CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

14-02 - Min. EZK - Definitief besluit WP - AVG

Raadsvergadering 16 juni 2026, gemeente SchiermonnikoogBij agendapunt: Lijst van Ingekomen Stukken9.168 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Eni Energy Netherlands B.V. Prinses Beatrixiaan 5 2595 AK Den Haag

Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk Behandeld door

5.1.2.e Datum Betreft

14 april 2026 Instemmingsbesluit Actualisering winningsplan L12/L15 Ons kenmerk DGRGG-DTDO / V-40180

Besluit

Uw kenmerk xxxx Bijlage(n)

1. Aanvraag Eni Energy Netherlands B.V. (voorheen Neptune Energy Netherlands B.V.), geregistreerd onder KVK-nummer 27113806, (hierna: Eni Energy) heeft bij emailbericht van 27 februari 2023 een aanvraag ingediend bij de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. De aanvraag betreft het verzoek om instemming met de actualisatie van het winningsplan voor het L12/L15 gebied en betreft de gasvelden L15b-A, L12b-C, L12a-B en L12a-A. Eni Energy heeft de aanvraag bij e-mailberichten van 28 maart 2023, 14 november 2023 en 2 mei 2025 aangevuld. Met het geldende winningsplan L12/L15 van 18 december 2014 is op 18 februari 2015 ingestemd. De redenen die Eni Energy aangeeft voor de actualisatie van het geldende winningsplan zijn een actualisatie van de productieverwachting van de bestaande putten en het boren en produceren van twee nieuwe putten naar respectievelijk een compartiment in het diepe zuiden van het L12b-C gasveld, en naar het nog niet ontwikkelde L12a-A gasveld. De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei (hierna: de staatssecretaris) is op grond van artikel 34, derde lid, Mijnbouwwet (hierna: Mbw) bevoegd op deze aanvraag te beslissen. Eni Energy is houder van de winningsvergunningsgebieden L12a, L12b-L15b en L15c, zoals laatstelijk genoemd in de toestemming tot overdracht van winningsvergunning L12a, L12b en L15b van 30 maart 2020, nr. DGKE-WO/V-106 en nr.

DGKE-WO / V-97 (Staatscourant 2020, 20094) 1 en winningsvergunning L15c van 21 november 2008, nr. ET/EM/8162094 (Staatscourant 2008, 227) 2. De gasvelden liggen binnen de grenzen van deze winningsvergunningen onder de Noordzee, ten noordwesten van Vlieland.

1 2

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-20094.html https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2008-821.html Pagina 1 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Eni Energy verwacht uit de gasvelden L15b-A, L12b-C, L12a-B en L12a-A, inclusief productie uit de nieuwe putten, maximaal 12,4 miljard normaal kubieke meter (hierna: Nm³) 3 aardgas te kunnen winnen, uiterlijk tot en met 2039. Hiervan is 9,08 miljard Nm³ geproduceerd voor 1 januari 2022.

DGRGG-DTDO / V-40180

2. Beleid gaswinning in Nederland Het kabinet zet in op besparing en de ontwikkeling van duurzame energie. Gas zal echter, als transitiebrandstof, de komende jaren noodzakelijk blijven. Op dit moment wordt ruim een derde van het primair energieverbruik van Nederland nog ingevuld door aardgas. Dit gas is nodig voor huishoudens om te koken, douchen en huizen in de winter te verwarmen. Ook de Nederlandse industrie kan nog niet zonder. Er is op dit moment nog niet voldoende duurzame energie beschikbaar om helemaal te stoppen met het gebruik van aardgas. Stoppen met gaswinning uit kleine velden vergroot de Nederlandse afhankelijkheid van de import van gas van buiten Europa. Ook is de CO2-uitstoot van de winning en transport van gas dat wordt gewonnen uit Nederlandse kleine velden enkele malen lager dan de uitstoot van geïmporteerd aardgas. Ongeacht het uiteengezette belang van gaswinning in Nederland, vinden activiteiten in de diepe ondergrond alleen plaats als dit veilig en verantwoord kan.

3. Juridisch kader 3.1. Mijnbouwregelgeving Een winningsplan dient te worden getoetst aan de Mbw en de daarop gebaseerde regelgeving (zoals geldend op de datum van indiening van het verzoek tot instemming). De artikelen 34, 35 en 36 van de Mbw en artikel 24 van het Mijnbouwbesluit (hierna: Mbb) vormen het juridisch kader waaraan het winningsplan wordt getoetst. Voordat Eni Energy over mag gaan tot gaswinning is, op grond van artikel 34, derde lid, van de Mbw, instemming vereist van de staatssecretaris met het winningsplan. Het winningsplan geeft concreet inzicht in de wijze waarop de winning wordt uitgevoerd en de effecten daarvan en dient te voldoen aan de eisen genoemd in artikel 35 van de Mbw. Artikel 24 van het Mbb bevat een aantal nadere eisen die aan een winningsplan worden gesteld. Het winningsplan dient onder meer een beschrijving te bevatten van de verwachte hoeveelheid aanwezige delfstoffen, de hoeveelheden jaarlijks te winnen delfstoffen, de bodembeweging als gevolg van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging. Of ingestemd kan worden met het gewijzigde winningsplan, wordt getoetst aan artikel 36, eerste lid van de Mbw. Instemming kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd of daaraan kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden, indien dat gerechtvaardigd wordt door één van de volgende belangen: a.

indien het in het winningsplan aangeduide gebied door de staatssecretaris niet geschikt wordt geacht voor de in het winningsplan vermelde activiteit om reden van het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan; 3 Normaal kubieke meter is het volume gas omgerekend naar een bepaalde temperatuur en druk en wordt afgekort als Nm3.

Pagina 2 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

b. in het belang van het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen; c. indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan; d. indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt.

DGRGG-DTDO / V-40180

Gelet op de datum van indiening van het verzoek om instemming met het winningsplan, d.d. 27 februari 2023, is het recht van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing. Artikel 141a, eerste lid van de Mbw, zoals het destijds luidde, somde projecten op zoals onderhavige waar de gasvelden gedeeltelijk onder een Natura 2000 gebied liggen, waarvoor de ‘rijkscoördinatieprocedure’ (RCR) uit de Wet ruimtelijke ordening (vaststelling van een bestemmingsplan door een minister) moest worden gevolgd. Hierbij bood het derde lid van deze bepaling de mogelijkheid om de RCR ad hoc geheel of gedeeltelijk niet te volgen als de toepassing van de RCR naar verwachting, de besluitvorming niet in betekenende mate zou versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zouden zijn verbonden. Aangezien de RCR in dit geval niet zal leiden tot een versnelde besluitvorming dan wel andere voordelen, heb ik besloten af te zien van het toepassen de RCR. Verder is coördinatie van het verzoek om instemming met het winningsplan met de nog in te dienen aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het boren van de nieuwe putten niet opportuun. Dit omdat het moment van indiening van de aanvragen zover verschilt dat de genoemde 6 weken termijn uit de Awb (artikel 34, 7e lid Mbw i.c.m.

afd 3.5 Awb) niet van toepassing is en er gelet op dat verschil geen reden is om de aanvragen te zijner tijd gecoördineerd te behandelen. 3.2. Voorbereidingsprocedure Gelet op artikel 34, vierde lid van de Mbw, en de ligging van de gasvelden binnen de twaalfmijlszone, is dit besluit tot instemming met het winningsplan voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Advies is gevraagd aan: • de Adviesgroep Economische Zaken en Klimaat van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNOAGE, hierna: TNO), op grond van artikel 123, 2e lid, van de Mbw. • Staatstoezicht op de Mijnen, hierna: SodM (artikel 127 van de Mbw), • alle betrokken decentrale overheden (artikel 34, vijfde lid van de Mbw), en • de Mijnraad (artikel 105, derde lid van de Mbw). Om de betrokken decentrale overheden te ondersteunen bij het opstellen van hun advies heeft Eni Energy voorafgaand hieraan het winningsplan toegelicht.

