Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
De voorgestelde maatregelen hebben naast de evidente meerwaarde voor groenbeleving en leefbaarheid, tevens een waterbergende functie. Omdat bekend is dat in Schiedam Oost reeds sprake is van waterproblematiek, leidt het ontwerp tot een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Beschermde gebieden De projectlocatie is niet gelegen binnen een (beschermingszone van een) waterkering of ander beschermd gebied. Op basis van het bestemmingsplan geldt wel dat over de bestemmingsvlak ‘Gemengd – 3’ een beschermingszone loopt, echter wordt deze zone gelet op de aard van de ontwikkeling niet geraakt. Andere werkzaamheden die niet onder transformatie vallen vinden eveneens niet plaats ter hoogte van de waterkering. Het project heeft daarmee geen invloed op de waterveiligheid ter plaatse. Oppervlaktewateren Binnen de projectlocatie is geen sprake van oppervlaktewateren. Ook ligt het projectgebied niet binnen een beschermingszone daarvan.
4.4.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het project ‘Terras aan de Schie’. Er treden geen negatieve gevolgen op in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 45
4.5 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING 4.5.1
Algemeen
Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. tabel 6. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
4.5.2
Relatie tot ontwikkeling
Milieuzonering omgeving projectgebied De omgeving van de projectlocatie kan getypeerd worden als gemengd gebied. In de directe omgeving van het projectgebied zijn diverse gemengde-, bedrijfs- en woonbestemmingen gesitueerd. Voor die bestemmingen geldt dat in het projectgebied geen hogere categorieën dan milieucategorie 2 worden toegestaan. Milieucategorie 2 brengt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter met zich mee. Omliggende objecten liggen op grotere afstand, waarbij geldt dat de meest nabijgelegen bedrijfsbestemming op een afstand van ca. 65 meter gelegen is. Ten oosten van het projectgebied is tevens de bestemming ‘Gemengd – 1’ geprojecteerd. Hierbinnen zijn bedrijfsactiviteiten, detailhandel en horeca toegestaan tot maximaal milieucategorie 2. De afstand tot de projectlocatie bedraagt ca. 70 meter. Gelet daarop wordt ruim voldoende afstand bewaard tussen de geplande woningen en de bestemmingsgrens van de activiteiten/objecten. Milieuzonering binnen projectlocatie Binnen het te herontwikkelen gebouw is naast woningen ook sprake van commerciële functies in de plint,
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 46
bestaande uit detailhandel, horeca en kantoor. De projectlocatie zelf kan daarom getypeerd worden als een gebied met functiemenging. Het begrip 'gebied met functiemenging' wordt gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder voorwaarden toelaatbaar zijn. Binnen deze gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure zijn dan niet toepasbaar. In bijlage 4 van de VNG-brochure is een voorbeeld-Staat-van-Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging opgenomen, die specifiek gericht is op de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten binnen gebieden met functiemenging. Deze voorbeeld-Staat-van-Bedrijfsactiviteiten bevat geen richtafstanden maar categorieën A, B en C die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen. Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen. Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; 2. productie en/of laad en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3.
de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; 4. activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. De commerciële functies die binnen deze ontwikkeling aanwezig zijn dan wel mogelijk worden gemaakt, kunnen allen onder categorie A geschaard worden. Voor detailhandel geldt dat op basis van de lijst een supermarkt/warenhuis categorie B geldt, echter kan gelet op de omvang (450 m2) niet gesproken worden van een volwaardige supermarkt en eveneens niet van een warenhuis. De supermarkt betreft eerder een ‘to go’ supermarkt zoals men vaak aantreft in of nabij stations, ook wel getypeerd als ‘gemakssupermarkt’ met een beperkt aanbod, in dit geval veel verse en kant-en-klare producten. Voor deze functie kan daarom ook aangesloten worden bij categorie A. Bovenstaande betekent dat het combineren van genoemde functies in het woongebouw in het kader van bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen oplevert.
4.5.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
4.6 EXTERNE VEILIGHEID 4.6.1
Algemeen
Wettelijk kader Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 47
gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Het IPO (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd. Visie Externe Veiligheid 2012-2020 Op 10 juli 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiedam de Visie Externe Veiligheid 2012-2020 vastgesteld. In deze visie is invulling gegeven aan de beleidsvrijheid inzake de verantwoording van het GR. In de visie is aangegeven op welke wijze de gemeente plannen en/of projecten welke gevolgen hebben voor de externe veiligheidssituatie beoordelen en verantwoorden. Onderdeel van de visie is het kwetsbaarheidszonemodel zoals deze door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is ontwikkeld. Met het model wordt de kwetsbaarheid van een object in relatie gebracht met de risicobron, om zo vroegtijdig te kunnen bepalen welke objecten en functies aanvaardbaar zijn op een bepaalde locatie. De visie bevat een tweetal signaleringskaarten. De eerste kaart geeft de zones aan waar nader onderzoek naar de externe veiligheid vereist is. De kaart is gebaseerd op de invloedsgebieden van de diverse voor de externe veiligheid relevante risicobronnen.
De tweede kaart beschrijft de zones waar vestiging of uitbreiding van kwetsbare functies ongewenst is.
4.6.2
Onderzoek risicobronnen
Voor de beoordeling van externe veiligheid is o.a. gebruik gemaakt van de gegevens die zijn opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan “Schieveste 2021”. Met dit ontwerpbestemmingsplan wordt een grootschalige ontwikkeling mogelijk gemaakt waarbinnen (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. In het kader van externe veiligheid heeft recentelijk een nadere beoordeling en onderzoek plaatsgevonden (Kuiper Compagnons, d.d. 7 september 2020). Een relevante risicobron in de nabijheid van de projectlocatie betreft de A20, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt daarnaast ook plaats over de Tjalklaan (ten oosten) en de ’s-Gravelandseweg (ten westen). Tot slot ligt ten noorden van de A20 een aardgastransportleiding (W-521-03). Op de verschillende risicobronnen en de invloed van de ontwikkeling op de externe veiligheidsrisico’s, wordt hieronder ingegaan. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Transport van gevaarlijke stoffen over de weg vindt over een aantal wegen plaats, die hieronder nader worden toegelicht. In alle gevallen geldt, dat de projectlocatie buiten de 200 meter basisnetafstand gelegen is, waardoor niet direct een berekening van het groepsrisico noodzakelijk is. De invloedsgebieden voor het groepsrisico en het plaatsgebondenrisico worden hieronder uiteengezet. Rijksweg A20 Op een afstand van ca.
