CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ontwerpbesluit 2e wijziging Havenverordening Schiedam 2020

Raadscommissie 24 januari 2023, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsvoorstel 2e Wijzigingsbesluit Havenverordening Schiedam 202020.857 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het beroep van bootman mag uitsluitend worden 1. Het beroep van bootman mag uitsluitend worden uitgeoefend door degene die: uitgeoefend door degene die: a. de opleiding Bootman, als opgenomen in het a. de opleiding Bootman, als opgenomen in het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld dossier, onder Wetenschap vastgesteld dossier, onder toekenning van de betreffende registratiecode toekenning van de betreffende registratiecode CREBO, met goed gevolg heeft afgesloten, of; CREBO, met goed gevolg heeft afgesloten, of; b. in de afgelopen zeven aansluitende b. in de afgelopen zeven aansluitende kalenderjaren ten minste vier jaar ervaring kalenderjaren ten minste vier jaar ervaring heeft opgedaan als zelfstandig bevoegd heeft opgedaan als zelfstandig bevoegd bootman in een of meer havens binnen de bootman in een of meer havens binnen de Europese Unie, en degene: Europese Unie, en degene: 1°. in een haven die met de Rotterdamse 1°. in een haven die met de Rotterdamse havensituatie te vergelijken is, ervaring havensituatie te vergelijken is, ervaring heeft met het meren en ontmeren op heeft met het meren en ontmeren op boeien, op ruim water met hoge golfslag boeien, op ruim water met hoge golfslag en op sterk stromend getijdenwater; en op sterk stromend getijdenwater; 2°. de Nederlandse taal voldoende machtig is; 2°.

de Nederlandse taal voldoende machtig is; 3°. beschikt over een groot vaarbewijs of een 3°. beschikt over een groot vaarbewijs of een daaraan gelijkwaardig buitenlands bewijs daaraan gelijkwaardig buitenlands bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in van vaarbekwaamheid als bedoeld in bijlage 7.1, onder 1.1, van de bijlage 7.1, onder 1.1, van de Binnenvaartregeling en een Binnenvaartregeling en een basiscertificaat marifonie of een daaraan basiscertificaat marifonie of een daaraan gelijkwaardig buitenlands bewijs, en; gelijkwaardig buitenlands bewijs, en; 4°. naar het oordeel van de erkende 4°. naar het oordeel van de erkende bootliedenorganisatie waar hij te werk bootliedenorganisatie waar hij te werk gesteld wordt of werkzaam is, een gesteld wordt of werkzaam is, een gelijkwaardig niveau van kennis en gelijkwaardig niveau van kennis en vaardigheden zeker is gesteld, en; vaardigheden zeker is gesteld, en; is aangesloten bij een erkende is aangesloten of werkzaam is bij een erkende bootliedenorganisatie als bedoeld in artikel 11.2.3. bootliedenorganisatie als bedoeld in artikel 11.2.3. 2. De bootman is tijdens de werkzaamheden 2. De bootman is tijdens de werkzaamheden voorzien van een geldig legitimatiebewijs, als voorzien van een geldig legitimatiebewijs, als bedoeld in artikel 11.2.3, onder e. bedoeld in artikel 11.2.3, onder f. 3.

De bootman toont het legitimatiebewijs, bedoeld 3. De bootman toont het legitimatiebewijs, bedoeld c.

in artikel 11.2.3, onder e, op verzoek van personen in artikel 11.2.3, onder f, op verzoek van personen of bedrijven die van zijn diensten gebruik maken. of bedrijven die van zijn diensten gebruik maken. Toelichting van de wijziging van Artikel 11.2.2 Beroep en verplichtingen bootman Met deze toevoeging wordt duidelijk gemaakt dat, naast dat bootlieden bij een bootliedenorganisatie aangesloten kunnen zijn, bootlieden ook voor een bootliedenorganisatie in dienstverband werkzaam kunnen zijn. Artikel 11.2.3 Erkenning bootliedenorganisatie Artikel 11.2.3 Erkenning bootliedenorganisatie Het college verleent een erkenning voor een Het college verleent een erkenning voor een bootliedenorganisatie, indien deze: bootliedenorganisatie, indien deze: a. voorzien is van een geldig ISO 9001 of daarmee a. voorzien is van een geldig ISO 9001 of daarmee vergelijkbaar certificaat; vergelijkbaar certificaat; b. beschikt over ten minste één continu bereikbaar b. beschikt over ten minste één continu bereikbaar meldpunt waar bootlieden kunnen worden meldpunt waar bootlieden kunnen worden besteld; besteld; c. aantoont dat regelmatig overleg plaatsvindt met c. aantoont dat regelmatig overleg plaatsvindt met nautische dienstverleners in de haven omtrent de nautische dienstverleners in de haven omtrent de werkwijze en procedures bij meren en ontmeren; werkwijze en procedures bij meren en ontmeren; d.

aantoont dat, om de continuïteit van de adequate d. aantoont dat, om de continuïteit van de adequate dienstverlening te waarborgen, wordt voldaan aan dienstverlening te waarborgen, wordt voldaan aan de mogelijkheid om in volcontinudienst, per uur, de mogelijkheid om in volcontinudienst, per uur, ten minste 3 zeeschepen afzonderlijk, in ten minste 3 zeeschepen afzonderlijk, in verschillende situaties voor wat betreft afmeting, verschillende situaties voor wat betreft afmeting, scheepstype en locatie, te kunnen meren of scheepstype en locatie, te kunnen meren of ontmeren, met behulp van daartoe gekwalificeerd ontmeren, met behulp van daartoe gekwalificeerd personeel, en; personeel; e. aan de bootlieden een legitimatiebewijs wordt e. haar diensten aanbiedt aan alle zeeschepen en verstrekt dat is voorzien van een goedgelijkende op alle afmeerlocaties voor zeeschepen, en; pasfoto en dat ten minste vermeldt: f. aan de bootlieden een legitimatiebewijs, fysiek of 1°. de naam, geboorteplaats en geboortedatum digitaal, wordt verstrekt dat is voorzien van een van de bootman; goedgelijkende pasfoto en dat ten minste 2°. met goed gevolg de opleiding Bootman vermeldt: behaalt als bedoeld in artikel 11.2.2, eerste lid, 1°. de naam, geboorteplaats en geboortedatum onder a, met vermelding van datum van van de bootman; diplomaverstrekking, en; 2°. met goed gevolg de opleiding Bootman 3°.

de naam van de bootliedenorganisatie waarbij behaalt als bedoeld in artikel 11.2.2, eerste lid, de bootman is aangesloten. onder a, met vermelding van datum van diplomaverstrekking, en; 3°. de naam van de bootliedenorganisatie waarbij de bootman is aangesloten of werkzaam is. Toelichting van de wijziging van Artikel 11.2.3 Erkenning bootliedenorganisatie Eén van de minimumeisen die op grond van de Europese Zeehavenverordening (EU-verordening 2017/352) aan onder meer bootlieden mag worden gesteld, is de eis dat de beschikbaarheid van de betrokken havendienst voor alle gebruikers, aan alle aanlegplaatsen en zonder onderbrekingen, dag en nacht, het hele jaar door gewaarborgd is. Deze eis valt uiteen in twee delen, namelijk de continuïteit van de havendienst en de beschikbaarheid van de havendienst voor alle gebruikers daarvan in de haven. De continuïteitseis ten aanzien van de bootlieden is reeds verwoord in onderdeel d van artikel 11.2.3. Dat de bootlieden ook aan alle zeeschepen hun diensten moeten aanbieden, is nog niet vastgelegd in de Havenverordening. Voorgesteld wordt deze verplichting wel expliciet in de Havenverordening op te nemen. Vanuit veiligheidsoogpunt is het van groot belang dat roeiers hun diensten aanbieden aan ieder zeeschip die dat wenst.