Het ontwerpbesluit is op de volgende wijze bekendgemaakt: • op 27 november 2025 is een kennisgeving met betrekking tot het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant; kennisgeving heeft ook plaatsgevonden in het huis-aan-huis blad de Geitenbode Nieuws op Vlieland en langs elektronische weg, en • op 27 november 2025 is het ontwerpbesluit aan Eni Energy gezonden. • Het ontwerpbesluit heeft van 27 november 2025 tot en met 7 januari 2026 ter inzage via https://www.mijnbouwvergunningen.nl/L12L15

Pagina 3 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Een zienswijze op het ontwerpbesluit kon, gedurende een periode van zes weken vanaf het moment dat dit ontwerpbesluit ter inzage werd gelegd, worden ingediend. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbesluit zijn 2 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn behandeld en beantwoord en meegenomen bij de uiteindelijke beoordeling van het winningsplan en het opstellen van het instemmingsbesluit.

DGRGG-DTDO / V-40180

In de Nota van Antwoord, die als bijlage is bijgevoegd en onderdeel uitmaakt van dit besluit, zijn alle zienswijzen weergegeven samen met een reactie, en of de zienswijze heeft geleid tot een aanpassing van het instemmingsbesluit ten opzichte van het ontwerpbesluit. De ingediende zienswijzen gaven geen aanleiding tot inhoudelijke aanpassingen van het instemmingsbesluit. Het instemmingsbesluit met het winningsplan L12/L15 met alle onderliggende stukken ligt gedurende 6 weken na de dag van bekendmaking ter inzage via https://www.mijnbouwvergunningen.nl/L12L15.

4. Adviezen van adviseurs Op het verzoek van Eni Energy om instemming met het winningsplan L12/L15 hebben de volgende adviseurs advies uitgebracht: • TNO heeft op 7 juni 2023 advies uitgebracht (kenmerk: AGE 23-10.061); • SodM heeft op 29 december 2023 advies uitgebracht (kenmerk:ADV8194); • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlieland heeft bij email bericht op 22 juli 2025 advies uitgebracht; • het dagelijks bestuur van het Wetterskip Fryslân heeft op 25 augustus 2025 laten weten geen aanleiding te zien om een advies uit te brengen; • Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân hebben op 3 september 2025 advies uitgebracht (kenmerk: 02406421); • de Mijnraad heeft op 20 oktober 2025 advies uitgebracht (kenmerk: MIJR/ 101851136). Naast het winningsplan van Eni Energy hebben de betrokken decentrale overheden tevens de adviezen van SodM en TNO ontvangen.

5. Winningsplan op hoofdlijnen, adviezen en beoordeling Hieronder wordt per onderwerp op hoofdlijnen beschreven wat Eni Energy hierover in de aanvraag heeft opgenomen. Per onderwerp volgen eventuele adviezen van de adviseurs. Dan volgt de beoordeling, waarbij op basis van een integrale afweging wordt beargumenteerd of eventuele adviezen worden overgenomen. 5.1. Planmatig beheer en gebruik delfstoffen 5.1.1. Winningsplan De gasvelden in het L12/L15 gebied zijn in de periode tussen 1968-1980 ontdekt en ontwikkeld door installatie van het L15b-A platform in 1992 met ruimte voor 9 putten, waarvan er op dit moment 7 in gebruik zijn. Het gas bevindt zich in de zandstenen van de Rotliegend Formatie. Er is 9,08 miljard Nm3 gas geproduceerd tot 1 januari 2022. Eni Energy verwacht met de huidige putten maximaal 10,3 Pagina 4 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

miljard Nm3 gas te kunnen produceren. Eni Energy onderzoekt of het boren van twee additionele putten vanaf het platform (respectievelijk naar een compartiment in het uiterste zuiden van het L12b-C veld en naar het nog niet ontwikkelde L12a-A veld) technisch en economisch haalbaar is. De meeste putten in de L12/L15 gasvelden zijn hydraulisch gestimuleerd vanwege de beperkte doorlatendheid van het gesteente. Ook de twee geplande putten zullen waarschijnlijk hydraulisch gestimuleerd worden. Als beide putten in de komende jaren gerealiseerd kunnen worden is de geschatte maximale productie 12,4 miljard Nm3. De productievoorspelling zoals opgenomen in de aanvraag laat zien dat met de putten die nu in gebruik zijn tot en met 2034 productie wordt verwacht. In het winningsplan uit 2014 was de verwachting dat met bestaande putten tot 2029 geproduceerd kon worden. Als de twee geplande putten ook worden meegenomen dan is de verwachting dat er tot en met 2039 gas geproduceerd kan worden. Eni Energy stelt dat in het geval de begindatum van productie uit de nieuwe putten verandert, bijvoorbeeld door vergunning gerelateerde zaken, de productieprofielen ook verschuiven.

DGRGG-DTDO / V-40180

5.1.2. Adviezen Advies TNO Aangezien de gasvelden zich in de eindfase van productie bevinden merkt TNO, net als Eni Energy, op dat de onzekerheden van de daadwerkelijke productie van de bestaande putten toe zal nemen. De twee additionele putten zijn nog niet geboord en de verwachte productie zal beter te voorspellen zijn na het completeren van de boringen. De wijze waarop Eni Energy voornemens is de gasvelden te produceren is conform de huidige kennis en technieken. Uit het oogpunt van planmatig gebruik oordeelt TNO dat de beoogde gaswinning doelmatig en efficiënt is. Advies SodM SodM is het met Eni Energy en TNO eens dat de daadwerkelijke productie zal afhangen van het gedrag van de putten. Op basis van de opgegeven productievolumes uit de aanvraag zullen in het hoog scenario in de periode 2022 tot en met 2039 maximaal 468 miljoen Nm3 uit L15b-A, 993 miljoen Nm3 uit L12a-A, 238 miljoen Nm3 uit L12a-B en 1.587 miljoen Nm3 aardgas uit L12b-C worden geproduceerd (in totaal 3.286 miljoen Nm3). Deze volumes zullen door SodM als maxima worden beschouwd. SodM vindt dat, indien gerealiseerd, de voorgestelde winning naar huidige kennis en techniek, planmatig en efficiënt uitgevoerd zal worden.

SodM adviseert een voorschrift op te nemen dat bij een eventuele instemming Eni Energy tussen januari 2022 tot en met eind 2039 een maximaal volume van 3.286 miljoen Nm3 aardgas uit de L12/L15 gasvelden mag winnen. 5.1.3. Beoordeling planmatig beheer en gebruik delfstoffen Bij planmatig gebruik en beheer dient sprake te zijn van een efficiënte winning van de delfstof, waarbij de wijze waarop, het tempo waarmee en de hoeveelheid te winnen gas van belang zijn. De beoordeling draait vooral om de vraag of de door de mijnbouwonderneming in het winningsplan aangegeven winbaarheidsfactor reëel is, gezien de technische parameters en geologische omstandigheden van het gasveld. Daarnaast dient een andere gebruiksvorm van de ondergrond door de gaswinning niet ongewenst onmogelijk gemaakt te worden.

Pagina 5 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

TNO en SodM hebben het winningsplan L12/L15 volgens de gebruikelijke methode getoetst op planmatig beheer en concluderen dat het winningsplan voldoet aan de wettelijke eisen. De productie van gas kan langzamer of sneller gaan dan wordt aangenomen en verwacht, afhankelijk van het gedrag van de putten.

