CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Artikelsgewijze toelichting Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2025

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente SchiedamBij agendapunt: Bespreekstuk: Raadsvoorstel Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 202559.583 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 7

Een paracommerciële rechtspersoon volgens de Alcoholwet is een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf. Elfde lid Een terras is een buiten de horeca-inrichting gelegen gedeelte van het bedrijf waar vanuit het bedrijf eet- en/of drinkwaren worden geserveerd om op de terraslocatie aan aldaar geplaatste tafels en stoelen te worden genuttigd. Twaalfde lid Met terrasmeubilair wordt in het spraakgebruik vooral gedoeld op tafels en stoelen (en alle varianten daarvan). Voor de exploitatievergunning wordt het begrip terrasmeubilair echter breder gezien. Naast de gebruikelijke tafels en stoelen worden ook parasols, terrasafscheidingen, plantenbakken, menu- en uitklapborden, terrasverwarmers enz. enz. als meubilair aangemerkt. Het gaat om alle voorwerpen die staan op het terras en van invloed zijn op het (veilig) gebruik van de fysieke ruimte. Dertiende lid Omdat er voor het Stationsgebied: Stationsplein en het gedeelte van de Singel, tussen Stationsplein en Overschiese Dwarsstraat, een zelfde openings- en sluitingstijden regime voor horecabedrijven geldt dan het Centrum, is daarom het Stationsgebied aangewezen.

Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting Dit artikel bevat de vergunningplicht ten aanzien van het exploiteren van een openbare inrichting. Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. De exploitatievergunning wordt daarom door de burgemeester verleend. Met het exploitatievergunningenstelsel wordt de burgemeester in staat gesteld om vanuit zijn toezichthoudende bevoegdheid met betrekking tot de openbare orde, openbare inrichtingen te toetsen op effecten op de openbare orde en de woon- en leefsituatie. De vergunningsplicht geldt in elk geval voor horecabedrijven. Andere openbare inrichtingen vallen in beginsel niet onder de vergunningsplicht, tenzij de burgemeester de openbare inrichting of een categorie openbare inrichting aanwijst als zijnde vergunningsplichtig. In de APV wordt daarom deze aanwijzingsbevoegdheid toegevoegd. Het toetsingskader voor elke openbare inrichting is echter wel gelijk. Op grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor exploitatievergunningen van openbare inrichtingen. Alleen op gronden van dwingende reden van algemeen belang is het geoorloofd een termijn te stellen aan de vergunning.

Het is op gronden ontleend aan dwingende reden van algemeen belang geoorloofd een termijn te stellen aan een exploitatievergunning. Op grond van lid 3 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde en de woon- en leefsituatie een beperkte geldigheidsduur vaststellen. Dit geldt voor zowel bepaalde categorieën horecabedrijven als voor individuele gevallen, waarvoor een meer frequente toetsing van de vergunning en de naleving van de voorschriften wenselijk wordt geacht (bijvoorbeeld coffeeshops, in verband met het gedoogbeleid en strenge AHOJG + criteria of een -voormalig- overlastgevend horecabedrijf, indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat geen sprake zal zijn van ontoelaatbare aantasting van de woon- en leefsituatie, of indien een ‘enige mate van gevaar’ BIBOB-advies is gegeven bij een bepaalde exploitant). Daarnaast zal ook voor tijdelijke openbare inrichtingen (zoals pop up-restaurants) een termijn worden gesteld aan de exploitatievergunning. Het gaat hierbij om openbare inrichtingen die maximaal zes maanden zullen bestaan. In de Nota Horecabeleid Schiedam gelden voor tijdelijke initiatieven soepeler regels ten aanzien van het gebiedsgerichte beleid. Een initiatief dat langer dan zes maanden duurt, wordt beschouwd als een reguliere openbare inrichting waarvoor de reguliere voorschriften voor een openbare inrichting gelden.”

Het vierde lid bepaalt dat de Lex Silencio Positivo (LSP) niet van toepassing is op openbare inrichtingen. Decentrale overheden moeten verplicht de LSP toepassen bij vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. De Dienstenwet geeft in Nederland uitvoering aan de Europese Dienstenrichtlijn. Om de LSP in Nederland te regelen, is via de Dienstenwet een paragraaf 4.1.3.3 aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegevoegd. De LSP houdt in dat bij het uitblijven van een besluit binnen de daarvoor gestelde termijn op een vergunningaanvraag. de vergunning van rechtswege is verleend (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen). Alleen vanwege dwingende redenen van algemeen belang kan van de LSP worden afgezien. Als dwingende redenen van algemeen belang gelden op dit moment onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, bescherming van het milieu, behoud vanuit nationaal historisch en artistiek erfgoed (zie ook overweging 40 van de Dienstenrichtlijn). Artikel 2:28a Weigeringsgronden exploitatievergunning Eerste lid Onder a. Strijd met het bestemmingsplan is als imperatieve weigeringsgrond opgenomen.

