Bijlage 3 Nota van Zienswijzen bestemmingsplan Schieveste
Tekst van het document
Gemeente Schiedam
Postbus 1501 3100 EA Schiedam Stadskantoor Stadserf 1 3112 DZ Schiedam T 14 010 W www.schiedam.nl
Nota van zienswijzen Schieveste: bestemmingsplan, milieueffectrapportage, besluit hogere waarden (geluid) en welstandsparagraaf
Gemeente Schiedam
Postbus 1501 3100 EA Schiedam Stadskantoor Stadserf 1 3112 DZ Schiedam T 14 010 W www.schiedam.nl
Inleiding Op 25 november 2020 zijn het ontwerp-bestemmingsplan Schieveste, de milieueffectrapportage Schieveste, de ontwerp-welstandsparagraaf Schieveste en het ontwerpbesluit voor het vaststellen van hogere waarden (geluid) bekend gemaakt. De bekendmaking vond plaats door publicatie in de Staatscourant, het Gemeenteblad en het Nieuwe Stadsblad. De ontwerpen hebben vanaf 26 november 2020 tot en met 6 januari 2021 ter inzage gelegen op het stadskantoor en waren digitaal beschikbaar via de landelijke database www.ruimtelijkeplannen.nl. Een ieder is in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen ten aanzien van de ontwerpen. Gedurende de termijn van ter inzage legging zijn 6 zienswijzen ingediend ten aanzien van het bestemmingsplan. Geen zienswijzen zijn ontvangen ten aanzien van het besluit hogere waarden (geluid) en de welstandsnota. Buiten de termijn van ter inzage legging is 1 zienswijze ingediend ten aanzien van het bestemmingsplan. Daarnaast wordt in deze nota ingegaan op het wettelijk advies van de commissie MER en de wijzigingen die zijn doorgevoerd ten opzichte van het ontwerp van het bestemmingsplan.
Zienswijzen Zienswijzen zijn ontvangen van: 1. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland 2. Hoogheemraadschap van Delfland 3. ProRail 4. NS Stations B.V. 5. Delta Fiber Nederland B.V. 6. Roc Vastgoed 2 CV 7. Lentiz Onderwijsgroep (buiten termijn)
Inhoudelijke beoordeling zienswijzen 1.
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland
a.
Verzocht wordt de groepsrisicoverantwoording naar voren te brengen in het voorstel voor besluitvorming aan de raad. De hoeveelheid aan kantoren die mogelijk wordt gemaakt (35.600 m²) wijkt af van de hoeveelheid in de huidige kantorenvisie van de MRDH (22.750 m²). Verzocht wordt dit met elkaar in overeenstemming te brengen, bijvoorbeeld door aanpassing van de planlijst in de regionale kantorenvisie. Het detailhandelsbeleid laat het toe om bij een station kleinschalige detailhandel toe te voegen met een assortiment passend bij een station. De wijze waarop dit in de planregels is opgenomen legt geen beperkingen op in aantal of omvang van de in het station gevestigde detailhandel.
b.
c.
Reactie gemeente a. Aangegeven wordt dat kan worden ingestemd met de verantwoording van het groepsrisico, maar dat dit wel onderdeel zal moeten zijn van de besluitvorming van de raad. De verantwoording van het groepsrisico zal, als gebruikelijk bij een substantiële toename of overschrijding van de oriëntatiewaarde, onderdeel zijn van deze besluitvorming. b.
In de door u aanvaarde planlijst voor kantoren wordt de beschikbare plancapaciteit voor kantoren beschreven. Deze plancapaciteit voor nieuwe kantoren geldt aanvullend op de reeds aanwezige kantoren; de bestaande voorraad. Voor Schieveste geldt dat sprake was van een bestaande voorraad aan kantoren van 36.482 m². Dit aantal is onder ‘Voorraad 1 januari 2017’ opgenomen in de Strategie Werklocaties 2019-2030 van de MRDH. In het
1
bestemmingsplan Schieveste is bepaald dat maximaal 35.600 m² aanwezig mag zijn (artikel 4.5.1.b). Deze maximale oppervlakte is gelijk aan de bestaande voorraad op Schieveste. Voor de ontwikkeling van Schieveste wordt daarmee geen gebruik gemaakt van de resterende plancapaciteit uit de planlijst voor kantoren. Er wordt dan ook niet afgeweken van de vastgestelde kantorenvisie. Naar aanleiding van uw zienswijze is geconstateerd dat de plancapaciteit voor Schieveste foutief is weergegeven in de door u aanvaarde planlijst voor kantoren. In de planlijst is voor Schieveste een plancapaciteit opgenomen van 22.750 m². Dit aantal vindt zijn basis in de regionale planlijst op pagina 61 van de Strategie werklocaties. In de toelichting op deze planlijst (pagina 67 van de Strategie werklocaties) en in de planlijst voor Schiedam (pagina 230) wordt echter uitgegaan van een plancapaciteit van 32.500 m². Deze fout doet op zichzelf geen afbreuk aan voorgaande conclusie, maar dient wel te worden gerectificeerd. Hierover is, via de MRDH, reeds contact met u gezocht. Daarbij is ook gewezen op de transformatie van het kantoorgebouw Stationsplein 2, met een oppervlakte van circa 9.000 m². Voor deze transformatie is recentelijke een vergunning gevraagd, waarbij wordt verwacht dat de transformatie van het gebouw in de 2e helft van dit jaar zal aanvangen. c.
De planregels die gelden voor het station zijn, behoudens de toegelaten bouwhoogte, gelijk aan de regels die thans gelden op grond van het bestemmingsplan ‘Oost’. Hoewel u bij de vaststelling van dat bestemmingsplan een nadere beperking van de hoeveelheid aan detailhandel niet noodzakelijk heeft geacht, vraagt u ons een dergelijke maximering alsnog toe te voegen. Gelet op de vervoerscapaciteit van het station, het huidige aanbod en het aanbod bij vergelijkbare stations wordt ruimte gezien voor 3 á 5 winkelruimten. Gelet hierop is aan de planregels een bepaling toegevoegd op grond waarvan de hoeveelheid detailhandel in het station wordt gemaximeerd op 750 m².
De zienswijze is gegrond voor wat betreft de maximale oppervlakte aan detailhandel in het station (onderdeel c).
2. Hoogheemraadschap van Delfland a.
b.
c. d.
Het is van groot belang dat de koppeling voor hemelwaterafvoer met de Schie behouden blijft, zeker indien de waterberging niet plaatsvindt in oppervlaktewater, maar in alternatieve vasthoud- en bergingsmaatregelen. Hiervoor wordt aandacht gevraagd en dit zowel in de memo als de toelichting aan te passen. Verzocht wordt (alsnog) een afvoernorm in de planregels op te nemen. Het opnemen van een dergelijke norm biedt een garantie op een goede waterhuishouding en om te blijven voldoen aan de normen voor regionale wateroverlast. Vanwege de forse toename van vervuilingseenheden wordt verzocht Delfland te betrekken bij de uitwerking van het DWA-systeem. De provincie heeft eerder aangegeven dat de transformatie van het gebied aanleiding is de veiligheidsnorm van de regionale waterkering te onderbouwen. Indien dit nodig is heeft Delfland hierbij een adviserende en ondersteunende rol.
