Bijlage Notitie Warmteprogramma
Tekst van het document
Notitie Warmteprogramma
12 maart 2026 26BIJ00277
Inhoud Notitie Warmteprogramma
1
1 Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Wat voorafging: de Transitievisie Warmte Het vervolg: het Warmteprogramma Doel en opbouw notitie
3 3 4
2 Stand van zaken
5
3 Aanpak en planning: vier fasen
6
4 Ambitie, doelstelling en uitgangspunten
8
4.1 4.2 4.3 4.4
Ambitie Doelstelling Uitgangspunten Context: huidige situatie en andere gemeentelijke programma’s
5 Uitgangspunten, keuzes en inzichten 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
Uitgangspunten Voortzetten keuzes uit Transitievisie Warmte Groenoord Sveaparken Nieuwland Stadsbreed Knelpunten Conclusie
8 8 8 9
10 10 11 12 13 14 14 16 17
6 Participatie warmteprogramma
18
Bijlage 1: Proces na vaststelling concept. Bijlage 2: Gebruikte afkortingen
19 20
2
1
Inleiding
1.1 Wat voorafging: de Transitievisie Warmte In november 2020 heeft de gemeente, in navolging van het Klimaatakkoord, de Transitievisie Warmte (TVW) opgesteld. Het doel van deze transitievisie was om de overstap naar andere energiebronnen dan aardgas (de warmtetransitie) zo betaalbaar en zorgvuldig mogelijk te kunnen maken. In de transitievisie heeft de gemeente samen met partners uitgewerkt welke oplossingen hier het beste passen en in welke volgorde buurten aardgasvrij worden. De transitievisie is volop in uitvoering met het programma Nieuwe Energie voor Groenoord (NEvG) en met de pilot waarmee in Sveaparken een begin is gemaakt. Hiernaast werkt de gemeente aan het verder verbeteren van de isolatie van Schiedamse woningen, met de instrumenten van het Servicepunt Woningverbetering. In het programma NEvG specifiek werken gemeente, Woonplus en Eneco samen om de woningen en het andere vastgoed te verduurzamen en aan te sluiten op het warmtenet. De gemeente heeft hierbij de regie. Schiedam loopt met de uitvoering van NEvG landelijk voorop in de warmtetransitie.
1.2 Het vervolg: het Warmteprogramma Sinds de vaststelling van de TVW zijn ook de landelijke ontwikkelingen doorgegaan. De Tweede Kamer heeft de Wet Collectieve Warmte (Wcw) aangenomen en de verwachting is dat de Eerste Kamer hier ook mee zal instemmen. De gemeenten hebben inmiddels via de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (Wgiw) de regierol toebedeeld gekregen voor de gemeentelijke aanpak van de warmtetransitie. In deze wet staat ook de verplichting voor alle gemeenten om een Warmteprogramma op te stellen en te laten vaststellen door het College vóór 31 december 2027. In het Warmteprogramma beschrijft de gemeente in welke wijken welke duurzame warmteoplossingen gepland staan tot 2035. Per buurt wordt aangegeven wanneer de gemeente deze buurt aardgasvrij wil maken. Voor de buurten waar zij vóór 2035 aan de slag gaat, geeft ze in het Warmteprogramma ook de mogelijke warmtealternatieven weer. De gemeente moet het Warmteprogramma iedere vijf jaar actualiseren. Het Warmteprogramma heeft meerdere functies. Ten eerste biedt het een basis voor een gebiedsgerichte aanpak van de warmtetransitie. Het biedt duidelijkheid over het tijdpad en intenties van de gemeente in een wijk, en geeft inzicht in de kansrijke alternatieve warmtetechnieken per buurt.
Daarnaast speelt het Warmteprogramma een rol in het geval een gemeente de aanwijsbevoegdheid wil inzetten: het vormt de start van het omgevingsproces. Met deze bevoegdheid uit de Wgiw kan een gemeente gebieden aanwijzen die binnen een bepaalde termijn overgaan op een duurzaam alternatief voor aardgas. Als de gemeente hiervan gebruik maakt, wordt dit vastgesteld in het omgevingsplan zodat inwoners, bedrijven, maatschappelijke instellingen, verhuurders en netbeheerders duidelijkheid hebben over het tijdspad en een afweging kunnen maken. In het Warmteprogramma wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten van die betrokkenheid zijn geweest. Deze participatieparagraaf is een verplicht onderdeel van het opstellen van een Warmteprogramma.
3
Een Warmteprogramma biedt de bewoners en ondernemers daarnaast perspectief: wat kunnen zij zelf doen om te verduurzamen? Wanneer is het niet meer rendabel bepaalde keuzes op gebied van verwarming te maken (zoals het vervangen van een CV-ketel)? Voor de partners (zoals woningcorporaties en netbeheerders) is het Warmteprogramma een belangrijke basis voor samenwerking.1
1.3 Doel en opbouw notitie Het Warmteprogramma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Het heeft een geldingsduur van maximaal 5 jaar. Het traject om daar te komen bedraagt een half tot anderhalf jaar, afhankelijk van de processtappen die worden gezet en of er een MER-beoordeling uitgevoerd dient te worden. De gemeente heeft daar een zekere keuzevrijheid in. De eerste stap is het vaststellen van deze notitie.2 Deze notitie is een belangrijk instrument om de Raad te informeren en betrokken te houden bij het proces. Het doel van deze notitie is het bepalen van het gehele proces van de vaststelling van het Warmteprogramma (zie hoofdstuk 2 “Aanpak en planning proces”) en het vaststellen van de basisvoorwaarden (zie hoofdstuk 3 “Ambitie, doelstelling en basisvoorwaarden”). Ook laten wij in deze notitie zien welke inzichten en feiten reeds beschikbaar zijn en benut zullen worden als mogelijke oplossingsrichtingen (zie hoofdstuk 4 “Eerste inzichten en keuzes”). Ook is er een participatieplan opgesteld (zie hoofdstuk 5 “Participatie”). Tot slot gaan wij kort in op een aantal factoren die ook een rol spelen, zoals de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026 (zie hoofdstuk 6 “Aandachtspunten”).
Deze notitie dient na vaststelling ook als basis voor de participatie met maatschappelijke partners zoals Woonplus, Stedin, Eneco en inwoners van Schiedam bij de voorbereiding van het Warmteprogramma.
