11 - A. Maris - Meer tegenspraak vergroot betrokkenheid en draagvlak onder burgers
Tekst van het document
MEER TEGENSPRAAK IN POLITIEK VERGROOT BETROKKENHEID EN DRAAGVLAK ONDER BURGERS We leven in representatieve democratie. Dit is een vorm van democratie waarin kenmerkend is dat burgers om de vier jaar hun stem kunnen uitbrengen op een kandidaat van één van de officieel erkende politieke partijen. Ook op Schiermonnikoog heeft dit plaats met behulp van door partijbesturen opgestelde kandidatenlijsten. Daaruit kunnen de betreffende fractieachterbannen dan een keuze maken. Kandidaten die gekozen worden, krijgen van burgers het mandaat om in de komende raadsperiode als hun afgevaardigde in raads- en commissie vergaderingen op te treden. Om voor hun belangen op te komen. Op grond van de gekozen kandidaten onderhandelen partijen met elkaar of enige centrale thematieken zijn te benoemen die in de komende raadsperiode gezamenlijk in behandeling en uitvoering genomen kunnen worden. Het is tot dusver gebruikelijk dat tenslotte twee van de drie partijen over enkele beleidsthema´s overeenstemming bereiken. Ze presenteren deze dan vervolgens als een gezamenlijk overeengekomen coalitieakkoord aan het kiezerspubliek. Zo´n akkoord kan meer of minder gedetailleerd zijn. Dit wordt vooral bepaald door de bestaande vergadercultuur. Uitgaande van de huidige drie partijen, betekent dit dat naast de twee coalitiepartijen een derde partij overblijft.
Van deze partij wordt dan in de komende raadsperiode verwacht dat zij als oppositiepartij optreedt. Bovenstaande schets geeft de gebruikelijke gang van zaken binnen het lokale politieke bedrijf weer. Kan het misschien ook anders? Bijvoorbeeld dat een situatie ontstaat waarin alle drie lokale partijen gezamenlijk een actieplan voor een komende raadsperiode onderschrijven. Partijen zeggen dan dat het om de realisatie gaat van gezamenlijk geformuleerde doelen. Onderling partijgedoe staat buiten de orde. Zo´n constructie is denkbaar. Ook levensvatbaar en ooit uitgeprobeerd? Wethouders worden in de huidige situatie uit partijen voorgedragen. Samen, met een door de Commissaris van de Koning benoemde burgemeester, vormen zij het College, het gemeentebestuur. De door het lokale kiezerspubliek gekozen kandidaten vormen met elkaar een raad, die het in hun vergaderingen voor het zeggen hebben. Naast een beleidsinitiërende, een adviserende, heeft een gemeenteraad bovenal een controlerende taak. De gemeenteraad zorgt voor tegenspraak, vormt als het ware een tegenmacht. Van de in 2002 geïntroduceerde functie van griffier wordt verwacht dat hij/zij vooral ten aanzien van de raad in het algemeen en raadsleden in het bijzonder een ondersteunende en adviserende functie vervult.