Reactie gemeente a. De memo waterbergingsmogelijkheden beschrijft de mogelijkheden die er zijn om waterberging toe te passen op Schieveste. Voor alle beschreven opties geldt dat de bestaande koppeling voor afvoer met hemelwaterafvoer gehandhaafd zal blijven. Dit geldt zowel indien oppervlaktewater wordt toegevoegd en wanneer alternatieve vasthoud- en bergingsmaatregelen worden gerealiseerd. Paragraaf 6.3 van de toelichting op het bestemmingsplan is op dit punt aangevuld.
2
b.
De door u genoemde afvoernorm vormt één van de uitgangspunten bij de verdere uitwering van het waterhuishoudkundig systeem. Dit is als zodanig ook benoemd in de als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegde rapportage Waterhuishouding. Gelet op het gezamenlijke belang van een goede waterhuishouding en het voorkomen van wateroverlast is de betreffende norm alsnog toegevoegd aan artikel 4.5.3 van de planregels.
c.
De uitwerking van het DWA-systeem is onderdeel van de verdere uitwerking van de plannen. Wij zullen u, als verzocht, ook hierbij betrekken.
d.
In onze eerdere reactie naar aanleiding van de opmerking van de provincie inzake de veiligheidsklasse van de regionale waterkering hebben wij aangegeven niet in te zien waarom de ontwikkeling van Schieveste, waarbij de bestemming van een in de bebouwde kom gelegen kantorenlocatie wordt gewijzigd naar een woonlocatie, zou moeten leiden tot een wijziging in de veiligheidsklasse van de regionale waterkering. Daarbij hebben wij aangegeven dat de locatie Schieveste niet afwijkend is van de rest van Schiedam, waarvoor eveneens veiligheidsklasse III geldt. Voort is de kans op een overstroming zeer beperkt, mede omdat het de maaiveldhoogte op Schieveste hoger is dan het waterpeil van de Schie en de hoogte van de bijbehorende kades. De provincie heeft geen aanleiding gezien om naar aanleiding van onze eerdere reactie een zienswijze in te dienen op dit punt, waardoor wij er van uit gaan dat kan worden volstaan met de huidige, in de provinciale omgevingsverordening vastgelegde, veiligheidsklasse van de waterkering.
De zienswijze is gegrond voor wat betreft de koppeling van de hemelwaterafvoer met de Schie (onderdeel a) en de afvoernorm (onderdeel b).
3. ProRail a. Het waterpeil in het gebied mag niet wijzigen in verband met het borgen van de stabiliteit van de spoorbaan en bijbehorende voorzieningen. b. Geborgd dient te worden dat de werkzaamheden geen invloed hebben op de stabiliteit van de spoorbaan en bijbehorende voorzieningen, alsmede op het ongehinderd gebruik daarvan. c. Bij werkzaamheden in de nabijheid van de spoorbaan dient rekening te worden gehouden met de Spoorwegwet. d. Verzocht wordt om ProRail te betrekken bij het verder ontwikkelen van bouwplannen in de directe nabijheid van het station en de spoorbaan e. Niet kan worden ingestemd met de wijziging van de bestemming van het P&R-terrein op Schieveste, vanwege grote beperkingen ten aanzien van het spoor. f. De gronden behorende tot het bestemmingsplan die in eigendom van ProRail B.V. en Railinfratrust B.V. mogen niet worden gebruikt. g. De gronden in eigendom van ProRail en de spoorbaan dienen onbelemmerd toegankelijk te zijnen te blijven voor aannemers en hulpdiensten. h. Verzocht wordt de bestemming te behouden voor de gronden die voorheen bestemd waren als Railverkeer. i. De windbeleving op de perrons ten gevolge van het plaatsen van geluidwerende schermen is niet nader onderzocht. Dit zou alsnog moeten gebeuren en indien nodig dienen de plannen worden aangepast zodat geen overlast voor de reiziger ontstaat. j.
De entree van het station dient vanaf geruime afstand toegankelijk te zijn en mag niet worden belemmerd.
3
Reactie gemeente a. De plannen voor de ontwikkeling voorzien niet in een wijziging van het (grond)waterpeil ten opzichte van de bestaande situatie. Dit volgt ook uit de als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegde rapportage ‘Waterhuishouding. Van enige invloed op de stabiliteit van de spoorbaan ten gevolge hiervan zal dan ook geen sprake zijn. Mocht een wijziging in het (grond)waterpeil, hoewel niet voorzien, onverhoopt toch noodzakelijk zijn dan zal alvorens dit kan gebeuren onderzoek worden gedaan naar de invloed daarvan op de stabiliteit van de spoorbaan en bijbehorende voorzieningen. Hierover zal dan met u in overleg worden getreden. b. De ontwikkeling van Schieveste dient plaats te vinden op een zodanig wijze dat geen onevenredige hinder ontstaat voor de gebruikers van het gebied en de omliggende infrastructuur. Op voorhand is er geen reden om te veronderstellen dat dit niet op een veilige wijze zou kunnen gebeuren. De toetsing vindt plaats in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. Op dat moment zal, gelet op de eisen uit hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit, moet worden aangetoond dat bouw op een voor de omgeving veilige wijze plaats kan vinden en dat dit, in uw geval, geen invloed heeft op de stabiliteit en bruikbaarheid van het spoor. c.
Bij ontwikkelingen in de nabijheid van het spoor rekening wordt gehouden met de relevante wetgeving uit de Spoorwegwet en de bijbehorende Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen. De in artikel 4 van de Regeling opgenomen zorgplicht is dan ook onverkort van toepassing op de ontwikkelingen die plaats zullen vinden op Schieveste, ook bij de onder a en b genoemde situaties. Op grond van de Regeling geldt een beperkingengebied, bestaande uit een kernzone (de spoorbaan en het talud) en een beschermingszone. De beschermingszone bedraagt bij een hoofdspoorweg in een ophoging 6 meter uit de teen van het talud. De bij het spoor behorende beschermingszone is toegevoegd aan de verbeelding als ‘specifieke bouwaanduiding beschermingszone spoor’. Daarbij is bepaald dat ter plaatse van deze aanduiding geen activiteiten plaats mogen vinden, uitgezonderd de activiteiten waarvoor ingevolge artikel 2 van de Regeling vrijstelling is verleend en hiervoor ingevolge artikel 5 van de Regeling een melding is gedaan. Andere activiteiten zijn slechts toegelaten nadat advies is gevraagd bij de spoorwegbeheerder inzake de bereikbaarheid van het spoor. d. De ligging van Schieveste in de nabijheid van een station is een grote waarde voor het gebied. Een goed functionerend station is daarmee een gezamenlijk belang.
