CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Was wordt lijst Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2024

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsbesluit Beheer Woonruimtevoorraad Schiedam 20247.812 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Was-wordt lijst Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2024 De Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2024 wordt als volgt gewijzigd: Huidige tekst 2020 Artikel 1 Begripsbepalingen 1.In deze Verordening wordt verstaan onder:

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. eigenaar: de eigenaar in de zin van artikel 1, de erfpachter ingevolge hoofdstuk 7 en de appartementseigenaar ingevolge titel 9 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

a. eigenaar: de eigenaar in de zin van artikel 1, de erfpachter ingevolge hoofdstuk 7 en de appartementseigenaar ingevolge titel 9 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

b. flat- of portiekwoning: woonruimte gelegen in een woongebouw waarbij de toegang vanaf de openbare weg gedeeld wordt met andere in dat woongebouw gelegen woonruimten;

b. flat- of portiekwoning: woonruimte gelegen in een woongebouw waarbij de toegang vanaf de openbare weg gedeeld wordt met andere in dat woongebouw gelegen woonruimten;

c. gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

c. gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

d. huishouden: een alleenstaande dan wel twee of meer personen, die naar het oordeel van burgemeester en wethouders, hebben aangetoond een duurzame gemeenschappelijke huishouding te voeren;

d. huishouden: een alleenstaande dan wel twee of meer personen, die naar het oordeel van burgemeester en wethouders, hebben aangetoond voor onbepaalde tijd en enkel vanuit de wens samen te wonen een duurzame gemeenschappelijke huishouding te voeren;

e. kamergewijze bewoning: het bewonen van onzelfstandige woonruimte;

e. kamergewijze bewoning: het bewonen van onzelfstandige woonruimte;

f. kadastraal splitsen: het splitsen van woonruimte als bedoeld in artikel 22 lid 1 van de wet en het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten als bedoeld in artikel 22 lid 2 van de wet;

f. kadastraal splitsen: het splitsen van woonruimte als bedoeld in artikel 22 lid 1 van de wet en het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten als bedoeld in artikel 22 lid 2 van de wet;

g. kantoor aan huis: het gebruik van een ondergeschikt deel van woonruimte als kantoor door de in de woonruimte woonachtige eigenaar;

g. kantoor aan huis: het gebruik van een ondergeschikt deel van woonruimte als kantoor door de in de woonruimte woonachtige eigenaar;

h. onttrekken: het onttrekken van woonruimte als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de wet;

h. onttrekken: het onttrekken van woonruimte als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de wet;

i. omzetten van woonruimte: het omzetten van woonruimte als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de wet;

i. omgevingsplan: het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;

j. onzelfstandige woonruimte: bewoonde of kennelijk voor bewoning geschikte of bedoelde ruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;

j. omzetten van woonruimte: het omzetten van woonruimte als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de wet;

k. praktijkruimte aan huis: het gebruik van een ondergeschikt deel van woonruimte als praktijkruimte door de in de woonruimte woonachtige eigenaar;

k. omzettingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet bedoelde vergunning;

l. verordening: de Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2020

l. onttrekkingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet bedoelde vergunning;

m. wet: de Huisvestingswet 2014;

m. onzelfstandige woonruimte: bewoonde of kennelijk voor bewoning geschikte of bedoelde ruimte, niet zijnde een woonruimte, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;

n. woningvorming: het verbouwen van een woonruimte tot twee of meer woonruimten zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder d, van de wet;

n. praktijkruimte aan huis: het gebruik van een ondergeschikt deel van woonruimte als praktijkruimte door de in de woonruimte woonachtige eigenaar;

o. Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden

o. splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet;

p. WOZ - waarde: de voor het kalenderjaar 2018 geldende, op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde, waarde.

p. verordening: de Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2024; q. voorbereidingsbesluit: het voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening; r. wet: de Huisvestingswet 2014; s. woningvorming: het verbouwen van een woonruimte tot twee of meer

woonruimten zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder d, van de wet; t. woningvormingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder d, van de bedoelde vergunning. u. woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, onder 1, van de wet; v. WOZ - waarde: de op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar geldende, op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde, waarde. 2.Van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, is sprake, indien:

2. Van een huishouden als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, is in ieder geval geen sprake, indien:

a. de bewoners van plan zijn om langdurig samen te blijven wonen (duurzaamheid); en

a. de ruimte of ruimten waaruit de woonruimte bestaat, niet door alle bewoners worden gedeeld;

b. er sprake is van wederzijdse zorg tussen de bewoners; en

b. er geen sprake is van wederzijdse zorg tussen de bewoners;

c. het huishouden niet in een periode van één jaar van samenstelling veranderd is, tenzij de veranderingen naar algemene maatstaven binnen een duurzaam gemeenschappelijk huishouden passen; en

c. er geen gezamenlijke huurovereenkomst is, waarin de namen van alle meerderjarige bewoners vermeld staan;

d. de gemeenschappelijke ruimten door de bewoners worden gedeeld; en

d. de bewoners uit hoofde van een studie of arbeidsovereenkomst de woonruimte bewonen;

e. er een gezamenlijk huurcontract is, waarin de namen van alle bewoners vermeld staan; en

e. de bewoners niet zelf het initiatief tot samenwoning hebben genomen; of,

f. de bewoners zelf het initiatief tot samenwoning hebben genomen; en

f. voor zover van toepassing, de voor het gebruik van de woonruimte door deze bewoners vereiste huisvestingsvergunning niet verleend is.

g. er een huisvestingsvergunning aanwezig is, indien vereist.