1 2
Zie Nationaal programma lokale warmtetransitie, Handreiking voor lokale analyse 2025 (april 2025). Wij hebben voor het opstellen van de notitie gebruik gemaakt van de Handreiking Warmteprogramma van de NPLW (juli 2024).
4
2
Stand van zaken
Het coalitieakkoord 2022-2026 is op het moment dat deze notitie wordt vastgesteld onverkort van toepassing. Het coalitieakkoord geeft twee randvoorwaarden mee voor de verduurzamingsstrategie die op het moment van voorbereiden van het Warmteprogramma onverkort gelden: –
Stimuleren versnelling verduurzaming woningvoorraad onder meer door isolatie. Echter: voorwaarde voor het tempo van verdere verduurzaming en vormen van nieuwe energie zijn afhankelijk van het verkrijgen van Rijksbijdragen en andere partners.
–
Eerdere opgedane ervaringen, zoals van NEvG, dienen als evaluatie voor een eventuele verdere vervolgaanpak over de stad. Initiatieven vanuit partners worden met een positieve intentie beoordeeld. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar financiële haalbaarheid en risico’s voor de gemeente.3
Daarnaast zijn twee andere zaken van belang: –
Het College heeft bij de besluitvorming rond het programma NEvG in 2020 besloten vooralsnog geen gebruik te maken van de aanwijsbevoegdheid zoals die nu in de WGIW is opgenomen.
–
Het Warmteprogramma dient iedere vijf jaar te worden herzien, maar dit mag ook vaker. Het college kan dus op een later moment alsnog besluiten om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Ook kan het college op een later moment besluiten een nieuwe wijk voor te bereiden op aansluiting op het warmtenet.
Met het oog op het voorgaande is het advies om te kiezen voor twee lijnen. De eerste lijn is om zolang Nieuwe Energie voor Groenoord niet is geëvalueerd, in te zetten op de uitwerking van een “Warmteprogramma basic”.4 In feite komt dit neer op een voortzetting van de huidige uitvoering van de Transitievisie Warmte met een herijking van de instrumenten die dankzij het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) beschikbaar gekomen zijn voor isolatie. Dit heeft overigens als nadeel dat het nog geen duidelijkheid geeft aan andere Schiedammers over de toekomst van de warmtevoorziening in hun wijk, terwijl ook daar zorgen zijn over de betaalbaarheid of gepercipieerde eindigheid van aardgas. Daarnaast stellen wij voor om verschillende scenario’s uit te werken voor de komende vijf jaren. Het is aan het volgende college en de raad om te bepalen of, en in welke mate, zij hierin willen investeren. Door beide lijnen op te nemen in het concept-Warmteprogramma stellen wij het nieuwe college in staat om een keuze te maken die past bij de dan beoogde doelen en ambities. 5
3
Letterlijke tekst Coalitieakkoord. Een integrale evaluatie van NEvG is noch vóór de gemeenteraadsverkiezingen noch in de rest van 2026 voorzien. Dit heeft te maken met het feit dat het programma nog volop in uitvoering is. 5 Deze werkwijze sluit aan bij de werkwijze die is voorgesteld bij het Ontwerp Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2025. Zie brief aan de Gemeenteraad, 25UIT05743. 4
5
3
Aanpak en planning: vier fasen
Het opstellen van het Warmteprogramma kent een aantal fasen, die in deze paragraaf kort worden toegelicht. Het merendeel van de werkzaamheden die nodig zijn voor het opstellen van het Warmteprogramma wordt momenteel binnen de bestaande formatie van team ROB/Duurzaamheid gevonden. Voor de data-analyses en andere onderzoeken die nodig zijn om tot een Warmteprogramma te komen, zijn financiële middelen benodigd. De hoogte hiervan is nog niet bekend. Hiervoor zijn middelen vanuit de CDOKE uitkering gereserveerd in het Omgevingsprogramma Klimaatmitigatie. Fase 1 Verkenning Het geheel start met het vaststellen van de uitgangspunten: welke basisvoorwaarden hanteert het College, welke keuzes worden in het Warmteprogramma in elk geval uitgewerkt en op welke wijze worden burgers en bedrijven ‘meegenomen’ (participatie). Daartoe dient voorliggende notitie. College en raad hebben ieder verschillende bevoegdheden toegekend gekregen, zoals uitgewerkt in onderstaande figuur.
De vaststelling van het Warmteprogramma is de bevoegdheid van het college. Het is aan het college om te bepalen op welke wijze en welke momenten de raad wordt betrokken. Omdat wordt voorgesteld de uitgangspunten uit de TVW over te nemen, en omdat het belangrijk is de raad actief te informeren over de bouwstenen van het Warmteprogramma, is het advies om deze notitie ter informatie toe te sturen aan de raad. De vaststelling van de notitie en het participatieplan gebeurt in Q1 van 2026. De vastgestelde notitie wordt ter informatie aan de raad gestuurd. Bij deze fase zijn de volgende documenten betrokken: - Coalitieakkoord 2022-2026 - Transitievisie Warmte Schiedam - Omgevingsvisie Schiedam - Ontwerp-Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2025 - Diverse handreikingen van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) o Handreiking voor lokale analyse 2025; verrijking Startanalyse ten behoeve van het Warmteprogramma o Handreiking MER in de warmtetransitie. - RES 1.0
6
Fase 2 Verdieping In de tweede fase werken wij de inhoudelijke keuzes van het Warmteprogramma verder uit. Deze verdieping begint met een terugblik op de uitvoering van de TVW (behaalde resultaten en doelen). Ook vergelijken wij de geactualiseerde startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) met de uitgangssituatie van destijds uit de Transitievisie Warmte. De startanalyse van het PBL is door het rijk bedoeld als startpunt voor gemeenten om inzicht te krijgen in de nationale kosten voor verschillende technische mogelijkheden om gebouwen zonder aardgas te verwarmen. PBL heeft deze analyse gratis aan alle gemeenten ter beschikking gesteld. De startanalyse kent een aantal beperkingen. Zo is de informatie in de startanalyse een momentopname van openbare data. De gegevens zijn daarom niet altijd actueel meer. En vanwege het gebruik van openbare data is de analyse niet altijd accuraat of voldoende specifiek voor de lokale situatie. 6 Verder analyseren wij de verschillende individuele opties zoals isolatie, individuele warmtepompen en bewoners-initiatieven aan de hand van de SMART-criteria. Wij brengen hierbij ook in beeld welke subsidiemogelijkheden er bestaan. Op deze manier komt een zo realistisch mogelijk beeld naar voren van de mogelijkheden voor de komende periode 2027-2030. Dit beeld bespreken wij met de verschillende in- en externe stakeholders.