250 meter ten noorden van de projectlocatie, is de Rijksweg A20 gelegen. Over de
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 48
A20 worden diverse stofcategorieën vervoerd. De A20 heeft een plaatsgebonden risicocontour van 20 meter gerekend vanuit de as van de weg. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 meter. Gelet op de afstand tot de projectlocatie, geldt dat de woontoren ruim buiten de plaatsgebonden risicocontour en bijbehorend plasbrandaandachtsgebied wordt gerealiseerd. Het PR vormt geen belemmering. Voor het groepsrisico zijn de stofcategorieën en bijbehorende invloedsgebieden relevant. De stofcategorieën die over de A20 worden vervoerd, zijn weergegeven in tabel 7. Te zien is dat invloedsgebieden van de categorieën LT1, LT2, GF3 (LPG) en GT3 over het projectgebied reiken. Voor de overige stofcategorieën geldt, voor zover ze over de A20 worden vervoerd, dat het invloedsgebied niet tot het projectgebied reikt. tabel 7. Stofcategorieën A20 (bron: onderzoek EV Kuipers Compagnons, d.d. 7 september 2020)
Tjalklaan en ’s-Gravelandseweg Over de Tjalklaan en de ’s-Gravelandseweg wordt stofcategorie GF3 (LPG) vervoerd. Zoals hierboven aangegeven is het invloedsgebied voor LPG gesteld op 355 meter. Het bouwplan Terras aan de Schie vindt plaats op een afstand van ca. 1.600 meter vanaf de Tjalklaan. De ’s-Gravelandseweg ligt op een afstand van ca. 250 meter ten opzichte van het projectgebied. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling wel gelegen is binnen het invloedsgebied van de ’s-Gravelandseweg, maar buiten die van de Tjalklaan. De ’s-Gravelandseweg heeft geen PR-contour buiten de weg en ook een plasbrandaandachtsgebied ontbreekt. Transport gevaarlijke stoffen buisleidingen Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen betreft in dit geval een hogedruk aardgastransportleiding ten noorden van de A20. Uit het externe veiligheidsonderzoek voor bestemmingsplan “Schieveste 2021” blijkt dat de binnen het invloedsgebied van de gasleiding geen sprake is van een relevante plaatsgebonden risicocontour. Het invloedsgebied van de gasleiding is gesteld op 170 meter. Aangezien de ontwikkeling van Terras aan de Schie plaatsvindt op een afstand van ca. 330 meter, treden geen onaanvaardbare risico’s op ten aanzien van externe veiligheid.
4.6.3
Relatie tot ontwikkeling
De locatie is gelegen buiten het verantwoordingsgebied van de rijksweg A20, maar binnen het invloedsgebied voor GF3 en voor de toxische stoffen die over deze weg vervoerd worden. Tevens is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied GF3 van de 's-Gravelandseweg. Uit berekeningen van het groepsrisico voor de A20 blijkt dat reeds in de huidige situatie een overschrijding van de oriëntatiewaarde plaatsvindt. Op dit moment is sprake van een GR van 1,38. Conform de huidige planologische situatie geldt dat een kantoorgebouw van ca. 9.180 m2 bvo in gebruik kan worden genomen. Binnen die oppervlakte is ook ruimte voor een (kleine) supermarkt. Voor zowel kantoren als winkels, dient op basis van de ‘Handreiking verantwoording groepsrisico externe veiligheid’ voor de
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 49
populatiedichtheid te worden uitgegaan van 1 persoon (werknemer) per 30 m2 bvo. Op basis van de ingeschatte omvang van de huidige bebouwing, bedraagt het aantal aanwezige personen binnen het gebied ca. 306 personen, overwegend aanwezig gedurende de dagperiode. Voor woningen dient uit te worden gegaan van 2,4 personen per woning. Met 130 woningen bedraagt de populatiedichtheid 312. Daar dient het aantal personen binnen de commerciële functies bij te worden opgeteld. Uitgaande van 650 m2 kantoor, 440 m2 detailhandel en 330 m2 horeca, dient uit te worden gegaan van 47,2 personen extra in het gebouw. Het totaal bedraagt daarmee 359 personen ten opzichte van de huidige 306 personen. In aanvulling op het bovenstaande dient te worden opgemerkt dat transport van gevaarlijke stoffen voor 80% gedurende de dagperiode plaatsvindt. Slechts 20% vindt plaats in de avond-/nachtperiode. Voor woningen geldt een aanwezigheidsfactor van 0,5 gedurende de dagperiode en 1 gedurende de avond-/nachtperiode. Voor het huidige gebruik geldt daarentegen juist dat de populatiedichtheid tijdens kantooruren (dagperiode) het hoogst is. Voor de dagperiode, het tijdvak waarin 80% van de transportbewegingen plaatsvindt, geldt daarom dat uit kan worden gegaan van 156 personen voor woningen en 47,2 voor de overige functies. Hiermee komt het totaal tijdens de dagperiode uit op ca.