Als het bestemmingsplan vestiging van een openbare inrichting ter plaatse niet toelaat, zou namelijk van een (desondanks) verleende exploitatievergunning geen gebruik kunnen worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. De weigeringsgrond geldt niet voor terrassen, omdat locaties voor terrassen in de openbare ruimte gewoonlijk niet planologisch geregeld worden, met name omdat dergelijk gebruik van de openbare ruimte niet definitief of onomkeerbaar is. Onder b. De tweede imperatieve weigeringsgrond betreft (gedragseisen ten aanzien van) de exploitant(en) en leidinggevende(n) van een openbare inrichting. De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant speelt een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Omdat een ordelijke en veilige exploitatie voor een groot deel afhankelijk is van de exploitant(en) en leidinggevende(n) van een openbare inrichting, dienen deze personen van goed gedrag te zijn en te voldoen aan een leeftijdseis en een aantal zedelijkheids- en moraliteitseisen. Als niet aan deze voorwaarden en eisen wordt voldaan weigert de burgemeester de vergunning.

In de praktijk zal overigens, indien een leidinggevende niet aan de eisen voldoet, mogelijk ook kunnen worden volstaan met het niet als leidinggevende op de vergunning plaatsen van de betreffende persoon. Voor de eisen waaraan moet worden voldaan wordt aangesloten bij de eisen die bij en krachtens artikel 8 van de Alcoholwet worden gesteld aan leidinggevenden in het kader van de verstrekking van alcoholhoudende drank: a. Strijd met het omgevingsplan is als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Als het omgevingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, zou namelijk van een (desondanks) verleende exploitatievergunning geen gebruik kunnen worden gemaakt wegens strijd met het omgevingsplan. De weigeringsgrond geldt niet voor terrassen, omdat locaties voor terrassen in de openbare ruimte niet altijd in het omgevingsplan geregeld worden, met name omdat dergelijk gebruik van de openbare ruimte niet definitief of onomkeerbaar is. b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt. Bij algemene maatregel van bestuur zijn naast deze algemene eisen nadere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld in het ‘Besluit zedelijk gedrag Alcoholwet’. In afwijking van het gestelde onder c.

mag een exploitant of leidinggevende vanaf 18 jaar als zodanig optreden, tenzij het een coffeeshop betreft waarbij zij dan de leeftijd van 21 jaar moeten hebben bereikt. Daarmee is de leeftijdseis in overeenstemming met het coffeeshopbeleid.

Tweede lid Naast de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 kan de burgemeester een exploitatievergunning weigeren op grond van ontoelaatbaar nadelige beïnvloeding van de woon- en leefomgeving rondom een openbare inrichting, als gevolg van de vestiging of aanwezigheid van dat bedrijf. De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Europese Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd. De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning en biedt daarom de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een openbare inrichting zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal aantasten. In dit artikellid worden de criteria aan de hand waarvan de burgemeester de ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie toetst, nader benoemd. Ten eerste wordt rekening gehouden met het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is of wordt gevestigd.

Hierbij moet worden gedacht aan ruimtelijke kenmerken (dichte bebouwing, geluidsgevoeligheid van een locatie, geluidsgevoelige objecten) en aan de aard van de omgeving (binnenstad, woonwijk/buurt, bedrijventerrein). Ten tweede wordt de aard van de openbare inrichting meegenomen in de beoordeling. Hierbij zijn onder meer de beoogde exploitatiewijze (primair drank- of maaltijdverstrekking, dansgelegenheid, live optredens, al dan niet besloten), openingstijden (dag-, avond- of nachthoreca), bezoekersaantallen en het al dan niet exploiteren van een terras van belang. Aan de hand van de diverse karakteristieken zijn in de Schiedamse horecabeleidsnota een aantal categorieën horecabedrijven benoemd. Het derde toetsingscriterium heeft betrekking op spanningen waarvan reeds sprake is in een buurt en de (negatieve) invloed die een bestaande openbare inrichting op de woon- en leefsituatie heeft, of de negatieve invloed die een nieuw horecabedrijf tot gevolg zal (kunnen) hebben. De aanwezige spanning in een woon- en leefomgeving staat in eerste instantie tot op zekere hoogte los van het betreffende (nieuwe) openbare inrichting.

Het kan voorkomen dat een bepaalde woonomgeving dermate aan spanningen onderhevig is (bijvoorbeeld door de aanwezigheid van overlastgevende panden, hangjongeren, een grote horecaconcentratie), dat een nieuw bedrijf de woon- en leefomgeving al vrij snel op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt. Bij overname van een bestaande openbare inrichting of vestiging van een nieuwe openbare inrichting wordt aan de hand van dit criterium beoordeeld of er spanning is ontstaan door de eerdere exploitatie, respectievelijk zal kunnen ontstaan door de beoogde exploitatie. Als vierde toetsingscriterium wordt bekeken of, en zo ja hoe, exploitanten en/of leidinggevenden in voorgaande openbare inrichtingen hebben geëxploiteerd. De vergunning kan worden geweigerd als exploitanten of leidinggevenden op ondeugdelijke wijze een openbare inrichting hebben geëxploiteerd, bijvoorbeeld door het veroorzaken van (geluids-, bezoekers-)overlast of doordat er -verwijtbaarillegale activiteiten plaats hebben gevonden, en/of dat bestuurlijke handhaving noodzakelijk is gebleken. Veelal kan dit uit de eigen of andere gemeentelijke dossiers of archieven worden opgemaakt. Dit toetsingscriterium maakt het lastig voor een onkundige of onverantwoordelijke exploitant om een nieuwe inrichting te openen of over te nemen.