Het is onwenselijk dat door een bootliedenorganisatie bepaalde type zeeschepen of locaties zouden worden uitgezonderd van hun dienstverlening. Dat zou ertoe kunnen leiden dat zeeschepen op bepaalde locaties (bijv. op de boeien in de Waalhaven) niet meer (veilig) zouden kunnen afmeren. Artikel 11.2.4 Eisen aan bemanning en schepen die Artikel 11.2.4 Eisen aan bemanning en schepen die worden gebruikt voor het vastmaken van zeeschepen worden gebruikt voor het vast- en losmaken van 1. De schipper van een schip dat is ingericht en wordt zeeschepen gebruikt voor het vastmaken van zeeschepen: 1. De schipper van een schip dat is ingericht en a. gebruikt: wordt gebruikt voor het vast- of losmaken van

1°. indien het een schip betreft dat is gebouwd vóór 1 januari 2018 een schip dat voldoet aan de op grond van artikel 11.1.2, eerste lid, voor de betreffende categorie gestelde eisen en dat is voorzien van een verklaring van deugdelijkheid als bedoeld in artikel 11.1.2, eerste lid, of; 2°. een schip dat voldoet aan de gestelde eisen in NEN 8431-cat. B en dat is voorzien van een verklaring van deugdelijkheid als bedoeld in artikel 11.1.2, eerste lid. b. is in het bezit van een groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 14 van het Binnenvaartbesluit en een basiscertificaat marifonie. 2. De schipper van een schip dat is ingericht en wordt gebruikt voor het vastmaken van zeeschepen, die een petroleumhaven bevaart, gebruikt een schip dat tevens voldoet aan het gestelde in artikel 5.8. 3. De verklaring van deugdelijkheid die op een schip betrekking heeft, of een (digitale) kopie daarvan, bevindt zich aan boord van het schip. 4. Het eerste lid, onder a, onder 1°, vervalt met ingang van 1 januari 2028.

zeeschepen: a. gebruikt: 1°. indien het een schip betreft dat is gebouwd vóór 1 januari 2018 een schip dat voldoet aan de op grond van artikel 11.1.2, eerste lid, voor de betreffende categorie gestelde eisen; 2°. indien het een schip betreft dat is gebouwd vóór 1 januari 2018 en dat schip voor de eerste maal wordt gecertificeerd voor het gebruik om zeeschepen vast- of los te maken een schip dat voldoet aan de gestelde eisen in NEN 8431-cat. B; 3°. indien het een schip betreft dat is gebouwd vóór 1 januari 2018 en dat schip ingrijpend wordt verbouwd of omgebouwd, een schip dat voldoet aan de gestelde eisen in NEN 8431-cat. B, of; 4°. indien het een schip betreft dat is gebouwd op of na 1 januari 2018 een schip dat voldoet aan de gestelde eisen in NEN 8431-cat. B, en; b. is in het bezit van een groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 14 van het Binnenvaartbesluit en een basiscertificaat marifonie. 2. Een schip, als bedoeld in het eerste lid, onder a, is voorzien van een verklaring van deugdelijkheid als bedoeld in artikel 11.1.2, eerste lid, en de verklaring van deugdelijkheid die op het schip betrekking heeft, of een (digitale) kopie daarvan, bevindt zich aan boord van het schip. 3.

De schipper van een schip dat is ingericht en wordt gebruikt voor het vast- of losmaken van zeeschepen, die een petroleumhaven bevaart, gebruikt een schip dat tevens voldoet aan het gestelde in artikel 5.8. Toelichting van de wijziging van Artikel 11.2.4 Eisen aan bemanning en schepen die worden gebruikt voor het vast- en losmaken van zeeschepen Voorgesteld wordt om het bestaande vierde lid van artikel 11.2.4 te laten vervallen. Het vierde lid regelt dat schepen die gebruikt worden voor het vast- en losmaken van zeeschepen en die gebouwd zijn vóór 1 januari 2018 vanaf 1 januari 2028 moeten voldoen aan de eisen zoals die verwoord zijn in NEN 8431. In de afgelopen periode is echter duidelijk geworden dat het niet proportioneel is schepen gebouwd vóór 1 januari 2018 die reeds worden gebruikt om zeeschepen vast- en los te maken enkel vanwege het verstrijken van een datum conform de NEN-norm te certificeren. Het zijn immers onverkort veilige schepen. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat schepen die ingrijpend worden verbouwd of worden omgebouwd, dan wel schepen die voor de eerste maal worden gecertificeerd, eveneens volgens de NEN 8431 moeten worden gecertificeerd. Schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2018 kunnen blijven voldoen aan de op grond van artikel 11.1.2, eerste lid, voor de betreffende categorie gestelde eisen.

Artikel 11.4.2 Vergunningvoorwaarden sjorbedrijf Artikel 11.4.2 Vergunningvoorwaarden sjorbedrijf Het college verleent een vergunning voor een Het college verleent een vergunning voor een sjorbedrijf, indien het sjorbedrijf: sjorbedrijf, indien het sjorbedrijf: a. 24 uur per dag, 7 dagen per week zijn diensten a. 24 uur per dag, 7 dagen per week zijn diensten aanbiedt en in staat is ten minste één zeeschip te aanbiedt en in staat is ten minste één zeeschip te behandelen in de door de rederij of de stuwadoor behandelen in de door de rederij of de stuwadoor beschikbaar gestelde tijd; beschikbaar gestelde tijd;

b. in bezit is van een ISO 9002 certificaat of aantoont b. in bezit is van een ISO 9001 certificaat of aantoont dat het daarover binnen afzienbare termijn dat het daarover binnen afzienbare termijn beschikt; beschikt; c. ervoor zorgdraagt dat de onder zijn c. ervoor zorgdraagt dat de onder zijn verantwoordelijkheid werkende sjorders, verantwoordelijkheid werkende sjorders, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.4.3, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.4.3, voldoende vakbekwaam, betrouwbaar en voldoende vakbekwaam, betrouwbaar en herkenbaar zijn, en; herkenbaar zijn, en; d. aan de sjorders een legitimatiebewijs verstrekt dat d. aan de sjorders een legitimatiebewijs, fysiek of is voorzien van een goedgelijkende pasfoto en dat digitaal, verstrekt dat is voorzien van een ten minste vermeldt: goedgelijkende pasfoto en dat ten minste 1°. de naam, geboorteplaats en geboortedatum vermeldt: van de sjorder, en; 1°. de naam en voorletters van de sjorder, en; 2°. de naam van het sjorbedrijf waar de sjorder in 2°. de naam van het sjorbedrijf waar de sjorder in dienst is. dienst is. Toelichting van de wijziging van Artikel 11.4.2 Vergunningvoorwaarden sjorbedrijf Artikel 11.4.2 wordt geactualiseerd door nu naar het vereiste ISO certificaat te verwijzen dat een sjorbedrijf moet hebben.

Daarnaast worden de vereisten aan de legitimatiepas van de sjorders in lijn gebracht met de bepalingen van de AVG. Verder is de legitimatieplicht aangepast in die zin dat sjorders, zich naast fysiek, in het vervolg ook digitaal kunnen legitimeren. Artikel 11.4.3 Verplichtingen sjorders Artikel 11.4.3 Verplichtingen sjorders 1. De sjorder beschikt bij indiensttreding bij een 1. De sjorder beschikt bij indiensttreding bij een erkend sjorbedrijf over een verklaring omtrent het erkend sjorbedrijf over een verklaring omtrent het gedrag. gedrag. 2. Het beroep van sjorder kan uitsluitend worden 2. Het beroep van sjorder kan uitsluitend worden uitgeoefend door degene die één van de volgende uitgeoefend door degene die één van de volgende opleidingen met goed gevolg heeft afgesloten: opleidingen met goed gevolg heeft afgesloten: a. Medewerker Havenoperaties, opgenomen in a. Medewerker Havenoperaties MBO2, welke is het CREBO onder nummer 93070 of nummer voorzien van een CREBO-nummer, of; 95727, of; b. Assistent logistiek MBO1, welke voorzien is b. Assistent logistiek medewerker, opgenomen in van een CREBO-nummer. het CREBO onder de nummers 93730 of 93732. 3. De sjorder is tijdens de sjorwerkzaamheden 3. De sjorder is tijdens de sjorwerkzaamheden voorzien van het legitimatiebewijs, bedoeld in voorzien van het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 11.4.2, onder d. artikel 11.4.2, onder d.