Dit maakt dat wij u zullen betrekken bij de verdere uitwerking van de plannen om te bepalen hoe de woningbouwontwikkeling het beste kan aansluiten op de belangen van spoor en station. e. Op Schieveste, aan de noordzijde van het spoor, bevindt zich momenteel een P&R-voorziening. De gronden waarop deze voorziening is gelegen zijn deels in eigendom van de gemeente Schiedam en deels van Railinfratrust. De gronden voor zover in eigendom van Railinfratrust waren ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan bestemd als ‘Verkeer - Railverkeer’. De gronden in eigendom van de gemeente hadden de bestemming ‘Gemengd’. Geen van deze bestemmingen liet het gebruik van de betreffende gronden als parkeervoorziening ten behoeve van het station toe. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de bestemming van de gronden gewijzigd naar ‘Woongebied’. Deze bestemming doet recht aan de beoogde ontwikkeling van het gebied naar een hoogwaardig woonmilieu. Gelet op de beoogde ontwikkeling zien wij geen aanleiding om de voorheen geldende bestemming ‘Verkeer - Railverkeer’ te behouden. In plaats daarvan is aan de verbeelding ter plaatse van de P&R-voorziening de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - P&R-parkeervoorziening’ toegevoegd. Ingevolge de planregels mogen de betreffende gronden
4
worden gebruikt als P&R-voorziening. Dit doet recht aan het huidige gebruik en de verplaatsing van de P&R-voorziening naar het bioscoopcomplex (zie reactie onder 4.k). Van enige planologische beperking is daarmee geen sprake. f. Het spreekt voor zich dat gronden van derden, zoals de bedoelde gronden in eigendom van Railinfratrust, pas mogen worden gebruikt op het moment dat deze zijn verworven, of anderszins toestemming is verkregen voor het gebruik van de gronden. Tot het moment dat hierover overeenstemming is bereikt zullen de betreffende gronden niet worden ontwikkeld overeenkomstig het bestemmingsplan. g. De bereikbaarheid en toegankelijkheid van het spoor is geborgd met de bepalingen inzake het beperkingengebied bij het spoor als voornoemd onder c. De plannen voor de definitieve inrichting van het gebied dienen nog nader te worden uitgewerkt. De bereikbaarheid van de beschermingszone vanaf de openbare weg zal daar onderdeel van zijn. Hierover zullen wij nader met u in overleg treden. h. Verwezen wordt naar de reactie onder e. i. Gelet op de akoestische situatie op Schieveste is het noodzakelijk om geluidwerende voorzieningen te treffen aan de noordzijde van het spoor, in het verlengde van de perronkap. Gelet op de positionering van de schermen ten opzichte van de overwegende windrichting worden op voorhand geen negatieve effecten voorzien ter plaatse van het station.
Dat geldt ook voor het effect op de lichttoetreding, ook omdat dit afhankelijk is van de wijze waarop de schermen worden uitgevoerd. Hoewel op voorhand geen negatieve effecten worden voorzien, is aan het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting worden toegevoegd dat de geluidschermen pas kunnen worden geplaatst nadat een windonderzoek is uitgevoerd waaruit blijkt dat op het perron geen windgevaar zal optreden (artikel 4.3.1.b). Op die wijze kunnen de effecten worden beoordeeld op grond op basis van de concrete plannen voor de schermen en kunnen, voor zover nodig, maatregelen aan de schermen worden getroffen om enig windgevaar weg te nemen. j. Als voornoemd is het station van grote waarde voor de ontwikkeling van het gebied. Een goede aansluiting van het gebied op het station is daarmee van belang. Over de exacte uitvoering van de entree van het station en de aansluiting daarvan op het openbaar gebied gaan wij graag met u in overleg op het moment dat de plannen voor het openbaar gebied nadere worden uitgewerkt. De door u genoemde goede zichtbaarheid en bereikbaarheid zijn ook voor ons daarbij belangrijke uitgangspunten. Om enige onduidelijkheid te voorkomen is aan de bestemmingsomschrijving van de bestemming ‘Woongebied’ toegevoegd dat deze gronden ook mogen worden gebruikt als stationsentree met bijbehorende voorzieningen (artikel 4.1.l).
Hiermee biedt het bestemmingsplan de ruimte en flexibiliteit om een optimale aansluiting van het woongebied op het station te realiseren. Aangezien voor de entree gronden zullen moeten worden gebruikt die niet bij u in eigendom zijn, zullen hierover nadere afspraken gemaakt moeten worden. Dit geldt overigens ook voor de huidige entree, die is gepositioneerd op gronden in eigendom van de gemeente Schiedam. De zienswijze is gegrond voor wat betreft de beschermingszone bij het spoor (onderdeel c), de tijdelijke P&R-voorziening (onderdeel e), de windeffecten van geluidschermen (onderdeel i) en de stationsentree (onderdeel j).
5
4. NS Stations B.V. a. In vergelijking tot het voorheen geldende bestemmingsplan worden ter plaatse van de overbouwing van het metrotracé geen kantoren meer toegelaten. Verzocht wordt deze functie te handhaven. b. De noordelijke entree van het stationsgebouw dient met een dubbelbestemming te worden aangegeven in het station, waarbij de daarbij behorende voorziening en ter plekke zijn toegelaten. Deze bestemming dient ook ruimte te laten voor een grotere stationsentree met bijbehorende voorzieningen. c. Een vrije doorgang naar en zicht op de stationsentree dient te worden gewaarborgd. Daarbij geldt dat indien wijzigingen plaatsvinden aan de entree, dit voor kosten van de veroorzaker is. d. De technische ruimten in het spoortalud dienen bereikbaar te blijven. Verzocht wordt ter plaatse van het spoortalud een bebouwingsvrije zone op te nemen in het bestemmingsplan. e. Het bestemmingsplan maakt bebouwing mogelijk langs de perronkap. Verzocht wordt te onderzoeken wat het effect is op de daglichttoetreding en wachtkwaliteit voor reizigers. Ook dient gekeken te worden naar de eventuele windhinder die kan ontstaan. f. Niet kan worden ingestemd met de wijziging van de bestemming van het P&R-terrein op Schieveste. g. In de toelichting wordt gesteld dat alle gronden in eigendoom zijn van de gemeente. Dit is onjuist aangezien een deel van de P&R-voorziening eigendom is van ProRail. h.
De entree aan de noordzijde van het stationsgebouw ligt op gronden in eigendom van de gemeente. Verzocht wordt de mogelijkheden te verkennen om deze gronden te verwerven i. De ontwikkeling voorziet in een autovrij binnengebied. Dit staat haaks op de behoefte om de noordelijke stationsentree bereikbaar te houden voor vervangend vervoer, hulpdiensten en Kiss & Ride voor mindervaliden j. Het bestemmingsplan maakt geluidwerende schermen mogelijk. Verzocht wordt de effecten van deze voorzieningen op de wachtkwaliteit te onderzoeken (windeffect, lichteffect, tunneleffect). k. De P&R-voorziening in de bioscoop wordt niet gezien als een alternatief voor de huidige P&Rvoorziening aan de noordzijde van het station. l. Het bestemmingsplan zou niet mogen leiden tot een beperking van de branchering en oppervlakte aan voorziening in het station. Reactie gemeente a. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan waren in en op de overbouwing van het metrotracé kantoren toegelaten. Deze functie sloot aan op de destijds beoogde ontwikkeling van Schieveste als kantorenlocatie. De plannen voor het gebied zijn inmiddels gewijzigd. Dat geldt ook voor de behoefte aan kantoren (zie ook onder 1.b). Wij zien derhalve geen aanleiding om de betreffende functie te handhaven.
Wel zal in het bestemmingsplan worden opgenomen dat in het station kantoorruimte ten behoeve van het station en het railverkeer zijn toegelaten tot een oppervlakte van maximaal 1.000 m² overeenkomstig het in artikel 6.12 van de provinciale Omgevingsverordening genoemde maximum. b. Zie reactie onder 3.j. c. Zie reactie onder 3.j. d. Zie reactie onder 3.c en 3.g. e. De bebouwing aan de noordzijde van het station is, mede gelet op de ruimte die gelet op de bereikbaarheid zal worden vrijgehouden (zie onder d), niet van invloed is op de daglichttoetreding en de wachtkwaliteit voor reizigers. Het bestemmingsplan voorziet daarbij niet in andere effecten dan reeds konden optreden indien op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Schieveste’ ter plekke kantoren zouden worden gebouwd.
