CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4.2 Rapport uitkomsten Brede Welvaart

Gemeenteraad 26 mei 2026, gemeente SchiedamBij agendapunt: Brieven over en van gemeenschappelijke regelingen:19.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Matig stedelijke gemeenten hebben relatief meer ruime grondgebonden woningen (laagbouw), meer ruimte in de woonomgeving bieden, meer natuur & groen, een gezondere lucht en een veiliger woonomgeving. Tevens is er een ruimtelijk selectie-effect. Het blijkt dat matig verstedelijkte gemeenten het relatief welvarende deel van de bewoners van de MRDH herbergen. Inwoners met hogere inkomens, en dus een hogere bredere welvaart, trekken naar zulke gemeenten toe. De hogere inkomens raken dan relatief overgeconcentreerd in dit type gemeenten. Mogelijk spelen ook andere sociaal-geografische patronen een rol, zoals de traditionele sociale structuren in de landelijke gemeenten in matig stedelijk gemeenten. Dit uit zich onder andere in een hogere sociale cohesie en een grotere deelname aan vrijwilligerswerk in de matig stedelijke regio’s. Op economisch domein doet zich een soortgelijk patroon voor. Het mediane besteedbaar inkomen per huishouden loopt op naarmate de stedelijkheidsgraad afneemt. De twee grote steden hebben het laagste mediane inkomen, de matig stedelijke gemeenten het hoogste. In die gemeenten komt het gemiddeld hoger uit dan Nederland. De netto en bruto participatie zijn in de matig stedelijke gemeenten eveneens het hoogst; in Rotterdam en Den Haag zijn deze het laagst. De werkloosheid is eveneens het laagste in de matig stedelijke gemeenten (2,7%), fors lager dan landelijk.

In Rotterdam en Den Haag ligt dat op 5%. Dit is toe te schrijven aan structurele werkloosheid, die juist in de grote steden hoog is, en aan werkenden die voor hun woning naar matig verstedelijkte gebieden zijn verhuisd. De gemiddelde schuld en het gemiddelde vermogen zijn in de matig stedelijke gemeenten allebei fors hoger. Opvallend is dat het verschil tussen schuld en vermogen per huishouden in de grote steden zeer groot is: een hoge schuld ten opzichte van het vermogen. In de matig stedelijke gemeenten is dat veel kleiner. In de matig stedelijke gemeenten is zoals verwacht de kwaliteit van het milieu hoog. Dat is duidelijk zichtbaar aan de emissie van fijnstof en de hoeveelheid natuurgebied, natuur en bos per inwoner. De broeikasemissies in de MRDH zijn hoog. Dit is onder andere toe te schrijven aan het binnenlandse verbruik door de petrochemische industrie in de Rotterdamse havenindustrie (dit is exclusief de bunkering voor de internationale scheepvaart en luchtvaart) en aan het gebruik van fossiel aardgas in de glastuinbouw in West- en Oostland. Qua beleid vraagt dit om transitie, waarbij financiering het belangrijkste knelpunt is.

De technologie, zeker voor de glastuinbouw, is namelijk beschikbaar, maar de omvang van de gevraagde investeringen en de financiële risico’s op lange termijn zijn te groot ten opzichte van het huidige gebruik van aardgas en de kosten op korte termijn. 21

Er zijn ook andere mogelijkheden voor de productie van voedsel en bloemen: meer lokale productie in de nabijheid van de verschillende afzetmarkten in het buitenland. De voorwaarde is dan wel dat er duurzame energie wordt gebruikt. Het maakt ook uit voor het transport van producten uit de glastuinbouw naar de afzetmarkten. Vanuit de MRDH is het faciliteren en financieren van de transitie in de glastuinbouw, gevoegd bij een opwaardering van de inzet van arbeid, een van de mogelijke handelingsperspectieven. De hoeveelheid particuliere zonne-energie per huishouden is ook in de matig stedelijke gemeenten hoger. Dat is toe te schrijven aan meer grondgebonden, particulier woningbezit. Kortom, milieu en natuurkwaliteit zijn, zoals verwacht, in de matig stedelijke gebieden beter. De conclusies over de qua brede welvaart gunstige positie van matig stedelijke gemeenten ten opzichte van zeer sterk verstedelijkte gemeenten stemt overeen met ander onderzoek (o.a. Atlas voor gemeenten, 2024), waaruit blijkt dat de brede welvaart in gemeenten buiten de grote steden hoger is. Hoewel de basis van de groei van welvaart is gelegen in de voordelen die grootstedelijke regio’s bieden, samengevat als agglomeratievoordelen (of algemener urbanisatievoordelen), kan geconstateerd worden dat de brede welvaart daar lager is.

22

Grootstedelijk

Zeer sterk stedelijk

Sterk stedelijk

Matig stedelijk

Tabel 4.1 Brede welvaart op het domein Samenleving & Welzijn in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag naar deelregio en Nederland, 2022 Werkelijke waarden: als % van de bevolking, jaar, kilometer, per 100 of per 1000 inwoners n.b. = niet beschikbaar

Subjectief welzijn Tevredenheid met het leven Tevredenheid met vrije tijd

% %

80,8 70,6

82,5 72,1

83,5 73,5

85,1 74,8

82,0 71,7

83,4 74,3

Gezondheid Overgewicht Ervaren gezondheid Levensverwachting bevolking Personen met langdurige ziekte(n)

% % Jaar %

49,2 64,2 80,2 34,1

48,8 68,8 81,7 33,6

55,3 68,6 82,6 34,5

49,8 73,0 83,2 31,5

50,1 67,0 81,3 33,7

50,3 70,0 81,4 33,0

Wonen Tevreden met woonomgeving Tevreden met woning Afstand tot sportterrein Afstand tot basisschool Afstand tot horeca

% % km km km

73,9 75,1 0,8 0,5 0,8

81,5 78,1 1,0 0,6 1,0

n.b. n.b. 1,0 0,7 1,5

84,9 86,6 1,0 0,8 1,7

75,8 76,2 0,9 0,6 1,1

83,8 85,6 1,0 0,7 1,4

Samenleving Contact met familie etc. Vertrouwen in instituties Vertrouwen in anderen Vrijwilligerswerk Sociale cohesie

% % % % Score

70,7 63,0 61,3 33,5 5,7

71,6 61,5 62,7 36,2 6,0

71,2 58,9 57,9 35,8 n.b.

73,3 60,3 68,5 45,5 6,7

71,2 61,8 61,7 35,5 5,8

71,6 61,3 66,0 41,2 6,4

Veiligheid Vaak onveilig voelen in de buurt % Aantal ondervonden delicten Per 100 Geregistreerde misdrijven Per 1000 Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

4,7 57,9 75,0

3,1 38,9 52,0

1,8 42,6 37,1

0,9 26,9 36,3

4,0 50,6 59,2

2,0 33,3 46,0

23

MRDH Nederland

Grootstedelijk

Zeer sterk stedelijk

Sterk stedelijk

Matig stedelijk

MRDH

Tabel 4.2 Brede welvaart op het domein Samenleving & Welzijn in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag naar deelregio en Nederland, 2022 Score ten opzichte van Nederland, Nederland = 1

Tevredenheid met het leven

0,97

0,99

1,00

1,02

0,98

Tevredenheid met vrije tijd

0,95

0,97

0,99

1,01

0,97

Overgewicht

1,02

1,03

0,91

1,01

1,00

Ervaren gezondheid

0,92

0,98

0,98

1,04

0,96

Levensverwachting bevolking

0,99

1,00

1,01

1,02

1,00

Personen met langdurige ziekte(n)

0,97

0,98

0,96

1,05

0,98

Tevreden met woonomgeving

0,88

0,97

1,01

0,90

Tevreden met woning

0,88

0,91

1,01

0,89

Afstand tot sportterrein

1,25

1,00

1,00

1,00

1,11

Afstand tot basisschool

1,40

1,17

1,00

0,88

1,17

Afstand tot horeca

1,75

1,40

0,93

0,82

1,27

Contact met familie etc.