3.Met een duurzaam gemeenschappelijk huishouden als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, en het vorige lid wordt gelijkgesteld: een groep van ten hoogste drie vergunninghouders als bedoeld in artikel 1 lid 1, onder g, van de wet die geen gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren, maar gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde taakstelling door burgemeester en wethouders gehuisvest worden of zijn in één woning.

3. Met een huishouden als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, en het vorige lid wordt gelijkgesteld: een groep van ten hoogste drie vergunninghouders als bedoeld in artikel 1 lid 1, onder g, van de wet die geen gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren, maar gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde taakstelling door burgemeester en wethouders gehuisvest worden of zijn in één woning. 4. Indien voor woonruimte de in het eerste lid, onder u, bedoelde waarde niet is vastgesteld, wordt in deze verordening als WOZ-waarde aangemerkt: a. de ten tijde van het indienen van de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 21 of 22 van de wet geldende, op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde, waarde; of, b. de ten tijde van de aanvang van het handelen in strijd met een in artikel 21 of 22 van de wet opgenomen verbod geldende, op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde, waarde

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 2. Vergunningplicht voor onttrekken, omzetten en woningvorming 1.Woonruimten mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet:

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 2. Vergunningplicht voor onttrekken, omzetten en woningvorming 1. Woonruimte mag niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor aan huis of praktijkruimte aan huis door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning worden onttrokken (onttrekken) of onttrokken worden gehouden;

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor aan huis of praktijkruimte aan huis door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning worden onttrokken (onttrekken) of onttrokken worden gehouden;

b. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte worden omgezet (omzetten) of omgezet worden gehouden;

b. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte worden omgezet (omzetten) of omgezet worden gehouden;

c.

c.

worden verbouwd tot twee of meer woonruimten (woningvorming) of verbouwd tot twee of meer woonruimten worden gehouden.

worden verbouwd tot twee of meer woonruimten (woningvorming) of verbouwd tot twee of meer woonruimten worden gehouden.

2.Van de vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid onder b zijn de volgende situaties uitgezonderd:

2. De in het eerste lid, onder b, bedoelde vergunningplicht is niet van toepassing in de volgende situaties:

a. De eigenaar en de leden van zijn duurzame gemeenschappelijke huishouden zijn in de, in het eerste lid onder de aanhef genoemde, woonruimte woonachtig; of

a. een woonruimte, niet gelegen in de op Bijlage I bij deze verordening aangegeven delen van de gemeente en geen flat- of portiekwoning, wordt geheel omgezet naar onzelfstandige woonruimte en bewoond door maximaal drie personen die geen huishouden vormen;

b. De eigenaar heeft in de, in het eerste lid onder de aanhef genoemde, woonruimte onzelfstandige woonruimte in gebruik gegeven aan ten hoogste twee personen, die geen deel uitmaken van zijn duurzame gemeenschappelijke huishouden. Het totaal aantal bewoners van de, in het eerste lid onder de aanhef genoemde, woonruimte bedraagt maximaal drie inclusief de eigenaar; of

b. een woonruimte al dan niet gelegen in de op Bijlage I bij deze verordening aangegeven delen wordt bewoond door de eigenaar terwijl een deel van die woonruimte onzelfstandig in gebruik wordt gegeven aan maximaal twee personen die geen huishouden vormen. Het totaal aantal bewoners van de, in het eerste lid onder de aanhef genoemde, woonruimte bedraagt maximaal drie inclusief de eigenaar;

c. De eigenaar de, in het eerste lid onder de aanhef genoemde, woonruimte in gebruik heeft gegeven aan één duurzaam gemeenschappelijk huishouden, zonder er zelf te wonen; of

c. een woonruimte gelegen in de op Bijlage I bij deze verordening aangegeven delen van de gemeente wordt geheel omgezet naar onzelfstandige woonruimte en bewoond door maximaal twee personen die geen huishouden vormen;

d. De eigenaar de, in het eerste lid onder de aanhef genoemde, woonruimte in gebruik heeft gegeven aan maximaal twee personen die geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen, zonder er zelf te wonen.

d. een flat of portiekwoning al dan niet gelegen in de op Bijlage I bij deze verordening aangegeven delen van de gemeente wordt geheel omgezet naar onzelfstandige woonruimte en bewoond door maximaal twee personen die geen huishouden vormen.

