficiëntie zoals (hybride)warmtepompen. Zet bovendien bij renovatie van woningen en gebouwen in op energieneutraliteit, zoals dat momenteel verplicht is bij nieuwbouw. Door deze activiteiten te bundelen en een provinciebrede aanpak te maken, kan hierin aan efficiëntie gewonnen worden.

Ontwikkeling zon én wind Een belangrijk vraagstuk dient zich aan rondom de opwek van duurzame elektriciteit. Omdat er naar verwachting veel energie zal worden opgewekt via zon-PV zal dit voor grote terugleveringspieken zorgen. Dit probleem speelt nu al, en wordt in de toekomst groter. Er zijn enkele maatregelen mogelijk die helpen de piekbelasting te verminderen. Door naast zon-PV ook meer in te zetten op andere duurzame opwek, zoals wind, kan het benodigde vermogen van zon-PV naar beneden bijgesteld worden. Het opwekprofiel van wind bevat minder pieken, die bovendien vrijwel niet samenvallen met het opwekprofiel van de zon. Op dit moment zijn energie-initiatieven vanuit het bedrijfsleven of energiecoöperaties voornamelijk gericht op de opwek van zon-PV. Initiatieven die minder piekbelasting op het elektriciteitsnet veroorzaken, hebben de voorkeur. Hierbij kan gedacht worden aan curtailment, het isoleren van gebouwen, het slim laden van elektrische auto’s, het toevoegen van de flexibele vraag en het opslaan van energie. Op lokaal niveau kunnen samenwerkingsinitiatieven voor het koppelen van vraag en aanbod van elektriciteit de congestie verminderen. Door overschotten van duurzame elektriciteit dicht bij de bron in te zetten, zijn investeringen door de netbeheerder te vermijden.

Productie van groen gas Productie van groen gas moet worden opgeschaald om de druk op de elektriciteitsnetten te verlagen. In de provincie Fryslân is een goed aanbod aanwezig van biomassastromen die gebruikt kunnen worden voor de productie van groen gas. Er is regie nodig voor het krijgen van een goede balans tussen het leveren van groen gas aan de gebouwde omgeving, de industrie en de mobiliteit. Op dit moment zijn subsidie- en marktprikkels dusdanig dat het leveren van groen gas aan de mobiliteitssector nu prioriteit krijgt. Dit gaat ten koste van de beschikbaarheid van groen gas voor de gebouwde omgeving. Dit kan leiden tot het niet voldoende beschikbaar zijn van groen gas voor de gebouwde omgeving. Een eerste stap is gezet door het Rijk door een bijmengverplichting van 20% groen gas op te leggen voor het bestaande gasnet.

65077 – Openbaar

90

Ook is er vaak door omwonenden van de potentiële productielocaties van groen gas weerstrand tegen de komst ervan. De laatste type groengasproductie-installaties hebben laten zien dat ze dusdanig ontworpen kunnen worden dat de invloed op de omgeving door geur en andere hinder tot een minimum beperkt wordt. Het is een opgave voor de sector om hierin met innovatieve oplossingen te komen en het draagvlak hiervoor te vergroten.

Beschikbaarheid externe CO2 Om de glastuinbouw over te kunnen laten schakelen naar aardgasvrije verwarming is de beschikbaarheid van externe CO2 voorwaardelijk wanneer men niet langer op eigen locatie CO2 wil produceren. Het vinden van voldoende betrouwbare CO2-bronnen én het ontwikkelen van CO2-netten, door het benutten van bestaande aardgasleidingen die vrijkomen of het aanleggen van nieuwe gasleidingen, is een belangrijk aandachtspunt. Hiervoor is het nodig dat producenten van CO2 en afnemers met elkaar in contact worden gebracht en dat de gemeente of provincie hierin een stimulerende rol speelt. Dit wil zeggen dat de gemeente of de provincie optreedt als procesregisseur en toewerkt naar samenwerking tussen de partijen. Ook moet er een ontwikkelaar en exploitant/beheerder voor CO2-leidingen gevonden worden. Wie hier de verantwoordelijkheid voor heeft of krijgt dient op rijksniveau te worden bepaald.

10.4

Ontwerpprincipes voor een toekomstbestendig energiesysteem

De transitiepaden en no-regret-keuzes leiden tot een aantal ontwerpprincipes die in het achterhoofd gehouden moeten worden bij planvorming: •

Zet in op energie-efficiëntie en besparingen om de totale energievraag te verminderd en de noodzaak van hernieuwbare opwek te verkleinen.

•

Breng vraag en aanbod bij elkaar, zodat er minder transportbehoefte ontstaat. Bij voorkeur door een directe relatie te zoeken, dus zon-PV nabij of op daken van grote elektriciteitsafnemers.

•

Zet in op wind en zon in een gebied om de infrastructuur efficiënter te gebruiken.