Derde lid Dit lid bevat extra weigeringsgronden ten aanzien van het plaatsen en exploiteren van een terras. Een aanvraag voor plaatsing of uitbreiding van een terras wordt naast de algemene weigeringsgronden en de woon- en leefsituatie ook getoetst op de effecten op (gevaar voor) het gebruik, de bruikbaarheid en/of het onderhoud van de openbare plaats en op het uiterlijk aanzien van het terras. Detoets aan het omgevingsplan is niet van toepassing (zie ook 2:28a lid 1). Voor wat betreft het gebruik en de bruikbaarheid van de openbare plaats is vooral de grootte en plaatsing van het terras in samenhang met de openbare ruimte van belang. Stoepen en wegen moeten door voetgangers en verkeer voldoende en veilig begaanbaar blijven bij plaatsing van een terras. Verder moet de openbare plaats doelmatig beheerd en onderhouden kunnen worden, wat in de praktijk vaak betekent dat indien nodig, het terras meteen verwijderd kan worden (en dientengevolge dat de onderdelen van een terras niet aard- of nagelvast mogen staan).

Indien het uiterlijk aanzien van een terras afbreuk doet aan de publieke functie van de openbare ruimte kan de vergunning voor een terras worden geweigerd. Zowel het terrasmeubilair als het gehele terras moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand en ‘passen’ in de omgeving waarin ze worden geplaatst. De burgemeester kan op grond van dit artikel beleid vaststellen met betrekking tot de plaatsing en het uiterlijk aanzien van terrassen. Indien er op de aangevraagde terraslocatie al een terrasvergunning is verleend, voor bijvoorbeeld een andere exploitant, kan de burgemeester besluiten de aanvraag te weigeren. Artikel 2:28b Vrijstelling vergunningplicht Het is op grond van artikel 2:28 verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder een vergunning van de burgemeester. Het primaire doel van de exploitatievergunning is het voorkomen van gevaar voor de openbare orde en veiligheid en van ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie in de omgeving van een horecabedrijf door de aanwezigheid van dat horecabedrijf. Meerdere categorieën horecabedrijven leveren in de regel weinig risico op voor de openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie, zodat regulering via een vergunning niet noodzakelijk is. Dit verschilt echter per gebied in Schiedam: in sommige gebieden leveren met name de het eerste lid onder d en e genoemde categorieën wel degelijk overlast op.

Daarom bepaalt de burgemeester in welke wijken welke categorieën horecabedrijven vergunningvrij kunnen exploiteren en in welke wijken niet. De algemene exploitatievoorschriften uit de APV en het gebiedsgerichte beleid uit de horecanota gelden wel voor de vrijgestelde horecabedrijven. Eerste lid onder a Allereerst worden dienstverlenende instellingen en bedrijfsvormen opgesomd waarbij vrijwel altijd enige horeca-exploitatie plaatsvindt, maar de horeca-activiteiten een duidelijk ondersteunende en daarmee ondergeschikte functie hebben aan de hoofdfunctie. Met logiesverstrekkers worden onder meer hotels, pensions en bed & breakfast-instellingen bedoeld. De horeca-activiteiten dienen strikt te zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruik (moeten) maken en daarom ook plaats te vinden binnen dezelfde openingstijden als de hoofdfunctie. Bij deze vrijgestelde categorie wordt geen onderscheid gemaakt op het al dan niet schenken van alcohol: in beide gevallen is geen exploitatievergunning nodig. Bij het schenken van alcoholhoudende drank is vanzelfsprekend wel een drank- en horecavergunning benodigd. Het exploiteren van een terras bij de hier genoemde/bedoelde instellingen maakt de horeca-exploitatie vergunningplichtig.

Eerste lid onder b Het overlastrisico van (niet-commerciële) sport- en recreatiekantines, voor zover in gebruik ter ondersteuning van de sport- en recreatieactiviteiten, is laag. Door de ligging van de meeste Schiedamse kantines in sportparken buiten (grenzend aan) de woonwijken zijn er veelal geen direct omwonenden. Het merendeel van de sportverenigingen beschikt daarbij over voldoende parkeergelegenheid. Gezien de genoemde omstandigheden ontbreekt de noodzaak om te reguleren middels een exploitatievergunning en kan worden volstaan met de algemene regels gesteld in de APV. Sport- en recreatieverenigingen die zich niet aan deze algemene regels houden kunnen op dezelfde wijze worden gehandhaafd als vergunningplichtige horecabedrijven. Daarnaast blijven alcoholschenkende sport- en recreatieverenigingen en -stichtingen vergunningplichtig op grond van de Alcoholwet. De toetsing op actualiteit van de rechtsvorm, bedrijfsvoering, antecedenten en moraliteitseisen blijft hiermee voor deze instellingen gewaarborgd. Het motief daarbij is echter in eerste instantie gericht op sociaal hygiënische aspecten, volksgezondheid, het voorkomen van paracommercie en in mindere mate op openbare orde en veiligheid. Voor zover deze bedrijven alcoholhoudende dranken verstrekken, heeft de Alcoholwet voldoende raakvlakken om ook ten aanzien van de openbare orde doeltreffende maatregelen te nemen.