3. Van de vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid onder b zijn voorts de volgende situaties uitgezonderd: a. De, in het eerste lid onder de aanhef genoemde woonruimte, wordt bewoond door maximaal drie personen die geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen als bedoeld in artikel 1, lid 2; en b. De, in het eerste lid onder de aanhef genoemde woonruimte, is geen flat- of portiekwoning; en

c. De woonruimte die niet in Schiedam Oost of West gelegen is; Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 3. De vergunningaanvraag 1.Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 3. De vergunningaanvraag 1. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

2.De in lid 1 bedoelde aanvraag wordt ingediend door de eigenaar van de onroerende zaak of de onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft.

2. De in lid 1 bedoelde aanvraag wordt ingediend door de eigenaar van de onroerende zaak of de onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft.

3.Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

3. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

a. het adres van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft; en

a. het adres van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft;

b. de naam en het adres van de eigenaar van de onroerende zaak of zaken waarop de aanvraag betrekking heeft; en

b. de naam en het adres van de eigenaar van de onroerende zaak of zaken waarop de aanvraag betrekking heeft;

c. de gegevens over de bestaande situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten de huurprijs, het aantal kamers, het woonoppervlak, de woonlaag en een door een deskundige gemaakte beschrijving en beoordeling van de bouwkundige staat van onderhoud; en

c. de gegevens over de bestaande situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten de huurprijs, het aantal kamers, het woonoppervlak, de woonlaag en een door een deskundige gemaakte beschrijving en beoordeling van de bouwkundige staat van onderhoud; en

d. de gegevens over de beoogde situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten de huurprijs of verkoopprijs, het woonoppervlak, het aantal kamers, de bouwtekening of omgevingsvergunning in verband met de realisatie van de beoogde situatie, het aantal niet-openbare parkeerplaatsen dat ter beschikking staat aan de bewoners van de in de beoogde situatie te realiseren woonruimten.

d. de gegevens over de beoogde situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten de huurprijs of verkoopprijs, het woonoppervlak, het aantal kamers, de bouwtekening of omgevingsvergunning in verband met de realisatie van de beoogde situatie, het aantal niet-openbare parkeerplaatsen dat ter beschikking staat aan de bewoners van de in de beoogde situatie te realiseren woonruimten.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 4. Voorwaarden en voorschriften 1.Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt de voorwaarde verbonden dat van de vergunning binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn gebruik moet worden gemaakt.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 4. Voorwaarden en voorschriften 1. Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt de voorwaarde verbonden dat van de vergunning binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn gebruik moet worden gemaakt.

2.Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kunnen voorts voorwaarden gesteld en voorschriften worden verbonden als dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is;

2. Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kunnen voorts voorwaarden gesteld en voorschriften worden verbonden als dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning gelet op de wet en artikel 5 is vereist.

a. ter bescherming van het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad; of b. ter voorkoming van een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de onroerende zaak of de onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft; of c. ter voorkoming van ernstige overlast, ernstig gevaar of vervuiling. 3.Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan voor bepaalde tijd verleend worden indien, naar het oordeel van burgemeester en wethouders:

3. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan voor bepaalde tijd verleend worden indien, naar het oordeel van burgemeester en wethouders:

a. de vergunning voorziet in een tijdelijke behoefte; of,

a. de vergunning voorziet in een tijdelijke behoefte; of,

b. dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is ter bescherming van het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad.

b. dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is ter bescherming van het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad.

4.Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet, verleend ten behoeve van kamergewijze bewoning, is zaaks- en persoonsgebonden en niet overdraagbaar, tenzij er sprake is van overdracht onder algemene titel zoals bij erfopvolging, boedelmenging en fusie.

4. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet, verleend ten behoeve van kamergewijze bewoning, is zaaks- en persoonsgebonden en niet overdraagbaar, tenzij er sprake is van overdracht onder algemene titel zoals bij erfopvolging, boedelmenging en fusie.

5.Een vergunning als bedoeld in lid 4 bevat in ieder geval:

5. Een vergunning als bedoeld in lid 4 bevat in ieder geval:

a. de termijn waarbinnen van de vergunning gebruik moet worden gemaakt;

a. de termijn waarbinnen van de vergunning gebruik moet worden gemaakt;

b. het aantal onzelfstandige woonruimten dat bij gebruikmaking van de vergunning mag worden gecreëerd, met daarbij het maximum aantal personen ten behoeve waarvan slaapplaatsen gecreëerd mag worden; en

b. het aantal onzelfstandige woonruimten dat bij gebruikmaking van de vergunning mag worden gecreëerd, met daarbij het maximum aantal personen ten behoeve waarvan slaapplaatsen gecreëerd mag worden; en

c. de duur van de vergunning.

c. de duur van de vergunning.

6.Een vergunning als bedoeld in artikel 21, onder c, van de wet vervalt van rechtswege, indien deze gedurende 3 kalenderjaren, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, niet wordt gebruikt.