DGRGG-DTDO / V-40180

SodM adviseert om een voorschrift op te nemen dat tussen januari 2022 tot en met eind 2039 een maximaal volume van 3.286 miljoen Nm3 aardgas uit de L12/L15 gasvelden gewonnen mag worden. Conform artikel 34, eerste lid, van de Mbw, dient winning vanuit de L12/L15 gasvelden plaats te vinden overeenkomstig het winningsplan. Er is daarom geen noodzaak om een dergelijk voorschrift op te nemen. Wanneer Eni Energy wil of moet afwijken van het winningsplan, bijvoorbeeld omdat sprake is van gewijzigde omstandigheden, dan zal een actualisatie van het winningsplan moeten worden ingediend. Er zijn geen andere gebruiksvormen van de ondergrond voorzien. De gevraagde voortzetting van de gaswinning tot en met 2039 past dan ook in het planmatig gebruik van de ondergrond. Voortzetting van de gaswinning belemmert toekomstige andere mogelijkheden van de ondergrond niet. De beschreven winning in het winningsplan L12/L15 voldoet aan de eisen van een efficiënte en doelmatige winning. Zodoende is sprake van planmatig gebruik en beheer van de ondergrond. Op grond van het vorenstaande is er ten aanzien van planmatig beheer en gebruik van delfstoffen geen aanleiding om instemming te weigeren of om beperkingen of voorschriften te verbinden aan dit besluit.

Zienswijzen Een reactie op de zienswijze met betrekking tot het onderwerp planmatig beheer en gebruik delfstoffen is gegeven in de Nota van Antwoord onder nr. 1. De zienswijze geeft geen aanleiding het instemmingsbesluit — ten opzichte van het ontwerp-instemmingsbesluit — op dit onderwerp inhoudelijk te wijzigen. 5.2. Bodemdaling Gelet op artikel 35, lid 1, onder f van de Mbw bevat een winningsplan een beschrijving van de effecten van bodembeweging als gevolg van de winning. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen bodemdaling en bodemtrilling. De effecten van bodemdaling worden in dit onderdeel beoordeeld. De effecten van bodemtrilling komen aan de orde in § 5.3 van dit besluit. 5.2.1. Winningsplan Eni Energy heeft de bodemdaling gemodelleerd met invoerparameters, inclusief onzekerheid. Deze methodiek van Eni Energy resulteert in een spreiding van modelprognoses met bijbehorende waarschijnlijkheid. Er zijn geen specifieke bodemdalingsmetingen gedaan boven de gasvelden voor kalibratie van de modellen, echter de parameters zijn gekozen in overeenstemming met onshore Rotliegend velden die wel gekalibreerd zijn. De huidige bodemdaling door de gaswinning uit de L12/L15 gasvelden vanaf begin productie in 1993 wordt door Eni Energy geschat op 8 cm (P50 4). De uiteindelijke maximale bodemdaling is volgens Eni Energy ten hoogste 19 cm (P10 5). De nog 4 5

De mate van bodemdaling waar er 50% kans is dat het overschreden wordt. De mate van bodemdaling waar er 10% kans is dat het overschreden wordt. Pagina 6 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

verwachtte toekomstige bodemdaling van 11 cm is geconcentreerd boven de L12a-A en L12b-C-109 gasvelden, omdat daar de nieuwe depletie plaatsvindt, als de twee geplande putten gas weten te produceren. De door Eni Energy berekende dalingscontouren reiken niet tot het vaste land..

DGRGG-DTDO / V-40180

5.2.2. Adviezen Advies TNO TNO-AGE heeft een controle op de bodemdalingsprognose van Eni Energy uitgevoerd. TNO-AGE heeft de door Eni Energy gepresenteerde parameters vergeleken met andere winningsplannen met gelijksoortige reservoireigenschappen. De parameters in het voorliggende winningsplan vallen binnen bandbreedte voor gelijksoortige gasvelden. Daarnaast is TNO-AGE van mening dat de gekozen spreiding voor de lage en hoge parameterwaardes afdoende de onzekerheid beschrijft. De door TNO-AGE berekende prognose komt op een gelijksoortig resultaat als Eni Energy voor de P10 waarde van de uiteindelijke maximale bodemdaling. Advies SodM Door gaswinning tot en met 2021 uit de L12/L15 gasvelden is naar schatting 8 cm bodemdaling veroorzaakt, de voorgenomen winning zal maximaal een verdere 11 cm bodemdaling veroorzaken, inclusief het na-ijl effect. Gebaseerd op de informatie van Eni Energy en TNO-AGE oordeelt SodM dat de maximale samengestelde bodemdaling van 19 cm boven de L12/L15 gasvelden veroorzaakt door winning uit aanvraag en eerdere winning in een P10 scenario een realistische waarde is. 5.2.3. Beoordeling bodemdaling Op basis van de adviezen van TNO en SodM is het aannemelijk dat de nog te verwachten toekomstige bodemdaling als gevolg van de gaswinning uit de gasvelden van L12/L15 conform de prognose in het winningsplan verloopt.

Op grond van het vorenstaande is er ten aanzien van de bodemdaling geen aanleiding om instemming te weigeren of om beperkingen of voorschriften te verbinden aan dit besluit. Zienswijzen Op het onderwerp bodemdaling is geen zienswijze ontvangen. 5.3. Bodemtrilling Gasvelden worden op basis van een seismisch risicoanalyse (hierna: SRA) geclassificeerd in drie risicocategorieën: categorie I, categorie II en categorie III. Hierbij is het risico op schade als gevolg van een beving in risicocategorie I kleiner dan in risicocategorie II en in risicocategorie II kleiner dan in risicocategorie III. De indeling in een bepaalde risicocategorie bepaalt uiteindelijk of, en welke, maatregelen getroffen moeten worden door de operator, in dit geval Eni Energy. De SRA bestaat uit drie stappen die afhankelijk van de uitkomst per stap worden doorlopen. De eerste stap bestaat uit het bepalen van de kans op beven en de berekening van de sterkste beving waar theoretisch gezien rekening mee moet worden gehouden. Geen verdere onderzoeksstappen zijn noodzakelijk voor velden die op basis van deze berekeningen een verwaarloosbare kans hebben om een Pagina 7 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

beving te genereren als gevolg van gaswinning, of waar geen bevingen sterker dan M=2,5 op de schaal van Richter te verwachten zijn. Voor deze velden volstaat monitoring van de seismische activiteiten in het gebied door middel van het seismische meetnetwerk van het KNMI.

DGRGG-DTDO / V-40180

5.3.1. Winningsplan Eni Energy heeft een SRA uitgevoerd conform de tijdelijke leidraad “Methodiek voor risicoanalyse omtrent geïnduceerde bevingen door gaswinning” (versie 1.2, 1 februari 2016, SodM). De seismische risicoanalyse laat zien dat de gasvelden in dit winningsplan in de laagste seismische risicocategorie vallen. Eni Energy geeft aan dat de kans op trillingen in deze gasvelden niet verwaarloosbaar is en dat de maximaal realistische magnitude boven de 3,5 (schaal van Richter) ligt. Eni Energy heeft daarom volgens de leidraad een risicomatrix opgesteld, waarbij ondergrondse en bovengrondse risicofactoren worden geïndexeerd. Het eiland Vlieland ligt buiten de 5 km bufferzone rondom de gasvelden waardoor de score nul voor de bovengrondse risicofactoren wordt gegeven. Uit de risicomatrix volgt dat de gasvelden in (de laagste) seismische risicocategorie I classificeren. Het monitoren van de seismische activiteit rondom de L12/L15 gasvelden zal worden gerealiseerd met behulp van het huidige KNMI-meetnetwerk. 5.3.2. Adviezen Advies TNO TNO heeft de invoer parameters voor de stappen van de SRA gecontroleerd en stemt in met het resultaat en classificeert de L12/L15 gasvelden, net als Eni Energy, in seismische risicocategorie I.