Een genomen besluit in een raadsvergadering, wordt vervolgens door het College, met behulp van zijn ambtenarenapparaat, uitgevoerd. Tegenspraak vormt de kernfunctie van raadsleden. In principe doet het daarbij n het geheel niet toe of het nu gaat om raadsleden van de coalitie of van de oppositie. In de eilander praktijk betekent een coalitieakkoord tot dusver dat raadsleden van de betreffende partijen, op basis van dit akkoord, het College in het algemeen en hun beide wethouders in het bijzonder steunen en hun eigen handelen hierop afstemmen. Wethouders verwachten dat ook van hun –eigen- raadsleden. Doen (sommige) raadsleden dit niet, dan
lopen ze de kans zichzelf buitenspel te zetten of gezet te worden. De hamvraag wordt dan ook: hoe verhoudt zich dit dekken door de raadsleden van de beide coalitie- of wethouderspartijen zich met het uitoefenen van ook hun centrale tegenspraakfunctie? Zowel binnen het fractieberaad van de eigen partij als ook in raads- en commissieoverleg wordt van raadsleden verwacht dat ze zichzelf aanpassen aan de vergadercultuur. In hoeverre wordt daarmee de ruimte voor het uiten van, en vooral ook serieus nemen van, meningsverschillen beperkt. Hoe wordt binnen partijen en fractieberaden met minderheidsopvattingen omgegaan? In hoeverre is de consensusdruk in discussies binnen raads- en partijverbanden zo groot, dat woordvoerders afwijkende opvattingen onvermeld laten? In de huidige, hier geschetste vergadercultuur moet een partij, die buiten de coalitie is gebleven, haar oppositierol uitvoeren. Binnen de huidige vergadercultuur zal ook deze partij zichzelf in haar kritiek matigen. Zij beseft dat elk beleidsvoorstel dat ze inbrengt, maar afwijkt van dat wat binnen het coalitieakkoord is overeengekomen, per definitie niet door raadsleden van coalitiepartijen ondersteund zal worden. Haar raadsleden vormen een minderheid. Uiteindelijk is niet de kwaliteit van argumenten voor het nemen van een beslissing bepalend, maar beslist de kwantiteit, het aantal van alle voor- d.w.z. coalitiestemmen.
Het spanningsveld tussen de beperkte uitvoering van de tegenspraakfunctie, maakt gelijktijdig een ander spanningsveld zichtbaar, namelijk die tussen raadsleden en burgers die hen hebben afgevaardigd. De kans op vervreemding tussen raadsleden en burgers, en daarmee de afstand tussen beiden, wordt vergroot. De verhouding tussen gekozen raadsleden en hun achterban is bijna per definitie problematisch. Raadsleden krijgen bij aanstelling, maar daarna zal er geregeld op gewezen worden, dat zij zich niet voor individuele belangen van kiezers moeten laten gebruiken en daarmee zogeheten cliëntisme moet worden voorkomen. Ontevredenheid onder burgers groeit, neemt –een belangrijk deel van - de bevolking een houding aan van quasi-onverschilligheid of tonen hun onvrede in – concreet en doelgerichte- acties. Met zowel apathie en acties weten raadsleden in feite niet om te gaan. Het heeft er alle schijn van dat apathie en onverschilligheid onder het kiezerspubliek als een vanzelfsprekendheid wordt geaccepteerd. En wanneer burgers wel actief worden, zullen college- en raadsleden geneigd zijn om naarstig actievoerders te identificeren, en daaraan acties op te hangen. Met als enig doel de van actie uitgaande dreiging te neutraliseren. Raads- en collegeleden zouden daarentegen acties als een acuut signaal moeten aangrijpen om het eigen functioneren te vernieuwen.
Landelijk is, zoals eerder gemeld, in 2002 vastgesteld dat in de verhouding tussen gemeenteraad en het college een monistisch model z´n langste tijd heeft gehad en wordt overgegaan op een duaal model. Nu, bijna twintig jaar later, is van dit nieuwe model binnen het functioneren van de gemeenteraad van Schiermonnikoog weinig tot niets te merken. Versterking van de tegenspraak, noem het de controlefunctie, van de raad staat centraal. Om dit te bewerkstelligen behoren raadsleden over een grote mate van autonomie te beschikken.
Door meer vanuit een duaal model te opereren, zullen zowel college als ook raadsleden vanuit een grotere autonome opstelling moeten gaan opereren, als het ware volwassener worden. Kritiek op het college over de uitvoering van een besluit, betekent in feite gelijktijdig ook kritiek op de raad zelf. Op grond van discussies komt de raad immers tot besluitvorming en daarbij behoort ook de wijze waarop het college een besluit zal gaan uitvoeren. Dit betekent dat ook de gemeenteraad voor een belangrijk deel zelf ook medeverantwoordelijk is voor het eenmaal vastgestelde beleid en zijn uitvoering. En als vervolgens de raad dit beleid gaat evalueren, evalueert zij grotendeels ook zichzelf. In hoeverre zal dit laatste een kritische evaluatie van beleid door de raad aanzienlijk kunnen temperen omdat zij in feite ook zichzelf daarmee een spiegel voorhoudt. Wethouders blijven ook in een duaal model voorgedragen worden uit politieke partijen. Met echter als verschil dat ze niet langer aan partijen die hen hebben afgevaardigd, afzonderlijk verantwoording behoeven af te leggen, maar aan de gehele raad. Dit betekent dat ook wethouders minder tot niet meer gebonden zijn aan de partij die hem of haar hebben voorgedragen. Wethouders schuiven voortaan dan ook niet langer als bijna vanzelfsprekend aan in een fractieberaad.