6. Een onttrekkingsvergunning en een omzettingsvergunning vervallen van rechtswege, indien deze gedurende 3 kalenderjaren, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, niet worden gebruikt.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 5. Weigeringsgronden ten aanzien van onttrekken, omzetten en woningvorming 1.Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan worden geweigerd als:

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 5. Weigeringsgronden ten aanzien van onttrekken, omzetten en woningvorming 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan worden geweigerd als:

a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken, omzetten of woningvormen gediende belang;

a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken, omzetten of woningvormen gediende belang;

b. de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich naar het oordeel van burgemeester en wethouders vanuit het oogpunt van grootte, indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen onttrekken, omzetten of woningvorming verzet;

b. de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich naar het oordeel van burgemeester en wethouders vanuit het oogpunt van grootte, indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen onttrekken, omzetten of woningvorming verzet;

c. het onder a of b genoemde belang naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden of verbinden van voorschriften aan de vergunning;

c. het onder a of b genoemde belang naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden of verbinden van voorschriften aan de vergunning;

d. het verlenen van de vergunning naar het oordeel van burgemeester en wethouders zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de onroerende zaak of de onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft;

d. het verlenen van de vergunning naar het oordeel van burgemeester en wethouders zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de onroerende zaak of de onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft;

e.

e.

de aanvrager van de vergunning niet de eigenaar is van de onroerende zaak of de onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft.

de aanvrager van de vergunning niet de eigenaar is van de onroerende zaak of de onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft; of, f. de met de vergunning te realiseren situatie in strijd is met het bestemmingsplan, een voorbereidingsbesluit of het omgevingsplan.

2.Een vergunning voor omzetting of woningvorming als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt geweigerd indien de aanvraag ziet op een woonruimte die gelegen is in één van de hiervoor door burgemeester en wethouders aangewezen gebieden.

2. Een vergunning voor omzetting of woningvorming als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt geweigerd indien de aanvraag ziet op een woonruimte die gelegen is in één van de hiervoor door burgemeester en wethouders aangewezen gebieden.

3.Een vergunning voor woningvorming als bedoeld in artikel 21 van de wet kan worden geweigerd indien de uit woningvorming beoogde woonruimte niet beschikt over een gebruiksoppervlakte van minimaal 70 m2.

3. Een vergunning voor woningvorming als bedoeld in artikel 21 van de wet kan worden geweigerd indien de uit woningvorming beoogde woonruimte niet beschikt over een gebruiksoppervlakte van minimaal 70 m2.

4.Een vergunning voor woningomzetting als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt geweigerd indien de uit woningomzetting ontstane woonruimte niet beschikt over een gebruiksoppervlakte van minimaal 18 m2 per persoon.

4. Een vergunning voor woningomzetting als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt geweigerd indien de uit woningomzetting ontstane woonruimte niet beschikt over een gebruiksoppervlakte van minimaal 18 m2 per persoon.

5.Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door burgemeester en wethouders.

5. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

6.Burgemeester en wethouders kunnen categorieën van gevallen aanwijzen waarin in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor woonruimte gelegen in de in dat lid bedoelde gebieden een woningvormingsvergunning kan worden verleend.

6. Burgemeester en wethouders kunnen categorieën van gevallen aanwijzen waarin in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor woonruimte gelegen in de in dat lid bedoelde gebieden een woningvormingsvergunning kan worden verleend.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 6. Intrekking van de vergunning In aanvulling op het bepaalde in artikel 26 van de wet kan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet ingetrokken worden als het gebruik van het gebouw, ten behoeve waarvan de vergunning verleend is, ernstige overlast of ernstig gevaar veroorzaakt.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 6. Intrekking van de vergunning In aanvulling op het bepaalde in artikel 26 van de wet kan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet ingetrokken worden als het gebruik van het gebouw, ten behoeve waarvan de vergunning verleend is, ernstige overlast of ernstig gevaar veroorzaakt.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 7. Vergunningplicht voor kadastraal splitsen Woonruimten met een WOZ-waarde tot en met €250.000 gelegen in de artikel 1 van bijlage 1 genoemde delen van de gemeente, mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet gesplitst worden in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, lid 1 en 4, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek als een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 7. Vergunningplicht voor kadastraal splitsen Woonruimten met een WOZ-waarde tot en met €300.000 gelegen in de in artikel 2 van bijlage I genoemde delen van de gemeente, mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet gesplitst worden in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, lid 1 en 4, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek als een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 8. De vergunningaanvraag 1.Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet wordt ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 8. De vergunningaanvraag 1. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet wordt ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

2.Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

2. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

a. het adres van de onroerende zaak of zaken waarop de aanvraag betrekking heeft; en

a. het adres van de onroerende zaak of zaken waarop de aanvraag betrekking heeft; en

b. de naam en het adres van de eigenaar van de onroerende zaak of zaken waarop de aanvraag betrekking heeft; en

b. de naam en het adres van de eigenaar van de onroerende zaak of zaken waarop de aanvraag betrekking heeft;

c. een tekening als bedoeld in artikel 109, lid 2, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; en

c. een tekening als bedoeld in artikel 109, lid 2, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een door een deskundige opgemaakt rapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw, dat in ieder geval omvat een beschrijving en een beoordeling van de bouwkundige staat van onderhoud; en

d. een door een deskundige opgemaakt rapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw, dat in ieder geval omvat een beschrijving en een beoordeling van de bouwkundige staat van onderhoud;

e. de gegevens over de bestaande situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten de

e. de gegevens over de bestaande situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten de

huurprijs, het aantal kamers, het woonoppervlak, de woonlaag en de staat van onderhoud; en

huurprijs, het aantal kamers, het woonoppervlak, de woonlaag en de staat van onderhoud; en

f. de gegevens over de beoogde situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten de huurprijs of verkoopprijs, de bouwtekening of omgevingsvergunning in verband met de realisatie van de beoogde situatie, het aantal niet-openbare parkeerplaatsen dat ter beschikking staat aan de bewoners van de in de beoogde situatie te realiseren woonruimten.