203 personen in de nieuwe situatie, ten opzichte van de 306 personen in de huidige situatie. Gedurende de dagperiode neemt het groepsrisico daarom af ten opzichte van de huidige situatie. Voor de avondperiode geldt dat het aantal aanwezige personen met 53 personen toeneemt. Dit aantal heeft nauwelijks invloed op het groepsrisico. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat tijdens de avond-/nachtperiode slechts 20% van de totale transportbewegingen met gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Verantwoording groepsrisico Het toevoegen van personen binnen een gebied kan invloed hebben op de mate van het groepsrisico. Hierboven is reeds gemotiveerd dat het aantal personen ten opzichte van de huidige situatie nagenoeg gelijk blijft en gedurende de dagperiode zelfs iets afneemt. De ontwikkeling heeft daarom naar verwachting geen invloed op het groepsrisico. Ook wanneer rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van Schieveste, waarin 3.000 tot 3.500 woningen worden gerealiseerd (althans zijn onderzocht), geldt dat de beperkte toename ten opzichte van huidige gebruik naar verwachting nauwelijks invloed heeft op het groepsrisico. Onderstaand wordt daarom een beperkte verantwoording gegeven.
Besluit externe veiligheid transportroutes (beperkte verantwoording) In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is in artikel 7 opgenomen dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval wordt ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Toekomstige situatie aangaande toxische stoffen De Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) adviseert in het kader van bestemmingsplannen de volgende voorzieningen te realiseren teneinde de risico's te beperken en de zelfredzaamheid en de mogelijkheden voor de hulpverlening te vergroten: Ten aanzien van toxische scenario's geldt dat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen in het gebied verbeterd kunnen worden door de aanwezige gebouwen geschikt te maken om enkele uren in te schuilen. Hiervoor dienen deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar te zijn.
In gebouwen dient eveneens het centrale afzuigsysteem of luchtverversingssysteem
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 50
uitgeschakeld te kunnen worden. Bij mogelijke herontwikkeling van bestaande gebouwen dient hier ook rekening mee gehouden te worden. Indien zich een ongeval met toxische stoffen voordoet, is het van belang dat personen kunnen schuilen. Door er zorg voor te dragen dat de mechanische installaties in Terras aan de Schie handmatig worden uitgeschakeld, kan worden voorkomen dat luchttoevoer van buiten naar binnen toxische stoffen het gebouw in voert. Hierdoor kunnen gebruikers binnen schuilen wanneer een ramp zich voordoet. Bewoners en overige gebruikers, zullen worden geïnformeerd over dit risico en de wijze waarop zij zichzelf en anderen in veiligheid kunnen brengen. De woningen worden zo gerealiseerd dat is geborgd dat mensen vanuit de woningen kunnen vluchten in een richting die haaks op de transportroute staat. Het plangebied is via verschillende wegen vanuit verschillende richtingen bereikbaar. Hiermee is het plangebied tevens voldoende bereikbaar voor hulpdiensten. Op grond van de eisen in het Bouwbesluit 2012 is geborgd dat voldoende en geschikte blus- en koelwatervoorzieningen worden gerealiseerd. Toekomstige situatie aangaande brandbare gassen Dit scenario speelt voor vervoer van brandbare gassen over de A20 (LPG). De maximale effectafstand bij een ramp met een dergelijk gas bedraagt 355 meter.
De kortste afstand tussen de woningen in het projectgebied tot de A20 bedraagt ca. 250 meter. Hiermee is het plangebied buiten de 100%-letaliteitszone gelegen waardoor de kans op bestrijdbaarheid van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen wordt vergroot. In verband met de situering binnen de effectafstand van brandbaar gas (LPG), dient rekening te worden gehouden met een rampscenario waarbij dit brandbaar gas betrokken is of kan zijn. Uit het Scenarioboek Externe Veiligheid1 kan worden opgemaakt welke scenario’s kunnen ontstaan met ketelwagens die betrokken zijn bij een ramp. Voor spoortransport over dit traject zijn de effecten van een BLEVE beschouwd. Hiervoor is gebruik gemaakt van de scenariokaarten uit het Scenarioboek. Vanuit een worst-case benadering is uitgegaan van de koude BLEVE, die de meeste effecten kent. Op dit scenario wordt aan de hand van de afstand tussen het ongeval en het te realiseren object, inzichtelijk gemaakt wat de eventuele effecten als gevolg van een ramp kunnen zijn. Dit effect is in kaart gebracht voor zowel personen als voor objecten.
1
https://www.scenarioboekev.nl/
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 51
figuur 21. Effecten personen als gevolg van een koude BLEVE (https://www.scenarioboekev.nl/472/)
figuur 22. Effecten objecten als gevolg van een koude BLEVE (https://www.scenarioboekev.nl/472/)
De projectlocatie is gelegen in de derde ring ten opzichte van de risicobron. Op een afstand van 250 meter, is slechts sprake van beperkte effecten op het moment dat zich een BLEVE voordoet. Voor verwonding van personen die zich buiten bevinden, kan de situatie ontstaat dat 28 of minder slachtoffers lichtgewond raken (T3). Voor gebouwen of overige objecten geldt lichte schade. Van brand is geen sprake, wel kan sprake zijn van afbladderende verf en/of ernstige verkleuringen. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat gebruikers binnen de bestaande bebouwing zichzelf in veiligheid kunnen brengen door binnen te blijven. Van onaanvaardbare risico’s is geen sprake. Daarnaast is voor beide scenario's goede risicocommunicatie vanuit het bevoegd gezag gewenst. Het bevoegd gezag draagt de zorg voor een goede voorlichting en instructie in de richting van de huidige en toekomstige bewoners en gebruikers van bestaande en nieuwbouwlocaties, zodat men weet welke risico's aanwezig zijn en hoe bewoners en gebruikers moeten handelen in het geval van een optredend incident. Met het nemen van bovengenoemde maatregelen wordt de kans op een ramp binnen het projectgebied en daarmee het restrisico tot een minimum beperkt, waardoor de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar wordt geacht.