0,99

1,00

0,99

1,02

0,99

Vertrouwen in instituties

1,03

1,00

0,96

0,98

1,01

Vertrouwen in anderen

0,93

0,95

0,88

1,04

0,93

Vrijwilligerswerk

0,81

0,88

0,87

1,10

0,86

Sociale cohesie

0,89

0,94

1,05

0,91

Vaak onveilig voelen in de buurt

0,43

0,65

1,11

2,22

0,50

Aantal ondervonden delicten

0,58

0,86

0,78

1,24

0,66

Geregistreerde misdrijven Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

0,61

0,88

1,24

1,27

0,78

Subjectief welzijn

Gezondheid

Wonen

Samenleving

Veiligheid

24

Grootstedelijk

Zeer sterk stedelijk

Sterk stedelijk

Matig stedelijk

Tabel 4.3 Brede welvaart op het economisch domein in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag naar deelregio en Nederland, 2022 Werkelijke waarden: als % van de bevolking, jaar, kilometer, per 100 of per 1000 inwoners

Materiële welvaart Mediaan besteedbaar inkomen Bruto binnenlands product

euro euro

26.266 3,6

28.842 3,6

31.546 3,6

34.052 3,6

28.485 3,6

29.800 4,3

Arbeid en vrije tijd Netto arbeidsparticipatie Bruto arbeidsparticipatie Hoogopgeleide bevolking Werkloosheid Vacaturegraad Afstand tot openbaar vervoer

% % % % per 1000 km

67,8 71,4 0,3 5,0 52,9 0,3

70,1 73,0 0,3 4,1 52,9 0,3

72,2 74,8 0,3 3,4 52,9 0,3

75,5 77,2 0,3 2,7 52,9 0,4

69,9 73,0 32,8 4,3 52,9 0,3

72,2 74,8 36,6 3,5 51,7 0,4

89.494 15.673

97.617 54.056

119.141 102.296

172.432 182.200

105.127 55.786

115.900 87.300

Economisch kapitaal Gemiddelde schuld huishoudens euro Mediaan vermogen huishoudens euro Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

MRDH Nederland

Grootstedelijk

Zeer sterk stedelijk

Sterk stedelijk

Matig stedelijk

Tabel 4.4 Brede welvaart op het domein milieu in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag naar deelregio en Nederland, 2022 Werkelijke waarden: als % van de bevolking, jaar, kilometer, per 100 of per 1000 inwoners

ha per 1000 inw. kilo per km2 Km % opp. ton CO2 eq. inw. score 1-4 score1-4

1,5 5.846 0,4 12,4 25,5 3,1 3,5

2,2 2.208 0,4 9,7 3,1 3,5 -

4,0 1.941 0,4 12,1 3,8 3,6 -

18,8 927 0,5 31,5 11,8 3,6 4,0

4,5 2.764 0,4 18,9 15,6 3,3 3,6

29,0 1.000 0,5 29,8 9,7 -

Natuurlijk kapitaal Particuliere zonne-energie Watt per woning Bebouwd terrein % opp. Fosfaatuitscheiding* kilo per ha Groen-blauwe ruimte % opp. Stikstofuitscheiding* kilo per ha Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

234 56,2 128,2 -

499 44,8 116,9 -

804 29,9 199,5 -

1.075 16,1 530,3 -

474 34,8 190,2 -

950 11,0 574,5 -

Milieu Natuurgebied per inwoner Emissies van fijnstof Afstand openbaar groen Natuur- en bosgebied Broeikasgasemissies Kwaliteit binnenwateren Kwaliteit kustwateren

25

MRDH Nederland

5 Arbeid en fysiek kapitaal 5.1 Participatie naar geslacht Voor de Groeiagenda die tijdens ‘corona’ is opgesteld is onderzocht wat de factoren zijn die de ontwikkeling van het brp verklaren (Van Oort et al. 2021). Het bleek dat ‘human capital’ daar een belangrijke factor in is. De analyse liet zien dat van elke procent groei van het brp 0,36% toe te schrijven was aan human capital. Deze conclusie is in principe nog altijd geldig. Het is een wetmatigheid: uitgaven aan goed onderwijs betalen zich op termijn terug vanwege een beter opgeleide beroepsbevolking en meer dan dat. Voor deze monitor Brede Welvaart in de MRDH herhalen we deze exercitie niet – we zouden ongeveer dezelfde uitkomsten verkrijgen – maar brengen we twee bouwstenen in de berekening van het ‘human capital’ als voorraad van menselijk kapitaal in beeld. Dat betreft de participatiegraad naar geslacht, opleiding en type gebied (regio, gemeente). Dan vinden we aanwijzingen waar de ruimte op de arbeidsmarkt ligt. In de voorgaande paragraaf bleek dat de arbeidsmarkt in de MRDH relatief krap is; De vacaturegraad is hoger dan in Nederland, bij een lager niveau van arbeidsparticipatie. Tevens is geconstateerd dat participatie bijdraagt aan brede welvaart in het domein Samenleving & Welzijn. Een hogere participatie is hoe dan ook nastrevenswaardig. De vraag is bij wie en waar de ruimte aanwezig is.

Uit onderzoek is bekend dat bij de verdeling naar geslacht, vrouwen minder participeren dan mannen, en dat basis opgeleiden minder participeren dan hoger en middelbare opgeleiden. Tegelijk is bekend dat juist in de grote steden de participatie doorgaans lager is, met name bij basis opgeleiden. Omdat de participatie een belangrijke factor is die in principe tot het economisch domein behoort, heeft participatie een duidelijke link met het domein Samenleving & Welzijn: volledige werkgelegenheid is juist een doelstelling in het macro-economisch beleid vanwege de waarde voor zowel het productieproces als voor mens en maatschappij, voor het economisch en voor het domein Samenleving & Welzijn. Werkloosheid en non-participatie is veelal verlies van menselijke vaardigheden, ontplooiing en gaat ten koste van de ‘common good’. Daarom schenken we er aandacht aan in deze monitor Brede Welvaart.

Participatiegraad mannen (figuur 5.1) Het blijkt dat de participatie van mannen over de tijd stabiel is. Tijdens corona stijgt deze. In de gehele MRDH ligt de participatie onder het landelijke niveau. Dit ontstaat door juist de lagere participatie in de twee grote steden in de MRDH, met name in Rotterdam. Opvallend is dat de participatiegraad van Rotterdam aanvankelijk (2003-2009) relatief laag is, en daarna (vanaf 2016) dichtbij het niveau van de MRDH komt. In de loop van de tijd wordt het verschil tussen Rotterdam en Nederland kleiner. Het verschil in participatie tussen Den Haag en Nederland heeft de neiging groter te worden.

26

Figuur 5.1 Participatiegraad mannen, MRDH, Nederland, Rotterdam en Den Haag, 2003-2013 Beroepsbevolking (m) als percentage van de bevolking 15-74 jaar (m) 85

80

75

70

65

60

55

50 2003

2008 MRDH

2013 Nederland

2018 Rotterdam

2023

Den Haag

Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

Figuur 5.2 Participatiegraad vrouwen, MRDH, Nederland, Rotterdam en Den Haag, 2003-2013 Beroepsbevolking (v) als percentage van de bevolking 15-74 jaar (v) 85

80

75

70

65

60

55

50 2003

2008 MRDH

2013 Nederland

2018 Rotterdam

Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

27

Den Haag

2023

Participatiegraad vrouwen (figuur 4.2) De participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt neemt nationaal snel toe tussen 2003 en 2023. De MRDH maakt deze ontwikkeling ook door. Opvallend is dat juist ook in Rotterdam de participatie onder vrouwen extra snel stijgt, waarbij het verschil met Nederland voortdurend kleiner wordt. Evenals bij de participatie van mannen wordt verschil in participatie van vrouwen tussen Den Haag en Nederland eerder groter.

Verschil participatie mannen en vrouwen (employment gender gap) (figuur 4.3) Voor het human capital is het verschil tussen de participatiegraad tussen mannen en vrouwen een belangrijke indicator én bouwsteen. Dit wordt de ‘employment gender gap’ genoemd. Het is een indicator voor de mate van sociaal-economische gelijkheid en emancipatie die zowel een puur economische (arbeidsmarkt, inkomen) als sociale dimensie (emancipatie, integratie) heeft. Er is ook een gecombineerde dimensie: als vrouwen een betaalde baan nemen (werken voor het huishouden met kinderen is een onbetaalde baan), wordt de maatschappelijke taakverdeling anders. Het arbeidsaanbod wordt vergroot, maar de vraag ook in de vorm van hulp in het huishouden en allerlei vormen van uitbesteding van huishoudelijke taken. Dan gaat om hoveniers, wasserettes, restaurants etc. Deze maatschappelijke verdeling van taken is een belangrijk kenmerk van agglomeratievoordeel in grootstedelijke regio’s. Hierbij gaat het men name om de dienstensector. Het wordt duidelijk dat deze in de MRDH aanvankelijk trager zakt dan in Nederland, maar tijdens corona verdwijnt dit verschil in gender gap tussen de MRDH, Rotterdam, Den Haag en Nederland. De krapte op de arbeidsmarkt leidt er ook in de MRDH toe dat de participatie onder vrouwen versneld toeneemt, zodat de employment gender gap op 8% komt.