6
Dit neemt niet weg dat ook wij belang hechten aan een goede verblijfskwaliteit op het station. Om die reden zijn wij reeds met u in gesprek en willen wij met u in gesprek blijven bij de verdere uitwerking van de plannen. De door u genoemde verblijfskwaliteit, maar ook de inpassing van de stationsentree, kunnen op die manier worden meegenomen bij de verdere planuitwerking. f. Zie reactie onder 3.e. g. Als voornoemd onder 3.f is een deel van de gronden op Schieveste niet in eigendom van de gemeente. De tekst waar u naar verwijst betreft niet de eigendomssituatie, maar het grondgebied van de gemeente Schiedam. Deze tekst is opgenomen omdat in de oorspronkelijke plannen voor Schieveste uit 2002 ook wordt voorzien in aansluitende bebouwing op het grondgebied van de gemeente Rotterdam. Het betreffende deelgebied 4 maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. h. Als voornoemd onder 3.j is een goede aansluiting op het station van groot belang voor het nieuwe woongebied. Hierover blijven wij graag met u in gesprek. De vraag of daarbij sprake dient te zijn van een eventuele verwerving van gronden zullen onderdeel zijn van deze gesprekken. i. De ambitie om op Schieveste een autoluw binnengebied te realiseren staat haaks op uw behoefte om de noordelijke stationsentree bereikbaar te houden voor gemotoriseerd verkeer.
Met de ontwikkeling van Schieveste kan niet langer in deze behoefte worden voorzien, behoudens de toegankelijkheid voor hulpdiensten. Wij zien echter voldoende mogelijkheden om deze behoefte op een andere wijze in te vullen, bijvoorbeeld via de entree aan het Stationsplein of via de toegangen aan de Horvathweg. De Horvathweg zien wij daarbij, mede gelet op de beschikbare opstelruimte voor bussen, ook als de meest geschikte plek voor vervangend vervoer. Hierover gaan wij graag nader met u in overleg. j. Zie reactie onder 3.i. k. Enige jaren geleden is een alternatieve P&R-voorziening gerealiseerd in het bioscoopcomplex op Schieveste. Deze voorziening is gebouwd met een bijdrage van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. Wij zien niet in waarom deze voorziening niet voldoet aan uw eisen, dan wel met aanvullende maatregelen kan gaan voldoen aan deze eisen. Wij gaan er dan ook van uit dat de P&R-voorziening in de bioscoop zal gaan functioneren als alternatief voor de huidige tijdelijke P&R-voorziening aan de noordzijde van het station. De eventuele noodzakelijke aanpassing aan de P&R-voorziening om deze geschikt te maken, voor zover noodzakelijk, zijn onderdeel van de gesprekken die met u worden gevoerd. l. De gebruiksmogelijkheden voor het station zijn ongewijzigd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Van een beperking in branchering is dan ook geen sprake.
Wel is, anders dan op grond van het geldende bestemmingsplan, de oppervlakte aan detailhandel gemaximeerd op 750 m². Wij zijn gebonden een dergelijke maximering toe te passen, gelet op de zienswijze van de provincie Zuid-Holland (zie onder1.c) en het bepaalde in de provinciale Omgevingsverordening. Het genoemde maximum biedt ruimte voor de thans aanwezige detailhandel en eventuele toevoeging van bij het station behorende detailhandel De zienswijze is gegrond voor wat betreft kantoren in het station (onderdeel a), de stationsentree (onderdeel b), de beschermingszone bij het spoor (onderdeel d), en de windeffecten van geluidschermen (onderdeel j).
7
5. Delta Fiber Nederland B.V. a. Delta Fiber is gevestigd in het gebied en is daarmee direct betrokken bij de planvorming. Behoudens informeren heeft er geen participatie plaatsgevonden over de toekomstige ontwikkelingen. b. De ontwikkeling van het gebied zal leiden tot geluid- en verkeersoverlast en een verminderde bereikbaarheid. c. De sloop van het gebouw leidt tot onrust bij de bestaande medewerkers en is schadelijk voor het aantrekken van nieuw personeel. d. Er is geen uitvoeringsplan waarin rekening wordt gehouden met de belangen wensen van de bestaande gebruikers. Het gewenste eindbeeld van een intensief bebouwd hoogstedelijk woongebied voldoet niet aan de eisen en verwachtingen waarop de locatiebeslissing is gebaseerd. e. De documenten bevatten geen verantwoording en beleidsmatige toelichting als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Reactie gemeente a. De plannen voor de ontwikkeling van het gebied zijn op verschillende momenten aan betrokken gepresenteerd, zowel door de gemeente als door de ontwikkelaar. Wij hebben u persoonlijk uitgenodigd voor zowel de presentaties van de plannen in het Lentiz Life College, als het Stadserf van 7 januari 2020. Daarnaast heeft op 15 oktober 2019 een gesprek plaatsgevonden waarbij wij met u, uw verhuurder (M7 Real Estate) en de ontwikkelaar hebben gesproken over de ontwikkelingen op Schieveste.
Zoals u stelt waren deze momenten met name bedoelt om u en andere te informeren. Omdat de eventuele herontwikkeling van het kantoorpand waarin u gevestigd was pas over een aantal jaar is voorzien, en de plannen voor deze fase van de gebiedsontwikkeling nog niet zijn uitgewerkt, heeft een meer intensieve vorm van participatie nog niet plaatsgevonden. Dit neemt niet weg dat wij uw gevoelens begrijpen, ook gelet op de toekomst van uw bedrijf en de beslissingen die u in dat kader moet nemen. Daarom heeft op 14 december een meer inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. Daarbij is afgesproken om tot procesafspraken te komen over een eventuele toekomstige verplaatsing, op het moment dat het kantoorpand gesloopt gaat worden, de bijbehorende verhuiskosten en de planning. Wij zien dit als de basis voor een verdere participatieve samenwerking. b.
De door u genoemde verstoring en overlast zullen pas optreden op het moment dat daadwerkelijk gebouwd zal worden. Op het moment dat voor de bouw vergunningen worden verleend zal ook worden getoetst of dit op een voor de omgeving veilige wijze gebeurt, waarbij zo min mogelijk overlast ontstaat. Ook de bereikbaarheid van uw kantoorpand zal daar onderdeel van zijn. Op voorhand dient wel opgemerkt te worden dat enige overlast onvermijdelijk zal zijn, al is dit niet anders dan wanneer overeenkomstig het huidige bestemmingsplan in het gebied kantoren of de andere toegelaten voorzieningen zullen worden gebouwd.
c.
Hoewel wij begrijpen dat de plannen onrust kunnen veroorzaken bij u en uw personeel streven wij er naar, zoals recent met u besproken, om op het moment dat u moet verhuizen u een goede, vergelijkbare locatie aan te bieden die recht doet aan uw wensen en verwachtingen.
d.
Het klopt dat er momenteel nog geen uitvoeringsplan is voor de fase van de gebiedsontwikkeling waarin u gevestigd bent. Dit is omdat de ontwikkeling van dit gebied pas over enkele jaren is voorzien. Aanvullend wordt verwezen naar de reactie onder a, het gesprek van 14 december en de procesafspraken die in dat kader zullen worden gemaakt.
e.
Uit reactie geeft aanleiding om te veronderstellen dat u het Masterplan Schieveste en het Kwaliteitsplan Schieveste heeft bekeken, en niet het bestemmingsplan Schieveste zoals dat op
8
26 november 2020 ter beschikking is gesteld via ruimtelijkeplannen.nl. Het bestemmingsplan en de bijbehorende milieueffectrapportage bevatten de vereiste verantwoordingen en beleidsmatige toelichting als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro. Wij adviseren u hiervan alsnog kennis te nemen. De zienswijze is ongegrond.