Advies SodM SodM kan zich vinden in de conclusie van Eni Energy en TNO dat de L12/L15 gasvelden zich in de laagste risicocategorie (categorie I) bevinden. 5.3.3. Beoordeling bodemtrilling Als gevolg van gaswinning kan de druk in het gasveld in de diepe ondergrond dalen en kunnen spanningsverschillen optreden. Soms kan daardoor een kleine, plotselinge verschuiving optreden in dat gasveld. Dat is een bodemtrilling. Als de bodemtrilling sterk genoeg is, kan deze gevoeld worden aan het oppervlak en spreekt men ook wel van een aardbeving. Het stelsel van de Mbw en onderliggende regelgeving kent de term aardbevingen niet, om die reden wordt in dit besluit ook de term (bodem)trilling gehanteerd. Op basis van de adviezen van TNO en SodM kunnen de L12/L15 gasvelden, conform het winningsplan, ingedeeld worden in risicocategorie I. Het monitoren van de seismische activiteit rondom de L12/L15 gasvelden zal worden gerealiseerd met behulp van het huidige KNMI-meetnetwerk. Op grond van het vorenstaande is er ten aanzien van de bodemtrilling geen aanleiding om instemming te weigeren of om beperkingen of voorschriften te verbinden aan dit besluit.

Pagina 8 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Zienswijzen Op het onderwerp bodemtrilling is geen zienswijze ontvangen.

DGRGG-DTDO / V-40180

5.4. Schade door bodembeweging en veiligheid voor omwonenden Bodembeweging is de verzamelnaam voor bodemdaling en bodemtrillingen. 5.4.1. Winningsplan Uit het winningsplan volgt dat de bodemdalingskommen van de L12/L15 gasvelden niet tot de kust reiken. Hierdoor verwacht Eni Energy geen gevolgen voor infrastructuur of gebouwen. Verder geeft Eni Energy aan geen maatregelen te treffen om de bodemdaling en de gevolgen ervan te beperken omdat de bodemdaling zich alleen tot offshore beperkt. Het kustfundament is de kustzone tot 20m waterdiepte. Eni Energy begrijpt dat Rijkswaterstaat verplicht is de zandbalans binnen de 20 meterzone te handhaven, om de kust op lange termijn op zijn plek te houden. De balans in deze zone wordt negatief beïnvloed door natuurlijke factoren (tektoniek, zeespiegelstijging, zandhonger Waddenzee). Om die reden voert Rijkswaterstaat zandsuppleties uit. De bodemdalingscontouren reiken tot onder het kustfundament en de bodemdaling beïnvloedt dus de zandbalans. Door de geleidelijke aard van de bodemdaling, en door de grootte van de stromingen langs de kust, is de impact zowel in ruimte als tijd erg uitgesmeerd. Daarom is de lokale impact niet direct meetbaar, en is niet te achterhalen of er in de afgelopen 30 jaar een specifiek effect was van de bodemdaling door deze gaswinning. Op verzoek van SodM heeft hierover overleg plaatsgevonden met Rijkswaterstaat.

Indien Rijkswaterstaat constateert dat zandsuppleties nodig zijn in de 20 meterzone en reden heeft om aan te nemen dat de oorzaak deels is gelegen in gaswinningsactiviteiten, dan zal Eni Energy hierover met Rijkswaterstaat in nader overleg treden en onderzoeken of aanleiding bestaat hieraan een bijdrage te leveren. Eni Energy verwacht dat er bij bevingen bij de L12/L15 gasvelden geen gevolgen voor bebouwing en/of infrastructuur zijn. Dit omdat de 5km gebieden rond de gasvelden niet of nauwelijks tot het land reiken. 5.4.2. Adviezen Advies TNO TNO heeft aan de hand van de parameters die in het geactualiseerde winningsplan zijn gepresenteerd een controleberekening uitgevoerd en komt daarbij op gelijksoortige bodemdalingsprognose als Eni Energy voor de L12/L15 gasvelden. TNO merkt op dat het monitoren van een bodemdalingskom door gaswinning van deze omvang (enkele kilometers wijd en maximaal een aantal centimeters diep in het centrum) in het dynamische milieu van de Noordzee met continue migrerende zandverplaatsing een uitdaging is, omdat de conventionele methoden zoals die op land worden gebruikt niet toepasbaar zijn (b.v. GPS, waterpas en INSAR). Daarbij is de toegevoegde waarde van dergelijke monitoring niet duidelijk vanwege de afwezigheid van bewoning en infrastructuur.

Bij toepassing van de SRA, zoals geadviseerd in de leidraad: “Methodiek voor Risicoanalyse omtrent geïnduceerde bevingen door gaswinning”, wordt een 5 km bufferzone gehanteerd vanaf de rand van het veld omdat aardbevingen op de randbreuken van een gasveld binnen deze buffer nog significante Pagina 9 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

grondbewegingen kunnen veroorzaken. TNO merkt op dat de afstand van Vlieland tot het gasveld en de L12/L15 gasvelden meer dan 5 km is.

DGRGG-DTDO / V-40180

Advies SodM Eni Energy heeft in het voorliggende winningsplan een samenvatting van het gesprek met Rijkswaterstaat over de impact aan het kustfundament als gevolg van bodemdaling door de winning toegevoegd. SodM is van mening dat er in de toekomst door Rijkswaterstaat aanleiding kan ontstaan om een bijdrage te vragen van Eni Energy voor het intact houden van het kustfundament als gevolg van de impact van de in dit geactualiseerde winningsplan beschreven (historische en toekomstige) winning. SodM adviseert derhalve om, bij een eventuele instemming, een voorschrift toe te voegen waarin Eni Energy verplicht wordt gesteld tot medewerking, als Rijkswaterstaat constateert dat er aanvullende zandsuppleties vereist zijn aan het kustfundament en er een reden is om aan te nemen dat de oorzaak geheel of gedeeltelijk te wijten is aan gaswinningsactiviteiten. Gebaseerd op de informatie van Eni Energy en TNO oordeelt SodM dat zich geen schade kan voordoen aan bebouwing en infrastructuur veroorzaakt door mogelijke geïnduceerde bevingen als het gevolg van de aangevraagde en/of historische gaswinning. Advies gemeente Vlieland De gemeente Vlieland onderschrijft het advies van SodM dat bijdrage van Eni Energy is gewenst voor herstel kustfundament aan Rijkswaterstaat mocht blijken dat aantasting kustfundament komt door de winning.

Verder wijst de gemeente Vlieland op het uitvoeren van een Heritage Impact Assessment voor werelderfgoed Waddenzee op grond van artikel 14.7 van het BAL. Het is goed in kaart te brengen wat de gevolgen van de bodemdaling voor sedimentaanvoer in de Waddenzee zijn. Suppleties kunnen een oplossing zijn maar dat is afhankelijk van waar het materiaal vandaan komt en de samenstelling. Onderzoek in de Waddenzee liet bijvoorbeeld zien dat door bodemdaling de samenstelling van het sediment veranderde. Advies provincie Fryslân De provincie Fryslân onderschrijft het advies en voorschrift van SodM over het kustfundament en benadrukt dat het beschermen van de kostbare Waddenkustlijn sinds 1990 een belangrijke rol speelt voor de maatschappelijke veiligheid. Daarnaast speelt er nog een aspect aan de Waddenkust waar de provincie aandacht voor wil vragen, namelijk; de duinen van Vlieland. Dit zijn kwetsbare Natura 2000 gebieden, die verstoring (bodemtrillingen) en vervuiling (licht, lucht en schadelijke stoffen) kunnen ervaren van de gaswinningswerkzaamheden. Advies Mijnraad De Mijnraad waardeert dat een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de aanvrager en Rijkswaterstaat over de impact aan het kustfundament als gevolg van bodemdaling door gaswinning.