Dat betekent dat in 2023 de participatiegraad van mannen 8% hoger lag dan van vrouwen. In 2003 was dat nog 16%. De employment gender gap is in 20 jaar tijd gehalveerd. Figuur 5.3 Verschil participatiegraad mannen en vrouwen, MRDH, Nederland, Rotterdam en Den Haag, 2003-2013 20 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0

2003

2008 MRDH

2013 Nederland

2018 Rotterdam

Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

28

Den Haag

2023

Tevens lijkt dit niet verder te dalen; wellicht ontstaat er balans tussen motieven uit het economisch en het domein Samenleving & Welzijn om al dan niet te werken. Dan gaat het om de taakverdeling in het huishouden. De plotse daling tijdens de coronajaren is mogelijk ingegeven door de noodzaak om te gaan werken om het huishoudinkomen aan te vullen. De trendmatige daling van de employment gender gap is tijdens de coronajaren met circa 1-2% eenmalig verlaagd.

5.2 Participatie naar opleiding Een deel van het verschil in participatiegraad tussen de MRDH en Nederland is toe te schrijven aan de lager participatie van basis- en mbo geschoolden (figuur 4.4). Deze ligt in de MRDH, en dan met name in beide grote steden, aanmerkelijk lager dan Nederland. Bij mbo opgeleiden is een soortgelijk verschil zichtbaar, maar dan minder uitgesproken. Bij hbo/wo opgeleiden zijn er minimale verschillen, die we als niet-significant beoordelen. Het verschil in participatie tussen de MRDH en Nederland ontstaat bij basis geschoolden in beide grote steden in de MRDH. De ontwikkeling over de tijd laat zien dat de participatie naar opleidingsniveau constant is, maar tijdens de coronaperiode toeneemt (figuur 5.5). Deze toename treedt op alle opleidingsniveaus op, en is bij mbo als basis opgeleiden even sterk; daar blijkt ruimte op de arbeidsmarkt te zijn. De drijfveer om te gaan werken – de vacatures bestonden al – is vermoedelijk ontstaan door inkomensverlies ten gevolge van lockdowns, waardoor mensen zich weer gingen melden op de arbeidsmarkt. Hbo/wo opgeleiden zijn al maximaal bezet (en hebben de vaste banen, die bovendien goed vanuit huis gedaan kunnen worden. Het zijn juist de mbo en basis opgeleiden die zich vanuit de niet-participerende bevolking 15-74 jaar meldden op arbeidsmarkt.

We benadrukken dat uit nationale cijfers blijkt dat naast de hbo/wo opgeleiden ook personen met een specifieke MBO-4 opleiding maximaal op de arbeidsmarkt participeren. Hoewel het percentage hbo/wo opgeleiden hoger zou moeten/kunnen liggen in de MRDH, hangt de participatie uiteindelijk van de kwaliteit van vaardigheden en skills van de gehele beroepsbevolking (dus hbo/wo, mbo en basis opgeleiden) af. Het is bijvoorbeeld bekend dat in Utrecht ook relatief veel hbo/wo opgeleiden zijn, maar dat vertaalt zich dat niet in extra groei van de regionale economie. Het is ook bekend dat de regio Eindhoven een verdeling naar opleidingsniveau heeft die lijkt op die van geheel Nederland, maar wel een relatief hoge groei van het brp heeft. Dat ontstaat in een internationaal zeer concurrerend, intern hecht samenwerkend, verbonden en succesvol technologiecluster met een hoge mate van positieve externe effecten (‘spill-over’). Het kenmerk daarvan is dat juist alle opleidingsniveaus daaraan meedoen. De grote kraptes op de arbeidsmarkten doen zich, op basis van landelijke cijfers, vooral bij het MBO-4 niveau voor. Focus op deze categorie is van primair belang. In regionale cijfers valt de categorie MBO4 namelijk niet op. Focus op alleen hbo/wo opgeleiden is niet toereikend; de werkelijkheid van grootstedelijke regio’s is daar te complex voor.

De werkloosheid is momenteel uiterst laag; onder hoger opleiden is deze 2,2%, 3,1% onder mbo opgeleiden en 3,8% onder basis opgeleiden (figuur 4.6). In Rotterdam en Den Haag is de werkloosheid onder basis opgeleiden hoger: respectievelijk 4,8% en 4,2%. Deze hogere werkloosheid wordt veroorzaakt door structurele werkloosheid die grote steden eigen is. Mensen willen wel werk, maar de arbeidsmarkt neemt hen niet op. De mate van flexibiliteit (figuur 4.8) op de arbeidsmarkt laat zich aflezen aan het verschil tussen de hoogste en laagste werkloosheid over de periode 20032023. Deze is het laagst bij hbo/wo opgeleiden. Vooral mbo geschoolden vormen een flexibel 29

reservoir op de arbeidsmarkt. Bij basis opgeleiden in Rotterdam is het verschil het grootst; de onzekerheid ten gevolge van conjunctuurschommelingen over hun positie op de arbeidsmarkt is het grootst. De conclusie is dat het verschil in participatiegraad tussen de MRDH en Nederland ontstaat bij basis en mbo geschoolden, in het bijzonder in beide grote steden. Basis opgeleiden in Rotterdam ondervinden relatief meer onzekerheid over hun arbeidsmarktpositie als gevolg van conjuncturele schommelingen. De ruimte voor verbetering van de participatie kan gevonden bij basis geschoolden in beide grote steden en in enige mate bij mbo geschoolden. Figuur 5.4 Participatiegraad naar opleidingsniveau, MRDH, basis opgeleid Rotterdam en Den Haag, 2023 Beroepsbevolking per opleidingsniveau als percentage van de bevolking 15-74 per opleidingsniveau 100 85,8

90 77,0

80

77,9

76,2

85,0

86,0

74,8

70 60

57,2

60,3 54,8

53,8

50 40 30 20 10 0 praktisch

midden MRDH

Nederland

Rotterdam

Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

30

hoog Den Haag

84,9

Figuur 5.5 Participatiegraad naar opleidingsniveau, MRDH, basis opgeleid Rotterdam en Den Haag, 2003-2023 Beroepsbevolking per opleidingsniveau als percentage van de bevolking 15-74 per opleidingsniveau 100 90

80 70 60 50 40 30 20

10 0 2003

2008 praktisch

midden

2013 hoog

2018

praktisch, Rotterdam

2023 praktisch, Den Haag

Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

Figuur 5.6 Werkloosheid naar opleidingsniveau, MRDH, basis opgeleid Rotterdam en Den Haag, 2003-2023 Werkloosheid per opleidingsniveau als percentage van de beroepsbevolking per opleidingsniveau 11 10

9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 2003

2008 praktisch

midden

2013 hoog

praktisch, Rotterdam

Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

31

2018

2023 praktisch, Den Haag

Figuur 5.7 Verschil tussen laagste en hoogste werkloosheid naar opleidingsniveau, MRDH, basis opgeleid Rotterdam en Den Haag, 2003-2023 6 5,4 5 4,4

4,6

4,4

4

3,2 3

2

1

0 praktisch

midden

hoog

praktisch, Rotterdam

praktisch, Den Haag

Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

5.3 Investeringen in fysiek kapitaal en R&D NB data alleen beschikbaar voor de provincie Zuid-Holland Fysiek kapitaal De ontwikkeling van het brp wordt onder meer verklaard door factoren zoals het geopolitieke klimaat, het vestigings- en investeringsklimaat, arbeid, human capital, ondernemersklimaat, onderwijs, infrastructuur, enz. In deze paragraaf wordt de ontwikkeling van investeringen naar type activa beschouwd. De achtergrond hiervan is dat voor de Groeiagenda (Van Oort et al 2021) een productiefunctie is onderzocht hoe investeringen in de fysieke kapitaalgoederenvoorraad naar type, R&D en human capital in Zuid-Holland zich verhouden tot Nederland. Dit is in de genoemde studie benut om de bijdrage aan het brp te bepalen. Belangrijke conclusies waren dat er spill-over is van Zuid-Holland naar andere regio’s in Nederland. Dit hoort bij het onderdeel ‘effecten elders’ van brede welvaart. De andere belangrijke conclusie is dat ‘human capital’ een aanzienlijke bijdrage aan de groei van het brp levert. De kapitaalgoederenvoorraad is het totaal aan in gebruik zijnde goederen waarmee andere goederen en diensten worden voortgebracht. Ze zijn het resultaat van investeringen in het verleden, tot en met het heden. De som van het bedrag van deze investeringen, gecorrigeerd voor afschrijvingen en inflatie, is de kapitaalgoederenvoorraad. Deze worden onderscheiden naar eigenaar en type.

