Schets participatieverordening
Tekst van het document
Participatieverordening 2022, eerste schets Gemeente Schiedam
Versie 3 november 2021
1
Inhoud Hoofdstuk 1
Inleidende bepalingen................................................................................... 4
Hoofdstuk 2
Inwonerparticipatie........................................................................................ 5
Hoofdstuk 3 `
Overheidsparticipatie .................................................................................... 7
Hoofdstuk 4
Uitdaagrecht ................................................................................................. 8
Hoofdstuk 5
Omgevingswet ............................................................................................. 9
Hoofdstuk 6
Evaluatie en monitoring ................................................................................ 9
Hoofdstuk 7
Overgangs- en slotbepalingen .....................................................................10
Toelichting
2
Besluit van de raad van de gemeente Schiedam tot vaststelling van de Participatieverordening Schiedam 2021
De raad van de gemeente Schiedam; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en eventueel nummer]; gelet op artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet; overwegende dat het van belang is lokale democratische processen door participatie van inwoners te verrijken, de samenwerking tussen gemeente en inwoners te versterken en helderheid te geven over de invulling van de participatieprocedure;
besluit vast te stellen de volgende verordening: Participatieverordening Schiedam 2022
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1.
Inleidende bepalingen Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(a)
Bestuursorgaan: Indien het betreffende besluit tot de bevoegdheid van de gemeenteraad behoort: de gemeenteraad. Indien het betreffende besluit tot de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders behoort: het college van burgemeester en wethouders. Indien het betreffende besluit tot de bevoegdheid van de burgemeester behoort: de burgemeester.
(b)
Belanghebbenden: Inwoners, bedrijven en/of maatschappelijke organisaties die een belang hebben bij een ontwikkeling.
(c)
Bewonersinitiatief: Initiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties of bedrijven, of een combinatie daarvan.
(d)
Inspraak: Een bijzondere vorm van participatie dat zich kenmerkt door een formeel karakter en dat plaatsvindt door ter inzagelegging van een door het bestuursorgaan reeds op- en vastgesteld concept over voorgenomen beleid/lokale regelgeving dan wel wijziging daarvan, gedurende een vooraf vastgestelde periode waarin een ieder zienswijzen op het voornemen kan indienen. In principe wordt bij inspraak de procedure gevolgd uit de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4). Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.
(e)
Inwonersparticipatie: Vorm van participatie, waarin op initiatief van het bestuursorgaan inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden bij de ontwikkeling, uitvoering en/of evaluatie van beleid worden betrokken, voordat het bestuursorgaan het voorgenomen beleid, uitvoering en/of evaluatie formeel heeft vastgesteld. Inwonerparticipatie is vormvrij en kan bestaan uit verschillende participatievormen, zoals informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen.
(f)
Overheidsparticipatie: Vorm van participatie. De manier waarop de gemeente ondersteuning of een bijdrage geeft aan initiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere belanghebbenden.
(g)
Participatie: Het betrekken van inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid of gemeentelijke plannen, alsmede het ondersteunen van bewonersinitiatieven van inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden met impact op de lokale samenleving.
(h)
Uitdaagrecht: Het recht van ingezetenen en lokale maatschappelijke partijen om een verzoek bij het bevoegde bestuursorgaan in te dienen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen, als zij denken deze taak beter en goedkoper uit te kunnen voeren.
4
Artikel 2.
Reikwijdte en algemene bepalingen
1.
Participatie als bedoeld in deze verordening wordt toegepast wanneer het te verwachten is dat er mensen zijn die in aanzienlijke mate geraakt zullen worden door het betreffende beleid of besluit en er ruimte is voor invloed op de te maken keuzes. Indien er geen ruimte voor invloed is, worden belanghebbenden in iedere geval voortijdig geïnformeerd. Participatie wordt eveneens toegepast wanneer te verwachten is dat betrokken bewoners of experts over relevante ervaringskennis of inzichten beschikken die bruikbaar zijn bij de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van het beleid of besluit.
2.
Participatie en/of inspraak wordt niet toegepast:
(a)
ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;
(b)
indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;
(c)
indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;
(d)
inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;
(e)
indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;
(f)
indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.
3.
Het college van burgemeester en wethouders zorgt voor de organisatie en uitvoering van participatie indien de raad bestuursorgaan is.
4.
De gemeenteraad stelt de kaders vast van zijn participatiebeleid.
5.
In de jaarlijkse begroting wordt een onderdeel opgenomen waarin de speerpunten voor participatie in het komend jaar benoemd worden.