De Mijnraad onderschrijft daarnaast ook het belang voor nader overleg indien blijkt dat er als gevolg van de gaswinning daadwerkelijk extra zandsuppleties nodig zijn binnen de 20-meterzone. De Mijnraad is van oordeel dat het zeer moeilijk zal zijn om te achterhalen in welke mate gaswinning de oorzaak van de bodemdaling is, vanwege de vele andere mogelijke factoren die Pagina 10 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

hierin een rol spelen. Daardoor is het tevens moeilijk vast te stellen wie verantwoordelijk is voor eventuele extra zandsuppleties door Rijkswaterstaat. Daarom acht de Mijnraad het van belang dat, indien wordt geconstateerd dat inderdaad extra zandsuppletie nodig is, er door een onafhankelijke, deskundige partij onderzocht wordt in hoeverre de benodigde zandsuppletie toe te schrijven is aan gaswinning. De Mijnraad adviseert de staatssecretaris om dat belang te betrekken bij het instemmingsbesluit.

DGRGG-DTDO / V-40180

5.4.3. Beoordeling schade door bodembeweging en veiligheid voor omwonenden Voor de beoordeling van schade door bodembeweging en veiligheid van omwonenden wordt op basis van de aanvraag en het advies van TNO vastgesteld dat de bodemdalingskommen van de L12/L15 gasvelden niet reiken tot de kust van Vlieland. Verder is de afstand van Vlieland tot de L12/L15 gasvelden meer dan de 5 km. Vlieland ligt dus buiten de bufferzone die gehanteerd wordt bij toepassing van de SRA en waarbinnen aardbevingen op de randbreuken van een gasveld nog significante grondbewegingen kunnen veroorzaken. Hieruit, en op basis van de adviezen van TNO en SodM, volgt dat er geen risico is op schade aan gebouwen en infrastructuur als gevolg van bodembeweging in de L12/L15 gasvelden. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de veiligheid van de omwonenden door eventuele bodembeweging niet in het geding is. De bodemdalingscontouren door gaswinning reiken wel tot onder het kustfundament en de bodemdaling beïnvloedt dus de zandbalans in deze 20 meterzone voor de kust. Rijkswaterstaat beheert het kustfundament en voert zandsuppleties uit om de zandbalans te handhaven en om de kust op lange termijn op zijn plek te houden.

Eni Energy zal hierover indien nodig afspraken maken met Rijkswaterstaat en zal in nader overleg treden en onderzoeken of aanleiding bestaat hieraan een bijdrage te leveren wanneer de oorzaak deels gelegen is in gaswinningsactiviteiten. Het advies van SodM om hierover een voorschrift op te nemen is daarom niet noodzakelijk. Het advies van de Mijnraad om een onafhankelijke en deskundige partij te laten onderzoeken of benodigde zandsuppleties toe te schrijven zijn aan gaswinning is vooralsnog voorbarig. Op basis van de afspraken tussen Eni Energy en Rijkswaterstaat wordt ervan uitgegaan dat de partijen hier onderling uitkomen, ook wanneer dat betekent om mee te werken aan een onderzoek door een onafhankelijke partij. Indien Rijkswaterstaat als gevolg van de gaswinning door Eni Energy op L12/L15 compenserende maatregelen moet treffen aan door de gaswinning nadelig beïnvloed kustfundament, is Eni Energy op grond van artikel 6:177 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor de kosten daarvan. Meer dan de helft van het aangevraagde productievolume vanaf 2022 komt voort uit de toekomstige productie van de twee nieuw geplande putten in de L12a-A en L12b-C-109 gasvelden. De nog verwachte toekomstige bodemdaling is daarom geconcentreerd boven deze gasvelden, omdat daar de nieuwe en meeste depletie (drukdaling) plaatsvindt. Voor deze nieuwe boringen is een omgevingsvergunning nodig.

Bij de aanvraag hiervan zal via een milieu-effect-rapportage (hierna: MER) aandacht moeten worden besteed aan de eventuele externe werking op nabijgelegen Natura-2000 gebieden zoals de Waddenzee en de duinen van Vlieland.

Pagina 11 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

Op grond van het vorenstaande is er ten aanzien van schade door bodembeweging en veiligheid voor omwonenden geen aanleiding om instemming te weigeren of om beperkingen of voorschriften te verbinden aan dit besluit.

DGRGG-DTDO / V-40180

Zienswijzen Een reactie op de zienswijze met betrekking tot het onderwerp schade door bodembeweging is gegeven in de Nota van Antwoord onder nr. 2. De zienswijze geeft geen aanleiding het instemmingsbesluit — ten opzichte van het ontwerpinstemmingsbesluit — op dit onderwerp inhoudelijk te wijzigen. 5.5. Natuur en milieu 5.5.1. Winningsplan Eni Energy stelt vast dat de bodemdalingscontouren veroorzaakt door de gaswinning in het L12/L15 gebied reiken tot onder het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. De gaswinning vindt plaats met behulp van een platform op ongeveer 3 km van de grens van het Natura 2000-gebied. Van de vier gasvelden liggen er twee onder het Natura 2000 gebied. De toekomstige effecten van bodemdaling op natuur, en het Natura 2000-gebied in het bijzonder, zijn door Royal Haskoning DHV beoordeeld in een effectenanalyse “Impact van aardgaswinning op Natura 2000-gebied Noordzeekustzone” (winningsplan bijlage 7). In dit gebied worden de permanent overstroomde zandbanken van de kustzone van de Noordzee, waar de golfwerking vanuit de Noordzee belangrijker is dan de getijwerking, potentieel beïnvloed door bodemdaling. Deze zandbanken bevinden zich langs de kust tot een waterdiepte van 20 meter. Uit de analyse volgt dat deze strook door gaswinning, zeespiegelstijging en isostatische compensatie (bodemdaling door tektonische processen) smaller wordt.

Hierdoor neemt de oppervlakte van de zandbanken af. Het aandeel van de gaswinning L12/L15 door Eni Energy in deze vermindering van de oppervlakte is zeer beperkt. Ten opzichte van zeespiegelstijging en isostatische compensatie is de oppervlakte afname voor minder dan 7% toe te schrijven aan de gaswinning in het L12/L15 gebied en daarmee waarschijnlijk verwaarloosbaar ten opzichte van zeespiegelstijging en isostatische compensatie. Eni Energy neemt deze conclusie over en geeft daarmee aan dat de bodemdaling geen rechtstreekse effecten heeft op natuur of milieu. Voor bodemtrillingen stelt Eni Energy dat er geen oorzaak-effect relatie bekend is waarmee bodemtrillingen van de maximale realistische grootte in het L12/L15 gebied kunnen leiden tot schade aan natuur of milieu. Daarom worden schadelijke effecten op natuur en milieu ten gevolge van bodemtrillingen niet verwacht. 5.5.2. Adviezen Advies SodM Gebaseerd op de informatie van Eni Energy en TNO oordeelt SodM dat de maximale samengestelde bodemdaling van 19 cm boven de L12/L15 gasvelden veroorzaakt door winning uit de aanvraag en eerdere winning in een P10 scenario een realistische waarde is.

Het is dus mogelijk dat de activiteiten zoals beschreven in het geactualiseerde winningsplan kunnen leiden tot significante gevolgen voor de natuur en in het bijzonder de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied de Noordzeekustzone. Eni Energy heeft onderzoek gedaan naar de Pagina 12 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

mogelijke effecten van de winning op de Noordzeekustzone. SodM kan het onderzoek en de conclusie ervan niet beoordelen omdat de Noordzeekustzone niet in het beheer is van SodM. Het valt SodM op dat Eni Energy geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) heeft om te kunnen opereren in een Natura 2000-gebied. De reden hiervoor is dat de Noordzeekustzone later is aangewezen als een Natura 2000-gebied dan de winningsactiviteiten van Eni Energy in het gebied zijn gestart. Echter met deze wijziging van de winning ontstaat er een nieuwe situatie waardoor er ook een vergunning op grond van de Wnb verplicht zou kunnen zijn. SodM kan vanuit zijn rol niet beslissen of dit ook daadwerkelijk het geval is. Daarom adviseert SodM hierover advies in te winnen bij het bevoegd gezag, in dit geval het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Ook adviseert SodM de studie over de effecten van de winning te laten beoordelen door LNV.