In sportkantines mag overigens op grond van artikel 2:34 van de APV géén sterke drank geschonken worden. Terrassen gelegen op het sportterrein, niet grenzend aan de openbare weg maken de exploitatie in principe niet vergunningplichtig. Eerste lid onder c

Horeca-activiteiten in commerciële sport- en recreatieclubs (bijvoorbeeld tennis-, fitness- en saunacentra), voor zover uitsluitend ondersteunend aan dus gericht op de gebruikers van de hoofdfunctie, zijn qua karakter vergelijkbaar met ondergeschikte horeca. Ook deze categorie is daarom vrijgesteld van vergunningplicht, mits geen sterke drank wordt geschonken of een terras wordt geëxploiteerd. Het exploiteren van een terras bij de hier genoemde/bedoelde instellingen maakt de horeca-exploitatie vergunningplichtig. Voor het schenken van zwakalcoholhoudende dranken is wel een drank- en horecavergunning benodigd. Eerste lid onder d Deze mogelijkheid is gericht op levensmiddelenwinkeliers. Het is bij deze vergunningsvrije categorie toegestaan om een klein gevelterras te exploiteren, bestaande uit maximaal 4 zitplaatsen met een diepte van 1m vanaf de gevel. Daarnaast moeten de horeca-activiteiten of het horecabedrijf naar hun aard overeenkomen met de hoofdactiviteiten van de winkel. Ook dienen ze qua omvang ondergeschikt te zijn aan de hoofdfunctie. In geval de omvang van de horeca-activiteiten niet meer ondergeschikt is aan de hoofdactiviteiten, betekent dit niet direct dat het bedrijf een exploitatievergunning moet aanvragen. Mogelijk zijn de horeca-activiteiten alsnog vrij, als wordt voldaan aan het bepaalde in het vijfde lid.

Te denken valt aan een bakker die een conditorei bij de winkel heeft of een theewinkel die tafels heeft voor de verkoop van thee en gebak. Ook mogen ze alleen alcoholvrije en zwak-alcoholhoudende dranken als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet verstrekken. Voor het schenken van alcoholhoudende drank is vanzelfsprekend wel een drank- en horecavergunning benodigd. Er worden geen eisen gesteld aan de ruimte waarin het horecabedrijf of de horeca-activiteiten worden uitgeoefend. Echter, de eis dat het horecabedrijf of de horeca-activiteiten ondergeschikt zijn aan de winkelexploitatie houdt wel in dat het hoofdaccent van de activiteiten ligt op de verkoop in de winkel. Met deze eisen wordt beoogd oneigenlijk gebruik van dit artikel te voorkomen waarbij een zelfstandig horecabedrijf wordt opgericht onder de paraplu van een bestaande winkel waar het in de praktijk weinig mee heeft te maken, om zo de vergunningplicht uit artikel 2:28 te omzeilen. Eerste lid onder e Horeca-activiteiten gericht op winkelend publiek (exploitatie tot uiterlijk 22.00 uur, de uiterste regulier toegestane openingstijd voor winkels op grond van de Winkeltijdenwet), waarbij geen sterke drank worden geschonken, zijn vergelijkbaar met detailhandel en leveren vrijwel geen risico op voor de openbare orde en veiligheid.

Om deze reden zijn horecabedrijven als lunchrooms en snackbars met openingstijden tussen 07:00 en 22:00 uur vrijgesteld van vergunningplicht. Ook mogen ze alleen alcoholvrije en zwak-alcoholhoudende dranken als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet verstrekken. Voor het schenken van alcoholhoudende drank is vanzelfsprekend wel een drank- en horecavergunning benodigd. Het is bij deze vergunningsvrije categorie toegestaan om een klein gevelterras te exploiteren, bestaande uit maximaal 4 zitplaatsen met een diepte van 1m vanaf de gevel. Tweede lid Hoewel een horecabedrijf vergunningvrij kan exploiteren, moet de exploitant dit wel melden bij de gemeente. Dit moet uiterlijk 14 dagen voor aanvang van de exploitatie van het horecabedrijf. Hiermee wordt voorkomen dat een exploitant initiatieven ontplooit die toch vergunningplichtig of niet mogelijk zijn en waarvoor al wel investeringen zijn gedaan. Ook houdt de gemeente dan zicht op de horecabedrijven die er zijn in de gemeente. Derde lid In het tweede lid is bepaald dat de exploitant die een horecabedrijf wil starten in een gebied waar een vrijstelling van de vergunningplicht geldt, daarvan veertien dagen voor aanvang van exploitatie melding doet bij de burgemeester. Het komt voor dat exploitanten een aanvang maken met exploitatie zonder dat daar een melding aan vooraf is gegaan.

Met het instellen van een verbod tot exploiteren zonder een voorafgaande melding, is dat niet meer mogelijk en kan daar met bestuursrechtelijke middelen tegen worden opgetreden. Vierde lid

De burgemeester kan op grond van artikel 2:28b eerste lid gebieden aanwijzen waarin bepaalde categorieën Horecabedrijven worden vrijgesteld van de vergunningplicht. Als vanuit een horecainrichting de openbare orde wordt verstoord dan wel het woon- en leefklimaat wordt aangetast, of als de horeca-ondernemer niet meer van onbesproken gedrag is, kan momenteel alleen als sanctie het horeca-bedrijf worden gesloten. Het is wenselijk om een minder vergaande sanctie te introduceren. De burgemeester krijgt in het vierde lid de bevoegdheid toebeddeld om een locatie aan te wijzen waar de vrijstelling niet geldt; m.a.w. de vergunningplicht herleeft dan weer. Aan de vergunning kunnen dan specifieke voorwaarden worden gesteld, waarmee de bescherming van de openbare orde en het woonen leefklimaat meer wordt geborgd. Daarnaast krijgt de horeca-ondernemer een nieuwe kans om met een vergunning te exploiteren.