4. De sjorder toont het legitimatiebewijs, bedoeld in 4. De sjorder toont het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 11.4.2, onder d, op verzoek van personen of artikel 11.4.2, onder d, op verzoek van personen of bedrijven die van zijn diensten gebruik maken. bedrijven die van zijn diensten gebruik maken. Toelichting van de wijziging van Artikel 11.4.3 Verplichtingen sjorders In de verordening is opgenomen welke opleiding een sjorder moet hebben gevolgd. Naast dat naar de opleiding wordt verwezen, worden ook de CREBO nummers (door het Ministerie van OCW vastgestelde nummers) van de opleidingen genoemd. Voorgesteld wordt om niet meer naar de specifieke CREBOnummers te verwijzen, aangezien deze vaak wijzigen. Hiermee wordt voorkomen dat bij een wijziging van een CREBO-nummer de Havenverordening tussentijds moeten worden aangepast en er onduidelijkheid ontstaat of een sjorder de juiste opleiding heeft gevolgd. Toelichting op de wijziging van de Havenverordening Schiedam 2020

De Havenverordening Schiedam 2020 is door de gemeenteraad op 19-12-2019 vastgesteld (19VR084), en het 1e Wijzigingsbesluit op 28-9-2021 (21VR037). Op voorstel van het Havenbedrijf Rotterdam komt er een tweede wijziging. De gemeente Schiedam heeft conform de ‘Samenwerkingsconvenant nautisch beheer zeehavens Schiedam 1999’ het havenbeheer van de (buitendijkse) zeehavens uitbesteed aan het Havenbedrijf Rotterdam. Een verplichting uit de samenwerking is dat de havenverordening van Schiedam dezelfde is als die van Rotterdam, onder regievoering van het Havenbedrijf. De nu voorliggende wijziging (22VR054) is ingegeven door veranderingen door de komst van de Omgevingswet en wat extra waarborgen voor veiligheid. Daarnaast worden een aantal technische wijzigingen voorgesteld waarmee onjuistheden worden gecorrigeerd of teksten verduidelijkt. De door de gemeenteraad vast te stellen gewijzigde Havenverordening zal op 1 januari 2023 in werking treden. De voorgestelde inhoudelijke wijzigingen zijn onder andere afgestemd met de gemeente Rotterdam, Zeehavenpolitie, DCMR Milieudienst Rijnmond, Koninklijke Roeiers Vereeniging Eendracht (KRVE) en sjorbedrijven.

De wijzigingen hebben als doel om: - een betere aansluiting van de uitzonderingen op de algemene regels voor het gebruik van bootlieden in lijn te brengen met de huidige praktijk; - de eisen voor de legitimatie door de sjorders aan te passen als gevolg van de AVG; - de nieuwe ligplaatszoneringsafstanden vast te stellen; - het mogelijk maken dat gebieden kunnen worden aangewezen waar een generatorverbod geldt voor zeeschepen; - inhoudelijke wijzigingen door te voeren als gevolg van veranderende en nieuwe wetgeving, waaronder scheepsafvalstoffenwetgeving en de Omgevingswet; - enkele technische wijzigingen door te voeren.

Artikel II BIJLAGE 2 als bedoeld in artikel 7.1 van de Havenverordening Schiedam 2020 wordt als volgt gewijzigd:

Bijlage 2 als bedoeld in artikel 7.1 van de Havenverordening Rotterdam 2020 IMDG Klasse

Zone A: Zeeschepen en binnenschepen 0-100 m. tot woonconcentraties

Zone B: Zeeschepen 100-300 m. tot woonconcentraties

Zone C: Zeeschepen 300-500 m. tot woonconcentraties

Zone D: Zeeschepen 500-800 m tot woonconcentraties

Zone E: Zeeschepen 800-1500 m. tot woonconcentraties

Buitenzone Zeeschepen min. 1500 m. tot woonconcentraties

1.1>1.6

Verboden voor: Totale hoeveelheid: Klasse 1.1, 1.2, 1.5: >25 kg Klasse 1.3: >5.000 kg

Verboden voor: Totale hoeveelheid: Klasse 1.1, 1,5: >1.500 kg Klasse 1.2 >5.000 kg Klasse 1.3: >12.000 kg

Verboden voor: Totale hoeveelheid: Klasse 1.1, 1,5: >12.000 kg Klasse 1.2: >12.000 kg

Verboden voor: Totale hoeveelheid: Klasse 1.1, 1.5: >50.000 kg

Onbeperkt

Onbeperkt

Overig onbeperkt Verboden voor: totale hoeveelheid >10.000 kg

Overig onbeperkt Verboden in verpakking met een lading >13.000 kg voor de VN nummers:, 1032, 1036, 1041, 1061, 1083

Overig onbeperkt Onbeperkt

Overig onbeperkt onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Verboden in verpakking met een lading >13.000 kg voor de VN nummers: 1017, 1026, 1048, 1050, 1053, 1067, 1069, 1076, 1082, 2188, 2192, 2199, 2202, 2204, 2418, 2420, 2676, 3083

Verboden in verpakking met een lading >13.000 kg voor de VN nummers: 1017, 1026, 1048, 1050, 1053, 1067, 1069, 1076, 1082, 2188, 2192, 2199, 2202, 2204, 2418, 2420, 2676, 3083

Verboden met meer dan 10 tankcontainers (per stuk >13.000 kg) aan boord met VN nummer 1017, 1026, 1048, 1050, 1053,1067,1069, 1076, 1082, 2188, 2192, 2199, 2202, 2204, 2418, 2420, 2676, 3083

Onbeperkt

Overig onbeperkt

Overig onbeperkt

Overig onbeperkt

Overig onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Verboden voor VN nummer: 1295

verboden in verpakking met een lading >13.000 kg voor de VN nummer: 1295

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Overig onbeperkt Verboden voor VN nummer: 1745

Overig onbeperkt verboden in verpakking met een lading >13.000 kg voor de VN nummer: 1745

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Overig onbeperkt Verboden voor: totale hoeveelheid: > 10.000 kg

Overig onbeperkt Onbeperkt

Overig onbeperkt Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Verboden voor de VN nummers: 1051, 1092, 1185, 1239, 1259, 1613, 1614, 2480, 2486, 3249

Verboden voor de VN nummers: 1051, 1092, 1185, 1239, 1259, 1613, 1614, 2480, 2486, 3249

Verboden in tankcontainers met een lading >13.000 kg voor de VN nummers: 1051, 1092, 1185, 1239, 1259, 1613, 1614, 2480, 2486, 3249

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Overige VN nummers verboden voor: totale hoeveelheid >10.000 kg

Overig onbeperkt

Overig onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

2.1

2.2

2.3

verboden in verpakking met een lading >13.000 kg voor de VN nummer 2451 Overig onbeperkt Verboden

Overig onbeperkt Onbeperkt

Verboden voor de VN nummers: 1017, 1026, 1048, 1050, 1053, 1067, 1069, 1076, 1082, 2188, 2192, 2199, 2202, 2204, 2418, 2420, 2676, 3083 Onbeperkt voor de VN nummers: 1008, 1016, 1023, 1045, 1071, 1612, 1660, 1859, 1911, 1953, 1955, 2190, 2198, 2417, 2451, 2600, 3303, 3304, 3305, 3306

3 4.1>4.3

Verboden voor: totale hoeveelheid >10.000 kg Verboden voor VN nummer: 1295 verboden voor: totale hoeveelheid >10.000 kg voor VN nummer: 1242

5.1

Overig onbeperkt Verboden voor VN nummer: 1745 verboden voor: totale hoeveelheid >10.000 kg voor VN nummers: 1745 en 2495

5.2

6.1

6.2

Valt onder het besluit GGO en voedsel- en warenwetgeving

7

Valt onder de Kernenergiewet

8

Verboden voor de VN nummers: 1052, 1744, 1786, 1790, 1818

Verboden in voor de VN nummers: 1052, 1744, 1786, 1790, 1818

Verboden in verpakking met een lading >13000 kg voor de VN nummers: 1052, 1744, 1786, 1790, 1818

Overig onbeperkt

Overig onbeperkt

Onbeperkt

Onbeperkt

Overige stoffen verboden voor: totale hoeveelheid > 10.000 kg

9

Onbeperkt

Gewichten in deze bijlage gelden voor de stoffen en de verpakking, containergewicht wordt buiten beschouwing gelaten. De totale hoeveelheden van klasse 1 mogen de hoeveelheden zoals genoemd in de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen niet worden overschreden en zijn in Netto Explosieve Massa (NEM)