DGRGG-DTDO / V-40180

Voor wat betreft het eigengebruik valt het SodM op dat tijdens de eindfase van de winning het jaarlijkse eigengebruik (12 miljoen Nm3 gas) niet verandert terwijl de productie vanaf 2025 elk jaar zakt. SodM is het met Eni Energy eens dat de huidige compressor op het L15b-A platform, waar het gas, condensaat en het mee geproduceerde water worden behandeld, tegen het einde van het veldleven te groot zal zijn. Daarom acht SodM het plan van Eni Energy om de compressor te vervangen door een kleinere compressor, zodat het eigengebruik verlaagd wordt en de gaswinning economisch rendabel blijft, valide. SodM vindt dat de veiligheid van mens en milieu gebaat is bij een zo laag mogelijk belasting voor het milieu. SodM adviseert derhalve om, bij een eventuele instemming, een voorschrift toe te voegen waarin het eigengebruik per kalenderjaar wordt gelimiteerd tot maximaal 10% van de totale hoeveelheid gewonnen gas in het zelfde kalenderjaar, zodat het nut van de voorgestelde winning in vergelijking tot de milieurisico’s waar het aan bijdraagt te allen tijde wordt gegarandeerd. Advies gemeente Vlieland De gemeente Vlieland wijst op een brief die namens de gezamenlijke Waddeneilanden is verzonden aan de minister van natuur en stikstof, de minister van klimaat en energie en de staatssecretaris van mijnbouw.

In die brief hebben de vijf Nederlandse Waddeneilanden en de drie westelijke Duitse Waddeneilanden de handen ineen geslagen over de voorgenomen gaswinning ten noorden van Schiermonnikoog en andere dreigende gaswinning in en rondom de Waddenzee. Volgens de burgemeesters van de acht eilanden is gaswinning in strijd met de klimaatdoelen. Bovendien bedreigt gaswinning unieke natuurgebieden in zowel Nederland als Duitsland. De eilandgemeentes verwelkomen ieder jaar honderdduizenden toeristen, die komen voor de bijzonder natuur. Een ongerepte natuur en behoud van het gevoelige ecosysteem Waddenzee vormen daarmee de basis voor het economische voortbestaan en overleven van de eilandgemeentes. De burgemeesters van de acht Waddeneilanden verzoeken de ministers geen toestemming te verlenen aan nieuwe gaswinningsplannen in en rondom de Waddenzee en de Waddeneilanden. De Waddenburgemeesters benadrukken dat zij zich al gedurende geruime tijd inzetten voor duurzaamheid en voor het klimaat. De eilanden hebben meerdere duurzaamheidsdoelstellingen en werken daarin ook samen. De bedreiging die uitgaat van vervuiling van de zeeën en de klimaatverandering zijn op de eilanden in de Waddenzee reëel en voelbaar. Een verdere uitbuiting van fossiele energiebronnen in deze huidige tijd leidt daarom niet alleen tot onbegrip, het voelt Pagina 13 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

als een klap in het gezicht van alle partijen die hard werken om de gevolgen van CO2-verrijking te verminderen en een bijdrage te leveren aan CO2-reductie. Gaswinning vlakbij de Waddenzee en andere kwetsbare natuurgebieden brengt gevoelige ecosystemen én het bestaan van de mensen die hier wonen in gevaar. Dat gevaar schuilt overigens niet alleen in de exploitatie van dergelijke installaties, maar ook in mogelijke ongevallen met directe gevolgen voor natuur en milieu.

DGRGG-DTDO / V-40180

De gemeente Vlieland wil de inhoud van de brief nogmaals meegeven en vraagt de staatssecretaris dit bij de overwegingen nadrukkelijk te betrekken, ook al gaat het hier om een bestaande locatie. Verder wijst de gemeente Vlieland op de cumulatie met de aanleg van windmolenparken en mogelijk andere activiteiten in de Noordzee. SodM heeft al gewezen op de mogelijke noodzaak van een Wnb vergunning en een toets van het onderzoek door LNV, maar de cumulatie met de grootschalige windmolenparken in het Natura 2000-gebied de Noordzeekustzone wordt nergens genoemd. Advies provincie Fryslân De provincie Fryslân wijst op de risico’s die frackingsactiviteiten onder de Noordzee met zich meebrengen voor zowel milieu als de veiligheid. Dit gezien de ligging van de locatie binnen 10 kilometer van het Noordzeestrand van Vlieland en daarmee het UNESCO Werelderfgoed Waddenzee. Ondanks dat Eni Energy stelt dat de risico’s van fracking minimaal zijn, zijn ze volgens de provincie niet verwaarloosbaar. Hierbij noemt de provincie de volgende voorbeelden: • • • •

Milieuvervuiling, het gebruik van chemicaliën bij fracking kan leiden tot vervuiling van het zeewater, met negatieve gevolgen voor mariene biodiversiteit. Bewegingen in de ondergrond (aardbevingen) kunnen munitie uit de tweede wereldoorlog tot ontploffing brengen en daarmee schade opleveren aan het ecosysteem. De druk die fracking uitoefent op ondergrondse gesteentelagen kan aardbevingen veroorzaken, wat mogelijk schade oplevert aan het ecosysteem. Methaan kan vrijkomen tijdens het frackingproces en draagt bij aan klimaatverandering.

Verder adviseert de provincie Fryslân om het besluit van Eni Energy om geen water injectieput te boren voor her-injectie van productiewater nader te laten onderbouwen. Want her-injectie kan mogelijk een positief effect hebben op bodemdaling. Verder wil de provincie weten wat er wel wordt gedaan met het productiewater en wat zijn de effecten daarvan, met name in relatie tot mogelijke lekkages en risico’s voor het mariene ecosysteem. De provincie constateert dat het winningsplan geen informatie bevat over de wijze waarop Eni Energy voornemens is om boorgruis en boorspoeling te verwerken. Gezien de potentieel schadelijke milieueffecten van deze bijproducten achten zij dit een wezenlijk tekort in het plan en vragen zij aanvullende informatie hierover. De provincie Fryslân is tegen het lozen van boorgruis. Dit standpunt is herhaaldelijk kenbaar gemaakt in eerdere procedures met betrekking tot frackingactiviteiten in de Noordzee. Tot slot merkt de provincie op dat bijlage 8 van het winningsplan (Risico-Inventarisatie conventioneel hydraulisch

Pagina 14 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

stimuleren) verwijst naar een onderzoek dat is uitgevoerd op het vaste land. Aangezien de geplande winning onder zee plaatsvindt, achten zij het onjuist om hier conclusies aan te verbinden zonder aanvullend onderzoek in de relevante context.

DGRGG-DTDO / V-40180

Advies Mijnraad De Mijnraad heeft kennis genomen van de plannen van de aanvrager om de huidige compressor op het L15b-A platform tegen het einde van het veldleven te vervangen door een kleinere compressor, zodat het eigen gebruik verlaagd wordt en de gaswinning economisch rendabel blijft. Om verdere milieugevolgen te beperken adviseert SodM daarnaast om bij een eventuele instemming een voorschrift te stellen waarin het eigen gebruik per kalenderjaar wordt gelimiteerd tot maximaal 10% van de totale hoeveelheid gewonnen gas in hetzelfde kalenderjaar. De Mijnraad benadrukt dat naast milieu- en klimaattechnische redenen de aanvrager ook voldoende economische motieven heeft om het eigen gasgebruik zo veel mogelijk te beperken. De Mijnraad acht het daarom niet noodzakelijk om hier een voorschrift, zoals SodM adviseert, voor op te nemen. Bovendien kan het in twijfel worden getrokken of het stellen van een dergelijk voorschrift wel behoort tot de beoordeling die plaatsvindt bij de instemming van het winningsplan.