Vijfde lid Net als exploitatievergunningplichtige bedrijven, kunnen vergunningvrije horecabedrijven op ontoelaatbare wijze nadelige invloed uitoefenen op de woon- en leefsituatie. Het is dus mogelijk dat het niet wenselijk is om een exploitatievergunningvrij bedrijf op bepaalde locaties te vestigen. Daarom is artikel 2:28a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit artikel biedt de mogelijkheid om een exploitatievergunning te weigeren indien de woon- en leefsituatie op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Door dit artikel van overeenkomstige toepassing te verklaren kunnen ook exploitatievergunningvrije horecabedrijven worden geweigerd indien zij zich op een bepaalde locatie willen vestigen. In het gebiedsgerichte beleid, dat is opgenomen in de horecanota, is nader uitgewerkt waar welke bedrijven zich mogen vestigen. Zesde lid Dit lid is toegevoegd om ervoor te zorgen dat een weigering van een aanvraag om een exploitatievergunning wordt ‘omzeild’, door vergunningvrij alsnog te kunnen exploiteren. Het is onwenselijk dat een exploitant kan exploiteren, als deze niet voldoet aan de gesteld in artikel 2:28a waaronder de eisen van goed levens- en zedelijk gedrag. Artikel 2:28c Vergunning aanvraag en verlening Dit artikel bevat enkele formele en procedurele regels met betrekking tot de aanvraag/vergunningprocedure.

Indieningsvereisten als een verplicht aanvraagformulier en te verstrekken gegevens en stukken bij een aanvraag worden niet in dit artikel gegeven, maar kunnen worden gesteld op grond van artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht of in de vorm van beleidsregels. Eerste lid Uitgangspunt is dat een ingediende vergunningaanvraag afgerond moet zijn voordat een nieuwe vergunningaanvraag voor hetzelfde openbare inrichting in behandeling wordt genomen. Dit voorkomt bijvoorbeeld dat een openbare inrichting steeds wordt overgenomen zonder dat het tot vergunningverlening komt. Tweede lid Met de in het eerste lid bedoelde één aanvraag worden alle vergunningen bedoeld die de exploitant nodig voor heeft een deugdelijke exploitatie. In dit lid wordt aangegeven dat de alcoholwetvergunning hier tevens onder valt. Derde lid Artikel 1:5 stelt dat elke vergunning op grond van de APV persoonsgebonden is (tenzij anders is vermeld of de aard van de vergunning zich daartegen verzet). Dit lid voegt hieraan toe dat een exploitatievergunning voor een openbare inrichting per definitie altijd aan de exploitant van deopenbare inrichting wordt verleend, dus aan degene voor wiens rekening en verantwoordelijkheid het bedrijf geëxploiteerd wordt.

Een exploitatievergunning is (deels) afhankelijk van de persoon van de exploitant (onder andere vanwege de antecedententoets) en kan daarom niet worden overgedragen

aan een nieuwe exploitant. Voor een beoogde nieuwe exploitant moet een nieuwe aanvraag/vergunningprocedure worden doorlopen. Artikel 2:28d Wijzigingen activiteiten en exploitatie Algemeen In dit artikel zijn zes situaties opgenomen waardoor of ten gevolge waarvan een exploitatievergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken van een openbare inrichting. In het eerste geval kan de burgemeester besluiten om een exploitant de gelegenheid te geven de wijzigingen door te geven en tot die tijd geopend te blijven op basis van de oude vergunning. Dit wordt nader uitgewerkt in de beleidsnota horecabeleid. Als een exploitatievergunning van rechtswege vervalt, is er geen vergunning meer en is exploitatie niet meer toegestaan. De exploitatievergunning vervalt automatisch als de in dit artikel omschreven situatie zich voordoet. Dit is onomkeerbaar. Er is dan geen handeling van de burgemeester meer nodig. Als een openbare inrichting met enkele aanpassingen kan voldoen aan de eisen voor een vergunningvrij openbare inrichting mag het uiteraard wel geopend zijn, mits voldaan wordt aan het gebiedsgerichte beleid. In alle andere gevallen moeten de nieuwe exploitanten een nieuwe exploitatievergunning aanvragen (zie artikel 2:28 van de APV). Eerste lid In de volgende situaties kan de burgemeester besluiten een exploitatievergunning te wijzigen of in te trekken: • • • • •

als een exploitant op de vergunning niet meer als zodanig functioneert, maar er wel minimaal een exploitant die op de vergunning staat vermeld, is overgebleven; als een leidinggevende die op de vergunning is vermeld, niet meer als zodanig functioneert; als de ondernemingsvorm wijzigt. Bijvoorbeeld als een eenmanszaak een vof wordt; als de exploitatiewijze verandert. Dit kan variëren van het aanleggen van een terras tot het wijzigen van de exploitatie (bijv. een café dat ook maaltijden gaat verkopen); als de exploitatie langer dan zes maanden onderbroken is geweest of niet binnen zes maanden na verlening begonnen is met exploitatie.