Toelichting op de wijziging van Bijlage 2 behorende bij Artikel 7.1 Verbod ligplaatsinname schip met gevaarlijke stoffen In de havenverordening zijn regels opgenomen voor het ligplaats nemen voor schepen met gevaarlijke stoffen aan boord. Afhankelijk van de hoeveelheid gevaarlijke stof en de soort stof die het schip aan boord heeft moet bij het ligplaatsnemen een minimale afstand aangehouden worden tot woonconcentraties. In lijn met de missie veilig van de Divisie Havenmeester Rotterdam (DHMR) van het Havenbedrijf Rotterdam heeft de havenmeester eind 2021 een onderzoek laten uitvoeren naar de afstanden die schepen met gevaarlijke stoffen moeten aanhouden tot woonconcentraties. De laatste berekening dateerde uit 2003. Nieuwe inzichten met betrekking tot kenmerken van gevaarlijke stoffen maakte dat de ligplaatszonering toe was aan een herziening. De ligplaatszonering is een veiligheidscontour die rondom woonconcentraties wordt getrokken en waarbinnen schepen, die bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen aan boord hebben, geen ligplaats mogen nemen. Deze risicomaatregel is aanvullend op de veiligheidsafstanden die gemeenten en provincies moeten aanhouden bij het verlenen van (milieu)vergunningen aan bedrijven met gevaarlijke stoffen. Het eerste lid heeft betrekking op alle schepen, het tweede lid op alleen zeetankschepen.

De afstanden zijn gebaseerd op de veiligheidsnormen die in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden voorgeschreven en waar gemeenten en provincies aan zijn gehouden bij het verlenen van (milieu)vergunningen aan bedrijven met gevaarlijke stoffen. In de ligplaatszonering wordt gekeken naar het effect van een incident met de gevaarlijke stoffen aan boord van schepen en wordt de kans dat het incident kan optreden niet meegewogen. Daarmee is deze meetmethode strenger dan de reguliere meetmethode en hierdoor staan in de ligplaatszonering grotere veiligheidsafstanden dan wanneer het Bevi zou worden toegepast. Deze strengere meetmethode draagt bij aan de veiligheid in en in de omgeving van de haven. Voor het berekenen van de veiligheidsafstanden van de klasse 1 stoffen (explosieven) is het door het RIVM opgestelde Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid, Module VI voor opslag van ontplofbare stoffen uit 2020 gebruikt. De herijking heeft geleid tot een verschuiving van een aantal stoffen naar een andere ligplaatszone. Voor een verbeterde toepassing van de zonering is een extra zone toegevoegd. Om aan te sluiten bij nationale regelgeving wordt er bij explosieven (klasse 1) ingedeeld volgens de netto explosieve massa. De veranderingen passen binnen de hoeveelheden die de bezoekende schepen afgelopen vijf jaar aan boord hebben gehad.

Daarmee heeft deze wijziging geen gevolgen voor de gevestigde bedrijven.

Artikel III

Toelichting op de Havenverordening Schiedam 2020 wordt gewijzigd als volgt: Huidige tekst Verhouding tot andere regelgeving De bepalingen in de Havenverordening zijn aanvullend ten opzichte van hogere regelgeving, zoals rijksregelgeving, in het bijzonder het Binnenvaartpolitiereglement, de Regeling melding en communicatie scheepvaart, de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen, de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Europese regelgeving, zoals het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren.

Scheepsafval

Voorgestelde tekst Verhouding tot andere regelgeving De bepalingen in de Havenverordening zijn aanvullend ten opzichte van hogere regelgeving, zoals rijksregelgeving, in het bijzonder het Binnenvaartpolitiereglement, de Regeling melding en communicatie scheepvaart, de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen, de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (na invoering van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)) en Europese regelgeving, zoals het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren. Scheepsafvalstoffen

"Scheepsafval" is gedefinieerd als het afval van een schip, dat ontstaat tijdens de reguliere bedrijfsvoering van een schip. Specifiek zijn vermeld: olie-afval uit de machinekamer, huishoudelijk afvalwater, huisvuil, klein gevaarlijk afval en ozon aantastende stoffen, die voorkomen in bijvoorbeeld oude brandblussers. Daarnaast bevat het begrip "scheepsafval" ook ladinggebonden afval, zoals stuwhout en verpakkingsmateriaal. Ladingresiduen, zowel droog als nat, zijn stoffen die achterblijven na lossing van de lading en vallen niet onder deze definitie.

Artikel 1.2 Waar gelden deze regels Het toepassingsgebied beperkt zich niet tot de als haven omschreven wateren, maar strekt zich tevens uit over alle tot de haven behorende bouwwerken en kademuren. Het is duidelijk dat ook vanaf de wal de orde en de veiligheid ongunstig kan worden beïnvloed. De verordening is tevens van toepassing op schepen die buiten de haven doch binnen de gemeentegrenzen direct of indirect gemeerd, ten anker of op spudpalen liggen aan of bij kaden, aanlegsteigers, meerpalen, ankergebieden of andere voorzieningen. Op schepen die gemeerd liggen buiten de haven, maar binnen de gemeentegrenzen - bijvoorbeeld aan een steiger op de Nieuwe Maas is de verordening eveneens van toepassing, onafhankelijk van de vraag of de gemeente dan wel een particulier "beheerder" van deze steiger is. Door paragraaf 4 onder de werkingssfeer van het tweede lid te brengen is het varend sjorren van containers ook op Rijksvaarwegen verboden. Het derde lid is een verbijzondering op het eerste lid. De eisen die in artikel 11.1.3 worden gesteld aan schepen en bemanning ten behoeve van personenvervoer van 12 personen of minder is van toepassing op alle wateren binnen de gemeente die aan getijde onderhevig zijn met uitzondering van varende schepen op de Rijksvaarwegen.

Artikel 1.7 Geldigheidsduur Een toestemming die wordt verleend voor een eenmalige gedraging of handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling. De termijn is vermeld in de ontheffing en hangt samen met de aanvraag. Een toestemming kan worden verleend voor de maximale duur van vijf jaar. In het tweede lid is bepaald dat de erkenning voor een bootliedenorganisatie voor onbepaalde duur kan worden verleend.

De definitie is gewijzigd als gevolg van een wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door zeeschepen. In de voorgaande wet werd gesproken over ‘scheepsafval’, de nieuwe wet hanteert het begrip ‘scheepsafvalstoffen. De definitie is dezelfde als die de wet gebruikt. "Scheepsafvalstoffen" is gedefinieerd als het afval van een schip met inbegrip van ladingresiduen, dat ontstaat tijdens de exploitatie van een schip of tijdens laad, los- en schoonmaakactiviteiten. Specifiek zijn vermeld: olie-afval uit de machinekamer, huishoudelijk afvalwater, huisvuil, klein gevaarlijk afval en ozon aantastende stoffen, die voorkomen in bijvoorbeeld oude brandblussers. Daarnaast bevat het begrip "scheepsafvalstoffen" ook ladinggebonden afval, zoals stuwhout en verpakkingsmateriaal. Ladingresiduen, zowel droog als nat, zijn stoffen die achterblijven na lossing van de lading en vallen ook onder deze definitie. Artikel 1.2 Waar gelden deze regels Het toepassingsgebied beperkt zich niet tot de als haven omschreven wateren, maar strekt zich tevens uit over alle tot de haven behorende bouwwerken en kademuren. Het is duidelijk dat ook vanaf de wal een efficiënt gebruik van de haven, en de veiligheid ongunstig kan worden beïnvloed.

De verordening is tevens van toepassing op schepen die buiten de haven doch binnen de gemeentegrenzen direct of indirect gemeerd, ten anker of op spudpalen liggen aan of bij kaden, aanlegsteigers, meerpalen, ankergebieden of andere voorzieningen. Op schepen die gemeerd liggen buiten de haven, maar binnen de gemeentegrenzen - bijvoorbeeld aan een steiger op de Nieuwe Maas - is de verordening eveneens van toepassing, onafhankelijk van de vraag of de gemeente dan wel een particulier "beheerder" van deze steiger is. Door paragraaf 4 onder de werkingssfeer van het tweede lid te brengen is het varend sjorren van containers ook op Rijksvaarwegen verboden. Het derde lid is een verbijzondering op het eerste lid. De eisen die in artikel 11.1.3 worden gesteld aan schepen en bemanning ten behoeve van personenvervoer van 12 personen of minder is van toepassing op alle wateren binnen de gemeente die aan getijde onderhevig zijn met uitzondering van varende schepen op de Rijksvaarwegen. Artikel 1.7 Geldigheidsduur Een toestemming die wordt verleend voor een eenmalige gedraging of handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling. De termijn is vermeld in de ontheffing en hangt samen met de aanvraag. Een toestemming kan worden verleend voor de maximale duur van vijf jaar. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om in bepaalde situaties hiervan af te wijken.