In dit hoofdstuk gaat het om het onderscheid naar type: • • • •

woningen bedrijfsgebouwen grond-weg- en waterbouw vervoermiddelen 32

• • •

machines en installaties computerprogr. en databanken onderzoek en ontwikkeling

In deze paragraaf wordt alleen bezien hoe de kapitaalgoederenvoorraad zich ontwikkelt; de analyse van het effect op het brp, een schatting van een regionale productiefunctie, is niet herhaald. We verwachten niet dat de resultaten significant afwijken. We gaan uit van het idee dat het effect er is, dat wil zeggen dat investeringen in kapitaalgoederen het toekomstige brp bepalen. Overigens is dat naast andere factoren (zie o.a. Van Oort et al 2021). Het gaat uiteindelijk om de ontwikkeling van de kapitaalgoederenvoorraad naar type, met een bijzonder oog voor investeringen in onderzoek & ontwikkeling (Research & Development). De investeringen in kapitaalgoederen ontwikkelen zich in Zuid-Holland relatief gunstig ten opzichte van Nederland (figuur 5.5). In 1995 lag het niveau van investeringen in Zuid-Holland nog onder dat van Nederland. Uitgedrukt als percentage van het bbp was dat van Zuid-Holland 20,2% van het brp; een procent lager dan Nederland (21,2%). In de loop van de tijd zijn de investeringen in Zuid-Holland relatief toegenomen tot boven het niveau van Nederland. Dat hogere niveau is zichtbaar vanaf 2008, en wordt groter in recenter jaren. De extra toename kan worden toegeschreven aan extra investeringen in woningen (tabel 5.1 over Nederland en tabel 5.2 over Zuid-Holland, rechterkolommen).

Het accent op wonen in grootstedelijke regio’s dat zich in de loop van de tijd ontwikkelde is ook in Zuid-Holland zichtbaar. Tevens is er een hoger tempo van investeringen in R&D, machines & installaties en grond, weg- en waterbouw. Bij het laatste gaat het om voorzieningen in de openbare ruimte, behorende bij woningbouw en stadsrenovatie. In andere typen kapitaalgoederen wordt in Zuid-Holland wordt echter relatief minder geïnvesteerd: bedrijfsgebouwen (krimp in ZuidHolland), vervoermiddelen en computerprogrammatuur & databanken.

Investeringen in Research & Development De investeringen in R&D zijn een belangrijke graadmeter de bijdrage van nieuwe technologie en innovatie (nieuwe productieprocessen, producten en diensten) aan het bbp. In het algemeen is deze in Nederland in vergelijking met andere landen in de EU te laag (de norm is 3% van het bbp). Een probleem bij deze indicator, waarbij de bestedingen in R&D zijn uitgedrukt als percentage van het bbp, is dat deze alleen beschikbaar is voor geheel Nederland. Op de schaal van regio’s is deze wel beschikbaar, maar wijkt de definitie van R&D af. Op regionaal niveau geeft het CBS alleen de investeringen in R&D, die lager zijn dat de totale uitgaven (bestedingen) aan R&D. De uitgaven aan R&D bestaan uit productieve investeringen en niet-productieve uitgaven (het consumptieve deel ervan). In figuur 5.6 is de R&D-quote voor heel Nederland van beide definities gegeven. De officiële maatstaf van de R&D-quote voor Nederland is bekend voor de periode 2013-2022, waarbij wordt gelet op de waarde in 2019: 2,18. De waarde ligt hoger in 2020 en daarna. Dit is echter een teller/noemer effect door de krimp van het bbp; als de uitgaven gelijk blijven, stijgt de verhouding. Indien de groei van het bbp in de nasleep van de ‘corona-schok’ herstelt, verdwijnt dit.

Het verschil met de indicator investeringen in R&D als percentage van het bbp beweegt zich tussen 2013-2022 in de bandbreedte 0,50 - 0,60. Met deze beschikbare indicatoren ontstaat het beeld dat de investeringen in R&D in Zuid-Holland zich relatief gunstig bewegen ten opzichte van Nederland; namelijk van enigszins lager dan Nederland, naar een relatief gunstiger cijfer. Hoewel dit op zich gunstig is, dient benadrukt te worden dat het in absolute zin niet toereikend is. Internationaal is een R&D quote van 3% (afgaand op bestedingen) de 33

norm, zodat de investeringen in R&D in Zuid-Holland een vol procent hoger zouden moeten liggen. Met inbegrip van het definitieverschil bestedingen/investeringen van 0,5 – 0,6 procent komt dan een R&D quote van 3% in beeld. Het geheel overziend is de conclusie dat de investeringen in Zuid-Holland weliswaar aantrekken, maar dat dit hoofdzakelijk ontstaat door extra investeringen in woningen als aparte categorie van investeringen (woningen leveren woondiensten in de toekomst, voor huurders die er een bedrag voor betalen en voor kopers die deze diensten zelf consumeren). Dat is onderdeel van de toegenomen aantrekkelijkheid van grote steden, ook in de MRDH. Op de andere posten, die juist de het bbp zelf beïnvloeden (private investeringen) is het beeld wisselend. Dit leidt tot de conclusie dat er meer aandacht zou moeten te zijn voor private investeringen, die immers een positief welvaartseffect hebben. De relatieve verbetering van R&D is echter gunstig, maar dient verder toe te nemen. Figuur 5.8 Totale investeringen in fysiek kapitaal en R&D als percentage van het bbp, 1995-2022

Totaal investeringen als % bbp/brp

30

25

20

15

10

5

0 1995

2000

2005

2010

Nederland

Zuid-Holland

Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

34

2015

2020

Tabel 5.1 Ontwikkeling kapitaalgoederenvoorraad Nederland naar type, Nederland, 1995-2022

Woningen Bedrijfsgebouwen Grond-weg- en waterbouw Vervoermiddelen Machines en installaties Computerprogr. en databanken Onderzoek en ontwikkeling

Nederland 1995-'22

2015-'22

mld euro 1.080 423 402 79 183 78 67

Aandeel 47 18 17 3 8 3 3

% 1,5 0,9 1,3 1,8 0,9 6,3 0,4

% -0,1 0,2 0,4 2,4 0,0 5,8 0,0

2.311

100

1,3

0,3

Totaal Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

Tabel 5.2 Ontwikkeling kapitaalgoederenvoorraad Nederland naar type, Nederland, 1995-2022

Woningen Bedrijfsgebouwen Grond-weg- en waterbouw Vervoermiddelen Machines en installaties Computerprogr. en databanken Onderzoek en ontwikkeling

Zuid-Holland 1995-'22

2015-'22

mld euro 236 96 97 15 43 16 14

Aandeel 46 19 19 3 8 3 3

% 1,8 0,4 1,8 0,7 0,8 6,0 0,5

% 0,6 -0,6 0,7 0,8 0,4 4,9 0,3

518

100

1,4

0,5

Totaal Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

Figuur 5.9 Investeringen in Onderzoek en Ontwikkeling als percentage van het bbp/brp, Nederland en Zuid-Holland, 1995-2022

R&D investeringen als % van bbp/brp

3,0

2,5

2,0

1,5

1,0

0,5

0,0 1995

2000 Nederland

2005

2010

Zuid-Holland

Bron: CBS, bewerking NEO Observatory

35

2015

Nederland, R&D quote

2020

6 Conclusies De belangrijkste conclusies zijn: • •

•

•

•

•

op de domeinen Samenleving & Welzijn, Economie en Milieu heeft de MRDH een achterstand ten opzichte van Nederland. Hoewel de vergelijking van de MRDH met de MRA/VRA laat zien dat de economie van MRA zich sneller ontwikkelt en in de MRA een gemiddeld hogere financiële welstand bestaat, zijn er ook overeenkomsten. Dat betreft de achterstand op de domeinen Samenleving & Welzijn en Milieu in beide grootstedelijke regio’s ten opzichte van Nederland. De achterstand is voor de MRDH groter dan voor de MRA/VRA. De uitkomsten laten zien dat de grote stedenproblematiek nog altijd actueel is. Dit onderzoek naar Brede Welvaart in MRDH zet dit helder op het netvlies neer. Dezelfde vraagstukken op de domeinen Samenleving & Welzijn en Milieu doen zich in beide grootstedelijke regio’s voor. Verwante vraagstukken doen zich ook in de voormalige groeikernen (‘new towns’) voor, ook in MRDH6. Een eerste analyse laat zien dat de mate van stedelijkheid (van niet-stedelijk tot en met grootstedelijk) van gemeenten een verklaring biedt voor de qua Brede Welvaart gevonden patronen in de MRDH. Dit vraagt om nadere kwantitatieve analyse op alle indicatoren om primaire factoren te vinden en de samenhang en afruil tussen de domeinen in beeld te brengen. Het is gebleken dat de indicatoren van Brede Welvaart onevenwichtig zijn samengesteld.