•

Zet in op oost/west opstellingen voor zon-PV.

•

Combineer warmtepompen met windenergie. Warmtepompen hebben een grote elektriciteitsvraag in de winter, terwijl zon-PV voornamelijk elektriciteit opwekt in gedurende de zomer.

•

Combineer (volatiele) warmtebronnen met warmteopslagen.

•

Verbruik het lokaal geproduceerde groen gas of biogas ook lokaal. Hierdoor is invoeding van groen gas niet noodzakelijk.

•

Verbruik lokaal geproduceerde waterstof zo veel mogelijk lokaal. Hierdoor is invoeding van waterstof in de waterstofbackbone en de mogelijk aanleg van extra gasleidingen minder noodzakelijk.

•

Breng flexibiliteit aan bij zowel aanbod als vraag naar energie.

Onverstandige ontwerpkeuzes zijn: •

Veel omzettingen van energiedragers vanwege grote verliezen. Bijvoorbeeld de omzetting van elektriciteit naar waterstof en van waterstof terug naar elektriciteit.

•

Inzetten op zon-PV in combinatie met warmtepompen (all-electric). Warmtepompen hebben een grote elektriciteitsvraag in de winter, terwijl zon-PV voornamelijk elektriciteit opwekt gedurende de zomer.

•

Inzetten op waterstof terwijl het lastig is om waterstof te beleveren van de centrale waterstofbackbone.

•

Sterk inzetten op waterstofverbranding en stikstofemissiereductie.

•

Uitsluitend een zuidoriëntatie van zonnepanelen hanteren.

65077 – Openbaar

10.5

91

Vormgeving samenwerking tussen betrokken partijen

Om uitvoering te kunnen geven aan de geschetste activiteiten is samenwerking voorwaardelijk. Fryslân wordt gekenmerkt door een zeer sterke ‘bottom-up’-beweging, die onder andere tot uiting komt in de hoge dichtheid van energiecoöperaties en de vele samenwerkingsverbanden die er zijn op het vlak van duurzaamheid en de energietransitie. De Freonen van Fossielfry Fryslân, Vereniging Circulair Fryslân en De Friese Energie Alliantie zijn hier mooie voorbeelden van. Wat deze samenwerkingen gemeen hebben, is dat ze zowel maatschappelijke organisaties, als inwoners en het bedrijfsleven goed vertegenwoordigen Ze zetten zich in voor de maatregelen die vandaag genomen kunnen worden, maar houden zich minder sterk bezig met een langetermijnvisie en perspectief, waarin bijvoorbeeld het voorkomen of oplossen van netcongestievraagstukken een rol spelen. Eigenaarschap van dit probleem wordt nu primair gezocht/belegd bij de netbeheerders. Door eigenaarschap van de netproblematiek breder te trekken dan nu, kunnen prikkels op verschillende niveaus geïntroduceerd worden. Energiecoöperaties spelen in Fryslân een belangrijke rol in de energietransitie. Veel coöperatieve initiatieven zijn nu nog gericht op het opwekken van duurzame elektriciteit met zon-PV. Momenteel speelt het probleem van toenemende netcongestie, waarvoor nog weinig aandacht is vanuit de energiecoöperaties.

De gestelde opgave is echter veel breder dan het elektriciteitsnet. Het gaat om het gehele energiesysteem. Er is veel behoefte aan samenwerking om de transitie in alle sectoren vorm te geven. Dit betekent een transitie naar andere technologieën, waardoor de vraag naar energiedragers verandert en de energiemix verduurzaamd. Voorbeelden hiervan zijn elektrisch vrachtvervoer, hybride/flexibele systemen in de industrie, toepassing van warmtepompen en warmtenetten in de gebouwde omgeving. De provincie en gemeenten moeten voorwaarden creëren, zoals een soepel vergunningsproces of subsidies, waardoor de energiecoöperaties op alle thema’s binnen de energietransitie een relevante bijdragen kunnen leveren. Bovenstaande initiatieven vragen andere vormen van regulering, organisatie en financiële structuren. Binnen de huidige kaders komen deze ontwikkelingen niet tot volledige ontwikkeling omdat er barrières zijn. De beste manier om deze barrières te doorbreken is door pilots te organiseren, te evalueren en op te schalen indien voorgaande fases tot gewenste resultaten hebben geleid. Een goede manier is om proeftuinen te ontwikkelen en te leren van al bestaande proeftuinen in bijvoorbeeld Wijnjewoude en Garyp en op Vlieland. Tijdens dit proces moeten de juiste kaders ontwikkeld worden die in grootschalige vervolgprojecten toepast worden.