Het college kan in spoedeisende gevallen een

Het college kan in spoedeisende gevallen een ontheffing mondeling verlenen voor een eenmalige gedraging of handeling. Wel wordt de ontheffing daarna zo spoedig mogelijk op schrift gesteld. Artikel 1.9 Ontheffing en vrijstelling van geboden en verboden In de verordening en het reglement zijn in de artikelen zelf geen ontheffings- of vrijstellingsmogelijkheden opgenomen. Er wordt volstaan met deze algemene mogelijkheid om ontheffing of vrijstelling te verlenen voor de verboden en geboden in de verordening. Deze mogelijkheid is niet beperkt. Voorwaarde is wel dat de aanvrager aannemelijk maakt dat de voorwaarden zoals die in dit artikel vermeld zijn, worden gewaarborgd, en niet het college. Paragraaf 3 Ordening in en gebruik van de haven

Artikel 3.1 Verkeerstekens en bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken In het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr) is een voor Nederland uniform systeem van verkeerstekens geregeld. Om dit systeem niet te doorkruisen, is in dit artikel vastgelegd dat het college dezelfde tekens gebruikt ten behoeve van de ordening in de haven. Het Bpr regelt de verkeersafhandeling, terwijl deze verordening het havengebruik regelt vanuit bepaalde belangen (milieu, ordening en veiligheid). Door nu, middels dit artikel, de borden uit het Bpr verplicht te stellen, ontstaat er uniformiteit in verkeersborden. Alleen de grondslag voor de borden kan dus verschillend zijn. Artikel 3.5 Omhoog brengen van schepen Op grond van dit artikel is het mogelijk een schip omhoog te brengen als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In de vorige Havenverordening was een verbod op opvijzelen opgenomen. In verband met onduidelijkheid over het begrip ‘opvijzelen’ is ervoor gekozen de term ‘omhoog brengen’ op te nemen, wat feitelijk dezelfde betekenis heeft als opvijzelen. Tevens is ervoor gekozen de regeling niet meer alleen te laten gelden voor een boorinstallatie, een werkeiland of een soortgelijk object (hierna: werkeiland), maar voor een schip in het algemeen (daaronder vallen ook een booreiland etc.). In de definitiebepalingen zijn de specifieke objecten onder het begrip ‘schip’ opgenomen.

Het college kan gebieden aanwijzen waar dit omhoog brengen mogelijk is. Gebieden kunnen worden aangewezen als daar bijvoorbeeld geen

ontheffing mondeling verlenen voor een eenmalige gedraging of handeling. Wel wordt de ontheffing daarna zo spoedig mogelijk op schrift gesteld. Artikel 1.9 Ontheffing en vrijstelling van geboden en verboden In de verordening zijn in de artikelen zelf geen ontheffings- of vrijstellingsmogelijkheden opgenomen. Er wordt volstaan met deze algemene mogelijkheid om ontheffing of vrijstelling te verlenen voor de verboden en geboden in de verordening. Deze mogelijkheid is niet beperkt. Voorwaarde is wel dat de aanvrager aannemelijk maakt dat de voorwaarden zoals die in dit artikel vermeld zijn, worden gewaarborgd, en niet het college. Paragraaf 3 Efficiënt gebruik van de haven In de verordening is als een van de doelen genoemd, naast het milieu en de veiligheid, de ordening in de haven. Er is regelmatig verwarring ontstaan omtrent dit begrip, mede in verband met de burgemeestersbevoegdheden (openbare orde). Daarom is ervoor gekozen het begrip ‘ordening’ te vervangen door ’een efficiënt gebruik’ omdat dat begrip beter aansluit bij wat bedoeld wordt. Artikel 3.1 Verkeerstekens en bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken In het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr) is een voor Nederland uniform systeem van verkeerstekens geregeld.

Om dit systeem niet te doorkruisen, is in dit artikel vastgelegd dat het college dezelfde tekens gebruikt ten behoeve van een efficiënt gebruik van de haven. Het Bpr regelt de verkeersafhandeling, terwijl deze verordening het havengebruik regelt vanuit bepaalde belangen (milieu, efficiënt gebruik van de haven en veiligheid). Door nu, middels dit artikel, de borden uit het Bpr verplicht te stellen, ontstaat er uniformiteit in verkeersborden. Alleen de grondslag voor de borden kan dus verschillend zijn. Artikel 3.5 Omhoog brengen van schepen Op grond van dit artikel is het mogelijk een schip omhoog te brengen als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In de vorige Havenverordening was een verbod op opvijzelen opgenomen. In verband met onduidelijkheid over het begrip ‘opvijzelen’ is ervoor gekozen de term ‘omhoog brengen’ op te nemen, wat feitelijk dezelfde betekenis heeft als opvijzelen. Tevens is ervoor gekozen de regeling niet meer alleen te laten gelden voor een boorinstallatie, een werkeiland of een soortgelijk object (hierna: werkeiland), maar voor een schip in het algemeen (daaronder vallen ook een booreiland etc.). In de definitiebepalingen zijn de specifieke objecten onder het begrip ‘schip’ opgenomen. Het college kan gebieden aanwijzen waar dit omhoog brengen mogelijk is. Gebieden kunnen worden aangewezen als daar bijvoorbeeld geen

kabels in de grond liggen of andere omstandigheden zijn die dergelijk activiteiten mogelijk maken (veiligheid, onderwater infrastructuur, e.d.). Indien een schip zich bevindt op een scheepswerf of bij een herstellingsinrichting geldt het verbod niet, voor zover de activiteiten vallen binnen de werkingssfeer van de vergunning die is afgegeven krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 3.12 Maatregelen onttrekking economisch verkeer Dit artikel is opgenomen in de verordening om te voorkomen dat schepen door de eigenaar worden onttrokken aan het economisch verkeer (worden “opgelegd”), of niet vrijwillig onttrokken worden aan het economisch verkeer, omdat schepen onder beslag worden gelegd of dat schepen een vaarverbod krijgen opgelegd. Bij een opgelegd schip blijft vaak een minimum aan bemanningsleden aan boord. Dit, om enerzijds te zorgen voor een kostenreductie en om er anderzijds voor te zorgen dat het minimale onderhoud dat aan boord vereist is, plaatsvindt. Bij een schip waarop beslag of een vaarverbod is gelegd, kan ook, vanwege de duur van de maatregel, een deel van de bemanning van boord gehaald worden. Bij een gevaarlijke situatie in de haven dient in beginsel elk afgemeerd schip te allen tijde in staat te zijn op eigen kracht of met behulp van sleepboten onmiddellijk van ligplaats te veranderen. Daarnaast moet onder meer toegezien worden op een blijvende deugdelijke afmeersituatie. Dit artikel biedt de mogelijkheid om doeltreffende maatregelen op te kunnen leggen aan de kapitein, schipper of exploitant van het schip om de ordening, veiligheid of het milieu ten aanzien van het schip en haar omgeving blijvend te waarborgen. Te denken valt aan het voorschrijven van een minimum aan bemanningssterkte.