Nadelen van economische activiteiten, mobiliteit en ruimtelijke concentratie van huishoudens en bedrijven etc. komen in beeld, terwijl de voordelen van wonen en werken in grootstedelijke regio’s zijn onderbelicht. De voordelen van grote steden komen met het begrip Brede Welvaart te weinig in beeld. Juist het beleid in de Strategische Agenda van de MRDH is gericht op het creëren van zulke agglomeratievoordelen. Qua handelingsperspectief bevelen we aan om dat door te zetten, en dat aan te vullen met beleid om de nadelen van grootstedelijkheid te ondervangen. In een afzonderlijk document wordt dat handelingsperspectief nader uitgewerkt.

Per onderwerp worden de hoofdconclusies uitgewerkt en van verklaringen voorzien.

6.1 Brede welvaart in de MRDH in het hier en nu: 2022 Samenleving & Welzijn Het algemene beeld is dat op het domein Samenleving & Welzijn de MRDH een achterstand heeft op gemiddeld Nederland. Op het domein Samenleving & Welzijn doen de grootste verschillen tussen de MRDH en Nederland zich voor bij tevredenheid woonomgeving (-8 procentpunt) en tevredenheid met de woning (-9,4 procentpunt). Er zijn in de MRDH 17,3 (50,6 in totaal) meer ondervonden delicten per 100 inwoners dan in Nederland. Voor geregistreerde misdrijven per 1000 inwoners zijn

6

Meere, F. de, G. Verwaijen, M. Uyterlinde, J. van der Velden, A, van der Hoeven, K. Hollanders, P. van Eikeren en P. Louter (2024), Zorgen voor New Towns. Utrecht/Den Haag/Delft: Verwey-Jonker Instituut, Platform31, Bureau Louter.

36

er dat 13,2 meer, namelijk 59,2 in totaal. Inwoners van de MRDH voelen zich twee keer zo vaak onveilig: 4% van de inwoners van de MRDH en 2% van de Nederlanders. De ervaren gezondheid in de MRDH is gemiddeld -3 procentpunt lager. Het aandeel mensen met chronische ziekten is er iets hoger, en de gemiddelde levensverwachting is lager in de MRDH. Qua samenleving is het vertrouwen in anderen in de MRDH gemiddeld -4,3 procentpunt lager. De gemiddelde inwoner van de MRDH neemt minder deel aan vrijwilligerswerk (-5,7 procentpunt). De sociale cohesie is minder in de MRDH. Een verklaring voor het gevonden patroon is dat er twee factoren samenkomen in de MRDH, en dan met name in Rotterdam en Den Haag. Grote steden hebben van nature behalve voordelen, ook nadelen: vervuiling en een achterstand op sociaal-economisch gebied. De omvang van de lagere inkomensgroepen is in Rotterdam en Den Haag relatief groot. Dit wordt weerspiegeld in financiële indicatoren en heeft een sterke samenhang met indicatoren op het gebied van gezondheid, woonomgeving en veiligheid. Zulke ruimtelijke concentraties hebben twee risico’s: ten eerste dat de sociaal-economische achterstand zichzelf versterkt: het ‘buurteffect’, ten tweede dat de positie van lagere inkomensgroepen op de arbeidsmarkt en woningmarkt wordt bestendigd.

Mensen met een basisopleiding hebben gemiddeld lagere inkomens, hebben relatief vaker flexibele, kwetsbare banen en tegelijk de minste keuze op de woningmarkt. Zij wonen daardoor relatief ver van de beschikbare banen. Dit vergt extra reiskosten (geld en tijd), hetgeen hun positie extra kwetsbaar maakt. Een aandeel is hier dat afstand tot het OV is gemeten vanuit het huishouden, en niet vanuit het bedrijf, terwijl het om de afstand tussen wonen, werken en voorzieningen gaat. Economie Het mediaan beschikbaar inkomen (het inkomen in het midden als alle inkomens op een rij van laag naar hoog worden gerangschikt) in de MRDH is 1,3 duizend euro lager dan in Nederland. De gemiddelde schuld en vooral het mediane vermogen van huishoudens zijn in de MRDH gemiddeld lager dan in Nederland. Dit hangt samen met een relatief grotere groep lagere inkomens in de MRDH. De gemiddelde woningwaarde in de MRDH is ook lager dan in Nederland. Er is in de MRDH een grote groep met lage inkomens in goedkope huurwoningen, in lijn met de achterstand met de achterstand van de MRDH op Samenleving & Welzijn, zoals de lagere ervaren gezondheid. Via het begrip Brede Welvaart komt de nog altijd bestaande grote stedenproblematiek op het netvlies. De toename van het brp in de MRDH lag in 2022 op 3,6 procent en 0,7 procent lager dan Nederland als geheel (4,3 procent).

Op basis van één jaar kan echter geen conclusie over het brp worden getrokken. Qua arbeid en vrije tijd zijn de netto (-2,3 procent) en bruto participatiegraad (-1,8 procent) lager dan in geheel Nederland. De werkloosheid is in de MRDH wat hoger dan in Nederland (+0,8 procent). De lagere participatie dan landelijk past niet bij een grootstedelijke agglomeratie; daar zou deze hoger moeten zijn. Naast ontoereikende agglomeratiekracht vloeit dit deels voort uit de samenstelling van de (beroeps)bevolking naar opleiding. Het aandeel hbo/wo opgeleiden in de bevolking (als arbeidsaanbod) is 3,9 procent lager dan in Nederland. De extra benutting dient uit mbo en basis geschoolden te komen, met name MBO-4. De vacaturegraad in de MRDH is enigszins hoger dan in Nederland. Het beeld van de arbeidsmarkt is daardoor schijnbaar gunstig: de werkloosheid is (ondanks het wat hogere percentage) historisch laag en betekent grote krapte op de arbeidsmarkt. Er is in de MRDH sprake van een scheve verhouding tussen de samenstelling van de beroepsbevolking en de beschikbare banen, meer dan in de MRA. Deze relatieve krapte kost de MRDH welvaart, vooral omdat deze optreedt bij een wat lagere participatie. Milieu De waarden van de MRDH op het domein Milieu passen, evenals bij het domein Samenleving & Welzijn het geval is, bij die van een grootstedelijke regio.

De emissies van fijnstof zijn meer dan 2,5 keer zo groot dan in het gemiddelde van Nederland (waar het volume van de MRDH bovendien in 37

meeweegt). De broeikasemissies per inwoner zijn, onder andere, door de samenstelling van de industrie en de aanwezige glastuinbouw, gemiddeld hoger in de MRDH. De uitkomsten op het domein Milieu passen bij die van een grootstedelijke regio. Het gaat echter om de mate waarin. Zo is de emissie van fijnstof zeer hoog, evenals de CO2 uitstoot. Het eerste heeft negatieve effecten op de gezondheid, het tweede draagt bij aan klimaatverandering. Het vermogen aan zonne-energie van particuliere woningen is relatief laag. Dit is toe te schrijven aan het type woningen in stedelijke gebieden: veel hoogbouw en weinig particuliere huizen met een eigen dak. Het nadeel hiervan is dat huishoudens in grote steden minder investeringsmogelijkheden in eigen productie en consumptie van duurzame energie hebben. Zij zijn meer aangewezen op collectieve voorziening van duurzame energie. Inwoners van de MRDH hebben weinig groen-blauwe ruimte in de MRDH zelf tot hun beschikking. De gemiddelde inwoner van Nederland, en ook van de MRA, heeft meer groen-blauwe ruimte tot zijn en haar beschikking. De gemiddelde afstand tot openbaar groen in de MRDH is evenwel laag. We benadrukken dat het een politieke keuze is welke waarden worden nagestreefd. Op het domein Milieu nemen we overwegend de nadelen van grootstedelijke regio’s waar.

Dat is milieuvervuiling door bedrijvigheid en mobiliteit en weinig groen-blauwe ruimte door dichtheid en omvang van bebouwd stedelijk gebied.

De vergelijking MRDH – MRA/VRA Samenleving & Welzijn Zowel de MRDH en de MRA hebben op het domein Samenleving & Welzijn een achterstand ten opzichte van Nederland. In de MRDH is die achterstand evenwel groter dan de MRA en de VRA. De VRA is ruimtelijk beperkter dan de MRA; bij de VRA gaat het om de regio’s Groot-Amsterdam en Zaanstreek. De MRA betreft de VRA plus Haarlem en omstreken, IJmond, ’t Gooi en Vechtstreek, Almere en Lelystad. Niettemin hebben de MRDH en de MRA/VRA een vergelijkbare grotestadsproblematiek, namelijk een ruimtelijke concentratie van lage-inkomensgroepen in goedkopere huurwoningen. Dit wordt weerspiegeld in een minder goede gezondheid, minder tevredenheid over de woonomgeving en een groter gevoel van onveiligheid. In de MRA en de VRA is de relatieve omvang van lage-inkomensgroep kleiner, zodat het beeld van de MRA/VRA enigszins gunstiger is dan dat van de MRDH. Het grootste verschil doet zich voor bij gezondheid; de inwoners van de MRA zijn over het algemeen gezonder dan in de MRDH. Economie De ontwikkeling van het bruto regionaal product in de MRDH is lager dan in Nederland, terwijl dat van de MRA hoger is. Tevens is de financiële welvaart van inwoners in de MRA over het algemeen hoger dan in de MRDH. Het mediane inkomen van huishoudens in de MRA is enigszins hoger dan dat van Nederland, terwijl dat van de MRDH onder dat nationale cijfers ligt.