Door de geïsoleerde ligging en concrete netopogaves kunnen de Waddeneilanden als energieproeftuin ingezet worden. Hierbij moet het ontwikkelen van juridische, financiële en organisatorische kaders en het opdoen van kennis centraal staan. Voor het gasnetwerk zijn systeemkeuzes noodzakelijk zodra waterstofleidingen gebruikt zullen gaan worden. De inzet van waterstof vereist het opknippen van de gasnetten, waarbij een deel van het huidige gasnet overgaat op waterstof, of via het aanleggen van een dubbele gasinfrastructuur. De belangrijkste aandachtspunten hierbij zijn: •

e inzet van waterstof in gebieden met een grote groene methaanpotentie is niet wenselijk. Lokaal geproduceerde groene methaan moet getransporteerd en gedistribueerd kunnen worden om onnodig transport te voorkomen

•

Het opknippen en verknopen van gasnetten is tegenstrijdig. Door het opknippen van gasnetten wordt een duidelijke keuze gemaakt voor een bepaalde energiedrager per gebied. Het verknopen van gasnetten zorgt juist voor een groter afzetgebied van een bepaalde energiedrager. Een duidelijke strategie is daarom gewenst voor het uitrollen van zowel groene methaan als waterstof in de provincie Fryslân. Hiervoor is samenwerking van netbeheerders, overheden en bedrijven nodig. Regie vanuit de provinciale of landelijke overheid is hierbij van belang.

65077 – Openbaar

Samenwerkingen in Fryslân In de provincie Fryslan zijn er al een enkele voorbeelden te vinden waarbij sectoren samenwerken of

flexibiliteit onderdeel is van de oplossing. Systeemintegratie op bedrijventerrein de Zwette in Leeuwarden Op bedrijventerrein de Zwette aan de westelijke kant van Leeuwarden is de netcapaciteit, op het moment van schrijven, zowel voor de energie-afname als -levering beperkt. Tegelijkertijd zijn er in het gebied tal van bedrijven, bedrijfsprocessen en opwekinstalaties van duurzame energie, die door slimme integratie flexibiliteit kunnen leveren. De verschillende netbeheerders, de gemeente, de provincie en een ontwikkelaar onderzoeken samen de mogelijkheid om lokaal warmte, duurzaam gas en opslag van elektriciteit te integreren. De maatschappelijke businesscase is positief ontvangen, de afzonderlijke cases zijn dat nog niet. Ook op het vlak van regulering zijn er obstakels die vooral de netbeheerder treft. Waterstof bij zonnepark Oosterwolde In Oosterwolde wordt ‘sinnewetterstof’ geproduceerd. Netbeheerder en ontwikkelaar/exploitant van een zonnepark werken samen om te onderzoeken hoe het produceren van waterstof beide partijen kan helpen. Door inzicht in beider kennisagenda’s is samenwerking ontstaan en wordt samen geleerd hoe dit in de rest van de provincie, en daarbuiten, van waarde is. Wadkabel Vlieland In 2007 werd op Vlieland het eerste convenant getekend waarin de Friese Waddeneilanden afspraken om in 2020 energieneutraal te zijn.

Vlieland is nog niet energieneutraal, maar heeft al wel veel stappen gezet. Niet enkel op het vlak van techniek, maar vooral ook op het vlak van bewustwording en probleemacceptatie. De sterke sociale cohesie op het eiland maakt dat een ieder eigenaarschap wil nemen voor dit onderwerp. Dit komt samen in het initiatief dat de gemeente gestart heeft om te onderzoeken wat de belasting is van de wadkabel in de verschillende scenario’s. Tegelijkertijd wilde de Energie Coöperatie Vlieland (ECV) meedenken over het creëren van flexibiliteit op het eiland door op piekmomenten het zwembad te kunnen verwarmen. Dit heeft geleid tot een samenwerking waarin de gemeente, de ECV en de netbeheerder samen zijn opgetrokken om een technisch plan op te stellen om stapsgewijs toe te werken naar een situatie waarin de risico’s op het aanleggen van een tweede wadkabel zo klein mogelijk worden gehouden

92

65077 – Openbaar

11.

Conclusies en aanbevelingen

11.1

Conclusies

93

Als eerste worden de conclusies over de technische kant van de doorrekeningen besproken en vervolgens wordt ingegaan op de conclusies over dezelfde onderwerpen als waarmee in Hoofdstuk 10 duiding gegeven is aan de resultaten.

De doorrekening van de netten Met deze systeemstudie is de mogelijke impact die de energietransitie heeft op de Friese energie-infrastructuur verkend door middel van het doorrekenen van scenario’s. Overkoepelend kan geconcludeerd worden dat de energietransitie, zoals die volgens de huidige ambities en plannen wordt vormgegeven, ingrijpende consequenties heeft voor de energie-infrastructuren in de provincie Fryslân en in het bijzonder voor de elektriciteitsnetten. Hiernavolgend wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies betreffende de verschillende infrastructuren: Betreffende het regionale distributienet (beheerd door Liander): •

Op het laag- en middenspanningsnet treedt nu al spanningsproblematiek op. De verwachting is dat de spanningsproblematiek alleen maar groter wordt door de toenemende mismatch in vraag en aanbod van elektriciteit.