4.6.4
Conclusie
Externe veiligheid vormt gelet op het bovenstaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied. Het groepsrisico neemt iets toe, maar de toename bedraagt minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Er kunnen goede maatregelen worden getroffen om risico’s tot een minimum te beperken. Het risico wordt aanvaardbaar geacht.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 52
4.7 ROTTERDAM THE HAGUE AIRPORT (RTHA) 4.7.1
Algemeen
Verdrag van Chicago en Luchtvaartwet In het kader van de Luchtvaartwet zijn er mede vanuit Europese wetgeving bepalingen en restricties opgenomen ten aanzien van hoogbouw in gebieden rondom vliegvelden. Ter bescherming van de vertrek- en naderingsprocedures van vliegtuigen gelden er hoogtebeperkingen rond luchthavens op basis van internationale burgerluchtvaartcriteria. Deze beperkingen vinden hun oorsprong in de internationale ICAOcriteria. Het gaat in de eerste plaats om hoogtebeperkingen. Deze bewerkstelligen dat in beginsel geen objecten (oftewel: 'obstakels') met een bepaalde hoogte worden opgericht die de vliegveiligheid in gevaar kunnen brengen. Daarnaast gelden er diverse beperkingen die ervoor zorgen dat de vliegveiligheid niet anderszins in gevaar wordt gebracht, zoals beperkingen ten aanzien van bestemmingen die apparatuur voor radiocommunicatie, navigatie en plaatsbepaling verstoren of die vogels aantrekken. Het ICAO-document Annex 14 maakt als bijlage deel uit van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart. Nederland dient zich hier verdragsrechtelijk aan te houden, omdat Nederland het Verdrag van Chicago, het 'verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart', heeft geratificeerd. De bepalingen hebben daarom in principe een directe doorwerking op het nationaal recht.
Op enkele onderdelen is het nationaal recht strenger dan het Europees recht in dezen. Luchthavenbesluit RTHA Op grond van de Wet luchtvaart dient voor alle luchthavens in Nederland te worden voorzien in een Luchthavenbesluit waarin de beperkingengebieden zijn opgenomen. Tot 2009 was de besluitvorming over luchthavens gereguleerd in de Luchtvaartwet. Sinds 2009 is de in de Luchtvaartwet opgenomen procedure voor aanwijzing van luchtvaartterreinen vervangen door de in de Wet luchtvaart neergelegde procedure op grond waarvan voor die luchthaven een luchthavenbesluit wordt vastgesteld. Tot 1 mei 2013 functioneerde Rotterdam The Hague Airport op basis van een aanwijzingsbesluit, welke verankerd was in de Luchtvaartwet (oud). Met de inwerkingtreding van de Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) is voor luchthavens een nieuw stelsel van bepalingen in werking getreden. Sinds 1 mei 2013 is de ‘Omzettingsregeling luchthaven Rotterdam The Hague Airport’ van kracht. Vanaf dat moment geldt het nieuwe stelsel voor burgerluchthavens, zoals opgenomen in hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart, voor Rotterdam The Hague Airport. Deze omzettingsregeling moet vervangen worden door een geheel nieuw en volledig luchthavenbesluit op basis van de Wet luchtvaart. Het nieuwe luchthavenbesluit is thans nog in ontwikkeling.
Op 17 juli 2015 is door het (voormalige) Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) een rapport opgesteld met de naam ‘Obstakelvlakken en beperkingengebieden Luchthavenbesluit Rotterdam – The Hague Airport’. In het rapport zijn de uitgangspunten van het beperkingengebied in verband met vliegveiligheid uiteengezet. Voor de luchthaven van Rotterdam The Hague Airport loopt daarnaast een m.e.r.-traject dat moet leiden tot een nieuw luchthavenbesluit. Dit luchthavenbesluit bevat onder meer een aanduiding van gebieden met ruimtelijke beperkingen voor het borgen van de vliegveiligheid rondom de luchthaven. Vooralsnog is de verwachting dat voor het nieuwe luchthavenbesluit, aangesloten wordt op de uitgangspunten zoals opgenomen in voornoemd rapport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. In dit rapport zijn o.a. kaarten van de beperkingengebieden voor het luchthavenbesluit en van de uitgangspunten die gebruikt zijn bij het vastleggen van deze gebieden opgenomen. Daarnaast zullen de uitkomsten uit het Milieueffectrapport worden meegenomen.
4.7.2
Relatie tot ontwikkeling
Totdat het nieuwe luchthavenbesluit in werking is getreden, is de Wet geluidhinder nog niet rechtstreeks van toepassing op onderhavig project. Wel is Nederland vanuit Europeesrechtelijk verband verbonden aan de beperkingen binnen de Annex 14 hoogtevakken. Het rapport ‘Obstakelvlakken en beperkingengebieden Luchthavenbesluit Rotterdam – The Hague Airport’ geeft de (concept)kaarten die naar verwachting te zijner tijd worden opgenomen in het nieuwe Luchthavenbesluit. Hieronder wordt daarop ingegaan. Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 53
Annex 14 hoogtevlakken In onderstaande figuur zijn de hoogtebeperkingen gegeven op basis van het rapport ‘Obstakelvlakken en beperkingengebieden Luchthavenbesluit Rotterdam – The Hague Airport’. De projectlocatie is globaal weergeven met de rode cirkel. Uit de kaart is af te leiden dat de projectlocatie gelegen is binnen de 40,7 metercontour. Het gaat hier om de zogeheten ‘Inner horizontal en Conical Surfaces’, die dienen om rondom de luchthaven een obstakelvrije ruimte te creëren voor vliegtuigen die door omstandigheden afwijken van de normale vliegprocedures. figuur 23. Annex 14 hoogtebeperkingen in meters ten opzichte van NAP
De voorgenomen ontwikkeling realiseert een woongebouw waarbij de bouwhoogte wordt verhoogd tot ca. 55,5 meter. Dit betekent dat het Annex-14 toetsvlak wordt doorsneden. In dat verband wordt verwezen naar het ontwerpbestemmingsplan “Schieveste 2021” en bijbehorende bijlagen. Het plangebied van “Schieveste 2021” is gelegen op een afstand van ca. 100 meter ten opzichte van Terras aan de Schie. Op basis van dat bestemmingsplan ontstaat na vaststelling de mogelijkheid het gebied te herontwikkelen tot levendig woon-werkgebied, met hoogteaccenten van 65, 85 en 90 meter. In het kader van de planvoorbereiding is door aeronautisch adviesbureau To702 een studie uitgevoerd naar het effect van de bouwhoogten in het plangebied op de luchtvaart en zijn de plannen voor Schieveste voorgelegd aan de Luchtverkeersleiding Nederland, die op hun beurt de plannen ter advisering hebben voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport. Hieruit is gebleken dat met het realiseren van bouwhoogten tot 70 meter geen negatieve effecten op de luchtvaart te verwachten zijn. De ontwikkeling van Terras aan de Schie vindt plaats in de schaduw van Schieveste. De beoogde bouwhoogte overschrijdt de acceptabel geachte maximale bouwhoogte van 70 meter niet. Daarnaast wordt Terras aan de Schie (iets) verder van RTHA gerealiseerd. Gelet op de resultaten uit het onderzoek voor de 2
To70 is het aeronautisch adviesbureau dat tevens het rapport ‘Obstakelvlakken en beperkingengebieden Luchthavenbesluit Rotterdam – The Hague Airport’ heeft opgesteld.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 54
herontwikkeling Schieveste, wordt vooralsnog geconcludeerd dat de beoogde bouwhoogte van 55,5 meter in onderhavige ontwikkeling eveneens niet tot belemmeringen voor de luchtvaart leidt. In het kader van het vooroverleg met de bestuurlijke overlegpartners, worden de plannen ter advies toegezonden aan LVNL. Resultaten uit dit advies worden meegenomen in de verdere planontwikkeling.
