09-01 - Dhr H. Carrette - mail - Raad van state uitspraak
Tekst van het document
Geachte raad en raadsleden, bijgevoegd de uitspraak van de raad van state over het bestemmingsplan verbreide reikwijdte Schiermonnikoog en het herstelbesluit. Er moeten door uw raad nog nieuwe aanpassingen aangebracht worden. Dit binnen een termijn van 26 weken. Het is een heel leeswerk! Veel plezier. Een tweetal opmerkingen mijnerzijds: 1e opmerking: Naar aanleiding van een artikel in de leeuwarder Courant: Bezitters van tweede woningen in het oude dorpsdeel van Schiermonnikoog mogen hun huizen op termijn alleen nog voor permanent wonen gebruiken. De zin suggereert dat er een moment komt dat het recreatief gebruik niet meer mag. Dat is niet correct. Het is geen tijdelijke regeling. De regeling blijft gelden zolang de beperkende voorwaarden worden nageleefd. Daarmee is er slechts voor de enkele eigenaar -die de woning na 2009 permanent betrokken hebben- iets veranderd. Deze eigenaren moeten kiezen; elders gaan wonen en de woning weer recreatief in gebruik nemen of even slikken en de woning permanent blijven bewonen. Overigens zijn de woningbezitters die de woning recreatief of als tweede-woning gebruiken er met het nieuwe bestemmingsplan op vooruit gegaan. Het recreatief/ tweede-woninggebruik staat nu in steen gebeiteld. Lees de uitspraak van RvS er nog maar eens op na:
‘Een uitsterfregeling is immers geen overgangsrecht, maar een bijzondere vorm van positief bestemmen. Door te voorzien in een uitsterfregeling krijgt de gebruiker van de gronden of bouwwerken in feite een 'verlenging' van het - in de opvatting van de raad - ongewenste gebruik en zelfs meer dan dat. Anders dan bij het algemene gebruiksovergangsrecht is beëindiging op korte termijn bij een uitsterfregeling immers niet het streven. Ook heeft een uitsterfregeling een voordeel voor de bewuste gebruiker uit een oogpunt van bewijslast en rechtszekerheid. Bij gebruiksovergangsrecht moet namelijk de gebruiker aannemelijk maken dat het met het geldende plan strijdige gebruik reeds bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het plan om aanspraak te kunnen maken op de 21bescherming van het overgangsrecht, terwijl bij een uitsterfregeling in de planregels staat dat het bewuste (ongewenste) gebruik mag worden voortgezet en hoeft het gebruik dus niet aannemelijk te worden gemaakt.’ De conclusie die ik hieruit trek is dat het effect van de brief uit 2009, waarbij door het college (in opdracht van de raad) aan de bewoners van de zogenaamde 80 woningen zowel een permanent als een recreatief gebruik van de woning werd toegestaan zonder het verlies van de mogelijkheid van recreatief gebruik, en dit
zonder daarbij een termijn te bepalen, is verloren gegaan. Het effect wat de raad destijds voor ogen had met die verruimig was dat de bewuste huizen dan vaker permanent bewoond zouden kunnen worden. Vanaf nu zullen eigenaren niet meer bereid zijn om hun huis tijdelijk permanent te (laten) gebruiken, en alleen nog recreatief gebruik toestaan. Het effect om dus meer permanente bewoning te verkrijgen is nu voor altijd verdwenen omdat het is vastgelegd in het bestemmingsplan. 2e opmerking: citaat uit de uitspraak (pagina 18): In de Brieven uit 2009 en de wijziging van de Huisvestingsverordening 9.15. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding [appellant sub 11] en anderen te volgen in hun betoog dat, ondanks dat hun woningen planologisch niet zijn bestemd voor zowel recreatieve bewoning als permanente bewoning, aan hen wel dit recht zou zijn verleend op basis van de brieven die zij in 2009 hebben ontvangen. Naast het feit dat sinds de verzending van de brieven uit 2009 tot aan de planvaststelling in 2022 een geruime tijd is verstreken, wat het vertrouwen dat [appellant sub 11] en anderen aan deze brief menen te ontlenen minder sterk maakt, wijst de Afdeling er ook nadrukkelijk op dat de brieven uit 2009 zijn verzonden door het college en niet door de raad. De raad is het bevoegde bestuursorgaan om een bestemmingsplan vast te stellen.
Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat grote terughoudendheid moet worden betracht bij het aannemen van gebondenheid van de raad aan mededelingen van andere bestuursorganen van dezelfde rechtspersoon. De exclusieve bevoegdheid van de raad brengt mee dat een derde er niet op mag vertrouwen dat handelingen van het college de raad binden indien dat vertrouwen niet mede wordt ontleend aan uitlatingen van de raad zelf (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2949, overweging 4.3). Anders dan [appellant sub 11] en anderen betogen, blijkt uit de brieven die in 2009 zijn verzonden niet dat de uitlatingen in die brief mede zijn gedaan door de raad zelf Het is duidelijk dat de raad zich beter bewust moet zijn van zijn positie en zijn bevoegdheden. Wanneer het een bevoegdheid van de raad is, moet ook de raad zelf actie ondernemen. Dit is een formeel juridisch standpunt die de Raad van State inneemt bij de beoordeling.
Het gevolg van deze uitspraak is wel dat de betrokken burgers nog minder vertrouwen in de overheid krijgen. Zij waren door de toezending van de brief in 2009 overtuigd dat het goed geregeld was. Zij zijn dan ook heel verbaasd over de uitspraak. Dit soort foute procedures moet u als raad voorkomen. Goede voorlichting van deskundige ambtenaren is hier bij nodig. Met vriendelijke groet, H.D.J. Carrette