•

Er zijn al investeringsplannen van Liander die flinke investeringen in koppelstations en in het middenspanningsnet omvatten. Vanwege modelmatige beperkingen kan de systeemstudie deze nieuwe nettopologie helaas nog niet meenemen in de doorrekening.

•

Op het laagspanningsnet wordt spanningsproblematiek voorzien en zijn op korte termijn investeringen nodig, die niet alleen toegerust worden op acute problemen, maar ook om de vraag van de verdere toekomst als gevolg van elektrificatie binnen de gebouwde omgeving en mobiliteitssector te accommoderen.

•

In alle 2050-scenario’s ontstaan knelpunten. De oorzaak van de knelpunten zijn zowel opwek van elektriciteit als vraag naar elektriciteit. In het scenario Regionale sturing is zon-PV de dominante veroorzaker van knelpunten, bij het scenario Nationale sturing is dat wind, terwijl bij de scenario’s Europese CO2-sturing en Nationale sturing een combinatie van vraag en aanbod juist voor knelpunten zorgt. De grotere belasting van het elektriciteitsnet wordt met name veroorzaakt door (hybride)warmtepompen en industrie, als gevolg van grotere economische groei in die scenario’s.

•

Het verlaten van de redundantie (het inzetten van de ‘vluchtstrook’) bij aanbodknelpunten verlaagt het aantal knelpunten op de koppelstationniveau drastisch.

•

Toevoeging van systeemflex zorgt voor een betere balans op het landelijke hoogspanningsnet, maar zorgt slechts voor een beperkte vermindering van het aantal knelpunten op koppelstationniveau. Op een aantal koppelstations heeft systeemflex door de toepassing van power-to-gas een ongunstige uitwerking doordat de belasting juist vergroot wordt waardoor er meer vraagknelpunten ontstaan.

Betreffende het nationale transportnet (beheerd door TenneT): •

De voornaamste oorzaak van knelpunten in het hoogspanningsnet is het grote aanbod van elektriciteit door zon-PV en windenergie, terwijl er weinig gelijktijdige elektriciteitsvraag is. Dit geldt met name voor het Regionale en Nationale scenario. Bij de overige scenario’s worden ook bijna alle knelpunten veroorzaakt door teruglevering aan het elektriciteitsnet.

•

De toevoeging van plaatsgebonden flex en systeemflex leidt tot aanzienlijke reductie van het aantal knelpunten.

65077 – Openbaar

•

94

Netverzwaring is niet altijd wenselijk vanuit het oogpunt van kostenefficiëntie, omdat een groot aantal knelpunten maar een beperkt aantal uur per jaar optreedt. Andere oplossingen zoals het verlaten van de redundantie en redispatch moeten daarom ook onderzocht worden alvorens overgegaan wordt tot netverzwaring.

Betreffende de gasnetten (beheerd door Gasunie en Liander): •

De gasnetten kampen met name met problematiek rondom de invoeding van groen gas, en met een mogelijk verdeelvraagstuk indien een deel van de maatschappij overgaat op waterstof, terwijl een ander deel met groen gas beleverd wordt.

•

De waterstofbackbone die door de provincie Fryslân gaat lopen, biedt kansen voor het gebruik van waterstof in de provincie. Locaties die dichtbij de waterstofbackbone liggen, zullen waterstof kunnen afnemen of leveren aan de waterstofbackbone. Voor overige locaties zal een lokale afnemer voor het geproduceerde waterstof gevonden moeten worden, tenzij het lokale gasnet omgezet wordt naar waterstof.

Aan te bevelen en nog te onderzoeken infrastructurele aanpassingen: •

Versterk het middenspanningsnet volgens het NuLelie-investeringsplan. Het middenspanningsnet is momenteel al zwaar overbelast waardoor aansluiting voor zowel vraag als aanbod van elektriciteit niet gerealiseerd worden.

•

Versterk het 110-kV-net zodanig dat de investeringen in het distributienet ook zinvol zijn. Als de capaciteit van het distributienet vergroot wordt dan moet het Friese hoogspanningsnet deze extra capaciteit wel kunnen accommoderen.

•

Onderzoek de mogelijkheden voor waterstofgebruik in de nabijheid van de waterstofbackbone. De waterbackbone komt waarschijnlijk op relatief korte termijn (vanaf 2027) gereed. De inzet van waterstof is dan mogelijk.