Huishoudens in de MRA zijn vooral vermogender. Inwoners in de MRDH hebben in absolute zin lagere schulden; zij kunnen minder schulden aangaan vanwege de lagere inkomens. De participatie op de arbeidsmarkt is in de MRA en de VRA significant hoger dan in de MRDH. Dat ligt niet alleen aan de hogere groei van het brp in de MRA. De economische structuur, met name de dienstensector, is hoogwaardiger en veelzijdiger dan in de MRDH7. Hierbij kan gewezen worden op de positie van financiële en juridische diensten, de creatieve industrie, het grote en uitgebreide aanbod 7

Manshanden, W. (2023), Verkenning van wonen, werken en pendel naar opleiding in de Metropoolregio Amsterdam. Rotterdam: NEO Observatory

38

van diensten als horeca en detailhandel en internationaal gerenommeerde culturele instellingen. Binnen de MRA (en VRA) gaat het dan om de concentratie in de gemeente Amsterdam, waar de ruimtelijke concentratie van zulke diensten leidt tot synergie-effecten. Bijvoorbeeld, er zijn huishoudens die in Amsterdam wonen, maar er niet werken. Zij maken gebruik van de voorzieningen in Amsterdam en van de bereikbaarheid tot de andere steden in de Randstad; dit draagt bij aan de hogere participatie in de MRA. Participatie wordt namelijk gemeten bij de daar wonende bevolking; waar men werkt doet er niet toe. Milieu De hoeveelheid fijnstof is in de MRDH hoger dan in de MRA/VRA. Daarnaast is de beschikbaarheid van natuur-, bosgebied en breder groen-blauwe ruimte per inwoner in de MRA groter dan in de MRDH, hetgeen is toe te schrijven aan de Oostvaardersplassen en het duingebied aan de kust in de MRA. In de VRA is dat daarentegen geringer dan in de MRDH; de genoemde groen-blauwe ruimte telt in de VRA niet mee. Algemeen is de brede welvaart op het domein milieu van de MRA gunstiger dat van de MRDH, met name door het lagere niveau van fijnstof in de lucht. Er zijn fundamentele verschillen tussen de MRDH en de MRA.

Deze vloeien voort uit het verschil in economische kracht (agglomeratievoordelen en andere sectorstructuur in de MRA, met name in de dienstensector zonder de industrie in beide regio’s te veronachtzamen). Daarnaast is er in MRA per saldo een grotere beschikbaarheid van natuurgebied, zoals de Oostvaardersplassen, Hilversumse heide, Waterland etc., duinen) en een betere milieukwaliteit. Tenslotte is de achterstand van de MRA op het domein Samenleving & Welzijn ten opzichte van Nederland geringer dan die van de MRDH.

Regionale verschillen in de MRDH Een deel van het verschil tussen de MRDH en de MRA is toe te schrijven aan het bestaan van typische vraagstukken van grote steden, die in de MRDH een groter aandeel hebben dan in de MRA. Het verschil tussen de MRA en de VRA met de MRDH doet zich vooral voor bij het domein Milieu (zie hiervoor). Indien we dat verschil buiten beschouwing laten, zien we in de MRDH los van de achterstand op het domein Economie, een grotere achterstand op het domein Samenleving & Welzijn. Dit vloeit voort uit een compositie-effect. De MRDH heeft een groot aandeel zeer verstedelijkte gemeenten; er zijn twee grote steden die bovendien een groter aandeel lagere inkomens omvatten. Het compositie-effect is gebleken aan de hand van een typologie van gemeenten naar stedelijkheidsgraad (bron: CBS). Daarmee zijn de gemeenten van de MRDH onderscheiden en opgeteld in vier groepen: grootstedelijk, zeer sterk stedelijk, sterk stedelijk en matig stedelijk. Daaruit blijkt dat brede welvaart negatief samenhangt met mate van stedelijkheid. Hoe verstedelijkter een gemeente is, hoe lager de brede welvaart is. Een groot deel van de lagere brede welvaart in de MRDH is toe te schrijven aan de nadelen van wonen in grote steden; milieuvervuiling, minder kwaliteit van de woonomgeving, een groter gevoel van onveiligheid en minder groen-blauwe ruimte.

6.2 Brede welvaart: de trend 2011-2022 Samenleving & Welzijn De algemene ontwikkeling van het domein Samenleving & Welzijn in de MRDH is over het algemeen relatief gunstig, waarbij de positieve tendens in de MRDH sterker is dan in Nederland. Mogelijk is dit (mede) het resultaat van het gevoerde beleid, gericht op vernieuwing van het grootstedelijke woonmilieu en een autonome ontwikkeling, zoals de afname van werkloosheid en stijgende 39

participatie. De krappere arbeidsmarkt en vergrijzing hebben mogelijk een positieve invloed op het sociale klimaat. Qua gezondheid is de ontwikkeling wisselend. De ervaren gezondheid neemt namelijk af. Economie De toename van de algemene welvaart blijft in de MRDH achter bij Nederland. Dit wordt weerspiegeld in het achterblijvende inkomen en vermogen van huishoudens in de MRDH. De arbeidsmarkt van de MRDH heeft zich positief ontwikkeld, maar er is nog altijd sprake van een onbenut potentieel en een grotere mismatch. Het arbeidsaanbod in de MRDH is niet in staat de behoefte op de arbeidsmarkt volledig te voorzien. Milieu De conclusie is dat op het gebied van het milieu er vooruitgang is geboekt in de MRDH. Over het geheel genomen is het beeld voor de MRDH positief; de lucht is schoner geworden, de CO2 emissie per inwoner is lager geworden en de beschikbare ruimte voor bos & natuur, en groen/blauw is toegenomen in een sterkere mate dan in Nederland het geval is. Benadrukt wordt dat de gemiddelde niveaus elders in Nederland gunstiger zijn, maar in dat perspectief is de ontwikkeling van deze indicatoren in de MRDH als positief te zien. De regio is op dit domein op de goede weg.

Investeringen in kapitaalgoederen en R&D Het geheel overziend is de conclusie dat de investeringen in Zuid-Holland weliswaar aantrekken, maar dat dit hoofdzakelijk ontstaat door extra investeringen in woningen. Dat is onderdeel van de toegenomen aantrekkelijkheid van grote steden in Nederland, juist in de MRDH. Op de andere posten, die juist het bruto regionaal product zelf beïnvloeden, in het bijzonder investeringen door bedrijven, is het beeld wisselend. De relatieve verbetering van R&D is echter gunstig, maar er dient meer te gebeuren op het gebied van innovatie en onderzoek om de productiviteit te verbeteren (zie het recente rapport van Mario Draghi 20248 voor de Europese Commissie). Hoewel dit voor de gehele EU geldt, heeft de uitvoering ervan juist ook gevolgen voor de MRDH. Hierbij verwijzen we naar een recente evaluatie van de Groeiagenda Zuid-Holland, waarin is aangegeven dat de urgentie van extra financiering voor innovatieve projecten, gericht op een hogere productiviteit en de energietransitie, alleen maar toeneemt.9 Dit leidt tot de conclusie dat er meer aandacht zou moeten zijn voor private investeringen, die immers een positief welvaartseffect hebben. Participatie naar geslacht en opleiding De conclusie is dat het verschil in participatiegraad tussen de MRDH en Nederland ontstaat bij mensen met basis en mbo opleiding, in het bijzonder in Rotterdam en Den Haag.

Mensen met een basis opleiding (tot en met mbo-3) hebben relatief vaak flexibele en tijdelijke banen en ondervinden daardoor relatief meer onzekerheid over hun arbeidsmarktpositie als gevolg van conjuncturele schommelingen. De ruimte voor verbetering van de participatie kan gevonden bij basis en MBO3 geschoolden in beide grote steden.