Artikel 4.3 Gevaar, schade of hinder opleverende schepen De Scheepvaartverkeerswet regelt het toelatingsbeleid voor het varende verkeer. Artikel 4.3 regelt een goed havenbeheer en biedt tevens de mogelijkheid om in te kunnen grijpen als schepen ernstig gevaar, schade of hinder of ernstige gevolgen voor de ordening veroorzaken of kunnen veroorzaken. De te treffen maatregelen kunnen van (min of meer) ingrijpende aard zijn en het kan om een grote variëteit aan maatregelen gaan, afhankelijk wat nodig is. Hierbij kan gedacht worden aan schepen die in brand staan, dreigen te zinken of schepen waaruit gevaarlijke stoffen lekken. De maatregelen

kabels in de grond liggen of andere omstandigheden zijn die dergelijk activiteiten mogelijk maken (veiligheid, onderwater infrastructuur, e.d.). Indien een schip zich bevindt bij een bedrijf waar deze activiteiten zijn toegestaan geldt het verbod niet, voor zover de activiteiten vallen binnen de werkingssfeer van de vergunning die is afgegeven krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht / de activiteiten zijn toegelaten op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 3.12 Maatregelen onttrekking economisch verkeer Dit artikel is opgenomen in de verordening om te voorkomen dat schepen door de eigenaar worden onttrokken aan het economisch verkeer (worden “opgelegd”), of niet vrijwillig onttrokken worden aan het economisch verkeer, omdat schepen onder beslag worden gelegd of dat schepen een vaarverbod krijgen opgelegd. Bij een opgelegd schip blijft vaak een minimum aan bemanningsleden aan boord. Dit, om enerzijds te zorgen voor een kostenreductie en om er anderzijds voor te zorgen dat het minimale onderhoud dat aan boord vereist is, plaatsvindt. Bij een schip waarop beslag of een vaarverbod is gelegd, kan ook, vanwege de duur van de maatregel, een deel van de bemanning van boord gehaald worden.

Bij een gevaarlijke situatie in de haven dient in beginsel elk afgemeerd schip te allen tijde in staat te zijn op eigen kracht of met behulp van sleepboten onmiddellijk van ligplaats te veranderen. Daarnaast moet onder meer toegezien worden op een blijvende deugdelijke afmeersituatie. Dit artikel biedt de mogelijkheid om doeltreffende maatregelen op te kunnen leggen aan de kapitein, schipper of exploitant van het schip om het efficiënte gebruik van de haven, veiligheid of het milieu ten aanzien van het schip en haar omgeving blijvend te waarborgen. Te denken valt aan het voorschrijven van een minimum aan bemanningssterkte. Artikel 4.3 Gevaar, schade of hinder opleverende schepen De Scheepvaartverkeerswet regelt het toelatingsbeleid voor het varende verkeer. Artikel 4.3 regelt een goed havenbeheer en biedt tevens de mogelijkheid om in te kunnen grijpen als schepen ernstig gevaar, schade of hinder of ernstige gevolgen voor het efficiënte gebruik van de haven veroorzaken of kunnen veroorzaken. De te treffen maatregelen kunnen van (min of meer) ingrijpende aard zijn en het kan om een grote variëteit aan maatregelen gaan, afhankelijk wat nodig is. Hierbij kan gedacht worden aan schepen die in brand staan, dreigen te zinken of schepen waaruit gevaarlijke stoffen lekken. De maatregelen

kunnen variëren van het treffen van noodvoorzieningen aan boord van het schip, tot - in het uiterste geval - het verbieden van de binnenkomst of van verblijf van het schip in de haven. Artikel 4.5 Verrichten van werkzaamheden Grote reparaties aan schepen vinden doorgaans plaats op of aan een werf of in een dok. Kleine reparaties worden vaak aan boord verricht door de eigen bemanning, door een reparatiefirma of door werknemers van de stuwadoor. Het verrichten van reparaties kan gevaren met zich meebrengen. Het artikel richt zich tot een ieder. Om te voorkomen dat een kleine scheepsreparatie buiten een werf of herstellingsinrichting tot een reparatie van grote omvang, met inherente veiligheidsrisico's en grote tijdsduur uitgroeit, is in het eerste lid, onder b, opgenomen dat de reparatieduur buiten een werf of herstellingsinrichting ten hoogste zeven dagen aaneengesloten mag duren, dus niet in parten van een of meer dagen. Dat zou niet handhaafbaar zijn. Het eerste lid is ook van toepassing op de bedrijfsgereedheid van het schip. Werkzaamheden aan bijvoorbeeld de voortstuwingsinstallatie mogen niet leiden tot het belemmeren van de bedrijfsgereedheid voor een periode van meer dan zeven dagen. Verder is het verbod van open vuur en vonkvorming in het petroleumhavengebied, dat elders is geregeld, onverkort van kracht bij het verrichten van werkzaamheden.

Onder het in het tweede lid bedoelde tankschip wordt tevens begrepen een combinatietankschip, dat is omgebouwd tot bulkcarrier en nog slechts geschikt is voor het vervoer van droge lading. In de praktijk is gebleken dat in deze van scheepstype veranderde schepen restanten van voormalig vervoerde vloeibare lading achter kunnen blijven die bij het uitvoeren van werkzaamheden met vuur kunnen leiden tot ongewenste gevaarlijke situaties. Werkzaamheden aan een LNG-installatie zijn toegestaan met een ontheffing waaraan voorwaarden worden gesteld om de ordening en (milieu) veiligheid te waarborgen. Dergelijke werkzaamheden kunnen zoveel gevaar met zich meebrengen dat een enkele melding niet volstaat. Sloopwerkzaamheden zijn geregeld in het vierde lid. Met slopen wordt bedoeld het demonteren van de scheepsconstructie. Sloopwerkzaamheden zijn specifieke werkzaamheden zijn die niet op het herstel van het schip zijn gericht. Artikel 4.8 Vergunning ontvangst afval zeeschepen Het gebruik van een ontvangstvoorziening voor schepen is geregeld in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs). Op basis van deze wet kan de havenmeester

kunnen variëren van het treffen van noodvoorzieningen aan boord van het schip, tot - in het uiterste geval - het verbieden van de binnenkomst of van verblijf van het schip in de haven. Artikel 4.5 Verrichten van werkzaamheden Grote reparaties aan schepen vinden doorgaans plaats op of aan een werf of in een dok. Kleine reparaties worden vaak aan boord verricht door de eigen bemanning, door een reparatiefirma of door werknemers van de stuwadoor. Het verrichten van reparaties kan gevaren met zich meebrengen. Het artikel richt zich tot een ieder. Voorkomen moet worden dat een kleine scheepsreparatie plaatsvindt en uitgroeit tot een reparatie van grote omvang, met inherente veiligheidsrisico's en grote tijdsduur bij een bedrijf waar deze activiteiten niet zijn toegestaan. Daarom is in het eerste lid, onder b, opgenomen dat bij een bedrijf waar deze activiteiten niet zijn toegestaan de reparatieduur ten hoogste zeven dagen aaneengesloten (dus niet in parten van een of meer dagen) mag duren. Het eerste lid is ook van toepassing op de bedrijfsgereedheid van het schip. Werkzaamheden aan bijvoorbeeld de voortstuwingsinstallatie mogen niet leiden tot het belemmeren van de bedrijfsgereedheid voor een periode van meer dan zeven dagen.

Verder is het verbod van open vuur en vonkvorming in het petroleumhavengebied, dat elders is geregeld, onverkort van kracht bij het verrichten van werkzaamheden. Onder het in het tweede lid bedoelde tankschip wordt tevens begrepen een combinatietankschip, dat is omgebouwd tot bulkcarrier en nog slechts geschikt is voor het vervoer van droge lading. In de praktijk is gebleken dat in deze van scheepstype veranderde schepen restanten van voormalig vervoerde vloeibare lading achter kunnen blijven die bij het uitvoeren van werkzaamheden met vuur kunnen leiden tot ongewenste gevaarlijke situaties. Werkzaamheden aan een LNG-installatie zijn toegestaan met een ontheffing waaraan voorwaarden worden gesteld om de ordening en (milieu) veiligheid te waarborgen. Dergelijke werkzaamheden kunnen zoveel gevaar met zich meebrengen dat een enkele melding niet volstaat. Sloopwerkzaamheden zijn geregeld in het vierde lid. Met slopen wordt bedoeld het demonteren van de scheepsconstructie. Sloopwerkzaamheden zijn specifieke werkzaamheden zijn die niet op het herstel van het schip zijn gericht. Artikel 4.8 Vergunning ontvangst afval zeeschepen Het gebruik van een ontvangstvoorziening voor schepen is geregeld in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs). Op basis van deze wet kan de havenmeester

ontvangstvoorzieningen aanwijzen. Daarin voorziet deze bepaling. Drie groepen van bedrijven kunnen in aanmerking komen voor een vergunning: de overslagterminals en scheepsreparatiewerven, de bedrijven met een vaste inrichting aan de wal om de aangeboden schadelijke stoffen te ontvangen en eventueel te bewerken, te verwerken of te vernietigen en ten slotte de (transport)bedrijven die de afvalstoffen uitsluitend inzamelen met mobiele voorzieningen (lichters, voertuigen). Uit de Memorie van Toelichting van de Wvvs blijkt dat een overlap met de vergunningvereiste voor een inzamelvergunning conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht door de wetgever ongewenst wordt geacht. De wetgever heeft bij de wijziging van de Wvvs uitdrukkelijk de keuze gemaakt om beantwoording van de vraag welke personen scheepsafvalstoffen mogen inzamelen, over te laten aan de regeling neergelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Alleen bedrijven die beschikken over een op deze wet gebaseerde vergunning zijn gerechtigd tot het inzamelen van afvalstoffen van zeeschepen. De havenbeheerder kan wel gebruik maken van het instrument vergunning teneinde nadere voorschriften te kunnen geven aan bedrijven die scheepsafvalstoffen inzamelen in de haven. Dit betreffen operationele en administratieve voorschriften om zorg te dragen voor een goede logistieke infrastructuur in de haven.