4.7.3
Conclusie
Met de beoogde bouwhoogte van 55,5 meter worden de Annex 14-hoogtevakken doorsneden. Uit advisering omtrent ontwikkelingen in de directe nabijheid van het projectgebied met een hogere bouwhoogte, blijkt dat bouwhoogten tot 70 meter in dit gebied geen belemmeringen opleveren voor de veiligheid in het luchtvaartverkeer. Belemmeringen worden vooralsnog niet verwacht. In het kader van het bestuurlijk vooroverleg zullen de plannen worden toegezonden aan de betrokken bestuurspartner(s).
4.8 GELUID 4.8.1
Algemeen
Wet geluidhinder In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Beleidsnota hogere waarden voor geluid 2010 Schiedam Het gemeentelijk geluidbeleid is vastgelegd in de “Beleidsnota Hogere waarden voor geluid Beleid en uitvoering in Schiedam”, d.d. november 2010. Het beleid is erop gericht om bij het vaststellen van een hogere waarde voor geluidgevoelige bestemmingen minimaal één geluidluwe zijde te creëren.
Het is daarbij belangrijk dat de geluidsituatie bij de geluidluwe zijde niet verstoord wordt door ander geluid dan waar het beleid over gaat. Bij redenen van evident maatschappelijk belang kan van dit beleid worden afgeweken. Het vaststellen van een hogere waarde door burgemeester en wethouders is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan bron (verkeer) of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen of verkeersreducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden. Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden is in principe geen geluidgevoelige functie mogelijk tenzij deze wordt voorzien van maatregelen (dove gevels).
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 55
4.8.2
Relatie tot ontwikkeling
Omdat woningen worden gerealiseerd is door Wolf+Dikken Adviseurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Wolf+Dikken heeft bij de beoordeling van de akoestische situatie ter plaatse van de beoogde woontoren een tweetal scenario’s onderzocht. Daarbij is rekening gehouden met een aantal mogelijke ontwikkelingen die plaats gaan vinden in de omgeving van het projectgebied. Het gaat om de ontwikkeling conform het Masterplan ‘Schieveste’, waarbij ca. 3.000 woningen aan het gebied worden toegevoegd, en een kantoortoren boven Station Schiedam. Het akoestisch onderzoek is ter toetsing voorgelegd aan de DCMR (Milieudienst Rijnmond). Op 27 november 2020 heeft de gemeente het advies van de DCMR ontvangen. De brief (kenmerk: 9999197358_9999897879) is opgenomen in bijlage 2 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Het akoestisch onderzoek (d.d. 29 mei 2020, laatst gewijzigd 5 mei 2021) is eveneens opgenomen in de bijlagen (bijlage 3) bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Door de DCMR is geadviseerd voor de beoordeling van de akoestische situatie ter plaatse van het beoogde woongebouw, niet uit te gaan van het ontwikkelscenario waarin rekening is gehouden met de overige ontwikkelingen in het gebied. Gezien de huidige marktomstandigheden is de daadwerkelijke ontwikkeling van deze twee bouwplannen onvoldoende zeker.
Daarnaast blijkt uit het akoestisch onderzoek dat scenario 1 een worst-case scenario weergeeft, terwijl in scenario 2 gunstigere resultaten (minder geluidbelasting en minder dove gevels) te verwachten zijn. Om die reden wordt in deze paragraaf in hoofdzaak ingegaan op de resultaten voor scenario 1 en waar nodig aangevuld met resultaten voor scenario 2. Een definitieve keuze voor het te hanteren scenario dient immers nog te worden gemaakt. In het kader van het te nemen hogere waardenbesluit (zie hierna), wordt hierover nader overleg gevoerd met de DCMR. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat de geprojecteerde woningen worden gerealiseerd in een gebied waar weg- en railverkeer voor geluidoverlast kan zorgen. De relevante geluidsbronnen zijn:
A20; ’s-Gravelandseweg / Horvathweg / Burgemeester van Haarenlaan (Brandersbrug) metro en lightrail; hoofdspoor Station Schiedam.