6. Roc Vastgoed B.V. a.
b.
c. d.
e. f. g.
Het bestemmingsplan leidt tot rechtsonzekerheid omdat het beoogde eindbeeld niet voldoende concreet en inzichtelijk is. De stedenbouwkundige opzet en de daar aan ten grondslag liggende uitgangspunten uit het masterplan zijn vrijwel niet vastgelegd in het bestemmingsplan Aannemelijk dient te zijn dat het bestemmingsplan bijdraagt aan een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling en zal leiden tot een goede ruimtelijke ordening en goede leefomgeving. Aan de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels kan daarbij geen enkele zekerheid worden ontleend. De voorwaardelijke verplichting als bedoeld in artikel 4.3.1.a zou niet mogen worden gebruikt aangezien een dergelijke bepaling onderdeel zou moeten zijn van de planregels en verbeelding. De voorwaardelijke verplichting leidt tot rechtsonzekerheid, waardoor een goede ruimtelijke ordening en leefomgeving niet kunnen worden verzekerd. De stedenbouwkundige opzet doet afbreuk aan de kwaliteit van de openbare ruimte ter plaatse van het DCMR-gebouw en de gebruiksmogelijkheden van het kantoorpand. De planologische mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan Schieveste worden beperkt, aangezien de hotelfunctie is vervallen, de oppervlakte aan kantoren is gemaximeerd en de maximaal toegelaten bouwhoogte wordt beperkt. Het pand zou ook gebruik kunnen worden voor een woonfunctie.
Het bouwvlak is niet overeenkomstig de ligging van de ondergrondse parkeergarage en de toegang daartoe. Een deel van de bebouwing is geprojecteerd op gronden in eigendom van Roc Vastgoed.
Reactie gemeente a. De visie dat het eindbeeld onduidelijk is en daardoor de rechtszekerheid in het geding is wordt niet gedeeld. Hoewel het bestemmingsplan tot doel heeft flexibiliteit te bieden, worden de mogelijkheden daartoe aanzienlijk ingeperkt door de milieutechnische aandachtspunten. Deze hebben geleid tot een gedetailleerde regeling inzake de positionering en bouwhoogte van de beoogde bebouwing. Dit volgt uit artikel 4.2 en 4.3.1.a. De planregels bevatten aanvullend een veelheid aan nadere bepalingen die invulling geven aan de wijze waarop de bebouwing dient te worden uitgevoerd, en de inrichting van de openbare ruimte. Met deze regels biedt het bestemmingsplan een duidelijk kader voor de ontwikkeling van Schieveste. Afwijkingen in de situering en de hoogte van gebouwen zijn slechts mogelijk inden wordt aangetoond dat rekening wordt gehouden met wet- en regelgeving inzake geluid, luchtkwaliteit, windhinder, bezonning en trillingen. Uit deze voorwaardelijke verplichting volgt een nadere beoordeling van deze aspecten op het moment dat wordt afgeweken van de vastgelegde situering en bouwhoogte. Dit biedt ons ruimte om ook bij een wijziging te sturen op een vergelijkbare kwaliteit als de bebouwing die op grond van het bestemmingsplan reeds is toegelaten.
Op grond van artikel 3.6, lid 1, onder d van de Wet ruimtelijke ordening kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat nadere eisen kunnen worden gesteld. Een dergelijke bepaling is in artikel 4.4 van het bestemmingsplan opgenomen. Met deze bepaling is het mogelijk om op basis van het vastgelegde en op onderdelen gedetailleerde ontwikkelkader, zoals dat volgt uit artikel 4.1 en 4.2 van het bestemmingsplan te sturen om het beoogde eindbeeld als bedoeld in het Masterplan te realiseren. Via deze bepaling zal dan ook, voor
9
zover niet reeds is vastgelegd in de overige planregels, als voornoemd, worden gestuurd op het in het masterplan gepresenteerde eindbeeld. De beoogde ontwikkeling als benoemd in het Masterplan en de aandachtspunten uit het Kwaliteitsplan zijn daarmee, voor zover de wet de ruimte biedt, zoveel als mogelijk vastgelegd in het bestemmingsplan, de welstandsparagraaf of het besluit hogere waarde (geluid). Van enige onduidelijkheid over het beoogde eindbeeld of rechtsonzekerheid is dan ook geen sprake. Uit het bestemmingsplan en de bijbehorende stukken volgt dat de ontwikkeling van Schieveste voldoet aan de vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Dat binnen de ruimte die het bestemmingsplan biedt een andere invulling van het gebied mogelijk is, die meer tegemoet komt aan uw individuele bezwaren, maakt op zich niet dat de in het Masterplan gepresenteerde ontwikkeling van Schieveste niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan biedt ruimte voor beide opties, waarbij voor beiden geldt dat deze voldoen aan de vereiste van een goede ruimtelijke ordening. b.
De voorwaardelijke verplichting als bedoeld in artikel 4.3.1, ziet op de situatie dat gekozen wordt voor een gewijzigde invulling van het gebied, zoals bijvoorbeeld het door u gepresenteerde plan van Mollink Soeters. Met het bestemmingsplan wordt beoogd een dergelijke gewijzigde invulling mogelijk te maken op het moment dat dit leidt tot een voor alle betrokkenen betere invulling van het gebied. Een dergelijke ontwikkeling is echter pas mogelijk indien de vereiste onderzoeken worden uitgevoerd, waarbij wordt aangetoond dat ook bij een dergelijke invulling wordt voldaan aan de wet- en regelgeving. De betreffende voorwaardelijke verplichting ziet daarmee dan ook juist op het beschermen van een goede ruimtelijke ordening en leefomgeving. Voor zover u stelt dat het stellen van voorwaardelijke verplichtingen niet is toegelaten op het moment dat de gemeente het zelf in haar macht heeft de vervulling van deze voorwaarden af te dwingen, geldt dat de gronden op termijn zullen worden verkocht aan de ontwikkelende partij. Aangezien het stellen dergelijke voorwaarden als onderdeel van de grondverkoop niet is toegelaten, is gekozen voor het opnemen van een voorwaardelijke verplichting.
c.
Voor wat betreft de stedenbouwkundige opzet dient in de eerste plaats opgemerkt te worden dat op grond van het huidige bestemmingsplan uit 2012 een vergelijkbare stedenbouwkundige opzet zou kunnen worden gerealiseerd, met bijvoorbeeld kantoren. De door u genoemde effecten zouden op grond van het huidige bestemmingsplan reeds op kunnen treden en wijzigen met dit bestemmingsplan niet. Het bestemmingsplan uit 2012 ging uit van een maximale bouwhoogte van 50 meter, met drie hoogteaccenten. Het hoogste hoogteaccent (95 meter) was daarbij reeds voorzien op de locatie van de geprojecteerde woontoren van 90 meter, zoals ook volgt uit het oorspronkelijke Masterplan voor Schieveste uit 2003, op basis waarvan uw gebouw is ontwikkeld. De genoemde windhinder en verminderde zichtbaarheid konden op grond daarvan ook al optreden. Wij zien dan ook niet in dat het bestemmingsplan uw belangen in zoverre schaadt. Dit neemt niet weg dat dat een goede ruimtelijke kwaliteit, zowel van bebouwing als openbare ruimte, en een goede aansluiting van de nieuwbouw op de bestaande bebouwing belangrijke uitgangspunten zijn. Het bestemmingsplan biedt als voornoemd ook de ruimte om te komen tot een gewijzigde situering van bebouwing, indien dit leidt tot een kwalitatieve verbetering.