Hierbij kan gedacht worden aan bewoners(-initiatieven), aan bedrijven als Stedin, Eneco, Woonplus en aan particuliere verhuurders. Deze fase is gestart in 2025, en loopt door in 2026. Voor de lengte van deze fase hangt het ervan af of een MER-procedure gevoerd gaat worden voor het Warmteprogramma. Of dit noodzakelijk is, hangt niet alleen af van de wettelijke vereisten maar ook van de daadwerkelijke opties die mogelijk worden gemaakt. Wanneer dat het geval is, dan zal deze fase naar verwachting minimaal lopen tot halverwege 2027. Resultaat van deze fase is een concept-Warmteprogramma. We maken in deze fase in elk geval gebruik van de volgende beleidsdocumenten: - Transitievisie Warmte - Schiedamse Omgevingsvisie - Ontwerp-Omgevingsprogramma Klimaat - Startanalyse PBL - Voortgangsrapportages NEvG - Gebiedsstudie bodemenergie Schiedam - (Beleids)plannen van Woonplus, Eneco en Stedin
Fase 3 Verfijning Deze fase loopt deels parallel met fase 2. In deze fase worden de voorgestelde maatregelen verder onderbouwd. De inbreng van de stakeholders wordt verwerkt, inclusief het participatieverslag waaruit blijkt hoe de uitkomsten zijn meegenomen in het warmteprogramma. Resultaat van deze fase is een concept-Warmteprogramma dat ter vaststelling aan het college wordt voorgelegd. Fase 4 Vaststelling Het college stelt het concept-Warmteprogramma vast. Het concept wordt ter inzage gelegd conform de uitgebreide voorbereidingsprocedure (Awb). De stappen die in die fase gezet worden, zijn beschreven in bijlage 1. In deze fase wordt de raad voor de tweede keer betrokken, omdat de raad het ontwerpWarmteprogramma krijgt voorgelegd in een raadsvoorstel, en voor kan kiezen wensen of bedenkingen in te dienen.
6
Als het beeld dat de startanalyse schetst niet overeenkomt met het beeld dat een gemeente zelf heeft – bijvoorbeeld op basis van een andere analyse – is het raadzaam om dieper in de data te duiken.
7
4
Ambitie, doelstelling en uitgangspunten
Het concept-Warmteprogramma gaat verder op de weg die is ingeslagen met de vaststelling van de Transitievisie Warmte.
4.1 Ambitie In het Warmteprogramma staat de ambitie centraal dat in 2050 de gehele gebouwde omgeving van Schiedam aardgasvrij is. Deze ambitie is bepaald in het Klimaatbeleid (2020) en de Transitievisie Warmte (2020). In de Omgevingsvisie (2025) schrijft de gemeente Schiedam hierover: “Om een CO2-neutrale stad te bereiken in 2050 zet Schiedam in op een energietransitie, gericht op energiebesparing, circulariteit en de toepassing van hernieuwbare energiebronnen. Schiedam hanteert een strategie waarbij energiebesparing en het gebruik van duurzame energiebronnen worden bevorderd en fossiele brandstoffen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt.”
4.2 Doelstelling Voor het Warmteprogramma gaan wij uit van de doelen die eerder in het Klimaatbeleid Schiedam: Een wereld te winnen (2020) en de Schiedamse Omgevingsvisie zijn vastgesteld: 7 –
49% minder uitstoot van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990
–
In 2050 is Schiedam CO2-neutraal
–
Iedereen kan meedoen in de energietransitie.
Daarnaast is een belangrijk doel van het Warmteprogramma om de inwoners van Schiedam inzicht te geven in de manier waarop de gemeente Schiedam haar gebouwvoorraad voor 2050 aardgasvrij wil maken, en hen perspectief te bieden op de invloed die zij hier zelf op de korte én op de lange termijn op hebben.
4.3 Uitgangspunten Het Warmteprogramma wordt opgesteld vanuit een aantal richtinggevende uitgangspunten. Die helpen om voorspelbaar en consequent te zijn. Wij stellen voor om de uitgangspunten uit de Transitievisie Warmte en de Omgevingsvisie hier als basis te hanteren, en deze aan te vullen waar opgedane ervaring en veranderde omstandigheden dit nodig maken. Ook de criteria die in de Transitievisie Warmte werden gebruikt bij de prioritering van wijken voor aansluiting op het warmtenet nemen wij over als uitgangspunt voor het Warmteprogramma. Dit komt verder aan de orde in hoofdstuk 5.
7
De gemeente heeft deze doelstellingen voor het eerst vastgelegd in het Klimaatbeleidsplan 2016-2020, en herbevestigd in het Klimaatbeleidsplan dat in 2020 is vastgesteld. In het Klimaatbeleidsplan 2020 zijn de doelstellingen uit het vorige klimaatbeleidsplan herzien en verbreed. De gemeente heeft toen de volgende doelstellingen als meest belangrijk aangemerkt: 1. 49% Minder uitstoot van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990. 2. In 2050 is Schiedam CO₂-neutraal. 3. Iedereen kan meedoen in de energietransitie. 4. Schiedam is voorbereid op extreme weersomstandigheden. 5. Het vergroten van de biodiversiteit en het versterken van de ecologische waarde in en buiten Schiedam.