Hoofdstuk 2
Inwonerparticipatie (bewoners participeren in de voorbereiding, ontwikkeling, uitvoering en/of evaluatie van gemeentelijk beleid)
Artikel 3.
Participatietraject
1.
Het college van burgemeester en wethouders stelt bij de voorbereiding van een participatietraject vast op welke manier inwonerparticipatie wordt toegepast en stelt daartoe de inhoudelijke en financiële ruimte voor het participatietraject vast.
2.
Het bevoegde bestuursorgaan maakt voor de start van het publieksparticipatietraject het voornemen bekend op de voor dat traject geschikte wijze.
5
3.
Artikel 4.
Het college van burgemeester en wethouders kan voor de uitwerking nadere regels vaststellen.
Besluitvorming participatietraject
1. Bij de vaststelling van een participatietraject dient in ieder geval te worden bepaald op welke wijze het bestuursorgaan zal omgaan met de uitkomsten van het participatietraject en op welke wijze de besluitvorming zal plaatsvinden en kiest daarbij uit de volgende mogelijkheden: (a)
Het bestuursorgaan neemt kennis van de uitkomsten van het participatietraject en zal nader afwegen of en in welke mate deze kunnen worden meegenomen in de politieke besluitvorming
(b)
Het bestuursorgaan beschouwt de adviezen en conclusies uit het participatietraject als een zwaarwegend uitgangspunt bij de besluitvorming.
(c)
Het bestuursorgaan neemt de adviezen en conclusies uit het participatietraject over mits deze passen binnen de vooraf gestelde inhoudelijke, financiële en procedurele kaders.
Artikel 5. 1.
Eindverslag participatietraject en inspraak
Ter afronding van het participatietraject en/of inspraak stelt het bevoegde bestuursorgaan een eindverslag op. Het eindverslag bevat in elk geval: (a)
een overzicht van het gevolgde participatietraject op hoofdlijnen;
(b)
een weergave van de belangrijkste uitkomsten van het participatietraject;
(c)
een reactie op deze uitkomsten van het participatietraject, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het centrale onderwerp van de participatie wordt overgegaan;
2.
Het bestuursorgaan maakt het eindverslag openbaar.
3.
Het college van burgemeester en wethouders brengt het eindverslag ter kennis van de raad als onderdeel van een raadsvoorstel.
Artikel 6. 1.
Inspraakprocedure Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Het college besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van een raadsvoorstel.
2.
Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.
3.
Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.
4.
Geen inspraak wordt verleend wanneer sprake is van het genoemde bij artikel 2 lid 2.a t/m 2.f.
5.
Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6.
Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen.
6
Hoofdstuk 3 `
Overheidsparticipatie (overheid participeert in initiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere belanghebbenden)
Artikel 7.
1.
Toepassen Overheidsparticipatie
De gemeenteraad stelt het beleid ten aanzien van initiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere belanghebbenden vast, met daarin: (a)
Spelregels en voorwaarden voor initiatieven;
(b)
Laagdrempelige procedure voor het aanvragen van budget en ambtelijke ondersteuning(methodiek), inclusief een duidelijk aanspreekpunt;
(c)
Interne procedures voor afhandeling;
(d)
Communicatieafspraken. Transparantie over ondersteuning en budgetten.
2.
Overheidsparticipatie wordt toegepast indien naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders het initiatief past binnen de kaders van het gemeentelijk beleid en bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid, en/of anderszins een maatschappelijke bijdrage levert aan de lokale samenleving.
3.
Indien het college van burgemeester en wethouders besluit om overheidsparticipatie toe te passen, kan zij besluiten het initiatief te ondersteunen door middel van:
4.
(a)
het (eventueel tijdelijk) ter beschikking stellen van ruimtes of huisvesting;
(b)
het beschikbaar stellen van financiële middelen;
(c)
de inzet van ambtelijke expertise, netwerken of ondersteuning;
(d)
andere vormen van ondersteuning.
Het college van burgemeester en wethouders past geen overheidsparticipatie toe wanneer sprake is van: (a) (b)
een initiatief dat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is, of indien het initiatief overwegend het privébelang van de indiener dient.
5.
7
Hoofdstuk 4 Artikel 8.
Uitdaagrecht Toepassen Uitdaagrecht
1.
Het bestuursorgaan biedt inwoners en maatschappelijke initiatieven de mogelijkheid een voorstel te doen om de uitvoering van gemeentelijke taken over te nemen. Opmerking: welke gemeentelijke taken dat zijn zullen in de definitieve verordening die ter besluitvorming naar de raad gaat worden uitgewerkt.
2.