Op grond van het uitgevoerde onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
De voorkeursgrenswaarde wordt: o Overschreden als gevolg van het wegverkeer over de A20 o Overschreden als gevolg van het wegverkeer over de Brandersbrug o Overschreden als gevolg van het railverkeer op het hoofdspoor. In scenario 2 tevens als gevolg van railverkeer van de metro + lightrail. De hoogst optredende geluidbelasting bedraagt 62 dB (na aftrek 2 dB conform art. 110g Wgh). In scenario 2 bedraagt de hoogst optredende geluidbelasting 60 dB. De maximaal te ontheffen waarde wordt als gevolg van het wegverkeer over de A20 overschreden ter plaatse van de noord-, oost- en westgevels. Om het plan mogelijk te maken, zijn ter plaatse dove gevels vereist. In scenario 2 gaat het om de noord- en westgevels. De hoogst optredende gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van alle wegen bedraagt 68 dB (excl. aftrek art. 110g Wgh). In scenario 2 bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting 66 dB.
Uit het onderzoek blijkt dat het treffen van bronmaatregelen ter verlaging van de geluidbelasting niet doeltreffend is en stuit op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard. Het bovenstaande in acht nemende, wordt burgemeester en wethouders verzocht een Besluit hogere waarden te nemen voor de woningen gelegen aan de gevels met een hogere geluidbelasting dan 48 dB. In nader overleg met de DCMR wordt vastgesteld van welk scenario uit dient te worden gegaan bij het nemen van het hogere waardenbesluit. De vast te stellen hogere waarden per scenario zijn door Wolf+Dikken beschreven in de separate bijlagen bij het akoestisch onderzoek.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 56
Voor het verlenen van hogere waarden dienen de bouwplannen te voldoen aan het Schiedams ontheffingenbeleid (aanwezigheid geluidluwe gevels). Uit het akoestisch onderzoek van Wolf+Dikken blijkt dat deze bouwplannen voldoen aan de eisen, indien aanvullende maatregelen in acht worden genomen. Deze maatregelen zijn beschreven in hoofdstuk 7 van het akoestisch onderzoek. Het bouwplan is hierop aangepast en bevat vooralsnog de dove gevels volgens de worst-case situatie zoals berekend in scenario 1.
4.8.3
Conclusie
Als gevolg van diverse geluidbronnen wordt de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting overschreden. Dit geldt zowel voor het basisscenario als voor het scenario waarin rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen in de directe omgeving van het bouwplan. In overleg met de DCMR wordt in het kader van de hogere waardenprocedure bepaald van welk scenario uit dient te worden gegaan. In deze geluidparagraaf is op advies van de DCMR ingegaan op scenario 1 (zonder ontwikkelingen), waarmee tevens de worst-case situatie is beschouwd. Op enkele onderdelen is de vergelijking gelegd met scenario 2, waarbinnen een minder hoge belasting optreedt en derhalve minder dove gevels noodzakelijk zijn. Wel geldt in aanvulling op scenario 1 dat in scenario 2 ook de voorkeursgrenswaarde voor railverkeer als gevolg van de metro en lightrail wordt overschreden. In het bouwplan wordt vooralsnog uitgegaan van het toepassen van dove gevels volgens scenario 1, waardoor geluidreducerende maatregelen worden getroffen die ertoe leiden dat een hogere waardenbesluit kan worden verleend. Indien hogere waarden worden verleend, vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 BODEM 4.9.1
Algemeen
Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
4.9.2
Relatie tot ontwikkeling
De beoogde ontwikkeling omvat de renovatie en transformatie van een bestaand pand dat voorheen in gebruik is geweest als kantoortoren. Vanaf de derde bouwlaag worden appartementen voorzien. Van buitenruimten in de vorm van tuinen, waardoor toekomstige gebruikers in aanraking zouden kunnen komen met eventueel vervuilde grond, is in het geheel geen sprake. Bodemonderzoek wordt vooralsnog niet noodzakelijk geacht in het kader van de planologische procedure. Naast de planologische procedure voor het verkrijgen van de toestemming voor voorziene gebruik is ook een bouwvergunning noodzakelijk. Indieningsvereiste bij die aanvraag is een bodemonderzoek. In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ wordt te zijner tijd wel een bodemonderzoek uitgevoerd.
4.9.3
Conclusie
In het kader van de planologische procedure is een (verkennend)bodemonderzoek niet noodzakelijk. In een later stadium wordt evenwel met het oog op de omgevingsvergunning voor het bouwen een bodemonderzoek uitgevoerd.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 57
4.10 LUCHTKWALITEIT 4.10.1 Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:
woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
4.10.2 Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 130 woningen en enkele commerciële ruimten. Oordelend op basis van bovenstaande voorbeelden kan geconcludeerd worden ruim onder de genoemde aantallen wordt gebleven, zodat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat Met behulp van de NSL Monitoringstool (geraadpleegd d.d. 6 juni 2019) zijn de grootschalige achtergrondconcentraties in kaart gebracht. Te zien is dat in 2017 de concentraties van stikstofdioxide NO2 24,4 µg/m3, van fijnstof PM10 19,7 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 12,0 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. De beoogde ontwikkeling is niet van zodanige omvang dat de gestelde grenswaarden worden overschreden. tabel 8. Achtergrondconcentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied
Jaar 2020 2030 EU-grenswaarden WHO-advieswaarden
Mees Ruimte & Milieu | 19295
GCN-achtergrondconcentratie rekenpunt ID 15941969 NO2 (µg /m3) PM10 (µg/m3) PM2,5 (µg/m3) 25,7 20,4 12,0 17,5 17,1 9,6 40 40 25 40 20 10
Pagina | 58
De ambitie binnen de gemeente Schiedam is bij woningen een zodanig ventilatie- en/of filtersysteem toe te passen dat de WHO-advieswaarden in de binnenlucht niet worden overschreden. De mogelijkheden voor het toepassen van een dergelijk systeem zullen worden onderzocht.