8 Draghi, M. (2024), The future of European competitiveness. Part A | A competitiveness strategy for Europe. Brussels:

European Commission 9 Manshanden, W. en F. van Oort (2024), Alle zeilen bij voor transities, innovatie en brede welvaart in de Groeiagenda ZuidHolland. Rotterdam: NEO Observatory/EUR. Evaluatie Groeiagenda Zuid-Holland op verzoek van de Provincie Zuid-Holland en de Economic Board Zuid-Holland

40

Bijlagen Tabel B1.1 Volledige omschrijving indicatoren op het domein Samenleving & Milieu Indicator

Omschrijving

Subjectief welzijn Tevredenheid met het leven Tevredenheid met vrije tijd

% van de Nederlanders geeft het leven een 7 of hoger in % van de bevolking van 18+ is (zeer) tevreden in

Gezondheid Overgewicht Ervaren gezondheid Levensverwachting bevolking Personen met langdurige ziekte(n)

% van de bevolking van 18+ heeft overgewicht in % van de bevolking van 18+ vindt eigen gezondheid (zeer) goed jaar levensverwachting in jaren bij geboorte % van de bevolking van 18 jaar of ouder

Wonen Tevredenheid met woonomgeving Tevredenheid met woning Afstand tot sportterrein Afstand tot basisschool Afstand tot horeca e.d.

% van de particuliere huishoudens is (zeer) tevreden % % van de particuliere huishoudens is (zeer) tevreden km km km

Samenleving Contact met familie, vrienden of buren Vertrouwen in instituties Vertrouwen in anderen Vrijwilligerswerk

% van bevolking van 15+ gemiddeld 1 keer per week contact % van de bevolking van 15+ heeft voldoende vertrouwen % van de bevolking van 15+ vindt de meeste mensen te vertrouwen % van de bevolking van 15 jaar en ouder dat vrijwillig werkt

Veiligheid Vaak onveilig voelen in de buurt Aantal ondervonden delicten Geregistreerde misdrijven

% van de bevolking van 15 jaar en ouder aantal ondervonden delicten per 100 inwoners in geregistreerde misdrijven per 1000 inwoners in

Menselijk kapitaal Arbeidsduur per week Hoogopgeleide bevolking Ervaren gezondheid

uur aantal feitelijk gewerkte uren per werkende per week in % van de bevolking (15 t/m 74 jaar) met hbo/wo onderwijs % van de bevolking van 18+ vindt eigen gezondheid (zeer) goed

41

Tabel B1.2 Omschrijving indicatoren op het economisch domein Indicator

Omschrijving

Materiële welvaart Mediaan besteedbaar inkomen Bruto binnenlands product

euro per huishouden gecorrigeerd voor inflatie euro per inwoner (prijzen 2015)

Arbeid en vrije tijd Netto arbeidsparticipatie Bruto arbeidsparticipatie Hoogopgeleide bevolking Werkloosheid Vacaturegraad Afstand tot ov

% van de bevolking van 15 t/m 74 jaar in % van de bevolking van 15 t/m 74 jaar in % van de bevolking (15 t/m 74 jaar) met hbo/wo onderwijs % van de beroepsbevolking aantal vacatures per 1 000 banen km

Economisch kapitaal Gemiddelde schuld per huishouden Mediaan vermogen van huishoudens

euro gemiddelde schuld per huishouden euro

Tabel B1.3 Omschrijving indicatoren op het milieukundig domein Indicator

Omschrijving

Milieu Natuurgebied per inwoner Emissies van fijnstof naar lucht Afstand tot openbaar groen Natuur- en bosgebieden Broeikasgasemissies per inwoner Kwaliteit van zwemwater binnenwateren Kwaliteit van zwemwater kustwateren

ha per 1.000 inwoners kg PM2,5 per km2 Km % van oppervlakte land ton CO2-equivalent per inwoner gemiddelde kwaliteit (1=slecht tot 4=uitstekend) gemiddelde kwaliteit (1=slecht tot 4=uitstekend)

Natuurlijk kapitaal Particuliere zonne-energie Natuur- en bosgebieden Bebouwd terrein Emissies van fijnstof naar lucht Fosfaatuitscheiding* Groenblauwe ruimte, excl. landbouw Stikstofuitscheiding*

watt per woning in % van oppervlakte land % van oppervlakte land kg PM2,5 per km2 kg per ha bemeste cultuurgrond groen- en zoetwatergebied per inwoner kg per ha bemeste cultuurgrond

42

Tabel B2 Gemeenten MRDH naar stedelijkheidsgraad (typologie NEO/EUR/VU). De categorieën weinig (1) en niet stedelijk (0) komen in de MRDH niet voor Grootstedelijk Rotterdam 's-Gravenhage

5 5

Zeer sterk stedelijk Delft Leidschendam-Voorburg Rijswijk (ZH.) Schiedam Vlaardingen Zoetermeer

4 4 4 4 4 4

Sterk stedelijk Barendrecht Capelle aan den IJssel Krimpen aan den IJssel Maassluis Nissewaard Pijnacker-Nootdorp Ridderkerk

3 3 3 3 3 3 3

Matig stedelijk Albrandswaard Lansingerland Midden-Delfland Voorne aan Zee Wassenaar Westland

2 2 2 2 2 2

43

Tabel B3 Gemeenten van de Metropoolregio Amsterdam en de Vervoerregio Amsterdam Metropoolregio Amsterdam

Vervoerregio Amsterdam

Aalsmeer Almere Amstelveen Amsterdam Beverwijk Blaricum Bloemendaal Castricum Diemen Edam-Volendam Gooise Meren Haarlem Haarlemmermeer Heemskerk Heemstede Hilversum Huizen Landsmeer Laren Lelystad Oostzaan Ouder-Amstel Purmerend Uitgeest Uithoorn Velsen Waterland Wijdemeren Wormerland Zaanstad Zandvoort

Aalsmeer Amstelveen Amsterdam Diemen Edam-Volendam Haarlemmermeer Landsmeer Oostzaan Ouder-Amstel Purmerend Uithoorn Waterland Wormerland Zaanstad

44

Tabel B4 Definities indicatoren brede welvaart Hieronder volgt een nadere omschrijving van de indicatoren. Naast een omschrijving en definitie zoals gegeven door het CBS is ook de bron van de data weergegeven.

Milieu Emissies van fijnstof naar lucht Jaarlijkse gemiddelde fijnstof emissie naar lucht. Fijnere fractie van fijnstof bestaat uit deeltjes waarvan de diameter kleiner is dan 2,5 micrometer. [kg PM2,5 per ha; RIVM] Broeikasgasemissies per inwoner Totale broeikasgasemissies (CO2, CH4, N2O, HFK, PFK en SF6) in CO2-equivalenten per inwoner. Eén kg CO2-equivalent staat gelijk aan het effect dat de uitstoot van 1 kg kooldioxide (CO2) heeft. Om de CO2equivalenten te berekenen worden de richtlijnen van de IPCC gevolgd. Data betreffen de uitstoot op Nederlands grondgebied, ongeacht of deze wordt veroorzaakt door Nederlandse ingezetenen. Dit betekent dat uitstoot door Nederlandse ingezetenen in het buitenland niet en uitstoot door nietingezetenen in Nederland wel is inbegrepen. [ton CO2-equivalent per inwoner; RIVM] Fosfaatuitscheiding landbouw De uitgescheiden hoeveelheid fosfaat in dierlijke mest per hectare uitgedrukt in P2O5. In tegenstelling tot stikstof treden bij fosfaat geen gasvormige verliezen op. [kg per ha bemeste cultuurgrond; CBS] Stikstofuitscheiding landbouw De totale stikstofuitscheiding in dierlijke mest per hectare met aftrek van de stikstof die tijdens mestopslag in de stal en bij opslag buiten de stal is vervluchtigd in de vorm van ammoniak (NH3) inclusief de afvoer via spuiwater van luchtwassers, lachgas (N2O), stikstofoxide (NO) en stikstofgas (N2).

[kg per ha bemeste cultuurgrond; CBS] Particuliere zonne-energie Het opgesteld vermogen van zonnestroominstallaties in watt per woning aan het einde van het referentiejaar. Het betreft het vermogen van installaties van zonnepanelen bij woningen gedeeld door het totaal aantal woningen, dus woningen met of zonder zonnepanelen. [watt per woning; CBS]

Economie Bruto binnenlands product Het bruto binnenlands product (bbp) is een maat voor de omvang van de economie. [euro per inwoner, constante prijzen 2015; CBS] Mediaan besteedbaar inkomen Het mediaan gestandaardiseerd besteedbaar inkomen per huishouden, in euro. Bij de berekening wordt gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van huishoudens. De mediaan is het middelste getal wanneer alle inkomens van laag naar hoog worden gesorteerd. [euro per huishouden, gecorrigeerd voor inflatie, constante prijzen 2021; CBS]

45

Mediaan vermogen van huishoudens Het saldo van bezittingen en schulden, gecorrigeerd voor inflatie, in prijzen 2021. Bezittingen worden gevormd door bank- en spaartegoeden, effecten, de eigen woning, overig onroerend goed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang en de overige bezittingen. De schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van een eigen woning en consumptief krediet. Stand per 1 januari, er is gecorrigeerd met de prijsontwikkeling in het voorgaande jaar. [euro per huishouden; CBS] Gemiddelde schuld per huishouden Het gemiddelde van de schulden van particuliere huishoudens, in prijzen 2022. De schulden betreffen de hypotheekschuld van de eigen woning, studieschulden en overige schulden zoals voor consumptieve doeleinden, de financieringen van aandelen, obligaties of rechten op periodieke uitkeringen, schulden voor de financiering van de tweede woning of ander onroerend goed. Stand per 1 januari, er is gecorrigeerd met de prijsontwikkeling in het voorgaande jaar. [euro per huishouden; CBS] Bruto-arbeidsparticipatie Het aandeel van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking 15 t/m 74 jaar in de bevolking van dezelfde leeftijdsgroep (beroeps- en niet-beroepsbevolking).