Een alternatief zoals geschetst in de plannen van Mollink Soeters zou, mits voldaan wordt aan alle randvoorwaarden en de beoogde kwaliteit, ook mogelijk kunnen zijn. Wij zien hierin met name een opgave voor de ontwikkelaar om met u in overleg te blijven, over de positionering van uw gebouw binnen de gebiedsontwikkeling. In dat kader vragen wij van u rekenschap te
10
nemen van de effecten die reeds zouden kunnen optreden op basis van het huidige bestemmingsplan. d.
Het gebouw in eigendom van Roc Vastgoed betreft het kantoorgebouw waarin momenteel de DCMR gevestigd is. Dit kantoorgebouw is gebouwd in het kader van de oorspronkelijke beoogde ontwikkeling van Schieveste als kantoorgebied, zoals dat is vastgelegd in het bestemmingsplan Schieveste uit 2012. Naar aanleiding van uw eerdere reactie zijn de gebruiksmogelijkheden uit dit bestemmingsplan overgenomen, uitgezonderd de hotelfunctie. Daarnaast is de maximale oppervlakte aan kantoren gemaximeerd. Het bestemmingsplan Schieveste uit 2012 betreft een globaal bestemmingsplan, waarbij voor het gehele gebied maximale oppervlakten zijn gegeven voor de verschillende functies. Deze wijze van bestemmen heeft tot gevolg dat slechts gebruik kan worden gemaakt zolang de maxima niet zijn overschreden. De mogelijkheden die u heeft om uw pand te gebruiken overeenkomstig het ‘oude’ bestemmingsplan zijn dan ook afhankelijk van de wijze waarop de rest van het gebied wordt gebruikt Op grond van artikel 3.2.a van het oude bestemmingsplan mochten de gronden tevens worden gebruikt voor hotels tot een maximum van 7.950 m². Deze gebruiksruimte is reeds vergeven met de ontwikkeling van een hotel aan de westzijde van de Schie (Schieveste fase 5). De planologische mogelijkheden voor een hotel zijn daarmee reeds ingevuld.
Met de nieuwe planologische regeling, waarbij hotels niet zijn toegelaten, wordt recht gedaan aan deze situatie. Daarbij is er, gelet op een duurzame stedelijke ontwikkeling, op dit moment geen behoefte aan aanvullende hotels ten opzichte van de hotels die momenteel in ontwikkeling zijn. Voor wat betreft kantoren is de oppervlakte voor uw pand gemaximeerd op 15.000 m². De in geding zijnde planregel doet daarmee recht aan de bestaande, vergunde situatie. Daarbij zijn wij, gelet op de regionale kantorenafspraken en het bepaalde daaromtrent in de provinciale Omgevingsverordening, gebonden de maximale oppervlakte aan kantoren te beperken ten opzichte van de oorspronkelijk bedoelde maxima (zie verder onder 1.b). Eveneens wordt gewezen op de aanvullende toegelaten gebruiksmogelijkheden, zoals detailhandel, horeca of dienstverlening. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening en een duurzame stedelijke ontwikkeling zijn dergelijke gebruiksmogelijkheden gemaximeerd. Dit maximale oppervlakte zien wij als passend bij de beoogde ontwikkeling. Wij zien geen aanleiding deze maxima te verruimen en zo ook te laten gelden voor het pand dat u in eigendom heeft. Dit is ook in lijn met de wijze waarop dit gebouw, als kantoorpand, is vergund. Door uw wordt gesteld dat de maximaal toegelaten bouwhoogte is beperkt tot 40 meter.
Deze bouwhoogte was eerder opgenomen in het concept van het bestemmingsplan, waarop u eerder heeft gereageerd. In de reactie daarop is reeds aangegeven dat de bouwhoogte zal worden aangepast naar 50 meter overeenkomstig het ‘oude’ bestemmingsplan. Dit is ook gebeurt in het bestemmingsplan zoals dat als ontwerp ter inzage is gelegd. Daarmee is reeds tegemoet gekomen aan uw verzoek. Wij gaan er van uit dat u dit niet goed heeft gelezen in het als ontwerp ter inzage gelegde bestemmingsplan.
e.
Uw verzoek betreft aanvullend een verruiming van de gebruiksmogelijkheden van uw pand, door deze ook voor wonen te gebruiken. Wij zien op voorhand geen reden om met dit bestemmingsplan aan dit verzoek tegemoet te komen. Als voornoemd wensen wij voor uw pand vast te houden aan de oorspronkelijk vergunde situatie. Dit neemt niet weg dat wij wel ruimte willen laten voor een toekomstige transformatie van het pand naar wonen. Om die reden zal aan de planregels een wijzigingsbevoegdheid worden toegevoegd op grond
11
waarvan het wonen op deze locatie kan worden toegelaten (artikel 4.8.3). Daarbij geldt dat deze wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast op het moment dat wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels en de gemeentelijke kwaliteitseisen voor Schieveste. Geen aanleiding wordt gezien voor een verdere verruiming van de bouwhoogte naar 70 meter, aangezien hoogteaccenten daargelaten, de hoogte langs de A20 is gemaximeerd op circa 50 meter, zoals ook het geval was in het voorheen geldende bestemmingsplan. f.
Uw opmerking met betrekking tot de ligging van het bouwvlak betreft een onjuiste interpretatie van het bestemmingsplan. Voor heel Schieveste geldt één bouwvlak waarin de bebouwing is toegelaten (zie afbeelding bouwvlak, rood omkaderd). Dit bouwvlak omvat alle door u genoemde percelen en doet recht aan de bestaande situatie waarin sprake is van een kantoorgebouw met ondergrondse parkeergarage.
Bouwvlak
Mogelijk is bij u enige onduidelijkheid ontstaan vanwege de ligging van de functie-aanduiding ‘specifieke vorm van kantoor 2’. Het betreffende aanduidingsvlak omvat uitsluitend het gebouw (kadastraal perceel SDM I 6219). Met deze aanduiding wordt een planregel aangestuurd op grond waarvan de oppervlakte aan kantoren wordt gemaximeerd overeenkomstig de bestaande, vergunde situatie.
Aanduidingsvlak ‘Specifieke vorm van kantoor 2
12
g.
Het spreekt voor zich dat gronden van derden, zoals de gronden die u in eigendom heeft, pas mogen worden gebruikt op het moment dat deze zijn verworven, of anderszins toestemming is verkregen voor het gebruik van de gronden. Het gebruik dan wel de verwerving van deze gronden is onderdeel van de gesprekken die met u worden gevoerd.
De zienswijze is gegrond voor wat betreft het bieden van de mogelijkheid om het DCMR-gebouw te transformeren naar woningen (onderdeel e).
7.
Lentiz Onderwijsgroep
a.
Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan had Lentiz volgens de norm recht op 98 parkeerplaatsen, waarvan er 37 zijn gerealiseerd. Het parkeren rond het gebouw is in de huidige situatie onvoldoende. Om die reden wordt gevraagd te garanderen dat 98 parkeerplaatsen exclusief door Lentiz mogen worden gebruikte gedurende de dag en parkeer- en stallingsplaatsen die ten gevolge van de ontwikkeling worden opgeheven te compenseren Gevraagd wordt de reguliere norm voor parkeren bij MBO-onderwijs te hanteren, Gevraagd wordt de mogelijkheid te bieden voor het parkeren in de nabijheid van de school tijdens ouderavonden. De geprojecteerde bebouwing is aanzienlijk hoger dan de in 2012 geplande parkeergarage en niet in lijn met het eerdere bestemmingsplan. De omliggende bebouwing dient rekening te houden met de zichtbaarheid van de school en zaken als schaduwwerking, kwaliteit van het plein, geluid en wind. Tunnel: Lentiz is bereid medewerking te verlenen aan het realiseren van een tunnel. Sociale veiligheid een belangrijk uitgangspunt bij de verdere uitwerking van de tunnel. Daarnaast mag de tunnel niet leiden tot gevolgschade voor het onderwijsgebouw.
b. c. d.
e.