•

Onderzoek de opschaling van biogas/groen gas. In alle 2050-scenario’s wordt veel gebruik gemaakt van groen gas. Lokaal kan de groengasproductie een grote impact hebben op de distributienetten en in sommige situaties ook op het regionale net van Gasunie.

De scenario’s ten opzichte van de Friese samenleving Het huidige provinciale beleid om wind op land niet veel extra ruimte te bieden, bemoeilijkt de provinciale ambitie om energieneutraal te worden. Door wind op land te vermijden en uitsluitend in te zetten op zon-PV ontstaan relatief veel knelpunten ten opzichte van de totale hoeveelheid opgewekte energie. In alle scenario’s voor 2050 is de huidige infrastructuur van het elektriciteitsnet niet toereikend om te voorzien in de verwachte vraag- en aanbodstructuur. Door een combinatie van zon en wind kan een veel grotere hoeveelheid hernieuwbare opwek worden gerealiseerd gegeven een vergelijkbare opgave voor de infrastructuur. Vanuit andere studies wordt een verhouding van 4:1 in elektriciteitsproductie uit wind versus zon aanbevolen voor een optimale mix, dat is ongeveer een verhouding van 1:1 van opgesteld vermogen. Verzwaringen en flexibiliteit kunnen dan effectiever worden ingezet, en een hogere mate van energieneutraliteit kan worden bereikt. Ambities vanuit de provincie om groen gas te ontwikkelen en in te zetten sluiten goed aan bij de no-regretkeuzes die voortkomen uit de scenario’s. Ontwikkeling ervan is echter niet zonder slag of stoot, want ook biovergistingscentrales kunnen op lokale weerstand stuiten. Het is van essentieel belang om barrières uit de weg te nemen zodat het volle potentieel ontwikkeld kan worden.

Inzet van aquathermie is een belangrijke ambitie in Fryslân, en draagt op een efficiënte manier bij om te voorzien in de groeiende vraag naar hernieuwbare warmte. Houd daarbij rekening met de elektriciteitsvraag die aquathermie met zich meebrengt. Aquathermie is daarom maar in beperkte mate een ontlastende factor voor de infrastructuur.

65077 – Openbaar

95

Het landschap is op dit moment een zeer belangrijke factor in de besluitvorming en het draagvlak in Fryslân. Onafhankelijk van welk scenario zich zal ontvouwen, zal er ontegenzeglijk ruimte worden gevraagd om de energietransitie gestalte te geven. Dat geldt niet alleen voor de ruimte voor zonnepanelen en/of windmolens, maar ook voor netverzwaring en systeemflex, wat geen verwaarloosbare factor is. Het is zaak daar bij de ruimtelijke ordening rekening mee te houden. Een decentrale energievoorziening wordt daarmee merkbaarder in de samenleving. Het is daarom wenselijk dat ook burgers zich bewuster worden van de energietransitie en dienen ook meer betrokken te worden bij de energietransitie. Dit biedt ook kansen voor eigenaarschap.

Positionering ten opzichte van Nederland Ten opzichte van andere provincies kan Fryslân relatief eenvoudig energieneutraal worden. De vraag naar energie is relatief klein en het potentieel van hernieuwbare opwek is groot. Desondanks is de opgave ten aanzien van de infrastructuur aanzienlijk in álle klimaatneutrale scenario’s zoals in deze systeemstudie zijn verkend, terwijl energieneutraliteit slechts wordt bereikt in de scenario’s Regionale sturing en Nationale sturing waarin weinig tot geen economische groei is aangenomen. Met name in de scenario’s waarin Fryslân vrijwel volledig in de eigen energiebehoefte voorziet, is de impact op de infrastructuur het grootst. In de zelfvoorzienende scenario’s wordt het meest geleund op elektrificatie en hernieuwbare elektriciteit. Bij grotere inzet van gassen overstijgt de vraag naar groen gas al snel het potentieel dat binnen de provincie wordt opgewekt, en van waterstof wordt al gauw meer geïmporteerd dan kan worden opgewekt met eventueel niet-binnen-de-provincie-gebruikte elektriciteit. In het Europese en Internationale scenario is de provincie niet energieneutraal, en wordt er 20 tot 30 PJ aan energie geïmporteerd. Het invullen van elektriciteitsbehoefte door voornamelijk zon-PV zorgt voor een grotere afhankelijkheid van andere provincies indien er geen back-upvoorzieningen worden gerealiseerd.

Er is dan met name in de winter meer import nodig vanuit andere provincies of buitenland.