8
4.4 Context: huidige situatie en andere gemeentelijke programma’s Het programma Nieuwe Energie voor Groenoord is nog volop in uitvoering. Er zijn veel zaken geleerd en er zijn al een aantal goede resultaten behaald. wij verwijzen hiervoor naar paragraaf 5.3. Voor een integrale evaluatie is het nu echter nog te vroeg. Zo is er tot nu toe enkel sprake geweest van aansluitingen in Woonplus bezit. De complexiteit rondom appartementencomplexen in VvE verband blijkt veel meer inspanningen te vereisen dan aanvankelijk door beleidmakers van het Rijk gedacht. Wel is het van belang om voor alle inwoners en ondernemers van Schiedam duidelijkheid te bieden wat zij kunnen verwachten, zodat zij hun eigen beslissingen kunnen nemen bij het verduurzamen van hun eigendom. Ook willen wij het beleid voortzetten om isolatie van de gebouwvoorraad te stimuleren, en hiervoor optimale financiële steun organiseren bij het Rijk en de provincie. Verder houden wij rekening met andere lopende projecten, zoals dat van het Volkshuisvestingsfonds voor woningverbetering in Nieuwland (Staatsliedenbuurt) en Schiedam-Oost.8 De vierde Europese Richtlijn Energieprestatie Gebouwen (EPBD IV) bevat nieuwe eisen voor verduurzaming van onder meer nieuwbouw en bestaande bouw. Zo moeten eigenaren van huurwoningen met energielabel E of minder de woning uiterlijk 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D.
Het gemeentelijke Servicepunt Woningverbetering wordt erop ingericht om te zorgen dat ook de doelgroepen van deze regeling daar straks terecht kunnen. Het Warmteprogramma staat niet op zichzelf. Het wordt opgesteld in samenhang met verschillende andere gemeentelijke programma’s. Een belangrijk ander gemeentelijk programma dat in 2025 is vastgesteld is het Omgevingsprogramma Klimaat onderdeel klimaatmitigatie. Dit programma beschrijft de maatregelen die Schiedam in de komende jaren gaat nemen om de gemeentelijke klimaatdoelstellingen te bereiken. Voor de reductie van de CO2-uitstoot van 59% in 2030 ten opzichte van 1990 is van belang dat de voorgenomen beleidsplannen op het gebied van wonen, mobiliteit en energie worden uitgevoerd. De in het Omgevingsprogramma weergegeven reductie van de CO 2uitstoot houdt rekening met de uitvoering van de Transitievisie Warmte met als startwijken Groenoord, Sveaparken en Nieuwland. Daarnaast wordt rekening gehouden met de uitvoering van plannen in lijn met de Woonvisie en het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit. Om de doelstelling van 49% CO2-reductie in 2030 te behalen, zal Schiedam dus in ieder geval bovenstaande plannen moeten uitvoeren. Bovendien is reductie van CO2-uitstoot niet de enige doelstelling; Schiedam vindt het belangrijk dat iedereen mee kan doen aan de energietransitie. Ook hiervoor zijn maatregelen nodig.
8
Onderdeel van het Nationaal Programma Nieuwland en Oost.
9
5
Uitgangspunten, keuzes en inzichten
5.1 Uitgangspunten De Transitievisie Warmte (TWV) die de raad in 2020 heeft vastgesteld was een eerste stap op weg naar 2050, het jaar waarvoor de gemeente als ambitie geformuleerd heeft om geen aardgas meer nodig te hebben voor het verwarmen van de gebouwvoorraad in Schiedam. In de Transitievisie Warmte heeft de Raad een aantal uitgangspunten vastgesteld die als leidende principes dienen voor de warmtetransitie. Deze leidende principes zijn onverminderd relevant en gelden ook voor het Warmteprogramma. Uitgangspunten 1. We kiezen voor zo betaalbaar mogelijke oplossingen: de warmtetransitie moet financieel haalbaar zijn voor iedereen. 2. We betrekken organisaties en inwoners bij de transitie: streven naar draagvlak voor de warmtetransitie door samen te werken met inwoners en organisaties. Kansen bieden voor alle inwoners en organisaties om mee te doen, ook buiten de startwijken. 3. We sluiten aan bij de bredere ontwikkelingen en opgaven in en om Schiedam: koppeling met andere duurzaamheidsthema’s, zoals klimaatadaptatie, biodiversiteit en circulariteit met sociale opgaven, zoals het verbeteren van de leefbaarheid, werkgelegenheid en het aanpakken van armoede. Wij volgen de ontwikkelingen van WarmtelinQ en sluiten aan bij regionale samenwerking in RES-verband. 4.
We maken keuzes op weg naar een CO2-neutrale stad: de keuzes in de warmtetransitie dragen bij aan CO2-reductie in 2050. 5. We bieden duidelijkheid over de route en doelen: duidelijkheid voor alle stakeholders over wat deze visie wel en niet beoogt, welke gebieden wanneer op de planning staan en wat de bestuurlijke doelstellingen zijn voor korte en lange termijn. 6. We bieden ruimte om te innoveren en te leren: we moeten als stad lokaal en regionaal samenwerken, uitproberen en van elkaar leren. We werken intensief samen met landelijke, regionale en lokale partners, zoals netbeheerders, ondernemers, belangenverenigingen, wijkgroepen, Energiek Schiedam, andere energiecollectieven, VvE’s en met het Servicepunt woningverbetering. We leren van de uitvoering van de TVW. 9 Naast deze uitgangspunten stelde de raad in de TVW een aantal concrete selectiecriteria op om te komen tot startwijken en een wijkprioritering voor de warmtetransitie. Ook deze criteria zijn relevant, maar zullen in het Warmteprogramma in eerste instantie waarschijnlijk slechts beperkt worden toegepast omdat in de eerste fase (voordat het programma NEvG is geëvalueerd) mogelijk nog geen nieuwe wijken worden aangewezen om daadwerkelijk over te gaan op nieuwe energievormen als alternatief voor aardgas.
Omdat deze criteria ook inzicht geven in welke zaken voor de gemeente Schiedam in de warmtetransitie van belang zijn, worden ze hieronder wel weergegeven. Criteria prioritering startwijken 1. Laagste maatschappelijke kosten: We kiezen voor wijken waar de maatschappelijke kosten voor warmteoplossingen het laagst zijn. 2. Aansluiten bij werkzaamheden: Wijken krijgen voorkeur als er geplande investeringen in de wijk zijn waarmee een koppeling gemaakt kan worden. Geplande investeringen kunnen plaatsvinden in de grond (bijvoorbeeld grondverzakkingen), in de omgeving (werkzaamheden 9
De ‘startwijken’ waren de drie wijken die in de TVW waren geïdentificeerd als de wijken “waar we de komende jaren gaan starten met de eerste stappen om van het aardgas af te gaan (…).” Dit waren de wijken Groenoord, Nieuwland en Sveaparken. “De schop gaat hier nog niet morgen in de grond. We beginnen met verdere verkenning en planvorming. Dat betekent: een onderzoek naar de technische en financiële haalbaarheid, of een verkenning van de bereidheid in een wijk om mee te doen. Daarbij wordt ook meegenomen hoe we de woningen geschikt moeten maken voordat ze comfortabel met de nieuwe oplossing verwarmd kunnen worden.” TVW, pag. 5.