Reactie gemeente Op voorhand moet opgemerkt worden dat u uw zienswijzen buiten de wettelijke termijn van 6 weken heeft ingediend en dat uw zienswijze om die reden niet in behandeling kan worden genomen. Het niet tijdig indienen van de zienswijze betekent ook dat, indien u het niet eens bent met de uiteindelijke vaststelling van het bestemmingsplan, u hiertegen mogelijk niet meer in beroep kan gaan. Deze mogelijke wettelijke beperking neemt niet weg dat wij uw zienswijze wel inhoudelijk hebben beoordeeld en hebben meegenomen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. a.
Anders dan u lijkt te veronderstellen ligt de verplichting om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van de school niet bij de gemeente maar bij uzelf. Deze parkeerbehoefte is reeds bepaald bij het verlenen van het projectbesluit voor de bouw van de school in 2009. Op grond van dit projectbesluit is bepaald dat ten behoeve van de school moet worden voorzien in 45 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarbij is uitgegaan van een norm van 6 parkeerplaatsen per lokaal voor MBO en 0,75 per lokaal voor VMBO en een verdeling van 20% MBO en 80% VMBO. De verplichting om deze parkeerplaatsen aan te leggen ligt als voornoemd bij de school. Gelet hierop kunnen wij u niet volgen in het betoog dat u recht zou hebben op 98 parkeerplaatsen. Het feit dat in de tussenliggende periode Schieveste niet verder ontwikkeld is, en u mogelijk gebruik heeft gemaakt van het openbaar gebied om auto’s te parkeren, maakt dit niet anders. Met het bestemmingsplan worden uitsluitend de bestaande rechten vastgelegd (45 parkeerplaatsen) en niet de aanvullende behoefte die u heeft aan parkeergelegenheid. Het behoud van deze 45 parkeerplaatsen zal gelet op het eerder verleende projectbesluit worden geganandeerd. Dit geldt niet voor de aanvullende behoefte die u zegt te hebben en waarvoor nu gebruik wordt gemaakt van het openbaar gebied.
Dit betreft een tijdelijke situatie waar u geen rechten aan kunt ontlenen. Indien u behoefte heeft aan aanvullende parkeergelegenheid is het uw eigen verantwoordelijkheid om hier in te voorzien op eigen terrein of te kiezen voor een andere mobiliteitsstrategie voor uw personeel en studenten. In dat kader staat het u vrij
13
om met de ontwikkelaar afspraken te maken over het gebruik van de parkeergelegenheid die zij zullen realiseren ten behoeve van de ontwikkeling van het gebied. b.
Gevraagd wordt de reguliere norm voor MBO-onderwijs te hanteren. Onduidelijk is welke norm hiermee wordt bedoeld. Voor dit gebied gelden, net als voor de rest van Schiedam, de in 2017 vastgestelde parkeernormen. Deze normen zijn gebaseerd op de landelijke kencijfers voor parkeren van het CROW (Kencijfers Parkeren en Verkeersgeneratie, oktober 2012). Deze landelijke kencijfers bieden een norm voor ROC-onderwijs (waaronder MBO-onderwijs valt) van 3,3 tot 5,3 parkeerplaatsen per 100 leerlingen (zeer sterk stedelijk gebied). In Schiedam is er, mede gelet op de goede OV-bereikbaarheid, voor gekozen om de minimale norm van 3,3 parkeerplaatsen per 100 leerlingen te hanteren. Gelet hierop wordt in Schiedam dan ook de reguliere norm voor ROC-onderwijs gehanteerd. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de norm uitsluitend iets zegt over de minimale eis die wij als gemeente op kunnen leggen. Als voornoemd kan de feitelijke behoefte die u heeft hiervan afwijken en is het aan u om daar een adequate oplossing voor te vinden.
c.
Als voornoemd is het uw eigen verantwoordelijkheid om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de gebruikers van uw school, ook voor de ouders die de school bezoeken op ouderavonden en bij andere evenementen. Indien de parkeergelegenheid die u heeft onvoldoende is, kunnen zij gebruik maken van de betaalde (openbare) parkeergelegenheid in de omgeving van de school, zoals bijvoorbeeld de parkeergarage bij de bioscoop.
d.
Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan Schieveste was aan weerszijden van de school bebouwing toegelaten tot een hoogte van 50 meter. Dit maakt dat u er al rekening mee diende te houden dat bebouwing hoger dan is gepresenteerd in de door u genoemde schetsen zou kunnen worden gerealiseerd op het moment dat de plannen voor Schieveste wijzigen. Het feit dat het voorliggende bestemmingsplan bebouwing toelaat tot een hoogte van 70 meter hoogte maakt dit niet anders. Dit neemt niet weg dat bij de uitwerking van de plannen rekening dient te worden gehouden met de belangen van de school, waaronder zichtbaarheid, de kwaliteit van het schoolplein en aspecten als wind en geluid. Het bestemmingsplan biedt de ruimte voor een optimale inpassing van de school in het gebied. Wij zien hierin dan ook een opgave voor ons en de ontwikkelaar om met u in overleg te blijven, over de inpassing van uw school in de gehele gebiedsontwikkeling. In dat kader vragen wij wel van u rekenschap te nemen van het feit dat de door u genoemde effecten reeds zouden kunnen optreden indien het gebied, op basis van het huidige bestemmingsplan, als kantoorlocatie zou worden ontwikkeld.
e.
Wij zijn verheugd te lezen dat u bereid bent medewerking te verlenen aan het realiseren van een onderdoorgang / tunnel. Over de exacte uitwerking en positionering daarvan en de eventuele vergoedingen en gevolgschade zullen nog nadere (private) afspraken moeten worden vastgelegd. Dit zal onderdeel zijn van de verdere uitwerking van de plannen voor de ontwikkeling van het gebied, waar wij u als voornoemd bij zullen betrekken.
De zienswijze is niet-ontvankelijk.
14
Advies Commissie voor de Milieueffectrapportage Het milieueffectrapport Schieveste en het bestemmingsplan waartoe het MER behoort zijn ingevolge het bepaalde in artikel 7.12 van de Wet milieubeheer voor advies voorgelegd aan de commissie MER. De Commissie MER heeft op 13 januari 2021 geadviseerd. De Commissie MER is van mening dat het MER grondig en goed leesbaar is. De Commissie MER vindt het van grote meerwaarde dat in het MER is aangegeven of ambities/doelen worden gerealiseerd. Ook is een goed onderscheid gemaakt in de effecten van het plan op de bestaande woningen en de kwaliteit van de leefomgeving in de plansituatie. De ambities en de effecten zijn met een breed toetsingskader onderzocht. De commissie MER signaleert dat enige essentiële informatie ontbreekt voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan Schieveste. Dit betreft de volgende informatie: a. Mobiliteit: de berekeningen voor het gemotoriseerd verkeer passen niet bij de gehanteerde parkeernormen. Hierdoor is gerekend met te veel gemotoriseerd verkeer in en rondom het gebied. b. Geluid: Er mist informatie over de gezondheidseffecten van de geluidbelasting voor de inwoners van het plangebied, en hoeveel inwoners gehinderd en slaapverstoord zullen zijn.