f. de gegevens over de beoogde situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten de huurprijs of verkoopprijs, de bouwtekening of omgevingsvergunning in verband met de realisatie van de beoogde situatie, het aantal niet-openbare parkeerplaatsen dat ter beschikking staat aan de bewoners van de in de beoogde situatie te realiseren woonruimten.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 9. Weigeringsgronden ten aanzien van kadastraal splitsen 1.Een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet kan worden geweigerd als:

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 9. Weigeringsgronden ten aanzien van kadastraal splitsen 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet kan worden geweigerd als:

a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het splitsen gediende belang;

a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het splitsen gediende belang;

b. de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich naar het oordeel van burgemeester en wethouders vanuit het oogpunt van grootte, indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet;

b. de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich naar het oordeel van burgemeester en wethouders vanuit het oogpunt van grootte, indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet;

c. het onder a of b genoemde belang naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden of verbinden van voorschriften aan de vergunning;

c. het onder a of b genoemde belang naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden of verbinden van voorschriften aan de vergunning;

d. het verlenen van de vergunning naar het oordeel van burgemeester en wethouders zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de onroerende zaak of de onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft.

d. het verlenen van de vergunning naar het oordeel van burgemeester en wethouders zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de onroerende zaak of de onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft; of, e. de met de vergunning te realiseren situatie in strijd is met het bestemmingsplan, een voorbereidingsbesluit of het omgevingsplan.

2.Een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door burgemeester en wethouders.

2. Een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 9a. Begripsbepalingen 1.In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 9a. Begripsbepalingen 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. beschermde woonruimte: de in artikel 9b met toepassing van het bepaalde in artikel 41, eerste lid, van de wet aangewezen categorie woonruimte;

a. beschermde woonruimte: de in artikel 9b met toepassing van het bepaalde in artikel 41, eerste lid, van de wet aangewezen categorie woonruimte;

b. datum van inschrijving: datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van de woonruimte aan de nieuwe eigenaar;

b. datum van inschrijving: datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van de woonruimte aan de nieuwe eigenaar;

c. leefbaarheid: de leefbaarheid van de woonomgeving als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet;

c. leefbaarheid: de leefbaarheid van de woonomgeving als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet;

d. ontheffing: de ontheffing als bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de wet;

d. ontheffing: de ontheffing als bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de wet;

e. verhuurvergunning opkoopbescherming: vergunning als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet;

e. verhuurvergunning opkoopbescherming: vergunning als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet;

f. woonadres: woonadres als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel , onder 1°, van de Wet basisregistratie personen;

f. woonadres: woonadres als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel , onder 1°, van de Wet basisregistratie personen;

g. zelfbewoning: het voor bewoning gebruiken van woonruimte door de eigenaar van die woonruimte;

g. zelfbewoning: het voor bewoning gebruiken van woonruimte door de eigenaar van die woonruimte voor zover het goedkope of middeldure koopwoningen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet betreft;

h. zorgaanbieder: de aanbieder als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Zorgverzekeringswet.

h. zorgaanbieder: de aanbieder als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Zorgverzekeringswet.

2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt in deze paragraaf verstaan onder:

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt in deze paragraaf verstaan onder:

WOZ-waarde: de waarde van de woonruimte, vastgesteld overeenkomstig de Wet waardering onroerende zaken, en geldend voor het jaar waarin de datum van inschrijving valt.

WOZ-waarde: de waarde van de woonruimte, vastgesteld overeenkomstig de Wet waardering onroerende zaken, en geldend voor het jaar waarin de datum van inschrijving valt.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 9b. Verhuurvergunning opkoopbescherming 1.Het is verboden beschermde woonruimte gedurende een periode van vier jaar na de datum van inschrijving zonder verhuurvergunning opkoopbescherming in gebruik te geven en gegeven te houden.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 9b. Verhuurvergunning opkoopbescherming 1. Het is verboden beschermde woonruimte gedurende een periode van vier jaar na de datum van inschrijving zonder verhuurvergunning opkoopbescherming in gebruik te geven en gegeven te houden.