10
in de openbare ruimte en nieuwbouw) en in de woningen en gebouwen (onderhoudsplanning vastgoed). 3. Aansluiten bij bestaande ontwikkelingen (koppelkansen): In Schiedam zijn er al ontwikkelingen rondom de warmtetransitie en aanverwante thema’s (zoals het fysiek opknappen van wijken, maar ook sociale en economische koppelkansen) die vooruitlopen op de Transitievisie Warmte. In deze visie sluiten we aan bij die ontwikkelingen. Wijken waar al plannen voor zijn, krijgen een passende plek in de visie.10 4. Draagvlak en draagkracht: Belangen van inwoners worden meegenomen. Wijken waar draagkracht van vastgoedeigenaren is en draagvlak van inwoners en organisaties is, krijgen de voorkeur. 5. Verduidelijken handelingsopties tot op niveau individuele bewoner: wij willen komende programma-periode duidelijkheid bieden aan de inwoners van Schiedam over de tijdsperiode waarbinnen is voorzien welke wijken worden aangesloten op het warmtenet, en welke maatregelen beschikbaar zijn voor bewoners in de wijken waar dit niet het geval is.
5.2 Voortzetten keuzes uit Transitievisie Warmte De Transitievisie Warmte is volop in uitvoering. De transitie richting aardgasvrij wordt in zowel Groenoord als Sveaparken voortgezet. Het doel is om deze in gang gezette programma’s verder uit te voeren en te leren van de ervaringen die daar worden opgedaan. De uitvoering van de TVW verloopt gestaag, maar is voorlopig nog niet afgerond. De gemeente Schiedam loopt met het programma Nieuwe Energie voor Groenoord (NEvG) landelijk voorop in de warmtetransitie. In het coalitieakkoord 2022-2026 is echter afgesproken dat een volgende wijk niet eerder op het warmtenet wordt aangesloten dan na evaluatie van het programma NEvG. Dit betekent dat Nieuwland als onderdeel van de Transitievisie Warmte niet is uitgevoerd. Andere ervaringen van de afgelopen jaren laten overigens zien dat enige temporisering op zijn plaats is. De warmtetransitie kent een aantal onzekerheden, zoals netcongestie en het vraagstuk van de warmte-opwek. Deze onzekerheden zijn niet lokaal gebonden en kan de gemeente Schiedam niet alleen oplossen. Het coalitieakkoord 2022-2026 is op het moment dat de notitie wordt vastgesteld nog steeds van toepassing, inclusief de eerder genoemde randvoorwaarden voor de verduurzamingsstrategie die op het moment van voorbereiden van het Warmteprogramma gelden (zie hst. 2).
Hoewel niet expliciet benoemd, geldt deze positieve intentie ook voor Nieuwland indien andere partijen plannen ontwikkelen voor aansluiting van deze wijk op het warmtenet. De gemeente zelf maakt hier pas op de plaats tot de evaluatie van Groenoord is uitgevoerd. Wat gaan we concreet doen De verdere uitrol van een warmtenet in andere Schiedamse wijken, zoals Nieuwland, is dus afhankelijk van de evaluatie van Groenoord. Pas na evaluatie van de technische, sociale en financiële aspecten daarvan zal worden besloten of de gemeente initiatief neemt om een soortgelijk concept ook elders in de stad uit te rollen. Voor het warmteprogramma wordt nu voorgesteld om voor de Schiedamse wijken niet zijnde Groenoord, Sveaparken en Nieuwland, opnieuw te onderzoeken welke strategieën voor een buurt aantrekkelijk zijn. Dit onderzoek kan op basis van herijkte data van het Plan Bureau voor de Leefomgeving worden aangevuld met lokale data. Belangrijke vraag hierbij zal zijn of de in de TVW berekende eindgebruikerskosten nog steeds gelden. Ook zullen wij in beeld brengen in welke wijken anno 2025 welke duurzame warmte-oplossingen zijn gepland of verder ontwikkeld worden. Hierbij wordt het volgende onderscheid gemaakt: – 10
Wijken tot 2035: de warmtealternatieven en de alternatieve warmte-infrastructuren.
Eén van de koppelkansen is het benutten van koelcapaciteit als optie. Deze koppelkans neemt aan belang en urgentie toe.
11
–
Wijken na 2035: de wijken waar nog geen warmtealternatieven beschikbaar zijn. In deze wijken zal met name worden ingezet op isolatie.
–
Aanvullend onderzoek: wat is er mogelijk in de verschillende wijken?
5.3 Groenoord Het programma NEvG is direct na het raadsbesluit eind 2020 in uitvoering gegaan. Het programma is nog in volle gang. Een evaluatie heeft nog niet plaatsgevonden. Wel kunnen hier reeds een aantal bevindingen worden gedeeld, die het college kan meewegen bij de besluitvorming over het Warmteprogramma 2026. Een belangrijke algemene bevinding is dat de gemeente Schiedam met het programma in Groenoord landelijk voorop loopt in de verduurzaming. Niet alleen zijn inmiddels 12oo woningen aangesloten op het Warmtenet, maar bovendien zijn veel vraagstukken specifiek rond de verduurzaming van VvE’s opgepakt. Deze kennis wordt landelijk benut. Meer concreet zijn inmiddels de volgende resultaten behaald: –
Samenwerkingsovereenkomst is afgesloten met Eneco en Woonplus
–
Concessie is verleend aan Eneco (in combinatie met Samenwerkingsovereenkomst (SOK))
–
Warmtestation is gebouwd en in bedrijf
–
Ruim 1200 huurwoningen zijn aangesloten
–
De voorbereidingen van aansluiting van het zwembad zijn in volle gang
–
Alle 29 VvE’s in de wijk hebben een energieadviestraject doorlopen
–
Op dit moment onderzoeken 10 gemengde VVE’s en 7 particuliere VvE's hoe zij hun appartementsgebouwen willen verduurzamen.