Een overslagterminal of scheepsreparatiewerf, die is aangewezen (een vergunning heeft gekregen) voor het in ontvangst nemen van afvalstoffen, mag slechts afvalstoffen accepteren die afkomstig zijn van zeeschepen, die bij het bedrijf worden geladen, gelost of gerepareerd. Het spreekt voor zich dat bedrijven, die het in ontvangst nemen, bewerken, verwerken en vernietigen van afvalstoffen als hoofdbedrijf uitoefenen, door de aanwijzing ook verplicht zijn om alle aangewezen schadelijke afvalstoffen te accepteren. Transportbedrijven, zonder een vaste inrichting aan de wal voor het bewaren, bewerken of verwerken van afvalstoffen komen ook voor aanwijzing in aanmerking, mits zij ingevolge de milieuwetgeving gerechtigd zijn gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen of te bewaren. Deze bedrijven worden door de aanwijzing verplicht tot aflevering van de ingezamelde scheepsafvalstoffen aan een bedrijf dat op basis van de milieuwetgeving bevoegd is die stoffen te bewerken, verwerken of vernietigen. De vergunning die is neergelegd in de Havenverordening heeft dus een ander oogmerk en een aanvullend karakter op de inzamelvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

ontvangstvoorzieningen aanwijzen. Daarin voorziet deze bepaling. Drie groepen van bedrijven kunnen in aanmerking komen voor een vergunning: de overslagterminals en scheepsreparatiewerven, de bedrijven met een vaste inrichting aan de wal om de aangeboden schadelijke stoffen te ontvangen en eventueel te bewerken, te verwerken of te vernietigen en ten slotte de (transport)bedrijven die de afvalstoffen uitsluitend inzamelen met mobiele voorzieningen (lichters, voertuigen). Uit de Memorie van Toelichting van de Wvvs blijkt dat een overlap met de vergunningvereiste voor een inzamelvergunning conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht / Omgevingswet door de wetgever ongewenst wordt geacht. De wetgever heeft bij de wijziging van de Wvvs uitdrukkelijk de keuze gemaakt om beantwoording van de vraag welke personen scheepsafvalstoffen mogen inzamelen, over te laten aan de regeling neergelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht / Omgevingswet. Alleen bedrijven die beschikken over een op deze wet gebaseerde vergunning dan wel bedrijven waar die activiteiten zijn toegelaten zijn gerechtigd tot het inzamelen van afvalstoffen van zeeschepen. De havenbeheerder kan wel gebruik maken van het instrument vergunning teneinde nadere voorschriften te kunnen geven aan bedrijven die scheepsafvalstoffen inzamelen in de haven.

Dit betreffen operationele en administratieve voorschriften om zorg te dragen voor een goede logistieke infrastructuur in de haven. Een overslagterminal of scheepsreparatiewerf, die is aangewezen (een vergunning heeft gekregen) voor het in ontvangst nemen van afvalstoffen, mag slechts afvalstoffen accepteren die afkomstig zijn van zeeschepen, die bij het bedrijf worden geladen, gelost of gerepareerd. Het spreekt voor zich dat bedrijven, die het in ontvangst nemen, bewerken, verwerken en vernietigen van afvalstoffen als hoofdbedrijf uitoefenen, door de aanwijzing ook verplicht zijn om alle aangewezen schadelijke afvalstoffen te accepteren. Transportbedrijven, zonder een vaste inrichting aan de wal voor het bewaren, bewerken of verwerken van afvalstoffen komen ook voor aanwijzing in aanmerking, mits zij ingevolge de milieuwetgeving gerechtigd zijn gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen of te bewaren. Deze bedrijven worden door de aanwijzing verplicht tot aflevering van de ingezamelde scheepsafvalstoffen aan een bedrijf dat op basis van de milieuwetgeving bevoegd is die stoffen te bewerken, verwerken of vernietigen. De vergunning die is neergelegd in de Havenverordening heeft dus een ander oogmerk en een aanvullend karakter op de inzamelvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht/de algemene regels van het Besluit

Artikel 6.3 Overige regels voor overslag van vloeibare gevaarlijke stoffen in bulk Dit artikel regelt in zijn algemeenheid de veilige en milieuverantwoorde behandeling van genoemde stoffen. Het beperken van emissies maakt een belangrijk onderdeel uit van dit artikel. Overigens geldt voor dit gehele artikel het uitgangspunt dat het schip centraal staat, waarvoor de bepalingen uit dit artikel gelden. Daarbij maakt het niet uit of het schip is afgemeerd op bijvoorbeeld een openbare ligplaats of aan een afmeervoorziening, die behoort tot een ligplaats van een inrichting, waarvoor een omgevingsvergunning geldt. De veiligheidsvoorschriften voor overslag tussen een binnentankschip en een inrichting zijn neergelegd in het ADN. Aanvullende regulering in dit reglement is voor dat type overslag niet nodig. Als overslag van gevaarlijke of schadelijke stoffen tussen schepen plaatsvindt, moet dat met gebruik van een dampretourleiding. De International Bulk Chemical Code schrijft aan zeetankschepen voor dat voor het vervoer van bepaalde stoffen een tank met dampretouraansluiting op het schip aanwezig moet zijn. Het ADN bepaalt voor binnentankschepen dat bepaalde stoffen gesloten vervoerd moeten worden. In deze internationale regelingen is echter niet expliciet voorgeschreven dat bij overslag een dampretourleiding moet worden gebruikt.

De milieuveiligheid in de haven is erbij gebaat wanneer de betreffende leidingen tijdens overslag van deze gevaarlijke of schadelijke stoffen worden gebruikt en om die reden wordt het gebruik ervan verplicht gesteld in het vijfde lid. De leidingen moeten dan gebruikt worden ter voorkoming van met name stankoverlast of risico voor de omgeving vanwege hun schadelijke aard. De laatste categorie waarvoor het gebruik van dampretourleidingen verplicht is gesteld, is de categorie van vluchtig organische stoffen. Ook in de afzonderlijke vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van de inrichtingen (aan de wal) die milieugevaarlijke stoffen behandelen, wordt gesloten behandeling van deze stoffen verplicht gesteld door de vergunningverlener. Ook de andere bepalingen in dit artikel zijn erop gericht de aanwezige risico’s te beheersen. Artikel 7.1 Verbod ligplaatsinname schip met gevaarlijke stoffen Geregeld is dat het verboden is met een schip dat geladen is met een in de bijlage 2 genoemde gevaarlijke stof ligplaats te nemen binnen een in de bijlage genoemde afstand van een woonconcentratie. De afstand wordt bepaald vanaf de stuwpositie van de gevaarlijke stoffen aan boord

activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 6.3 Overige regels voor overslag van vloeibare gevaarlijke stoffen in bulk Dit artikel regelt in zijn algemeenheid de veilige en milieuverantwoorde behandeling van genoemde stoffen. Het beperken van emissies maakt een belangrijk onderdeel uit van dit artikel. Overigens geldt voor dit gehele artikel het uitgangspunt dat het schip centraal staat, waarvoor de bepalingen uit dit artikel gelden. Daarbij maakt het niet uit of het schip is afgemeerd op bijvoorbeeld een openbare ligplaats of aan een afmeervoorziening, die behoort tot een ligplaats van een inrichting, waarvoor een omgevingsvergunning geldt. De veiligheidsvoorschriften voor overslag tussen een binnentankschip en een inrichting zijn neergelegd in het ADN. Aanvullende regulering in dit reglement is voor dat type overslag niet nodig. Als overslag van gevaarlijke of schadelijke stoffen tussen schepen plaatsvindt, moet dat met gebruik van een dampretourleiding. De International Bulk Chemical Code schrijft aan zeetankschepen voor dat voor het vervoer van bepaalde stoffen een tank met dampretouraansluiting op het schip aanwezig moet zijn. Het ADN bepaalt voor binnentankschepen dat bepaalde stoffen gesloten vervoerd moeten worden. In deze internationale regelingen is echter niet expliciet voorgeschreven dat bij overslag een dampretourleiding moet worden gebruikt.