Transitiepaden en no-regret systeemkeuzes Alle scenario’s hebben overeenkomstige uitgangspunten en resultaten. De onderwerpen welke wederkerend zijn in alle scenario’s en waarmee spijtvrij gestart kan worden zijn de volgende: •

Het ontwikkelen van warmtenetten. Warmtenetten gevoed met door restwarmte, power-to-heat in combinatie met seizoensopslag verminderen de behoefte voor all-electric warmte-oplossingen, waardoor een minder grote piekbelasting op het elektriciteitsnet ontstaat. De provincie en gemeenten moeten binnen de warmtetransitie duidelijke keuzes maken. Bijvoorbeeld over welke techniek waar wordt ingezet, en mogelijkheden om deelname aan een warmtenet te verplichten. Voor dat laatste moet ook op landelijk niveau kaders worden geschept.

•

Het ontwikkelen van plaatsgebonden flex en systeemflex. Het ontbreekt momenteel aan duidelijke kaders, voorschriften en verdienmodellen om flex door de markt te laten ontwikkelen. Het is nodig om dit te stimuleren en dat netbeheerders, gemeenten en provincie hier een gezamenlijke aanpak voor ontwikkelen. Wettelijke belemmering moeten weggehaald worden om de opschaling van flexibiliteit, opslag en conversie in het energiesysteem te faciliteren. Overheden kunnen bijvoorbeeld alleen invloed uitoefenen op tenders van publieke laadpalen. Voor private laadpalen hebben zij geen instrumenten tot hun beschikking. Netbeheerders mogen niet investeren in batterij-opslag. Wettelijke nettarieven zouden aangepast moeten worden zodat afnemers van elektriciteit een prijsprikkel krijgen om op bepaalde momenten meer of minder elektriciteit te verbruiken.

•

Het treffen van voorbereidingen om de energietransitie ruimtelijk mogelijk te maken. Gemeenten en de provincie moeten vooruit denken hoe hiermee omgegaan moeten worden. Ook moeten besluiten vastgelegd worden in de provinciale omgevingsvisie (POVI) en gemeentelijke omgevingsvisie (GOVI). Ook is het nodig

65077 – Openbaar

96

om na te gaan op welke wijze de omwonenden en anderen betrokken geïnformeerd worden. Dit vraagt om een duidelijke visie op participatie, waarbij passend communicatiebeleid nodig is.

Samenwerking Bij veel marktpartijen ontbreekt het nog aan kennis en ervaring om flexibiliteit in het kernproces in te bouwen. Pilots zijn cruciaal om het kennisniveau te verhogen en de benodigde ervaring op te doen. In de praktijk stranden veel projecten echter na de pilotfase vanwege een onrendabele top en onvoldoende kennis, waardoor een te groot risico ontstaat. Samenwerking tussen marktpartijen met als doel kennisdeling en het spreiden van risico kunnen een bijdrage leveren om flexibiliteit bij grote afnemers van elektriciteit op te schalen. Het is wenselijk dat de provincie een trekkende rol inneemt bij het organiseren van grootschalige pilots waarin meerdere marktpartijen betrokken zijn. De hechte Friese samenleving kan op lokaal niveau samenwerkingsverbanden opzetten met als doel de gevolgen van klimaatneutraal worden en de afhankelijkheid van het centrale energiesysteem te verminderen. Op dit moment vinden dat soort initiatieven vooral plaats rondom het realiseren van zon-PV. Door vanuit de provincie en d gemeente duidelijk een koers uit te zetten over wat er nodig is naast de opwek van hernieuwbare energie, kunnen initiatieven vanuit de samenleving ook gerichter daaraan gestalte geven. Adequate wetgeving op flexibiliteit is noodzakelijk om de gewenste uitwerking op het energiesysteem te hebben.

Batterijen en elektrolysers kunnen op verschillenden manieren worden geoperationaliseerd. Eigenaarschap van (systeem)flex is onvoldoende belegd en/of bekend en moet tijdig worden vastgesteld om zodoende (systeem)flex in het energiesysteem aan te brengen wanneer dat een goed alternatief blijkt voor netverzwaring. Er moet worden gewaakt dat toevoeging van flexibiliteit geen negatief effect heeft op de belasting van het energiesysteem, iets dat moeilijker te bewerkstelligen is als operationalisering puur op prijs geactiveerd wordt. Wetgeving moet zodanig ingericht worden dat flexibiliteit het energiesysteem en in het bijzonder de elektriciteitsnetten ontlast. Samenwerking tussen overheden en netbeheerders zal nodig zijn om hier tot een goede, maatschappelijk effectieve, oplossing te komen. De businesscase van (systeem)flex, opslag en conversietechnieken heeft in veel gevallen nog een onrendabele top. Goede samenwerking, een betere informatiedeling, het afdekken van risico’s en voorfinanciering, vragen om actie van het Rijk en de provincie, in combinatie met de gemeentes. Een concrete eerste stap hierin is een lobbytraject richting het Rijk om de situatie rondom de onrendabele top kenbaar te maken. Ook bij de warmtetransitie is dit van belang, bijvoorbeeld om warmtenetten aan te leggen, en manieren te hebben om gebouweigenaren mee te krijgen in het aansluiten op een warmtenet.