Acht de staatssecretaris het echter nodig om hierover een voorschrift op te nemen bij de instemming van dit winningsplan of bij het verlenen van een andere vergunning voor dit project, dan is de Mijnraad van oordeel dat het voorschrift over eigen gebruik voldoende moet worden beargumenteerd en dat de staatssecretaris bij de beslissing om een dergelijk voorschrift op te stellen het gelijkheidsbeginsel in acht moet nemen. De provincie Friesland constateert dat het winningsplan geen informatie bevat over de wijze waarop de aanvrager voornemens is om boorgruis en boorspoeling te verwerken. De Mijnraad merkt op dat er door de aanvrager ook geen informatie wordt verstrekt over de verwerking van mee geproduceerd formatiewater. De Mijnraad merkt op dat de beoordeling van deze aspecten buiten het instemmingsbesluit van het winningsplan valt en wordt gereguleerd binnen de Mijnbouwregeling. De Mijnraad onderschrijft echter de behoefte aan aanvullende informatie ten behoeve van belanghebbenden over de wijze waarop de aanvrager voornemens is om boorgruis, boorspoeling en mee geproduceerd water te verwerken of af te voeren, gezien de zorgen van de provincie Friesland in verband met de nabijheid van de Waddenzee. 5.5.3. Beoordeling natuur en milieu Het winningsplan is beoordeeld op mogelijke gevolgen voor natuur en milieu.

Van de onderdelen die in het winningsplan beoordeeld worden kan het onderdeel bodembeweging mogelijk gevolgen hebben voor natuur en milieu. SodM en de gemeente Vlieland wijzen op de mogelijke noodzaak voor een Wnb vergunning voor de aangevraagde winning. Volgens de uitspraak van 1 november 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:4045, onder 6.1, is de vraag of een vergunning krachtens de Wnb ¡s vereist, gezien de in artikel 36 van de Mijnbouwwet opgenomen beoordelingsgronden, niet van belang bij een besluit over instemming met een winningsplan. Gelet daarop is in het kader van dit instemmingsbesluit geen passende beoordeling vereist als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb.

Pagina 15 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

De plannen van de aanvrager om de huidige compressor op het L15b-A platform tegen het einde van het veldleven te vervangen door een kleinere compressor, zodat het eigen gebruik verlaagd wordt en de gaswinning economisch rendabel, worden breed ondersteund. Echter, zoals de Mijnraad ook aangeeft, , wordt een voorschrift zoals SodM adviseert waarin het eigengebruik per kalenderjaar wordt gelimiteerd tot maximaal 10% van de totale hoeveelheid gewonnen gas in het zelfde kalenderjaar niet noodzakelijk geacht. Daarbij wordt het minimaliseren van het eigen verbruik van koolwaterstoffen en het daarbij gebruik maken van de best beschikbare techniek via het Bal behandeld in de omgevingsvergunning voor het L15b-A platform.

DGRGG-DTDO / V-40180

De brief namens de gezamenlijke Waddeneilanden, waarnaar de gemeente Vlieland verwijst, gaat in op de gevolgen voor de klimaatdoelen door nieuwe gaswinning en de bedreiging van milieu en natuurgebieden in zowel het Nederlandse als Duitse deel van de Waddenzee. Voor wat betreft de klimaatdoelen zet het kabinet in op besparing en de ontwikkeling van duurzame energie. Gas zal echter, als transitiebrandstof, de komende jaren noodzakelijk blijven (zie sectie 2 van dit besluit “Beleid gaswinning in Nederland”). De zorgen over de bedreiging van milieu en natuurgebieden in de Waddenzee zijn bij uitstek onderwerpen die aan de orde komen in de MER als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning. Gedurende die procedure worden de verwachte effecten op milieu en natuur van de voorgenomen activiteiten onderzocht. Hierdoor kunnen deze effecten volwaardig worden meegewogen bij de besluitvorming door het bevoegd gezag. De voorgenomen boringen en de exploitatie van de mijnbouwinstallaties zijn geen onderdeel van de toetsingsgronden volgens de Mbw en daarom geen onderdeel van dit instemmingsbesluit. Op dit moment zijn er geen vergunde of aangewezen wind(zoek)gebieden in de blokken L12 en L15.

Daarmee is een onderzoek naar de effecten van de cumulatie met grootschalige windmolenparken in het Natura 2000-gebied de Noordzeekustzone zoals de gemeente Vlieland voorstelt niet van toepassing op dit instemmingsbesluit. Toekomstige windparkontwikkelingen in het aangevraagde gaswingebied zullen de gangbare vergunningsprocedures doorlopen, waarbij de interacties worden onderzocht tussen het windpark, gaswinning en andere gebruiksmogelijkheden. Zoals eerder aangegeven in dit instemmingsbesluit is er voor de nieuwe boringen een omgevingsvergunning en een MER nodig. De aanvraag omgevingsvergunning gaat in op de milieubelastende activiteiten (MBA) ingevolge de Omgevingswet als bedoeld in artikel 3.320, en de functioneel ondersteunende activiteiten (FOA) als bedoeld in artikel 3.25 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarnaast volgt ook nog een bij SodM in te dienen werkprogramma voor boorgaten op zee conform Mijnbouwregeling artikel 8.2.1.1 onder b (werkprogramma voor boorgaten op zee). In deze procedures en met name ook in de MER komt meer informatie beschikbaar over de onderdelen die volgens de provincie Fryslân en de Mijnraad ontbreken in de aanvraag winningsplan, waaronder het verwerken van boorgruis, boorspoeling en mee geproduceerd formatiewater.

Om een voorschrift hierover, zoals de Mijnraad voorstelt, over de behoefte aan aanvullende informatie ten behoeve van belanghebbenden, op te nemen is dan ook niet aan de orde. In bijlage 8 van het winningsplan is een uitgebreide risico-inventarisatie voor conventioneel hydraulisch stimuleren (fracking) opgenomen. Zoals in het winningsplan wordt vermeld is deze grotendeels gebaseerd op studies van SodM Pagina 16 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

(2016) en TNO (2018). De studie van SodM uit 2016 is gebaseerd op een inventarisatie van fracking activiteiten op zowel land (155 putten) als zee (97 putten) en onderzoekt de mogelijke nadelige effecten van fracking voor mens en milieu. De TNO studie uit 2018 is, zoals de provincie Fryslân aangeeft, een onderzoek naar fracking activiteiten die zijn uitgevoerd op het vaste land. Het onderzoek is een verdieping van de inventarisatie die SodM eerder heeft uitgevoerd. TNO onderschrijft, in algemene zin, de bevindingen van SodM uit 2016. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat fracking nadelige effecten heeft veroorzaakt voor mens en milieu. Daarmee is verder aanvullend onderzoek in de relevante context van fracking op zee zoals provincie Fryslân wenst niet noodzakelijk. Deze studies hebben ook gekeken naar het ondergrondse risico van aardbevingen en milieurisico’s door fracking waar de provincie Fryslân zich zorgen over maakt. SodM komt tot de slotsom dat de toepassing van fracking ten behoeve van conventionele gaswinning op een verantwoorde manier plaats kan vinden. In het huidige advies van SodM op het voorliggende winningsplan wordt niet ingegaan op de fracking operaties. Er is geen aanleiding om instemming op dit punt te weigeren.

DGRGG-DTDO / V-40180

Op grond van het vorenstaande is er ten aanzien van natuur en milieu geen aanleiding om instemming met de aanvraag winningsplan te weigeren of om beperkingen of voorschriften te verbinden aan dit besluit. Zienswijzen Een reactie op de zienswijzen met betrekking tot het onderwerp natuur en milieu is gegeven in de Nota van Antwoord onder nr. 3 en 4. De zienswijzen geven geen aanleiding het instemmingsbesluit — ten opzichte van het ontwerpinstemmingsbesluit — op dit onderwerp inhoudelijk te wijzigen.