De milieuveiligheid in de haven is erbij gebaat wanneer de betreffende leidingen tijdens overslag van deze gevaarlijke of schadelijke stoffen worden gebruikt en om die reden wordt het gebruik ervan verplicht gesteld in het eerste lid. De leidingen moeten dan gebruikt worden ter voorkoming van met name stankoverlast of risico voor de omgeving vanwege hun schadelijke aard. De laatste categorie waarvoor het gebruik van dampretourleidingen verplicht is gesteld, is de categorie van vluchtig organische stoffen. Ook in de afzonderlijke vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van de inrichtingen (aan de wal) die milieugevaarlijke stoffen behandelen, wordt gesloten behandeling van deze stoffen verplicht gesteld door de vergunningverlener. Ook de andere bepalingen in dit artikel zijn erop gericht de aanwezige risico’s te beheersen. Artikel 7.1 Verbod ligplaatsinname schip met gevaarlijke stoffen Geregeld is dat het verboden is met een schip dat geladen is met een in de Bijlage 2 genoemde gevaarlijke stof ligplaats te nemen binnen een in de bijlage genoemde veilige afstand van een woonconcentratie. De afstand wordt bepaald vanaf de stuwpositie van de gevaarlijke stoffen aan boord

van het schip. Het eerste lid heeft betrekking op alle schepen, het tweede lid op alleen zeetankschepen.

van het schip. Doel van deze ligplaatszonering is dat mocht er onverhoopt een incident plaatsvinden met een schip met een gevaarlijke stof, dat er een voldoende veilige afstand is tussen het schip en tussen bewoning. De ligplaatszonering is een veiligheidscontour die rondom woonconcentraties wordt getrokken en waarbinnen schepen, die bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen aan boord hebben, geen ligplaats mogen nemen. Deze risicomaatregel is aanvullend op de veiligheidsafstanden die gemeenten en provincies moeten aanhouden bij het verlenen van (milieu)vergunningen aan bedrijven met gevaarlijke stoffen. Het eerste lid heeft betrekking op alle schepen, het tweede lid op alleen zeetankschepen. In 2022 heeft een herijking plaatsgevonden op de veiligheidsafstanden die in Bijlage 2 zijn genoemd. De afstanden zijn gebaseerd op de veiligheidsnormen die in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden voorgeschreven en waar gemeenten en provincies aan zijn gehouden bij het verlenen van (milieu)vergunningen aan bedrijven met gevaarlijke stoffen. In de ligplaatszonering wordt gekeken naar het effect van een incident met de gevaarlijke stoffen aan boord van schepen en wordt de kans dat het incident kan optreden niet meegewogen.

Daarmee is deze meetmethode strenger dan de reguliere meetmethode en hierdoor staan in de ligplaatszonering grotere veiligheidsafstanden dan wanneer het Bevi zou worden toegepast. Deze strengere meetmethode draagt bij aan de veiligheid in en in de omgeving van de haven.

Artikel 11.2.1 Verbod vast- en losmaken schepen Dit artikel bevat het algemene verbod tot het verrichten van diensten van een bootman. Schepen groter dan 75 meter moeten worden vast- en losgemaakt door een bootman. Schepen van 75 meter of kleiner die gevaarlijke stoffen bevatten, moeten eveneens door een bootman worden vast- en losgemaakt. Deze grens van 75 meter hangt samen met voorschriften voor loodsplichtige schepen die zijn opgenomen in het Loodsplichtbesluit 1995. Voor de plicht gebruik te maken van bootlieden wordt namelijk aangesloten bij de plicht gebruik te maken van een loods: op historische gronden valt de

Voor het berekenen van de veiligheidsafstanden van de klasse 1 stoffen (explosieven) is het door het RIVM opgestelde Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid, Module VI voor opslag van ontplofbare stoffen uit 2020 gebruikt. Artikel 11.2.1 Verbod vast- en losmaken zeeschepen Dit artikel bevat voorschriften over het vast- en losmaken van zeeschepen. Zeeschepen met een lengte van meer dan 75 meter moeten worden vast- en losgemaakt door een bootman. Schepen met een lengte van 75 meter of minder die gevaarlijke stoffen bevatten, moeten eveneens door een bootman worden vast- en losgemaakt. Deze grens van 75 meter hangt samen met voorschriften voor loodsplichtige schepen die zijn opgenomen in het Loodsplichtbesluit 2021. Voor de plicht gebruik te maken van bootlieden

“vastmaakplicht” samen met de loodsplicht. In de haven zijn schepen met een lengte van 75 meter of meer loodsplichtig, onafhankelijk van de plaats in de haven. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op het verbod diensten van bootman te verrichten. De mogelijkheid om vast te kunnen maken door bemanningsleden van het schip zelf is opgenomen voor gevallen waarbij geen hulp van derden is vereist, bijvoorbeeld indien vanwege de afmetingen van het schip het voorschrijven van professionele hulp niet redelijk zou zijn. Voorkomen moet worden dat ruimte wordt geboden voor situaties waarbij de bemanning op de kade achterblijft, het schip losmaakt en vervolgens met de auto naar de nieuwe ligplaats gaat om het schip vast te leggen. Het toestaan van mogelijkheden om “met eigen bemanning los en vast te maken” zou immers kunnen leiden tot het ontstaan van semiroeiersmaatschappijen, zonder daartoe opgeleid personeel, met als gevolg veiligheidsrisico’s en onbeheersbaarheid van het logistieke scheepsafwikkelingsproces (beschikbaarheid loodsen en slepers). Voorts werkt een dergelijke verruiming onderbemand varen in de hand en bestaat het gevaar dat de bemanningsleden de afmeerlocatie niet tijdig zullen bereiken. Bovendien zou het beschikbaarheids- en kwaliteitsniveau van de bootmannen kunnen worden aangetast.

In het derde lid is een bevoegdheid voor het college opgenomen ontheffing te kunnen verlenen van het in het eerste lid, van artikel 11.2.1 opgenomen verbod tot het verrichten van de diensten bootman. De uitzondering die wordt gemaakt ziet op exploitanten van veerverbindingen die hoogfrequent de haven aandoen. Op deze veerverbindingen wordt gebruik gemaakt van rollon-roll-offschepen. Deze schepen zijn goed manoeuvreerbaar en meren af op vaste en veilige afmeerplaatsen. Onder ‘hoogfrequent’ wordt verstaan een frequentie in de door exploitant vastgestelde dienstregeling van minimaal eenmaal per 48 uur. De kapitein en de bemanning van deze roll-on-roll-offschepen hebben – als gevolg van de hoge aanloopfrequentie – voldoende routine ontwikkeld om deze schepen, onder verschillende omstandigheden, veilig te kunnen los- en vastmaken. Ook het met deze taak belaste personeel aan de wal beschikt - vanwege de hoge frequentie - over voldoende routine. Daarnaast is bepaald dat het moet gaan om roll-on-roll-offschepen die afmeren binnen een vaste afmeerconfiguratie. Vanwege de laad- en losklep is op de afmeerplaats van deze schepen een speciale voorziening (de ramp) aangebracht, als gevolg waarvan er altijd op exact dezelfde plek wordt gemeerd. Vanwege de ramp is er voor het roll-on-roll-offschip altijd voldoende ruimte

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12306414/1