4.10.3 Conclusie Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.
4.11 NATUUR 4.11.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.
Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
4.11.2 Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door bureau Maerlant een ecologische quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van september 2020 is bijgevoegd in bijlage 4 bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 59
Soortenbescherming Uit de ecologische quickscan blijkt dat binnen het projectgebied (of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden) potentiële natuurwaarden aanwezig zijn waar rekening mee moet worden gehouden bij de realisatie van het projectplan. Het gaat om de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels met nietjaarrond beschermde nesten. Voor vogels met niet-jaarrond beschermde nesten geldt dat goed rekening kan worden gehouden met de soort door verstorende werkzaamheden of werkzaamheden waarbij nesten kunnen worden vernield, plaats te laten vinden buiten het broedseizoen. Vleermuizen zijn in de omgeving waargenomen, maar kunnen geen gebruik maken van het te herontwikkelen gebouw. Het gebouw is door afwerking en/ of de constructie ontoegankelijk voor vleermuizen. Muren zijn gaaf, zonder voor vleermuizen aanwezige openingen. Gevelelementen sluiten nauw aan. Dakranden zijn afgewerkt met gladde metalen platen, zodat grip voor vleermuizen ontbreekt. Op grotere hoogte waren tussen betonelementen spleten aanwezig, echter ook hier ontbreken mogelijkheden voor vleermuizen om naar binnen te kunnen doordat eveneens sprake is van glad materiaal. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan daarom worden uitgesloten. Het plangebied zelf heeft als foerageergebied door de aanwezigheid van de bebouwing en de bomen nabij de bebouwing mogelijk enige betekenis.
Het oppervlak geschikt foerageergebied is echter klein, zodat op voorhand géén sprake kan zijn van essentieel foerageergebied. De waterpartij ten westen van het plangebied (Schiedamse Schie) kan functie hebben als vliegroute voor vleermuizen. Er vinden echter geen ingrepen plaats aan en/of direct nabij deze structuur. Negatieve effecten op de foerageer- en navigeermogelijkheden van vleermuizen worden in deze context niet verwacht. Van overige (streng) beschermde soorten is eveneens geen sprake, wegens het ontbreken van geschikt biotoop. Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied gelegen. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de zuidelijk gelegen Oude Maas, op een afstand van ruim 8 kilometer. Gelet op de afstand tot dit natuurgebied is voldoende aannemelijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de instandhouding er van. Dit blijkt onder andere uit de stikstofdepositieberekening die is opgesteld door Wolf+Dikken Adviseurs, waarvan de notitie d.d. december 2020 als bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van depositieresultaten van meer dan 0,00 mol/ha/jr. Het projectgebied is daarnaast ook niet in of in de nabijheid van het NNN of andere provinciaal beschermde gebieden gelegen.
4.11.3 Conclusie Van negatieve effecten op gebiedsbescherming en soortenbescherming is geen sprake. Een ontheffing of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom niet nodig. Het natuuraspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.12 BESLUIT M.E.R. 4.12.1 Algemeen Op grond van het arrest van het Europese Hof van Justitie van 15 oktober 2009 geldt dat niet alleen de vraag of een MER-beoordelingsplicht geldt niet alleen afhankelijk is van de omvang van het project, maar dat ook beoordeeld moet worden of het project gelet op de andere selectiecriteria van bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn door de aard en ligging aanzienlijke milieugevolgen tot gevolg zou kunnen hebben. Beoordeeld is of sprake is van dusdanige milieugevolgen dat een MER-(beoordelings)procedure vereist is. Gelet op de Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 60
schaal van het project, de situering binnen bebouwd stedelijk gebied, het gebied reeds werd gebruikt voor stedelijke functies en de kenmerken van de potentiële effecten van een dergelijk project zullen geen belangrijke negatieve milieueffecten optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten, zoals deze eerder in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Geconcludeerd wordt dat voor het bestemmingsplan geen MER-(beoordelings)procedure conform het Besluit milieueffectrapportage vereist is. Op grond van de Wet milieubeheer worden activiteiten aangewezen welke belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu, of waarvoor beoordeeld moet worden of deze activiteiten nadelige invloed hebben. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven welke activiteiten in het kader van een bestemmingsplan planMER-plichtig, projectMER-plichtig of MERbeoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de genoemde activiteiten welke niet aan de drempelwaarden voldoen, te beoordelen of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben (gelet op kenmerken, locatie en potentiële effecten).
4.12.2 Relatie tot ontwikkeling De transformatie van een kantoorpand betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat sprake is van een bestaand pand op een binnenstedelijke locatie, gelegen in een sterk verstedelijkt gebied. Het project heeft een beperkte oppervlakte, binnen de context van dit verstedelijkte gebied, en voorziet in de toevoeging van een beperkt aantal woningen aan de totale woningvoorraad van Schiedam. Aangezien geen sprake is van een stedelijke ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, is voor dit plan geen een m.e.r.beoordeling vereist. Ook een Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. is niet noodzakelijk.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 61
Hoofdstuk 5 Beschrijving uitvoerbaarheid 5.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Een doel van de Wet ruimtelijke ordening inclusief de Grondexploitatiewet is dat gemeenten regie en sturing hebben op de ruimtelijke ontwikkelingen in de stad (ook voor gebieden zónder gemeentelijk grondbezit). De wetgeving verplicht om de kosten die de gemeente maakt ten behoeve van die ontwikkeling te koppelen aan de ruimtelijke doelstellingen en te verhalen op diegene die de ontwikkeling tot stand brengt. Het gaat hierbij om zowel fysieke kosten (uitvoeringskosten) als ontwikkelingskosten (planvoorbereidings- en planbegeleidingskosten). Bovenplanse kosten en kosten voor ruimtelijke ontwikkelingen worden verankerd in een structuurvisie. Bij een bestemmingsplan dan wel een besluit tot afwijking van het bestemmingsplan hoort een exploitatieplan of overeenkomst. Het kostenverhaal wordt geëffectueerd met een overeenkomst (anterieur of posterieur). Relatie tot ontwikkeling Op grond van artikel 6.2.1 van het Bro geldt de bouw van één of meerdere woningen als een bouwplan waarvoor een exploitatieplan of (anterieure) overeenkomst gesloten dient te worden. Ten behoeve van de herontwikkeling aan het Stationsplein te Schiedam wordt daarom een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Schiedam en Ultee Bouw en Management BV.
Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer. Ook andere financiële afspraken kunnen hierin worden vastgelegd.
5.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Procedureel Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd. Participatie Buiten de inspraakmogelijkheden binnen de procedure, is het van belang omwonenden en overig betrokkenen bij de planontwikkeling te betrekken. Omdat de ontwikkeling van Terras aan de Schie niet de enige ontwikkeling in het gebied is, vindt afstemmingsoverleg plaats met Blauwhoed, de ontwikkelaar van het plan s’MAAK. De ontwikkelaar van onderhavig project en van s’MAAK, zullen gezamenlijk optrekken in de communicatie richting de omgeving. Ten behoeve van dit omgevingsdialoog wordt in samenwerking met de gemeente Schiedam in kaart gebracht welke stakeholders zich in het gebied bevinden. Zij worden allen schriftelijk benaderd en uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst. Gelet op de huidige situatie rondom het COVID-19 virus, zal dit naar verwachting digitaal plaats moeten vinden.
Tijdens een ‘zoom-meeting’ kunnen de plannen worden toegelicht door ontwikkelaar, architect en gemeente, en krijgen de stakeholders de Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 62
gelegenheid op het initiatief te reageren. De uitkomsten van het overleg worden verwerkt in een verslag, dat zal worden gedeeld met alle aanwezigen en betrokkenen. Mocht uit het overleg blijken dat behoefte bestaat aan meerdere contactmomenten, kan hier in samenspraak met de stakeholders nader invulling aan worden gegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 63
Hoofdstuk 6 Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid Ultee Bouw en Management BV is voornemens het bestaande kantoorgebouw, momenteel in gebruik als tijdelijk woongebouw, te her ontwikkelen tot nieuw, permanent woongebouw met commerciële ruimten in de plint. Het projectplan bestaat uit de realisatie van 130 appartementen op een tweelaagse plint met horeca-, kantoor- en detailhandelsvoorzieningen. De projectlocatie is gelegen in de directe nabijheid van station Schiedam Centrum, met aan de westzijde de Schie. Voor de ontwikkeling is het doorlopen van een planologische procedure noodzakelijk. De procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’. In voorliggende rapportage is de daartoe noodzakelijke Goede Ruimtelijke Onderbouwing gegeven, waarmee de ruimtelijke en functionele inpasbaarheid van de ontwikkeling is gemotiveerd. De ontwikkeling is getoetst aan het relevante ruimtelijk beleid vanuit de verschillende bestuurslagen. Het beoogde programma is in lijn met beleid op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Met het voorziene woonprogramma wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte aan woningbouw. De commerciële functies en het woonprogramma ondersteunen elkaar, en tegelijkertijd leidt het toevoegen van de verschillende functies tot een impuls in het gebied.
De ontwikkeling draagt bij aan diverse beleidsuitgangspunten, waaronder naast het voorzien in voldoende woningen ook in het realiseren van een struingebied langs de Schie vanaf het station tot de binnenstad van Schiedam. Voor het project wordt gelet op de specifieke omstandigheden van de ontwikkeling en de projectlocatie voorzien in voldoende parkeergelegenheid, door parkeerplaatsen te verwerven in een nabijgelegen parkeergarage. De ontsluiting van het gebied is mede dankzij de ligging nabij OV-knooppunt Schiedam Centrum, de Horvarthweg/Brandersbrug en de Rijksweg A20 goed voor diverse vervoerstypen. De ontwikkeling is daarnaast getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en bijbehorende wet- en regelgeving. Waar nodig zijn de beschouwingen gebaseerd op sectoraal onderzoek. Onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder heeft aangetoond dat een besluit hogere waarden nodig is. In het onderzoek zijn twee scenario’s onderzocht, waarbij al dan niet rekening wordt gehouden met overige ontwikkelingen in het gebied. Als gevolg van diverse geluidbronnen wordt in beide scenario’s de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting overschreden. In het plan kunnen echter diverse maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting te reduceren, waardoor kan worden voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld voor het vaststellen van hogere waarden.
In het kader van het te nemen hogere waardenbesluit zal nog verdere afstemming met de DCMR plaatsvinden, zodat de maatregelen kunnen worden afgestemd op het uiteindelijk te hanteren scenario. Voor het overige geldt dat geen nader milieutechnisch onderzoek nodig was, of dat uit onderzoek dan wel afstemming met het bevoegd gezag is gebleken dat de betreffende aspecten de uitvoerbaarheid van het project niet belemmeren. De ruimtelijke en milieutechnische inpasbaarheid van de ontwikkeling is voldoende aangetoond.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 64
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Advies BOOR, d.d. 20 september 2020
Pagina | 65
Onderwerp: A2020198 Gemeente Schiedam, Overschieseweg, Terras aan de Schie Bezoek-/postadres: Archeologie Rotterdam (BOOR) Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Internet: www.rotterdam.nl/archeologie
Retouradres: Ceintuurbaan 213b, 3051 KC Rotterdam
Uvastgoed BV t.a.v. de heer R. Honig Postbus 944 3000 AX ROTTERDAM
Van: mw. dr. A.V. Schoonhoven Telefoon: 010 - 489 85 15 E-mail: av.schoonhoven@rotterdam.nl Ons kenmerk: AS20/11858-20/0018052 Datum: 30 september 2020 Kopie aan: de heer A.G. van Vliet (gemeente Schiedam)
Geachte heer Honig, De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) heeft op uw verzoek en namens de gemeente Schiedam de noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van het bouwplan ter plaatse van de Overschieseweg te Schiedam, gemeente Schiedam beoordeeld. Aan de hand van de beoordeling is onderstaand advies opgesteld. Advies De afdeling Archeologie ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente Schiedam dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Wel wordt benadrukt dat er altijd rekening dient te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 het bevoegd gezag, de gemeente Schiedam, te informeren. Onderbouwing Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Schiedam (AWK 2008) wordt aan de locatie een zeer hoge archeologische verwachting toegekend.