Het college van burgemeester en wethouders wijst inwoners en maatschappelijke groeperingen er actief op dat zij een voorstel kunnen indienen om de uitvoering van (delen van) gemeentelijke taken over te nemen.
3.
Het bestuursorgaan wijst een voorstel af indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het voorstel voldoet aan de in de toelichting genoemde indieningsvereisten, of indien zij overname van de gemeentelijke taak om andere redenen onwenselijk vindt.
5.
Overname van de uitvoering van de volgende taken is niet mogelijk: (a)
als het een lopend uitvoeringstraject of ondergeschikte herzieningen betreft;
(b)
als het uitdaagrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;
daarvan
(c) als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; (d) inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; (e)
als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde uitkomt;
(f)
als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat het benutten van het uitdaagrecht niet kan worden afgewacht;
(g) als het belang van het uitdaagrecht niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving 6. Indien het voorstel wordt overgenomen, voorziet het bestuursorgaan de indiener van gepaste ondersteuning. De gemaakte afspraken (over o.a. de taken, het resultaat, het budget en de looptijd) worden vastgelegd in een overeenkomst. Het bestuursorgaan en de indiener bespreken periodiek de voortgang. 7.
Het college van burgemeester en wethouders geeft aan de indieners binnen acht weken een eerste reactie op het voorstel. Het uiteindelijke besluit van het college van burgemeester en wethouders wordt gemotiveerd aan de indiener gestuurd.
8
Hoofdstuk 5
Omgevingswet
Artikel 9. Omgevingsplan en omgevingsvergunning 1.
Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet vindt participatie over omgevingsplannen en omgevingsvergunningen plaats overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Omgevingswet.
2.
Het college van burgemeester en wethouders stelt nadere regels vast waarin wordt aangegeven welke vormen van participatie door initiatiefnemers kunnen worden toegepast in daarbij aangewezen gevallen.
3.
De gemeenteraad kan categorieën van gevallen aanwijzen die in strijd met het omgevingsplan zijn en waarbij participatie verplicht is[. De indiener van de aanvraag omgevingsvergunning dient de participatie te organiseren of is daarvoor verantwoordelijk.
4.
De gemeenteraad kan categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor geldt dat, indien het voornemen bestaat hierover een anterieure overeenkomst te sluiten, het college van burgemeester en wethouders met de gemeenteraad overlegt over de kaders en de wijze waarop participatie van toepassing is
Hoofdstuk 6 Artikel 10.
Evaluatie en monitoring Evaluatie en monitoring
1.
De uitvoering van deze verordening wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college van burgemeester en wethouders zendt hiertoe aan de raad een participatiejaarverslag.
2.
Dit verslag beschrijft de wijze waarop participatietrajecten zijn georganiseerd, de rolinvulling door raad en college, de kosten, het resultaat van de participatie en de belangrijkste ervaringen. Het verslag bevat tevens informatie over bewonersinitiatieven, toegekende budgetten en over de werking van het uitdaagrecht.
9
Hoofdstuk 7
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11. Inwerkingtreding, intrekking en overgangsrecht
1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking onder gelijktijdige intrekking van de Inspraakverordening gemeente Schiedam 2005. 2. Op inspraakprocedures die voortvloeien uit besluiten genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijven de bepalingen van de in artikel 11 de Inspraakverordening gemeente Schiedam 2005 van toepassing. Artikel 12. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Schiedam 2021.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Schiedam, gehouden op .. .. 2022.