Er wordt daarnaast aangegeven dat de ambitie van de maximale binnenwaarde van 33 dB wordt gehaald, terwijl het akoestisch onderzoek aangeeft dat dit later nog moet worden onderzocht. c. Klimaat: Er ontbreekt milieu-informatie over wat de gevolgen zijn voor de voorkeurskeuze van een warmte-koudeopslag (al dan niet in combinatie met aquathermie). Het is daardoor ook niet duidelijk of de keuze voor dit systeem conflicteert met andere ambities en doelen. Reactie gemeente: Met genoegen wordt kennis genomen van het positieve oordeel van de Commissie MER. Ten aanzien van ontbrekende informatie wordt het volgende opgemerkt: a.
In het MER is er voor gekozen om de verkeerseffecten van Schieveste te onderzoeken op basis van de CROW-kencijfers voor parkeren. Deze keuze heeft tot gevolg dat sprake is van een beperkte overschatting van de verkeerseffecten, aangezien de door het CROW gehanteerde parkeernormen ruimer zijn dan de Schiedamse parkeernorm. De gehanteerde parkeernormen geven daarmee inzicht in de ‘worst case’-effecten die zouden kunnen optreden. Geconcludeerd wordt dat in een ‘worst case’-scenario geen ongewenste verkeerseffecten optreden. Dit leidt tot de vervolgconclusie dat indien de lagere Schiedamse parkeernorm zou worden gehanteerd evenmin sprake is van ongewenste verkeerseffecten. Dit staat beschreven in paragraaf 4.7.3 van het MER en de naar aanleiding va het advies aan het MER toegevoegde paragraaf 4.7.4 De opmerking dat door de Schiedamse norm te hanteren een beter inzicht wordt verkregen in de daadwerkelijke effecten begrijpen wij. Echter, omdat het toepassen van de Schiedamse norm niet zal leiden tot andere conclusies wordt het niet efficiënt en noodzakelijk geacht om de betreffende onderzoeken hier op aan te passen. De systematiek van een bestemmingsplan maakt het opnemen van een minimale parkeernorm van gemiddeld 0,3 parkeerplaats per woning noodzakelijk.
Het niet opnemen van een dergelijke norm of het opnemen van aan maximumnorm zou er immers toe leiden dat in het geheel geen parkeerplaatsen hoeven te worden gerealiseerd. Dat is onwenselijk. Voornoemde neemt niet weg dat het bestemmingsplan wel ruimte laat voor een nog lagere parkeernorm, aangezien op basis van het mobiliteitsconcept dat als onderdeel van de plannen zal worden uitgewerkt kan worden afgeweken van de parkeernorm.
15
b.
De akoestische effecten op Schieveste zijn onderzocht in het ‘Deelonderzoek Geluid’ dat onderdeel is van het MER. In het deelonderzoek wordt onder andere inzicht gegeven in de hoogte van de geluidsbelasting op de woningen en waar deze optreden. Ook wordt inzicht gegeven in de gecumuleerde geluidsbelasting op de gevels van de nieuwe woningen. De gevraagde informatie is daarmee reeds onderdeel van het MER. Dit neemt niet weg dat ter verduidelijking de betreffende informatie uit het ‘Deelonderzoek Geluid’ is toegevoegd aan paragraaf 7.13 en 7.1.5 van het hoofdrapport. Het MER is zodanig aangevuld dat ook inzicht wordt gegeven in het aantal geluidgehinderden en slaapgestoorden ter plaatse van de nieuwbouw (paragraaf 7.3.3). Daarbij wordt opgemerkt dat dit een weinig realistisch beeld geeft, omdat de gebruikelijke berekening van geluidgehinderden en slaapverstoorden ziet op bestaande situaties met slecht geïsoleerde woningen. Deze methode doet geen recht aan de mate van hinder of verstoring bij goed geïsoleerde nieuwbouw, die voldoet aan de wettelijke maximale binnenwaarde voor geluid van 33 dB uit het Bouwbesluit. Het exacte pakket aan maatregelen dat noodzakelijk is om hier aan te kunnen voldoen is onderdeel van de verdere uitwerking van de plannen. Daarbij zal naast maatregelen aan het gebouw ook gekeken worden naar mogelijkheden voor geluidsreductie aan de bron.
Met name voor wat betreft het spoor worden mogelijkheden gezien om de (te ruime) geluidproductieplafonds te verlagen.
c.
Een energievisie is opgesteld op basis waarvan wordt geconcludeerd dat een warmte- en koudeopslag (in combinatie met aquathermie) het beste scenario is voor verwarming en koeling van de woningen. De (omgevings)effecten van dit systeem zijn toegevoegd aan paragraaf 9.3 van het MER.
Wijzigen in bestemmingsplan en MER ten opzichte van het ontwerp Het bestemmingsplan is naar aanleiding van de zienswijzen op verschillende punten aangepast. Aanvullend is het bestemmingsplan op de volgende onderdelen gewijzigd ten opzichte van het ontwerp dat ter inzage is gelegd: De gemeenteraad heeft recent de nieuwe Woonvisie, Mobiliteitsvisie en Groenvisie vastgesteld. Eveneens is besloten over het nieuwe Klimaatbeleid van Schiedam. Deze nieuwe beleidsstukken zijn verwerkt in paragraaf 5.3 van de toelichting op het bestemmingsplan. Op grond van de planregels zijn maatschappelijke voorzieningen toegelaten in het plangebied. Dit betreft een ruimte definitie, waaronder ook functies onder vallen die gelet op de doelgroep die daar gebruik van maak, moeten worden aangemerkt als (zeer) kwetsbaar uit het oogpunt van externe veiligheid of gevoelig gelet op de luchtkwaliteit. In lijn met de gemeentelijke visie Externe Veiligheid en het advies van de GGD is een regel aan het bestemmingsplan toegevoegd die bepaalt dat deze functies door bebouwing moeten worden afgeschermd van de A20. Dit is verwerkt in paragraaf 6.6.3 (externe veiligheid) en 6.11.2 (luchtkwaliteit) van de toelichting en artikel 4.5.2 van de planregels. Het paraplubestemmingsplan ‘Begrippen en wijze van meten’ was gelijktijdig met dit bestemmingsplan in voorbereiding.
Met dit bestemmingsplan worden, vooruitlopend op de Omgevingswet, de begrippen en wijzen van meten in alle bestemmingsplannen geharmoniseerd. Artikel 1 en 2 van het bestemmingsplan zijn, voor zover noodzakelijk, aangepast aan het paraplubestemmingsplan. Uit het in het kader van het bestemmingsplan uitgevoerde windonderzoek volgt dat, de in het Masterplan gekozen opzet van het gebied, op enkele plaatsen kan leiden tot windgevaar. Het optreden van windgevaar wordt als onwenselijk beschouwd. Om die reden is aan artikel 4.3.1.b van de planregels een voorwaardelijke verplichting toegevoegd. Op grond van deze bepaling kan een omgevingsvergunning pas worden verleend nadat is aangetoond dat ten gevolge van de bouw geen windgevaar zal optreden.
16
Het MER is naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de Milieueffectrapportage aangepast. Aanvullend zijn in het MER de resultaten van een nieuwe stikstofberekening toegevoegd. Een hernieuwde berekening is uitgevoerd omdat in het najaar van 2020 een nieuwe versie van de AERIUS-software beschikbaar en de fasering van de ontwikkeling van Schieveste verder is geoptimaliseerd.
17