11.2

Aanbevelingen

In bovenstaande conclusies schemeren al aanbevelingen door, die hiernavolgend overzichtelijk op een rij worden gezet, gericht op de provincie en andere stakeholders. Inzichten en geluiden van stakeholders betrokken bij deze studie zijn hierin meegenomen. Er zijn flink wat acties die voortvarender kunnen worden opgepakt door de provincie, gemeenten, netbeheerders en marktpartijen. Afhankelijk van hoe de energietransitie concreet tot stand komt, zal er zich een scenario gaan ontvouwen dat mogelijk meer of minder op één van de gehanteerde scenario’s of een combinatie ervan gaat lijken. Belangrijke acties die ondernomen moeten worden zijn: •

het realiseren van voldoende hernieuwbare energie (elektriciteit en groen gas of waterstof)

•

het realiseren van warmtenetten

•

het realiseren van (systeem)flex

•

het tijdig realiseren van voldoende netverzwaring.

97

65077 – Openbaar

In al deze categorieën is de problematiek genoemd die wordt ervaren bij het uitvoeren van acties, en is ook aangegeven bij welke actor of stakeholder er mogelijk een rol ligt om de problematiek aan te pakken. De businesscase daarvan is belangrijk voor alle actoren, en voor richting, wet- en regelgeving, en visie wordt vooral een actieve houding van het Rijk en de provincie verwacht. Dit is schematisch weergegeven in Figuur 41 en dient voor het krijgen van een globaal beeld. Bedrijven en burgers waren in mindere mate direct betrokken bij de systeemstudie waardoor in onderstaand schema hun rol onderbelicht is.

W s s

s

s s

ss

s

ss

s

s

s

s

Figuur 41. Schematisch overzicht van problematiek en actoren die worden gezien als relevant in de uitvoering van de facetten in de energietransitie, zoals verzwaring van netten, totstandkoming van warmtenetten, en realisatie van systeemflex. Deze problematiek aangegeven door de stakeholders, in combinatie met de conclusies uit deze studie, leiden tot aanbevelingen richting een aantal belangrijke actoren.

De provincie Het aan laten sluiten van beleid bij ambities is essentieel bij het geven van richting en nemen van de regie en daarmee het laten slagen van de transitie die het Friese energiesysteem doormaakt. Het is wenselijk dat de provincie, gesteund door andere overheden, een duidelijke visie op het Friese energietransitie formuleert en zodoende richting kiest. Hiermee wordt houvast geboden bij het oppakken van acties en het innemen van de rollen voor andere stakeholders die een meer uitvoerend taakpakket hebben. Denk aan: •

het voorsorteren op plannen in de RES betreffende hernieuwbare energie op uitvoerbaarheid en het aan laten sluiten van beleid op de ambities richting energieneutraliteit. Bij de keuze voor voornamelijk zonne-energie zal zwaar moeten worden ingezet op het vergroten van flexibiliteit in het energiesysteem. Ook zullen locaties voor zon-PV strategisch gekozen moeten worden om de impact op het elektriciteitsnet enigszins te beperken en de invloed van netverzwaringen en flexibiliteit op de inrichting van het landschap en de leefomgeving te minimaliseren. De provincie dient hiermee rekening te houden in onder andere de provinciale omgevingsvisie (POVI) door kenbaar te maken op welke locaties additionele hernieuwbare opwek en energie-infrastructuur mogelijk is;

•

de ontwikkeling van warmtenetten waarin de provincie en regierol moet oppakken op het gebied van kennisdeling tussen gemeenten, zodat deze van elkaar kunnen leren en voortvarender aan de slag kunnen;

•

het oppakken van een verbindende rol voor de provincie bij vergunningverlening, wat onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten valt, door bijvoorbeeld met gemeenten de vergunningen meer te standaardiseren om doorlooptijden van vergunningstrajecten te kunnen verkorten.

65077 – Openbaar

•

98

het ontwikkelen van stimuleringsregelingen in de vorm van ontwikkelsubsidies om grootschalige pilots mogelijk te gaan maken met als hoofddoel kennisdeling tussen marktpartijen en overheden.