Artikel 2:28e Schorsing, intrekking, wijziging en vervallen van een exploitatievergunning Dit artikel bevat een aantal specifiek op (gedragingen van) de exploitanten en leidinggevenden van vergunningplichtige horecabedrijven gerichte gronden en een meer algemene grond waarop de burgemeester tot schorsing, wijziging, intrekking van de exploitatievergunning kan overgaan. Daarnaast zijn de voorwaarden opgenomen in dit artikel wanneer een vergunning van rechtswege komt te vervallen. Eerste lid Als exploitanten en/of leidinggevenden op ondeugdelijke wijze hun horecabedrijf exploiteren, kan de burgemeester ingrijpen om het als gevolg daarvan ontstane gevaar voor of de feitelijke verstoring van de openbare orde en/of de woon- en leefsituatie weg te nemen dan wel te stoppen. Het gaat hier dus om reparatoire bestuurlijke maatregelen, ter bescherming van de openbare orde en woon- en leefsituatie. Belangrijk in dit kader is de mate van verwijtbaarheid van exploitanten en leidinggevenden. Deze kan zowel direct als indirect worden uitgelegd: exploitanten en/of leidinggevenden kunnen bewust overtredingen begaan of zich bewust schuldig maken aan overlastgevende, illegale of gevaarlijke gedragingen, maar zijn bijvoorbeeld ook verwijtbaar als niet of onvoldoende wordt ingegrepen bij dergelijke gedragingen door bijvoorbeeld bezoekers van het horecabedrijf.

Overigens richt de intrekkingsbepaling onder e) zich niet direct op (gedragingen van) de exploitant of houder, maar op gevaar voor de openbare orde en/of ontoelaatbare negatieve beïnvloeding van de woon- en leefsituatie in de buurt van een horecabedrijf ten gevolge van de exploitatie van dat horecabedrijf als zodanig.

De zwaarte van bestuurlijke handhaving door de burgemeester is afhankelijk van de ernst van een overtreding en de mate van (acuut) gevaar voor de woon- en leefomgeving en de openbare orde. In Schiedam is een handhavingsarrangement voor horecabedrijven van kracht waarin onder andere voor de in dit artikel genoemde gronden/overtredingen de geëigende handhavingsstappen worden gegeven. Tweede lid Om misbruik te voorkomen van de mogelijkheid om een leidinggevende in afwachting op de bijschrijving op de vergunning alvast te laten beginnen in een horecabedrijf, krijgt de burgemeester de bevoegdheid om de exploitatievergunning geheel in te trekken als degene binnen twee jaar ten minste drie maal een bijschrijving van een leidinggevende heeft geweigerd op grond van de zedelijkheidseisen uit de Alcoholwet, waarnaar wordt verwezen in artikel 2:28a, eerste lid, onder b, van de APV. Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om zorg te dragen voor het aantrekken van geschikte leidinggevenden. Dit kan bijvoorbeeld door van een sollicitant een verklaring omtrent het gedrag te eisen. Derde lid Het intrekken van de exploitatievergunning in het geval van slecht levensgedrag wordt gelijk getrokken met de regeling zoals verwoord in de Alcoholwet. Er is sprake van een zogenaamde imperatieve intrekkingsgrond.

Dit betekent dat de burgemeester in het geval van slecht levensgedrag van de exploitant de exploitatievergunning moet intrekken. Hierdoor ontstaat een eenduidige wijze van optreden naar de exploitant. Vierde lid In dit lid zijn de voorwaarden opgenomen voor het van rechtswege vervallen van een exploitatievergunning. In deze gevallen is het onwenselijk dat de vergunning nog als zodanig in werking is. De burgemeester heeft weliswaar een intrekkingsbevoegdheid die is opgenomen in artikelen 1:6 en 2:28e, die voorzien op actieve inspanning van de burgemeester. Door het opnemen van voorwaarden, waardoor een exploitatievergunning van rechtswege vervalt, is er geen actieve inspanning van de burgemeester vereist om een vergunning te laten vervallen. Artikel 2:28f Sluiting van horecabedrijven Eerste lid Naast de specifieke intrekkingsgronden ten aanzien van de exploitatievergunning, ter bescherming van de openbare orde en woon- en leefsituatie zoals genoemd in artikel 2:28e, beschikt de burgemeester ook over de mogelijkheid een horecabedrijf te sluiten of de openingstijden te beperken.

Waar de intrekkingsgronden alleen betrekking kunnen hebben op horecabedrijven waarvoor een exploitatievergunning is verleend, kan sluiting en beperking van de openingstijden in dit artikel ook ingezet worden bij vergunningsvrije horecabedrijven (met name via het gestelde in lid 1b en lid 1c) en vergunningplichtige horecabedrijven die zonder vergunning worden geëxploiteerd. Tweede lid Het is op grond van het gestelde in lid 6 van artikel 2:31 verboden voor bezoekers om aanwezig te zijn in een bij besluit van de burgemeester gesloten horecabedrijf. Opdat bezoekers kunnen weten dat ze in overtreding zijn wanneer een dergelijk horecabedrijf toch wordt betreden, dient een aankondiging van het sluitingsbesluit bij de voor bezoekers bestemde toegang worden aangebracht. Overigens is de burgemeester tevens bevoegd om op grond van artikel 13b van de Opiumwet (wet Damocles) ‘tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is’. Dit artikel is (ook) van toepassing op handel in drugs vanuit horecabedrijven en is de voornaamste/belangrijkste grond voor bestuurlijke sancties tegen drugshandel.