de griffier,
de voorzitter,
J.W. Scherpenzeel
C.H.J. Lamers
10
Toelichting
De gemeente Schiedam wil de kennis en ervaring van bewoners, bedrijven en instellingen inzetten bij beleid, vanaf agendavorming tot beleidsontwikkeling, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het beleid. Daarnaast stimuleert de gemeente Schiedam dat Schiedammers samen het initiatief nemen om hun straat, wijk of stad mooier, veiliger en socialer kunnen maken. Zij biedt Schiedammers zoveel mogelijk ruimte voor bewonersinitiatieven. Deze verordening regelt het betrekken van bewoners bij de ontwikkeling – mede omvattend de voorbereiding, uitvoering en evaluatie - van gemeentelijk beleid en de rol van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad in deze processen. Deze verordening is daarnaast van toepassing op de manier waarop de betrokken bestuursorganen reageren ondersteuning biedt aan initiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties, of andere betrokkenen. Met de voorgenomen wijziging van art 150 Gemeentewet ontstaat voor gemeenten de plicht om de inspraakverordening om te bouwen naar een participatieverordening. Het wetsvoorstel ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’ regelt dat het decentraal bestuur inwoners in staat stelt te participeren bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Deze Participatieverordening van de gemeente Schiedam bouwt voort op:
Inspraakverordening gemeente Schiedam 2005 Visienota Open Schiedam 2017 Deelnota ‘Een wijk vol initiatieven’ 2018 Nota ‘Bewonersondersteuning’ 2020 Visienota Communicatie 2017 Democratische spelregels raad bij participatie, 2020 Samenwerken in Schiedam, Participatiebeleid 2021
In deze Participatieverordening zijn de ideeën en suggesties verwerkt uit gesprekken met raadsleden, leden van het college van B&W, bewoners en ambtenaren van de gemeente Schiedam. Het stuk is mede gebaseerd op de eerste proeve van een model-Participatieverordening op basis van het VNGtraject ‘Spelregels lokale democratie’ (januari 2020). In deze Toelichting worden enkele onderdelen van de Participatieverordening nader toegelicht. Bestuursorgaan In de verordening wordt regelmatig gesproken over ‘het bestuursorgaan’. De gemeente heeft drie bestuursorganen: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester (artikel 6 van de Gemeentewet). Indien expliciet een van deze bestuursorganen wordt bedoeld, dan wordt dit ook als zodanig benoemd. Indien de tekst rept over ‘het bestuursorgaan’, dan is het afhankelijk van de bevoegdheidsverdeling rond dit thema welk bestuursorgaan bedoeld wordt. Indien het betreffende besluit tot de bevoegdheid van de gemeenteraad behoort: de gemeenteraad. In gelijke zin geldt dit voor het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Inzicht bieden in gemeentelijke plannen In art. 2.6 wordt het volgende bepaald: Het bestuursorgaan geeft structureel inzicht in de gemeentelijke plannen, in het bijzonder voor de wijken, opdat bewoners tijdig invloed kunnen uitoefenen.
Dit artikel bevat een inspanningsverplichting op het gebied van actieve openbaarheid, zodat bewoners goed in staat zijn om een rol te vervullen in processen van inwonerparticipatie. Voor bewoners is het van belang om zicht te hebben op de analyses en beleidsopties die ontwikkeld worden voor hun directe leefomgeving, zodat bewoners met kennis van zaken invloed kunnen uitoefenen. De precieze uitwerking van deze bepaling is maatwerk.
11
Start participatieproces Artikel 3 bevat bepalingen over de start van een participatieproces. Art 3, lid 1 bepaalt dat het bestuursorgaan bij de start van elk participatieproces vast stelt op welke manier participatie wordt toegepast. In de startnotitie wordt een participatieparagraaf opgenomen. Het gaat hierbij om een participatieparagraaf over een concreet participatieproces. Deze bepaling dwingt het bestuursorgaan om bij de start van een participatieproces goed na te denken en de hoofdlijnen van het participatieproces in 1 of 2 A4 kort en bondig weer te geven. Uit veel evaluaties blijkt dat het vaak aan de voorkant mis kan gaan. In de participatieparagraaf bij een startnotitie worden in beginsel de volgende vragen beantwoord: a) b) c) d)
e) f) g)
Wat is het doel van het participatietraject? Wie zijn de belanghebbenden? Wat zijn de belangrijkste vragen? Welke mate van invloed hebben belanghebbenden en in welke mate werken de uitkomsten van het participatieproces door in de besluitvorming, in de zin van art. 6? Op welke wijze en in welk tijdvak kunnen belanghebbenden hun inbreng leveren? Welke mijlpalen zijn er en welke (deel)producten worden opgeleverd? Op welke wijze wordt de raad (tussentijds) geïnformeerd? Wat zijn de kosten van het participatieproces?
De beslissing of er wel of niet burgerparticipatie wordt toegepast zal vaak bij de wethouder liggen (formeel het college van B&W). In zaken waarbij de raad beslissingsbevoegd is, ligt deze keuze bij de raad. In de praktijk zullen ambtenaren en wijkregisseurs vanuit hun expertise advies uitbrengen wanneer een participatieproces wenselijk wordt geacht. Art. 3, lid 3 bepaalt: het bevoegde bestuursorgaan stelt de inhoudelijke, financiële en overige kaders voor het participatieproces vast. Nieuwe inzichten kunnen ertoe leiden dat er aanvullende kaders worden gesteld of bestaande kaders worden bijgesteld. Het tussentijds bijsturen gebeurt op beargumenteerde wijze en de deelnemers worden hierover zo snel mogelijk geïnformeerd Kosten participatie Het is belangrijk dat er aan de voorkant ook helderheid is over de kosten voor het organiseren van participatie. Bij participatie over projecten zullen deze kosten onderdeel uitmaken van het projectbudget. Vanuit de wijkbudgetten is het mogelijk om kleine initiatieven van bewoners te ondersteunen en honoreren. Indien er door bewoners een aanvraag wordt gedaan waarvoor een groter budget nodig is, vergt dit afzonderlijke besluitvorming door burgemeester en wethouders en/of de gemeenteraad. Besluitvorming Art. 4 bepaalt dat het bestuursorgaan aan de voorkant aangeeft op welke wijze de inbreng van bewoners zal doorwerken in de besluitvorming.