Van de voorbereidingen van de verduurzaming door gemengde en particuliere VvE’s is al veel geleerd. Zo heeft de gemeente samen met een notaris en een advocaat alle aanpassingen aan de splitsingsaktes uitgewerkt die nodig zijn om verduurzaming en aansluiting op het warmtenet mogelijk te maken. Veel van deze ervaringen worden inmiddels gedeeld met andere gemeenten en met het Rijk, zodat ook anderen hier hun voordeel mee kunnen doen. Maar het is ook een complex proces gebleken met soms onzekere uitkomsten. We noemen een aantal factoren: –
Het daadwerkelijk doorvoeren van verduurzamingsmaatregelen door VvE’s heeft juridische implicaties omdat zaken die nu nog tot de privé-delen behoren, eerst gemeenschappelijk moeten worden als de VvE zaken bijvoorbeeld collectief wil laten aanleggen en/of financieren. De aanpassing van de splitsingsakte die hiervoor nodig is, kost veel tijd en veel geld (advocaaten notariskosten) en levert vertraging en complexiteit op.
–
Onzekerheden over de kosten en (on)mogelijkheden. Deze ontwikkelingen liggen buiten de invloedssfeer van de gemeente. Te denken valt aan: kostenverschillen tussen warmteoplossingen; prijsverhogingen bij Eneco; de kans dat het ministerie de subsidie op warmtepompen in een warmtenet-gebied afschaft maar ook het feit dat VvE’s vaak de plannen om al dan niet aan te sluiten aan het warmtenet koppelen aan grotere renovatie opgaves.
–
Storingen in de levering van warmte hebben in de aanloopfase her en der geleid tot vermindering van het vertrouwen. Naarmate meer huishoudens worden aangesloten, nemen de storingen af.
–
VvE's besturen zijn zelden geëquipeerd om als opdrachtgever te fungeren bij grote renovatie en verduurzaming. Dit geeft ook spanning in de relatie tussen advies- en begeleidingspartijen en het bestuur en de leden. 12
–
De advieskosten voor de VvE’s zijn hoog. Dit heeft diverse oorzaken, waaronder het bestaan van diverse verduurzamingspakketten en subsidiemogelijkheden. Het uitzoeken van een passend pakket kost veel adviestijd en de offertes zijn een beperkte periode geldig.
–
Tijdens het voorbereidingsproces staat het (meerjarig) onderhoudsproces vaak on hold. Juist bij de wat oudere complexen is dit een ongewenste situatie omdat vaak al langere tijd geen onderhoud is gepleegd, waardoor de duurzaamheid van de complexen nog verder achteruit gaat (denk aan isolatie, kozijnen).
–
Veel VvE’s zijn kwetsbaar doordat zij weinig financiële reserves hebben, de financiële draagkracht van de individuele eigenaren vaak beperkt is en het bestuur van de VvE op een beperkte groep (vaak één) eigenaren neerkomt.
Daarnaast zijn verschillende externe (landelijke) ontwikkelingen van invloed op het verloop van de implementatie van het warmtenet in Groenoord: –
Het overgangsrecht in de nieuwe Warmtecoördinatiewet (Wcw) leidt tot onzekerheid over de exploitatie van het warmtenet in Groenoord, waaronder onzekerheid rondom de verplichte heraanwijzijng van het gebied en het warmtebedrijf maar ook consequenties van “kost-plus” bij de tariefstelling in een later stadium;
–
De subsidie/SPUK middelen zijn voor Groenoord beperkt;
–
Het blijkt niet eenvoudig om grondgebonden woningen woonlastenneutraal over te laten stappen op een collectief warmtenet. Tegelijkertijd bestaat er veel onzekerheid rondom subsidies voor alternatieve warmteoplossingen voor deze huiseigenaren;
–
Het zijn van voorloper levert een grote verantwoordelijkheid en dito zorgen op. De gemeente Schiedam heeft voor veel vraagstukken zelf een oplossing moeten vinden omdat er nog geen ervaringen elders waren opgedaan.
5.4 Sveaparken De eerste helft van 2025 is gestart met een onderzoek naar de behoeftes van bewoners: “Welke stappen hebben ze al genomen in de verduurzaming van hun huis, waar lopen ze tegenaan en wat verwachten ze van de gemeente”. Dit is onder meer gebeurd middels flyer-acties en deur-tot-deur gesprekken. Ook is begin 2025 een bewonersenquête gehouden onder de bewoners van de wijk Sveaparken, genaamd “Nieuwe energie voor Sveaborg”. Uit deze enquête komt onder meer naar voren dat 74% van de geënquêteerden het belangrijk vindt dat de gemeente in Sveaborg (naast de ophogings- en vervangingswerkzaamheden) ook actief bijdraagt aan de overgang van aardgas naar elektra. Dit vanuit duurzaamheid (90%) en kostenbesparing voor bewoners (57%). De respons op deze enquête was 19%. Dat zijn 84 deelnemers van de 450 genodigden. Van alle ondervraagden is 20% van plan de komende vijf jaar (extra) maatregelen te nemen om de woning te verduurzamen. 52% weet het nog niet. Ook is een aantal gratis meterkastchecks uitgevoerd om een beeld te vormen van de ruimte binnen de elektrische aansluiting voor verduurzaming via een all-electric oplossing. De bewoners hebben hiervan terugkoppeling gekregen in de vorm van een maatwerkadvies en een keukentafelgesprek. Deze werden gewaardeerd.
Begin 2026 is er een informatieavond georganiseerd om de resultaten van de enquête en de geanonimiseerde verslagen van de meterkastactie te bespreken. Het doel is om bewoners een beeld te 13
geven van de mogelijkheden, maar ook om de opties voor de eventuele betrokkenheid van de gemeente te bespreken.