Artikel 2:28g Wijziging openbare inrichting In de praktijk is gebleken dat er van gemeentewege vaak onvoldoende zicht is op wijzigingen die plaatsvinden in een exploitatie. Regelmatig wordt er al geruime tijd geëxploiteerd zonder de daarvoor benodigde vergunning. In artikel 1:6 is de bevoegdheid opgenomen voor de burgemeester om een vergunning in te trekken of te wijzigen, onder bepaalde voorwaarden. Er is echter geen informatieplicht opgenomen in artikel 1:6 voor de exploitant. Door een actieve een informatieplicht weg te leggen bij de exploitant, komt de verantwoordelijkheid om de burgemeester te informeren bij de exploitant te liggen. Hierdoor heeft de burgemeester meer en beter zicht op de veranderingen en wijzigingen die plaatsvinden binnen een exploitatie. Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden Eerste lid In het eerste lid is het uitgangspunt beschreven welke openings- en sluitingstijden gelden binnen Schiedam. Met uitzondering van coffeeshops, mogen alle horecabedrijven geopend zijn tussen 07:00 uur tot 01:00 uur. Tweede lid In afwijking van het eerste lid wordt in het tweede lid voor exploitanten extra ruimte gecreëerd om hun horecabedrijf langer geopend te mogen hebben. Niet elk soort horecabedrijf komt in aanmerking voor deze verruiming. Reden daarvoor is dat de aard van het horecabedrijf niet past of niet vraagt om het hebben van ruimere openingstijden.

Zo behoeft een restaurant, dat zich richt op het aanbieden van maaltijden, logischerwijs niet geopend te zijn tot 04:00 uur. Voor horecabedrijven die wel gebruik kunnen maken van de ruimere openingstijden, staat het hen uiteraard vrij om daar al dan niet gebruik van te maken. De extra openingstijden zien uitsluitend op de vrijdag- en zaterdagavond, waarbij onderscheid wordt gemaakt in horeca in het Centrum- en Stationsgebied en horeca in het gebied daarbuiten. Voor horecabedrijven in het Centrum- en Stationsgebied geldt, dat zij op vrijdag- en zaterdagavond geopend mogen zijn tot 04:00 uur. Vanaf 04:00 uur dienen zijn gesloten te zijn tot tenminste 07:00 uur. Voor horecabedrijven buiten het Centrum- en Stationsgebied geldt dat zij tot uiterlijk 02:00 geopend mogen zijn, waarna zij tevens tot 07:00 gesloten dienen te blijven. Let wel, de bepaalde horecabedrijven waarvoor geen extra ruimte is gecreëerd zijn: • • •

coffeeshops; horecabedrijven primair gericht op de verstrekking van driecomponentenmaaltijden; en paracommerciële rechtspersonen.

Gedurende de tijden dat het horecabedrijf gesloten dient te zijn, mogen alleen nog activiteiten worden uitgevoerd in het kader van de sluiting van het horecabedrijf. Hieronder vallen in ieder geval schoonmaakwerkzaamheden, opruimwerkzaamheden en administratieve handelingen ter afsluiting van de dag, zoals het tellen van de kassa. Overige activiteiten, zoals het bereiden van etenswaren en dranken die vervolgens nog elders worden bezorgd, worden afgehaald of ter plaatse worden genuttigd zijn niet toegestaan in deze tijdsperiode. Dit zijn immers bedrijfsactiviteiten die plaats moeten vinden tijdens de toegestane openingstijden. Bestellingen die tijdens de openingstijden worden opgenomen, dienen eveneens tijdens de openingstijden te zijn genuttigd, bezorgd of afgehaald. Derde en vierde lid Het derde en vierde lid beschrijven respectievelijk de openings- en sluitingstijden voor coffeeshops en terrassen. Voor de terrastijden wordt ook onderscheid gemaakt tussen terrassen in het Centrum- en Stationsgebied en terrassen in het gebied daarbuiten. Hierbij krijgen terrassen in het Centrum- en Stationsgebied meer ruimte (tot 01:00 uur) en terrassen daarbuiten (veelal gelegen in woonwijken) beperktere tijden (tot 22:00).

Vijfde lid Het is niet toegestaan om gedurende de sluitingstijden bezoekers in het horecabedrijf aanwezig te hebben. Wat onder een bezoeker wordt verstaan is beschreven in artikel 2:27, achtste lid. Zesde tot en met tiende lid Deze leden bieden het kader waarbinnen de burgemeester ontheffing kan verlenen van de openingsen sluitingstijden. De toepassing van deze ontheffingsmogelijkheid is nader uitgewerkt in de nota horecabeleid. Deze ontheffing kan zowel op aanvraag als ambtshalve worden verleend.