Dit biedt een antwoord op een regelmatig gehoorde kritiek dat het vaak onhelder is wat er met de inbreng van bewoners gebeurt. Het is wenselijk om bewoners helderheid te geven wat er met hun inbreng gaat gebeuren (verwachtingsmanagement). Inspraakprocedure Art. 6 gaat in de procedure bij inspraak. Dit artikel is een specifieke uitwerking van Art. 2 dat in gaat op de reikwijdte van inwonerparticipatie en inspraak. Daarbij wordt ook verwezen naar Art. 1 waarin het onderscheid is geduid ten aanzien van participatie en inspraak. Uitdaagrecht Art. 8 regelt het Uitdaagrecht. Een voorstel met betrekking tot het uitdaagrecht wordt bij het college van burgemeester en wethouders ingediend en omvat in ieder geval de volgende onderdelen:
12
(a)
omschrijving van de taak die de indiener wil overnemen;
(b)
uitleg waarom of hoe de indiener dat beter en goedkoper kan;
(c)
duidelijkheid over de betrokkenheid, kennis of ervaring van de indiener ;
(d)
indicatie van het draagvlak onder belanghebbende inwoners;
(e)
raming van de kosten die aan de uitvoering van de taak verbonden zijn;
(f) omschrijving van de manier waarop de indiener met de gemeente wil of ondersteuning nodig heeft;
samenwerken
(g) inzicht in hoe de indiener garant staat voor de kwaliteit en de uitvoering van de taak op de langere termijn; Samenvatting wettelijke bepalingen Omgevingswet In de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit staan verspreid enkele bepalingen over participatie. Om redenen van overzichtelijkheid zijn de belangrijkste regels hier samengevat. In algemene zin laat de Omgevingswet veel ruimte voor lokaal maatwerk op het gebied van participatie. Lid 3 en 4 van artikel 9 zullen nader worden bepaald. Op basis van de Omgevingswet kan de gemeenteraad categorieën aanwijzen. Een voorstel hiertoe volgt na het in werking treden van de Omgevingswet in het derde kwartaal van 2022. In de gemeenteraad op basis van de Ow categorieën kan aanwijzen en dat een voorstel voor deze categorieën in Q3 2022 zal volgen op het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden. Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsvisie, programma of omgevingsplan vast te stellen, geeft het bevoegde bestuursorgaan aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Als na participatie een ontwerp omgevingsvisie, ontwerp programma of ontwerp wijziging omgevingsplan is vastgesteld kan een ieder over dit ontwerp een zienswijze indienen. De zienswijze wordt betrokken bij de vaststelling.
De zienswijzeprocedure vindt plaats overeenkomstig afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met mogelijk ingrijpende gevolgen en naar verwachting meerdere belanghebbenden (16.65, lid 4), kunnen burgemeester en wethouders besluiten tot een zienswijzeprocedure voor ontwerp omgevingsvergunningen. Daarover nemen ze per geval een besluit na het aan de aanvrager te hebben voorgelegd. Bij de aanvraag van een binnenplanse of buitenplanse omgevingsactiviteit wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. Bij het vaststellen van een omgevingsvisie, programma of omgevingsplan, of vergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit wordt aangegeven:
hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de uitkomsten van het participatieproces waren en in hoeverre de participatie heeft geleid tot aanpassing van het ontwerp.
De gemeente kan voor particuliere initiatiefnemers een leidraad opstellen voor het organiseren van participatie bij het aanvragen van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit. Evaluatie Artikel 15 bepaalt dat de gemeenteraad jaarlijks een bespreking wijdt aan de wijze waarop de gemeente participatieprocessen heeft georganiseerd, inclusief processen van overheidsparticipatie en uitdaagrecht. De precieze vorm is nader overeen te komen.
13
Het kan daarbij zinvol zijn indien dit vorm krijgt in een gesprek met vertegenwoordigers van de verschillende betrokken actoren (gemeenteraad, college, ambtenaren en bewoners).
14