[% van de bevolking van 15 t/m 74 jaar; CBS] Netto-arbeidsparticipatie Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking 15 t/m 74 jaar in de bevolking van dezelfde leeftijdsgroep (beroeps- en niet-beroepsbevolking). [% van de bevolking van 15 t/m 74 jaar; CBS] Arbeidsduur per week Het totale aantal uren dat werknemers en zelfstandigen werkelijk hebben gewerkt. Niet-gewerkte uren door verlof of ziekte tellen dus niet mee. De gewerkte uren van werknemers zijn berekend door de betaalde uren (de overeengekomen uren plus de betaalde overuren) te vermeerderen met onbetaalde overuren en te verminderen met feitelijk niet gewerkte uren die betaald worden, zoals ziekteverzuim, zwangerschaps- en bevallingsverlof, stakingen, weerverlet, ouderschapsverlof, kort verzuim. De gewerkte uren van zelfstandigen zijn rechtstreeks bepaald. [aantal feitelijk gewerkte uren per werkende per week; CBS] Vacaturegraad De vacaturegraad is het aantal openstaande vacatures per duizend banen. Het betreft de vacaturegraad aan het einde van het vierde kwartaal. Onder een vacature wordt verstaan een arbeidsplaats waarvoor, binnen of buiten een onderneming of instelling, personeel wordt gezocht dat onmiddellijk of zo spoedig mogelijk geplaatst kan worden. Een baan is een werkkring van een werknemer, ongeacht het aantal uren dat gewerkt wordt.

[aantal vacatures per 1.000 banen; CBS] Werkloosheid De werkloze beroepsbevolking als percentage van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking. Personen van 15 t/m 74 jaar zonder betaald werk, die recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn. [% van de beroepsbevolking; CBS] Hbo/wo-opgeleide bevolking Percentage van de beroepsbevolking met hoger beroepsonderwijs (hbo) of wetenschappelijk onderwijs (wo) als hoogst genoten opleidingsniveau. Het onderwijs op hbo- en wo- niveau bouwt voort 46

op voortgezet onderwijs (havo en vwo) en mbo-opleidingen, en voorziet deelnemers van beroepsgerichte of wetenschappelijke kennis, vaardigheden en competenties (conform de Standaard Onderwijsindeling SOI). Dit betreft hbo (bachelor en master), wo (bachelor en master) en doctor [% van de beroepsbevolking; CBS]. Afstand tot ov De gemiddelde afstand van alle inwoners in een gebied tot de dichtstbijzijnde OV-halte, berekend over het fietsnetwerk van 2022. Het gaat om de volgende typen openbaar vervoer: trein, tram, bus, metro en ferry. De peildatum is 1 januari van het betreffende jaar. [km; CBS]

Sociaal Vrijwilligerswerk Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat in de afgelopen 12 maanden vrijwilligerswerk heeft verricht voor organisaties of verenigingen. Het kan daarbij gaan om bestuurlijk werk of andere activiteiten. [% van de bevolking van 15 jaar en ouder verrichtte in de afgelopen 12 maanden vrijwilligerswerk; CBS StatLine (landelijk); Sociale samenhang en welzijn, maatwerk kds (regionaal), CBS] Tevredenheid met vrije tijd Deel van de mensen van 18 jaar of ouder dat een score van 7 tot en met 10 geeft als antwoord op de vraag ‘Kunt u op een schaal van 1 tot en met 10 aangeven in welke mate u tevreden bent met de hoeveelheid vrije tijd die u heeft. Een 1 staat voor volledig ontevreden en 10 voor volledig tevreden?’. Een score van 7 tot en met 10 wordt geclassificeerd als tevreden. [% van de bevolking van 18 jaar of ouder is tevreden met de hoeveelheid vrije tijd; CBS StatLine (landelijk); Sociale samenhang en Welzijn, maatwerk kds (regionaal), CBS] Tevredenheid met het leven Deel van de mensen van 18 jaar of ouder dat een score van 7 tot en met 10 geeft als antwoord op de vraag ‘Kunt u op een schaal van 1 tot en met 10 aangeven in welke mate u tevreden bent met het leven dat u nu leidt. Een 1 staat voor volledig ontevreden en 10 voor volledig tevreden?’. Een score van 7 tot en met 10 wordt geclassificeerd als tevreden.

[% van de bevolking van 18 jaar of ouder dat tevreden is met het leven; CBS StatLine (landelijk); Sociale samenhang en Welzijn, maatwerk kds (regionaal), CBS] Ervaren gezondheid Percentage personen van 18 jaar en ouder met antwoordcategorie 'goed' of 'zeer goed' naar de vraag algemene gezondheidstoestand. [% van de bevolking van 18 jaar en ouder dat eigen gezondheid (zeer) goed vindt; CBS, RIVM, GGD'en] Personen met één of meer langdurige ziekten of aandoeningen Percentage personen van 18 jaar en ouder met één of meer langdurige ziekten of aandoeningen. Langdurig is (naar verwachting) 6 maanden of langer. [% van de bevolking van 18 jaar of ouder; CBS, RIVM, GGD’en]

47

Overgewicht Percentage personen van 18 jaar en ouder met een BMI van 25,0 kg/m2 en hoger. Cijfers over lichaamsgewicht zijn gebaseerd op zelf gerapporteerde waarden. De Body Mass Index (BMI) is een maat voor overgewicht, berekend als het quotiënt van het gewicht in kilogram en het kwadraat van de lengte in meters (kg/m2). [% van de bevolking van 18 jaar of ouder; CBS, RIVM] Levensverwachting bevolking Levensverwachting in jaren voor de bevolking bij geboorte. Gemiddelde waarde over periode 20182021. [aantal jaren dat iemand naar verwachting zal leven (bij geboorte); RIVM] Tevredenheid met woonomgeving Het percentage particuliere huishoudens dat zeer tevreden of tevreden is met de huidige woonomgeving. De woonomgeving is de omgeving en de buurt waarin een huishouden woont. Particulier huishouden: één of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf, dus niet-bedrijfsmatig, voorzien in de dagelijkse levensbehoeften. De woonruimte wordt niet gedeeld met andere huishoudens. [% van de particuliere huishoudens dat (zeer) tevreden is; CBS] Tevredenheid met woning Het percentage particuliere huishoudens dat zeer tevreden of tevreden is met de huidige woning. Particulier huishouden: één of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf, dus niet-bedrijfsmatig, voorzien in de dagelijkse levensbehoeften. De woonruimte wordt niet gedeeld met andere huishoudens.

[% van de particuliere huishoudens dat (zeer) tevreden is; CBS] Afstand tot basisschool De gemiddelde afstand van alle inwoners in een gebied tot de dichtstbijzijnde basisschool, berekend over de weg. Het basisonderwijs omvat alleen de basisscholen zoals bekend bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Het speciaal basisonderwijs en de speciale scholen zijn niet meegenomen. [km; CBS] Afstand tot café e.d. De gemiddelde afstand van alle inwoners in een gebied tot het dichtstbijzijnde café, koffiehuis, coffeeshop, discotheek, seks/nachtclub en partycentrum, berekend over de weg. [km; CBS] Contact met familie, vrienden of buren Percentage mensen van 15 jaar en ouder dat gemiddeld minstens een maal per week contact heeft met familie, vrienden of buren. Het gaat hierbij om alle vormen van contact. Het gaat om een gemiddelde van de indicatoren “minstens wekelijks contact met familie”, “minstens wekelijks contact met vrienden” en “minstens wekelijks contact met buren”. [% van de bevolking van 15 jaar en ouder dat minstens een keer per week contact heeft met familie, vrienden of buren; CBS StatLine (landelijk); Sociale samenhang en Welzijn, maatwerk kds (regionaal), CBS] Sociale cohesie De sociale cohesie geeft een schaalscore van 0 tot 10. Hoe hoger de score op deze schaal, hoe meer de inwoners tevreden zijn over de sociale aspecten van hun woonbuurt. [schaalscore (0-10); CBS]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16612207/1