Slechts op eigen verzoek of op afroep kan een wethouder in een fractieberaad ten behoeve van een bepaald beleidsthema verschijnen. Het college heeft structureel, ten allen tijde, een heel gemeentelijk ambtenarenapparaat ter beschikking, terwijl raadsleden daar ook een beroep op kunnen doen, maar dat merendeels incidenteel en in de marge doen. Raadsleden hebben voor dit werk officieel slechts een beperkt aantal diensturen ter beschikking, de rest aan voorbereiding voeren ze immers uit in hun eigen tijd. De introductie van een griffier is er nu juist ten behoeve van raadsleden. Op hem/of haar, zou veel meer een beroep door raadsleden gedaan kunnen worden. Vooral zou een griffier raadsleden kunnen adviseren, zo nodig bijstaan, in de vaak problematische posities waarin raadsleden tijdens de uitoefening van hun functie kunnen komen te verkeren. Invoering van een duaal model betekent dat de nog steeds heersende tweespalt in de raad tussen coalitie- en oppositiepartijen afneemt. Van raadsleden wordt immers verwacht dat ze op argumenten gebaseerd kritisch reageren op beleidsvoornemens en beleidsuitvoeringen van het college en van zichzelf, ongeacht of ze al dan niet lid zijn van een coalitie- of oppositiepartij.
Bij invoering van het duaal model wordt de vraag urgent of, wat tot dusver in het monistische model gangbaar is, ook het huidige woordvoerderschap en daarbij binnen partijen bestaande partij- en fractiediscipline langer gewenst is. Vermindering immers van de bestaande partijdiscipline, schept ruimte voor meer discussie binnen commissie- en raadsvergaderingen en bevordert verlevendiging van discussies en verdieping van in bespreking zijnde thematieken. Het in praktijk brengen van een duaal systeem betekent een geheel andere wijze van functioneren tussen college- en raadsleden. Scholing en vervolgens geregelde bijscholing van raads- en collegeleden is onmisbaar. Op welke mogelijk andere manieren, dan hier geschetst, zou de positie van raadsleden, als tegenspraak in het politieke bedrijf, nog meer vergroot kunnen worden?
Meer in een duaal model van college en raad gaan functioneren, zal bijdragen aan het verminderen van de huidige onder de eilander bevolking heersende apathie voor alles wat maar met politiek te maken heeft. Het zal de actieve betrokkenheid van burgers bij het politiek gebeuren vergroten, de afstand tussen politiek en burgers verkleinen en raads- en collegeleden zullen merken dat burgers niet per definitie tegenstander zijn of raadsleden willen inpakken en daarom gewantrouwd moeten worden. Een actieve betrokkenheid van burgers door college en raad wordt in een duaal model, in tegenstelling tot een monistisch model, niet langer als een bedreiging opgevat die geneutraliseerd moet worden, maar burgeracties worden aangemoedigd als een (aanvullende) bron voor verrijking van het eigen functioneren. Het is dan ook voor de hand liggend dat bijvoorbeeld een - periodiek wisselende - groep uit buiten de politiek staande burgers door een zittende raad zal worden toegejuicht. Een dergelijke groep brengt gevraagd of ongevraagd over lokaal belangrijke kwesties advies uit aan raad en college. Deze adviezen hebben merendeels betrekking op in de raad aan de orde komende agendapunten en zijn integraal onderdeel van het voor de discussie beschikbare informatiemateriaal.
Deze adviezen verdiepen de aan de gang zijnde discussies en dragen er toe bij dat de uiteindelijk door de raad te nemen beslissingen een breder draagvlak onder de plaatselijke bevolking verwerven. Schiermonnikoog, voorjaar, 2026 Arend Maris.
.