2. Als beschermde woonruimte wordt aangewezen iedere woonruimte die elk van de volgende kenmerken heeft:

2. Als beschermde woonruimte wordt aangewezen iedere woonruimte die elk van de volgende kenmerken heeft:

a. de woonruimte ligt in één van de in bijlage III genoemde delen van de gemeente;

a. de woonruimte ligt in één van de in bijlage III genoemde delen van de gemeente;

b. de WOZ-waarde bedraagt niet meer dan € 355.000;

b. de WOZ-waarde bedraagt niet meer dan € 355.000;

c. op de datum van inschrijving was één van de in het volgende lid bedoelde situaties van toepassing;

c. op de datum van inschrijving was ten minste één van de in het volgende lid bedoelde situaties van toepassing;

d. de datum van inschrijving ligt na inwerkingtreding van dit artikel;

d. de datum van inschrijving ligt na inwerkingtreding van deze paragraaf;

e. de woonruimte is geen eigendom van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.

e. de woonruimte is geen eigendom van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.

3.Op de datum van inschrijving:

3. Op de datum van inschrijving:

a. was de woonruimte vrij van huur en gebruik;

a. was de woonruimte vrij van huur en gebruik;

b. was de woonruimte in verhuurde staat voor een periode minder dan 6 maanden; of,

b. was de woonruimte in verhuurde staat voor een periode minder dan 6 maanden; of,

c.

c.

werd de woonruimte verhuurd met een verhuurvergunning opkoopbescherming.

werd de woonruimte verhuurd met een verhuurvergunning opkoopbescherming.

4.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 41, eerste lid, van de wet opgenomen verbod.

4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 41, eerste lid, van de wet opgenomen verbod.

5.Burgemeester en wethouders kunnen categorieën van gevallen aanwijzen die bij uitsluiting voor een ontheffing in aanmerking komen;

5. Burgemeester en wethouders kunnen categorieën van gevallen aanwijzen die bij uitsluiting voor een ontheffing in aanmerking komen;

6.Aan de hand van de actualisatie schaarste/woningmarktsituatie het bedrag van 355.000 euro, zoals bedoeld in het tweede lid aanhef, en onder b, jaarlijks te laten evalueren door de gemeenteraad en indien nodig (op basis van onderbouwing vanuit de schaarste/woningmarktsituatie) te wijzigen.

6. Aan de hand van de actualisatie schaarste/woningmarktsituatie het bedrag van 355.000 euro, zoals bedoeld in het tweede lid aanhef, en onder b, jaarlijks te laten evalueren door de gemeenteraad en indien nodig (op basis van onderbouwing vanuit de schaarste/woningmarktsituatie) te wijzigen.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 9c. Aanvraag van de verhuurvergunning opkoopbescherming 1.De verhuurvergunning opkoopbescherming wordt aangevraagd door de eigenaar van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 9c. Aanvraag van de verhuurvergunning opkoopbescherming 1. De verhuurvergunning opkoopbescherming wordt aangevraagd door de eigenaar van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.Burgemeester en wethouders stellen een aanvraagformulier vast. Zij kunnen daarbij bepalen, welke gegevens en bescheiden de aanvrager bij de aanvraag indient.

2. Burgemeester en wethouders stellen een aanvraagformulier vast. Zij kunnen daarbij bepalen, welke gegevens en bescheiden de aanvrager bij de aanvraag indient.

3.Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

3. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

a Het kadastrale en postadres, een beschrijving en een plattegrond van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft;

a. het kadastrale en postadres, een beschrijving en een plattegrond van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft;

b De naam en het adres van de eigenaar van de woonruimte;

b. de naam en het adres van de eigenaar van de woonruimte;

c De naam en het adres van de huurder of gebruiker aan wie de woonruimte met de aan te vragen verhuurvergunning opkoopbescherming in gebruik gegeven zal worden.

c. de naam en het adres van de huurder of gebruiker aan wie de woonruimte met de aan te vragen verhuurvergunning opkoopbescherming in gebruik gegeven zal worden.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 9d. Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming wordt verleend 1.Indien de verhuurvergunning opkoopbescherming niet met toepassing van het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van de wet wordt geweigerd, wordt de verhuurvergunning opkoopbescherming verleend voor de in het tweede lid bepaalde vormen van het in gebruik geven.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 9d. Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming wordt verleend 1. Indien de verhuurvergunning opkoopbescherming niet met toepassing van het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van de wet wordt geweigerd, wordt de verhuurvergunning opkoopbescherming verleend indien sprake is van een in het tweede lid bepaalde vorm van het in gebruik geven.

2.De in het eerste lid bedoelde vormen van het in gebruik geven zijn:

2. De in het eerste lid bedoelde vormen van het in gebruik geven zijn:

a. Het voor bewoning in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in artikel 41, derde lid, aanhef en onder a, b, c van de wet;

a. het voor bewoning in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in artikel 41, derde lid, aanhef en onder a, b, c van de wet;

b. Het voor bewoning in gebruik geven van woonruimte die door of in opdracht van de gemeente is aangekocht;

b. het voor bewoning in gebruik geven van woonruimte die door of in opdracht van de gemeente is aangekocht;

c. Het voor bewoning in gebruik geven van woonruimte door een gecertificeerde of door de gemeente of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon gecontracteerde zorgaanbieder aan cliënten met een zorgindicatie, mits:

c. het voor bewoning in gebruik geven van woonruimte door een gecertificeerde of door de gemeente of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon gecontracteerde zorgaanbieder aan cliënten met een zorgindicatie, mits:

i. Het voor bewoning in gebruik geven noodzakelijk is voor de ter verlenen zorg;

i. het voor bewoning in gebruik geven noodzakelijk is voor de ter verlenen zorg;