5.5 Nieuwland In oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders Woningcorporatie Woonplus geïnformeerd dat de evaluatie van Nieuwe Energie voor Groenoord de grondslag zal vormen voor het bepalen van de vervolgaanpak voor andere delen van de stad. De gemeente zal zelf niet het voortouw nemen in het opstarten van een concreet project voor realisatie van een warmtenet in Nieuwland. Aan Woonplus is de suggestie meegegeven dat zij wellicht zelf in samenwerking met anderen zelfstandig een voorstel kan doen voor de aanleg van een warmtenet in Nieuwland. Woonplus lijkt de renovatietrein, zoals in Groenoord is opgezet, graag te willen doorzetten in Nieuwland. Er zijn echter inmiddels een aantal onzekerheden ontstaan rondom de toekomst van Eneco n.a.v. de Wcw. 11
5.6 Stadsbreed Isolatie Het isoleren van gebouwen in de gehele stad is en blijft een essentieel onderdeel van de warmtetransitie. Het gaat hier niet alleen om woningen maar ook om commerciële gebouwen en utiliteitsbouw, zoals scholen. Energiebesparing door isolatie is dan ook sowieso een goede eerste stap, ongeacht in welk deel van de stad iemand woont en wat daar de plannen zijn. Isolatiemaatregelen, zoals dak-, vloer- en gevelisolatie voor alle woningeigenaren en VvE’s, zijn óók buiten de startwijken, een serieuze optie. Op dit vlak is de gemeente al een aantal jaren actief. Huiseigenaren en Verenigingen van Eigenaren in Schiedam kunnen bij het Servicepunt Woningverbetering terecht met vragen over woningverbetering, verduurzaming en de fundering. Het servicepunt helpt woningeigenaren met gratis, onafhankelijk en vrijblijvend advies onder meer bij vragen over verduurzaming. Sinds de vaststelling van de TVW heeft het Servicepunt rond het thema verduurzaming: • ruim 72.500 vragen afgehandeld met het thema verduurzaming; • 837 maatwerkadviezen gegeven met als thema verduurzaming en • 243 producten uitgelegd en uitgeleend i.h.k.v. inzichtelijk maken van energiegebruik. Wat betreft de financiering (stimuleringslening): • is een totaal leenbedrag van €5.448.563,- verstrekt t.b.v. verduurzaming woning / appartement; • dit is benut t.b.v.
verduurzaming van 781 woningen / appartementen. Specifiek voor de isolatie Aanpak voor VvE (NIP 2024-2025): • is subsidie €3.050.142,- aangevraagd t.b.v. verduurzaming VvE complexen; • dit is aangevraagd voor 1696 appartementen.
Bodemenergie In de TVW is bodemenergie als een kans benoemd. Ook benoemd is toen dat verder onderzoek nodig was. In 2024 is er een gebiedsstudie bodemenergie uitgevoerd. Deze gebiedsstudie brengt de bodempotentie van Schiedam in kaart en kijkt onder andere naar de huidige en toekomstige energievraag en de geschiktheid van verschillende typen bodemenergiesystemen per buurt. Op specifieke locaties waar nieuwbouw-/ en gebiedsontwikkelingen plaatsvinden, wordt (indien het plan 11
In oktober 2025 publiceerde Eneco een statement over de toekomst van de reeds door hun aangelegde warmtenetten. Zij gaven hierin aan de verkoop van warmtenetten te onderzoeken in het kader van de nieuwe WCW.
14
is om met bodemwarmte te werken) een bodemenergieplan voor de desbetreffende locatie ontwikkeld. Vooralsnog is dat het geval voor Schieveste en het bedrijventerrein SchieDistrict. Deze ontwikkelingen zullen verder worden meegenomen bij de ontwikkeling van het Warmteprogramma.
15
5.7 Knelpunten Capaciteit elektriciteitsnet (netcongestie) De toenemende elektrificatie door de warmtetransitie betekent dat de vraag naar elektriciteit in de toekomst zal stijgen, vooral tijdens koude dagen en piekmomenten. De capaciteit van het elektriciteitsnet in Schiedam is een belangrijke factor in de warmtetransitie. Zeker in wijken waar wordt gekozen voor een all-electric oplossing is dit het geval. De huidige netcapaciteit wordt steeds beperkter en zal voor grootschalige overstap naar elektrische systemen moeten worden uitgebreid. Dit is een bovenlokaal vraagstuk, dat ook bovenlokaal zal moeten worden opgelost. Tot nu toe is er sprake van netcongestie in de hogerliggende netvlaktes. In december 2024 is netcongestie aangekondigd voor onze regio. Dit kan knelpunten opleveren bij de tijdige uitrol van all-electric systemen. In Sveaborg en Sveadal wordt de benodigde netverzwaring voor toekomstige all electric plannen al meegenomen bij de lopende netvervangingsopgave. Innovatie op het gebied van energieopslag of mogelijkheden op het gebied van energy hubs of “netbewust nieuwbouwwijken” kunnen helpen om piekbelasting op het elektriciteitsnet te verlagen en de capaciteit efficiënter te benutten. In de praktijk is de capaciteit van het elektriciteitsnet in Schiedam een randvoorwaarde en dus een belangrijk aandachtspunt bij de keuze voor duurzame warmteoplossingen.
Ook is het bepalend voor het tempo en de haalbaarheid van de transitie in de wijken waar geen warmtenet is voorzien. De capaciteit van het elektriciteitsnet dient nader onderzocht te worden voordat er voor andere wijken de keuze voor all-electric gemaakt kan worden. Dit is een belangrijk gespreksonderwerp met de netbeheerder in de voorbereidingsfase van het warmteprogramma. Ook kan bij het inzetten van bijvoorbeeld all-electric-warmteoplossingen sprake zijn van aanzienlijke milieueffecten (bijvoorbeeld geluidsoverlast door warmtepompen). In die gevallen moet de gemeente mogelijk een plan-merbeoordeling uitvoeren om te bepalen of een milieueffectrapportage nodig is. 12 Wet collectieve warmte (Wcw) De Wcw is een nieuwe wet die het doel heeft om de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten te vergemakkelijken en zo de energietransitie te bevorderen, maar ook om de betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid van collectieve warmte te waarborgen. Een belangrijk onderdeel van deze wet is de kostprijsplusbenadering: warmteleveranciers mogen de tarieven straks baseren op de werkelijke kosten, vermeerderd met een redelijk rendement. Het is nog onzeker of deze nieuwe tariefberekening zal zorgen voor lagere kosten voor eindgebruikers. Onder de Wcw moet voor grootschalige warmtenetten een warmtekavel worden vastgesteld, waarna een warmtebedrijf aangewezen moet worden.