De gemeenten Vanuit de overheidsstructuren bezien zijn gemeenten het meest intensief betrokken bij de daadwerkelijke uitvoering van de energietransitie. Op lokaal niveau dienen belangrijke keuzes gemaakt te worden zodat houvast wordt geboden aan burgers, bedrijven en andere partijen. Dit vertaalt zich naar een stukje zekerheid waarop burgers, bedrijven en andere partijen investeringsbeslissingen en verduurzamingskeuzes kunnen baseren. Daarnaast moeten formele procedures worden verkort om vertraging te voorkomen en de energietransitie te versnellen. Het is daarom: •

wenselijk dat de gemeenten meer zekerheid bieden aan burgers en energiecoöperaties door concreet te worden en te communiceren over onder andere warmteplannen en tijdslijn. Hierdoor kunnen netbeheerders de netten op een juiste manier dimensioneren als een gebied over gaat op all-electric warmteoplossingen, kunnen energiecoöperaties en woningcorporaties investeren omdat zij weten welke warmteoplossingen in welke gebied worden gerold. Eveneens moet er duidelijkheid komen over in welke gebieden een gasvraag blijft bestaan, en moet in het verdelingsvraagstuk worden meegenomen waar waterstof en waar groen gas mogelijk kan worden toegepast

•

belangrijk dat gemeenten de doorlooptijd rondom vergunningen verkorten. De problematiek op het middenspanningsnet in Fryslân is nijpend. Investeringsplannen moeten uitgevoerd kunnen worden wanneer de situatie daarom vraagt om te voorkomen dat de energietransitie geremd wordt. Hiervoor is het noodzakelijk dat de vergunningverlening voor de netaanpassingen gestroomlijnd wordt.

De netbeheerders Netbeheerders moeten samen met overheden en marktpartijen (blijven) werken aan een gedeeld beeld over de energietransitie en wat daarvoor nodig is op het vlak van infrastructuur, ruimte en evtentueel beleid. Om proactief te kunnen handelen is het cruciaal om te beschikken over de meest actuele informatie, zodat investeringsplannen aangepast kunnen worden als de situatie daarom vraagt. Het is tevens van de belang dat de informatiestroom twee richtingen op loopt, zodat marktpartijen ook bij kunnen dragen aan het energiesysteem van de toekomst. Het is daarom aan te bevelen dat netbeheerders: •

naast informatie over de huidige problematiek bij de energie-infrastructuren (wat is niet mogelijk) ook informatie delen over hoe marktpartijen de problematiek op de energie-infrastructuren kunnen verminderen (hoe kunnen marktpartijen helpen?). Denk hierbij onder andere aan het faciliteren van (systeem)flexibiliteit als marktpartijen daarvoor de kaders krijgen vanuit wet- en regelgeving

•

gemeenten en marktpartijen stimuleren om plannen die veel zullen vragen van de energie-infrastructuren te concretiseren en te delen met hun, zodat tijdig de (on)mogelijkheden van de plannen in kaart worden gebracht.

Het Rijk. Het Rijk kan ondersteuning bieden met landelijke kaders en wet- en regelgeving om: •

regelgeving in te richten zodat bij aanwezigheid van een warmtenet woningen hierop aangesloten kunnen worden en dit een minder vrijblijvend karakter kent.

•

marktpartijen te stimuleren om te investeren in flexibiliteit (bijvoorbeeld geen dubbele nettarieven voor hybridesystemen in de industrie, nieuwe type tarifering (statische/dynamische prijsprikkels)).

•

netbeheerders een rol te geven in de totstandkoming van en/of het stellen van eisen aan systeemflex en daar duidelijke kaders voor neer te zetten.

65077 – Openbaar

99

In de samenwerking De synergie tussen provincie, gemeenten, energiecoöperaties en netbeheerders biedt veel potentie om de energietransitie te versnellen. Het vaststellen van duidelijk rollen leidt er toe dat elke partij zich focust op concrete acties die alle dezelfde kant op wijzen. Door een gezamenlijk uitgangspunt en informatiepositie neer te zetten tussen deze partijen en ook meer gezamenlijke uitgangspunten en ambities te formuleren wordt meer eigenaarschap belegd bij partijen die al actief zijn en veel willen, maar niet per se al de kennis en handvatten hebben om een breder pallet aan activiteiten op te pakken. Voorgaande dient ondersteund te worden met een duidelijke koers, waarbij ambitie en realiteitszin samenkomen. Een voorbeeld van hoe programmatische samenwerking tussen overheden, netbeheerders -met betrokkenheid van marktpartijen- vorm kan krijgen, is het sturingsconcept dat wordt ontwikkeld in de Werkgroep Integraal Programmeren, en dat nu getest wordt in pilots. Bij voorkeur neemt de provincie daar, ondersteund door gemeenten, de leidende rol in, en neemt zij ook het initiatief tot een gesprek hierover met het Rijk en andere provincies.

Daarnaast is het trekken van lessen uit succesvolle samenwerkingen tussen partijen, die de urgentie en de problemen van de energietransitie gezamenlijk onder ogen hebben gezien en tot maatschappelijk gewenste oplossingen zijn gekomen, aan te raden, zodat voortgebouwd kan worden op deze ‘best practices’ door andere partijen. Hierdoor ontstaat breed gedeelde kennis die bijdraagt aan de transitie van het Friese energiesysteem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=7bc968a1-04b6-4405-a14f-78e8f5d511de