En,

en,

ii. Het daarmee gediende naar het oordeel van burgemeester en wethouders zwaarder weegt dan het behoud van de leefbaarheid of het belang dat gediend wordt met het van de beschikbaarheid van beschermde woonruimte voor zelfbewoning.

ii. het daarmee gediende naar het oordeel van burgemeester en wethouders zwaarder weegt dan het behoud van de leefbaarheid of het belang dat gediend wordt met het van de beschikbaarheid van beschermde woonruimte voor zelfbewoning.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 9e. Weigeren van de verhuurvergunning opkoopbescherming 1.Onverminderd artikel 43 van de wet, weigeren burgemeester en wethouders de

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 9e. Weigeren van de verhuurvergunning opkoopbescherming Onverminderd artikel 43 van de wet, weigeren burgemeester en wethouders de

verhuurvergunning opkoopbescherming indien zij gelet op artikel 9e niet kan worden verleend.

verhuurvergunning opkoopbescherming indien zij gelet op artikel 9d niet kan worden verleend.

2.Indien de verhuurvergunning opkoopbescherming gelet op het eerste lid geweigerd moet worden, kunnen burgemeester en wethouders de verhuurvergunning opkoopbescherming toch verlenen, indien zij van oordeel zijn dat: a. Weigering jegens aanvrager zou leiden tot onbillijkheid van overwegende aard, gelet op het in zodanig ernstige mate onevenredig benadeeld zou worden, dat zijn belang zwaarder moet wegen dan het belang van de beschikbaarheid van beschermde woonruimte voor zelfbewoning; en, b. sprake is van een geval waarin bij de vaststelling van deze paragraaf redelijkerwijs niet was of had kunnen worden voorzien.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 9f. Weigeren van de verhuurvergunning opkoopbescherming Onverminderd het bepaalde in artikel 43 van de wet, weigeren burgemeester en wethouders de verhuurvergunning opkoopbescherming indien zij gelet op het bepaalde in de artikelen 9d en 9e niet kan worden verleend.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 9f. Inhoud van de verhuurvergunning opkoopbescherming 1. De verhuurvergunning opkoopbescherming vermeldt in ieder geval: a. het kadastrale en postadres van de woonruimte; b. de naam en het adres van de eigenaar van de woonruimte; en, c. op welke grond en voor welke situatie het in gebruik geven of verhuren daarvan is toegestaan. 2. Een verhuurvergunning opkoopbescherming voor het in gebruik geven van woonruimte aan een woningzoekende als bedoeld in artikel 41, derde lid, aanhef en onder a en b, van de wet: a. bevat de naam of namen en de hoedanigheid van degene of degenen aan

wie de woonruimte in gebruik wordt gegeven; en, b. treedt niet in werking zolang de hiervoor bedoelde woningzoekende de woonruimte niet in gebruik heeft genomen. 3. Een verhuurvergunning opkoopbescherming of een ontheffing: a. vervalt in ieder geval van rechtswege vier jaar na de datum van inschrijving; b. vervalt uiterlijk als de situatie waarvoor zij verleend is, eindigt; en c. is niet overdraagbaar. 4. Aan een verhuurvergunning opkoopbescherming of een ontheffing verbinden burgemeester en wethouders tenminste voorschriften en beperkingen gericht op het voorkomen en beperken van overlast. 5. Aan een ontheffing verbinden burgemeester en wethouders tevens voorschriften en beperkingen gericht op de bescherming van het belang van de beschikbaarheid van beschermde woonruimte voor zelfbewoning of behoud van de leefbaarheid. Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 9g. Inhoud en persoonsgebonden karakter 1.De verhuurvergunning opkoopbescherming vermeldt in ieder geval op welke grond het in gebruik geven of verhuren is toegestaan en bevat in de gevallen bedoeld in artikel 9d, aanhef en onder a en b, de namen of naam en de hoedanigheid van degene(n) aan wie de woonruimte in gebruik wordt gegeven. 2.Een verhuurvergunning opkoopbescherming voor het in gebruik geven van woonruimte aan een woningzoekende als bedoeld in artikel 9d, aanhef en onder a of onder b:

Voorgestelde tekst 2024 (Opgenomen in 9f)

a. treedt niet in werking zolang de hiervoor bedoelde woningzoekende de woonruimte niet in gebruik heeft genomen; b. is niet overdraagbaar. 3.Een verhuurvergunning opkoopbescherming of een ontheffing vervalt als de situatie waarvoor zij verleend is, eindigt. De verhuurvergunning opkoopbescherming en de ontheffing vervallen in elk geval vier jaar na de datum van inschrijving. 4.Aan een verhuurvergunning opkoopbescherming of een ontheffing verbinden burgemeester en wethouders tenminste voorschriften en beperkingen gericht op het voorkomen en beperken van overlast. 5.Aan een ontheffing verbinden burgemeester en wethouders tevens voorschriften en beperkingen gericht op de bescherming van het belang van de beschikbaarheid van beschermde woonruimte voor zelfbewoning. Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 9i. Intrekken van de verhuurvergunning opkoopbescherming Onverminderd het bepaalde in artikel 44 van de wet, kan een verhuurvergunning opkoopbescherming ook ingetrokken worden:

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 9g. Intrekken van de verhuurvergunning opkoopbescherming Onverminderd het bepaalde in artikel 44 van de wet, kan een verhuurvergunning opkoopbescherming ook ingetrokken worden:

a. als blijkt dat de vergunning is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en zou zijn geweigerd als de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest;

a. als blijkt dat de vergunning is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en zou zijn geweigerd als de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest;

b. als de woonruimte niet overeenkomstig de verhuurvergunning opkoopbescherming verhuurd wordt of is of in gebruik wordt of is gegeven.

b. als de woonruimte niet overeenkomstig de verhuurvergunning opkoopbescherming verhuurd wordt of is of in gebruik wordt of is gegeven.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 10. Bestuurlijke boete 1.Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld in artikel 21, artikel 22 of

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 10. Bestuurlijke boete 1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld in artikel 21, artikel 22, of

41 van de wet of handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften bedoeld in artikel 24 en 26 van de wet.

41 van de wet of handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften bedoeld in artikel 24 en 26 van de wet.

2.De boete voor het overtreden van de verboden bedoeld in artikel 21, 22 of 41 van de wet of voor het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften bedoeld in artikel 24 van de wet, wordt bepaald overeenkomstig het in Bijlage 2 bepaalde.

2. De boete voor het overtreden van de verboden bedoeld in artikel 21, 22, of 41 van de wet of voor het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften bedoeld in artikel 24 van de wet, wordt bepaald overeenkomstig het in Bijlage II bepaalde.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 11. Nadere regels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere regels vast te stellen.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 11. Nadere regels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere regels vast te stellen: 1. ten aanzien van de gevolgen van de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de betekenis van de aan vergunningen als bedoeld in de artikelen 21 en 22 van wet verbonden voorwaarden en voorschriften; 2. ten aanzien van de overdracht van de in artikel 21 en 22 van de wet bedoelde vergunningen.

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 12. Onvoorziene omstandigheden Daar waar de Verordening niet in voorziet beslist burgemeester en wethouders.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 12. Onvoorziene omstandigheden (vervallen)

Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 13. Overgangsrecht 1.Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze Verordening blijft van toepassing op: a. een aanvraag voor dan wel besluit tot vergunningverlening, als bedoeld in de artikel 21 van de Huisvestingswet, of tot wijziging of intrekking daarvan, ingediend dan wel genomen vóór inwerkingtreding van deze Verordening;

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 13. Overgangsrecht (vervallen)

b. een besluit tot oplegging van een bestuurlijke sanctie, als bedoeld in artikel 5:2 lid 1, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, genomen vóór inwerkingtreding van deze Verordening wegens een overtreding van het bepaalde in artikel 21 van de Huisvestingswet. 2.Aan de eigenaar, die zijn woonruimte aantoonbaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening verhuurde, in de zin van artikel 2, eerste lid, onder b van deze verordening, wordt ingevolge deze Verordening een vergunning voor omzetten (kamerverhuur) voor onbepaalde tijd verleend, indien: a. de omzetting van de betreffende woonruimte ingevolge de Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2016 buiten de vergunningplicht dan wel onder de vrijstelling viel, maar sinds de inwerkingtreding van deze verordening vergunningplichtig is geworden; en b. de eigenaar uiterlijk 1 juni 2020 een vergunningaanvraag voor omzetten van de betreffende woonruimte heeft ingediend bij burgemeester en wethouders; en c. burgemeester en wethouders vanaf 6 maanden voorafgaand aan inwerkingtreding van deze verordening geen woonoverlast aangaande de betreffende woonruimte hebben geconstateerd.

3.Aan de eigenaar die zijn woonruimte aantoonbaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening verhuurde, in de zin van artikel 2, eerste lid onder b van deze verordening, wordt ingevolge deze verordening een vergunning verstrekt voor het onttrekken, splitsen of die tot twee of meer woningen om te vormen indien: a. de onttrekking, splitsing of woningvorming van de betreffende woonruimte ingevolge de Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2016 buiten de vergunningplicht dan wel onder de vrijstelling viel, maar sinds de inwerkingtreding van deze verordening vergunningplichtig is geworden en; b. de eigenaar uiterlijk 1 juni 2021 een vergunningaanvraag voor het onttrekken, splitsen of woningvorming van de betreffende woonruimte heeft ingediend bij burgemeester en wethouders; en

c. burgemeester en wethouders vanaf 6 maanden voorafgaand aan inwerkingtreding van deze verordening geen woonoverlast aangaande de betreffende woonruimte hebben geconstateerd. Toelichting

Huidige tekst 2020 Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020 en vervalt op 1 januari 2024.

Voorgestelde tekst 2024 Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024 en vervalt op 1 januari 2028.

2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2020.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2024.

Toelichting

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13393490/1