De Wcw bepaalt dat de zeggenschap van warmtenetten in handen moet komen van publieke aandeelhouders (50% +). Op bestaande netten, zoals het warmtenet in Groenoord, is het overgangsrecht van de Wcw van toepassing. Dit betekent dat de bestaande samenwerkingsovereenkomst en bijbehoren concessie vooralsnog van kracht mogen blijven. Er zijn echter een aantal ontwikkelingen die aandacht verdienen: zo is het nog niet helder of Groenoord als zelfstandige kavel mag worden geëxploiteerd en zijn er enige zorgen over passages uit de Wcw die niet stroken met afspraken die in de privaatrechtelijke sfeer zijn gemaakt. Ambtelijke capaciteit De ervaringen met de uitvoering van de TVW laten zien dat er veel ambtelijke capaciteit nodig is om de aansluiting op het warmtenet vanuit de gemeentelijke rol goed te begeleiden. De gemeente heeft niet alleen een rol als initiator, maar (samen met de woningcorporatie) ook bij het begeleiden van de 12
Zie Handreiking mer in de warmtetransitie, NPLW mei 2025.
16
implementatie in de wijk. Het is de keuze en verantwoordelijkheid van de woningeigenaren zelf om de aansluiting op het warmtenet te realiseren. Van de gemeente wordt ter ondersteuning van het proces op weg naar dat besluit een flinke inspanning gevraagd. Voorts is de gemeente zelf aan zet om de aansluiting van het gemeentelijk vastgoed voor te bereiden. Vanzelfsprekend heeft de gemeente ook een rol als vergunningverlener en toezichthouder.
5.8 Conclusie Op dit moment is het de meest logische keuze om in het Warmteprogramma de implementatie van het programma Nieuwe Energie voor Groenoord voort te zetten onder de geldende voorwaarden uit de TVW, en om het isolatieprogramma voort te zetten voor zover daar rijksmiddelen voor beschikbaar zijn. Een eventuele verdere uitbreiding van het warmtenet moet worden meegegeven in de collegeonderhandelingen. Of het warmtenet wordt uitgebreid naar Nieuwland is afhankelijk van diverse factoren: - Wat zijn de conclusies na evaluatie van het programma NEvG? - Wat zijn de plannen van Eneco en Woonplus? - Welke ontwikkelingen zien we in het rijksbeleid (bijvoorbeeld dat in aangewezen gebieden geen subsidie voor warmtepomp komt)? - Welke rijkssubsidies zijn er beschikbaar? Voor Svea-parken geldt dat een all electric oplossing mede afhankelijk is van de congestieproblematiek en hoe deze binnen de regio wordt aangepakt. Hier heeft gemeente zelf weinig invloed op.
17
6
Participatie warmteprogramma
Bij elk programma dat de overheid maakt, moet worden vermeld met wie en op welke manier participatie heeft plaatsgevonden. Het warmteprogramma moet als wettelijk verplicht programma bovendien ter inzage gelegd worden. Uitgangspunten participatieproces –
Niveau van participatie kiezen dat past bij de bestuurlijke ambities.
–
Motiveringsplicht: gemeenten moeten bij het vaststellen van een warmteprogramma motiveren hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken én wat de resultaten daarvan zijn. Hiermee laten wij zien dat het beleid uit het Warmteprogramma weloverwogen is en dat de maatregelen uitvoerbaar zijn.
–
Het proces is erop gericht om belangen, zorgen en ideeën van betrokkenen en belanghebbenden op te halen en mee te nemen in het Warmteprogramma.
Interne participatie –
College van B&W: stelt het Warmteprogramma formeel vast. o
–
Bestuurlijke betrokkenheid, besluitvorming, mandaat.
Gemeenteraad: o
Informatie en afstemming. De raad zal daarnaast (op een nader uit te werken wijze) bij het proces worden betrokken, ook met het oog op de vaststelling van de uitvoeringsplannen te zijner tijd door de raad.
–
Interne teams: Ruimtelijke Ontwikkeling & Beleid (ROB), Beheer Openbare Ruimte (BOR), Economie, Cultuur en Stadspromotie (ECS), Vastgoed & Grondzaken, Sociaal Domein, Communicatie, Financiën en Juridische Zaken. o
Beleidsafstemming, kennis en capaciteit.
Externe participatie: mogelijke partijen –
Bewoners: individuele bewoners (huurders en eigenaren), ondernemers en VvE’s in NEvG.
–
Professionele stakeholders en medeoverheden waaronder de netbeheerder Stedin, het warmtebedrijf Eneco, Woonplus, het waterschap, buurgemeenten, regionaal samenwerkingsverband (RES) en de provincie.
–
Bewonersinitiatieven en energiecoöperaties. Lokale initiatieven.
–
Externe adviseurs en experts. Juridisch/technisch. Ondersteuning bij haalbaarheid, betaalbaarheid, onderbouwing gekozen methode en mogelijkheden participatie.
–
Belangenorganisaties.
18
Bijlage 1: Proces na vaststelling concept. 1. 2.
3.
4. 5. 6.
Kennisgeving ontwerp-Warmteprogramma. Dit gebeurt voorafgaand aan de terinzagelegging, in het gemeenteblad. Terinzagelegging ontwerp-Warmteprogramma. Inzagetermijn is 6 weken. Als er tijdens de periode van terinzagelegging nieuwe relevante stukken of gegevens zijn, dan worden ook die ter inzage gelegd. Tijdens deze fase krijgt de Raad het ontwerp-Warmteprogramma voorgelegd in een raadsvoorstel. Waarbij de raad ervoor kan kiezen wensen of bedenkingen in te dienen. Indienen zienswijzen. Iedereen kan zienswijzen inbrengen, schriftelijk of mondeling. Het college van Burgemeester en Wethouders bepaalt of het ontwerp Warmteprogramma aangepast moet worden, en reageert op de zienswijzen in een nota van antwoord. Besluit vaststelling Warmteprogramma. Dit gebeurt door het college van Burgemeester en Wethouders. Bekendmaking besluit. Door publicatie in het gemeenteblad; samen met de nota van antwoord over de ingebrachte zienswijzen. Inwerkingtreding besluit. De dag na bekendmaking. Het is een zelfbindend besluit en er staat (in principe) geen beroep bij de bestuursrechter open.
Na deze procedure zal publicatie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) plaatsvinden. Daarnaast wordt een publiekssamenvatting opgesteld.
19
Bijlage 2: Gebruikte afkortingen MER NEvG TVW Wcw Wgiw
Milieueffectrapportage Nieuwe Energie voor Groenoord Transitievisie Warmte Wet collectieve warmte Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie
20