5.6. Overige adviezen Draag zorg voor goede informatievoorziening Met betrekking tot communicatie adviseert de provincie Fryslân om niet alleen voorafgaand maar ook tijdens de gaswinning voor goede informatievoorziening te zorgen. Inwoners in gebieden waar mijnbouw plaatsvindt stellen het doorgaans op prijs om op de hoogte te worden gesteld van ontwikkelingen die hebben plaats gevonden of nog gaan plaatsvinden (denk hierbij aan bouwwerkzaamheden, onderhoud, calamiteiten, exploraties, opbrengsten, onderzoek en eventuele metingen). Hoewel de inwoners van Vlieland geen directe invloed ervaren van de gaswinningsactiviteiten, hebben zij wel te maken met onder andere het zicht op het boorplatform en de helikopteractiviteiten van het platform. Een maatschappelijke plus voor dit gebied De provincie Fryslân vraagt aandacht voor een maatschappelijke plus voor de regio. De actualisatie van de Mijnbouwwet beoogt voor nieuwe gaswinningen een “plus voor het gebied“. Hierbij wordt verwezen naar de lobby van de provincie voor de Friese Norm, waarbij er een derde van de gasbaten terugvloeit naar de regio. De provincie Fryslân zou op basis van deze punten graag aanpassingen willen zien in het voorliggende winningsplan.

Pagina 17 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

5.6.2. Beoordeling overige adviezen De aanvraag inclusief de adviezen worden getoetst en gewogen in het licht van de in de Mbw opgenomen toetsingsgronden (zie § 3.1). Uitsluitend die toetsingsgronden worden gebruikt bij de beoordeling van de aanvraag en kunnen eventueel leiden tot voorschriften aan het besluit. Onderdelen van een advies die zien op andere zaken worden wel gezien en beantwoord maar kunnen niet leiden tot een weigering van de instemming of het opnemen van voorschriften aan het besluit.

DGRGG-DTDO / V-40180

Informatievoorziening Aan inwoners van Vlieland moet tijdige en transparante informatievoorziening plaatsvinden. Het is belangrijk dat Eni Energy hen informeert over de gaswinning en de gevolgen daarvan. Eni Energy heeft gedurende de procedure van de aanvraag reeds contact gehad met de gemeente Vlieland maar wordt nadrukkelijk geadviseerd om in gesprek te blijven met de omgeving en zorg te dragen voor een goede informatievoorziening richting de gemeente en de burgers. Opbrengsten gaswinning Op 31 maart 2025 is een onderzoek met betrekking tot een nationaal generiek toepasbaar herverdeelmodel voor batendeling en Kabinetsappreciatie aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2024/25, 32849, nr. 270). 6. De conclusie die het kabinet op basis van het onderzoek trekt is dat het voorgestelde herverdeelmodel niet toepasbaar is voor de mijnbouwsector, op een manier waarbij tot een betere herverdeling van lusten en lasten wordt gekomen. In navolging hierop is het ‘Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie’ opgesteld die aanleiding geeft om het ontwerpbesluit op het winningsplan L12/L15 op dit punt aan te vullen. Op 23 april 2025 hebben het kabinet, Energie Beheer Nederland (EBN) en branchevereniging Element NL een gezamenlijk akkoord gesloten om het resterende (potentiële) aardgas op de Noordzee verantwoord te winnen (het ‘Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie’ 7).

Met dit generieke sectorakkoord wordt ingezet op efficiëntere gaswinning uit gasvelden op de Noordzee maar zijn geen afspraken gemaakt over batendeling. Die afspraken zijn wel gemaakt in het ‘Sectorakkoord voor gaswinning op land’ 8 van 16 januari 2026. De gasvelden uit het winningsplan L12/L15 liggen aan de zeezijde van de lijn, zoals opgenomen in de bijlage van de Mijnbouwwet. Dat betekent dat de afspraken die zijn gemaakt in het sectorakkoord voor gaswinning op land hier niet van toepassing zijn, mede omdat de effecten van de gaswinning uit L12/L15 niet reiken tot aan de kust van Vlieland. Zienswijzen Een reactie op de zienswijzen met betrekking tot het onderwerp overige adviezen is gegeven in de Nota van Antwoord onder nr. 5 en 6. De zienswijzen geven geen aanleiding het instemmingsbesluit — ten opzichte van het ontwerpinstemmingsbesluit — op dit onderwerp inhoudelijk te wijzigen.

6 7

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32849-270.html

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/04/23/sectorakkoordgaswinning-in-de-energietransitie 8 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2026/01/16/aanvullende-afsprakengaswinning-op-land-sectorakkoord Pagina 18 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

6. Eindbeoordeling

DGRGG-DTDO / V-40180

Gelet op het winningsplan en de adviezen kom ik samenvattend tot de volgende beoordeling van het winningsplan. 6.1. Planmatig beheer en gebruik delfstoffen Ik stel op basis van de ontvangen gegevens en de adviezen vast dat het winningsplan L12/L15 overeenstemt met de principes van planmatig beheer. 6.2. Bodemdaling Ik stel vast dat het aannemelijk is dat de nog te verwachten toekomstige bodemdaling als gevolg van de gaswinning uit de L12/L15 gasvelden conform de prognose in het winningsplan verloopt en maximaal 11 cm zal bedragen. Inclusief de bodemdaling veroorzaakt door gaswinning tot en met 2021, zal de maximale samengestelde bodemdaling naar verwachting 19 cm bedragen. 6.3. Bodemtrilling Ik stel vast dat aangevraagde gasvelden in de laagste seismische risicocategorie vallen. Hierdoor zijn aanvullende onderzoeken of maatregelen niet nodig. 6.4. Schade door bodembeweging en veiligheid voor omwonenden Ik stel vast dat er geen risico is op schade aan gebouwen en infrastructuur als gevolg van bodembeweging in de L12/L15 gasvelden. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de veiligheid van de omwonenden door eventuele bodembeweging niet in het geding is. 6.5. Natuur en milieu Ik stel vast dat er geen nadelige effecten op natuur en milieu te verwachten zijn bij de voorgestelde winning uit de L12/L15 gasvelden. 6.6.

Conclusie Op basis van de beoordelingscriteria van artikel 36, eerste lid, van de Mijnbouwwet zie ik gelet op het bovenstaande geen aanleiding om in het belang van het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, in het belang van het voorkómen van schade of van de veiligheid voor omwonenden, of gelet op nadelige gevolgen voor milieu of natuur, de instemming met het L12/L15 winningsplan geheel of gedeeltelijk te weigeren.

Pagina 19 van 20

DG Realisatie Groene Groei Directie Transitie Diepe Ondergrond

7. Besluit

DGRGG-DTDO / V-40180

Gelet op de inhoud van het door Eni Energy Netherlands B.V. ingediende winningsplan L12/L15, versie 2022.5 van 1 mei 2025, en de hierover ingewonnen adviezen, en overwegende dat de winning door Eni Energy Netherlands B.V. vanuit de L12/L15 gasvelden conform artikel 34, eerste lid, van de Mijnbouwwet plaats dient te vinden overeenkomstig het ingediende winningsplan, verleen ik de gevraagde instemming tot en met 2039. De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, namens deze,

MT-lid directie Transitie Diepe Ondergrond

Belanghebbenden kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA, Den Haag als zij een zienswijze hebben ingediend over het ontwerp van dit besluit dan wel hen redelijkerwijze niet kan worden verweten dat zij dit niet hebben gedaan. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd.

Pagina 20 van 20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=474dc337-2bbd-441a-8b72-e094d958475b