Artikel 2:30 Afwijking openings- en sluitingstijd Op grond van dit artikel kan de burgemeester andere openingstijden voor openbare inrichtingen vaststellen dan de tijden genoemd in artikel 2:29. Het betreft een algemene bevoegdheid die zich kan richten op één of meer openbare inrichtingen, dus ook tot alle in de gemeente aanwezige openbare inrichtingen. Aanleiding voor vaststelling van afwijkende tijden moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, en/of volksgezondheid (bijvoorbeeld in geval van een crisissituatie of ter voorkoming van ongeregeldheden), of in bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld in geval van een evenement, of feestdagen als Koninginnedag of oudejaarsavond). De afwijkende openingstijden kunnen variëren van een tijdelijke sluiting van één of meer openbare inrichtingen tot extra nachtelijke openingstijden ná de op grond van artikel 2:29 toegestane tijden. Ook voor terrassen kunnen afwijkende tijden worden vastgesteld. De burgemeester kan de uitoefening van deze bevoegdheid in beleidsregels nader specificeren.

Artikel 2:30 vormt tevens de ‘kapstok’ voor het door de burgemeester instellen van een zogenaamde afkoelperiode, een periode (meestal van één uur of een half uur) na de reguliere uiterste sluitingstijd van een (vergunningplichtig) openbare inrichtingen, waarin (onder voorwaarden) bezoekers nog wel aanwezig mogen zijn in een openbare inrichtingen, maar waarin geen sprake meer is van exploitatie in de vorm van bedrijfsmatige verstrekking van consumpties (en de daarbij behorende gebruikelijke sfeer), dus geen klant/bezoekergerichte horeca-exploitatie meer plaatsvindt. Een afkoelperiode kan in verband met de geleidelijke uitloop na sluitingstijd die daardoor wordt veroorzaakt, zorgen voor een verminderd overlastrisico (belang voor de openbare orde). In Schiedam is sinds 2007 een afkoelperiode van één uur van kracht voor bepaalde categorieën horecabedrijven in de binnenstad. Artikel 2:30a Ontheffing sluitingstijden [vervallen] Artikel 2:31 Verboden gedragingen De verboden in dit artikel betreffen gedragingen die vanuit het oogpunt van bescherming van de openbare orde en de woon- en leefsituatie niet zijn toegestaan en waarop zowel strafrechtelijk (via de boete- en strafbepalingen in hoofdstuk 6) als bestuurlijk (via de artikelen betreffende intrekking van een exploitatievergunning en/of sluiting van een openbare inrichting) kan worden opgetreden.

Eerste lid Deze bepaling geeft een verbod om de orde in en in de buurt van openbare inrichting te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt. Het geeft een directe mogelijkheid voor toezichthouders om handhavend op te treden als bezoekers zich misdragen en/of de openbare orde verstoren in en om een openbare inrichting. Tweede lid Het tweede lid geeft de mogelijkheid om op te treden tegen bezoekers die zich buiten de in artikel 2:29 en/of de exploitatievergunning gegeven openingstijden nog in een openbare inrichting bevinden. Het sluitingstijdenartikel zelf geeft deze mogelijkheid ten aanzien van de ondernemer/exploitant. Overigens is het van belang dat de bezoekers zich op de hoogte kunnen stellen van de vergunde

openingstijden. Hiertoe dient de raamkaart, die wordt meegeleverd bij een exploitatievergunning, bij de voor bezoekers bedoelde ingang van een openbare inrichting leesbaar te worden opgehangen. Derde lid Dit lid betreft de aanwezigheidsplicht van exploitant of leidinggevende in een openbare inrichting. De inrichtingen mogen alleen geopend zijn indien er een op de vergunning vermelde (en dus positief getoetste) exploitant of leidinggevende aanwezig is, die de verantwoordelijkheid draagt voor een deugdelijke exploitatie en toeziet op een acceptabel gedrag van bezoekers. Om misbruik van deze regeling te voorkomen kan de burgemeester een vergunning intrekken, indien binnen twee jaar minimaal drie keer bijschrijving van een leidinggevende op de vergunning is geweigerd (zie artikel 2:28e, tweede lid, APV). Vierde lid Het verbod in lid 4 betreft het gebruik van een terras bij een openbare inrichting. De verboden gelden zowel voor vergunningplichtige als van vergunningplicht vrijgestelde openbare inrichting en – terrassen. In beide gevallen is bepaald/aangegeven aan hoeveel personen een terras maximaal plaats mag bieden en hoe het dient te zijn gesitueerd (oppervlakte en locatie), met het oog op openbare orde en gebruik van de openbare ruimte.

Als een exploitant/leidinggevende bij een bijzondere gelegenheid meer bezoekers op of om zijn terras wil laten plaatsnemen dient hiervoor een aanvraag voor een evenementenvergunning te worden ingediend. Vijfde lid Het verbod in het vijfde lid dient te voorkomen dat het terras een soort van tappunt wordt voor voorbijgangers. Het lid ziet erop toe dat alleen daadwerkelijke gebruikers van het terras bediend mogen worden. De exploitant wordt daarbij vrij gelaten zelf te bepalen welke vorm van sta- en zitgelegenheid degene biedt. Zesde en zevende lid Als een openbare inrichting bij burgemeestersbesluit is gesloten ter bescherming van de openbare orde en de woon- en leefsituatie (op grond van artikel 2:28f APV), is het zowel aan exploitanten en leidinggevenden verboden om bezoekers toe te laten, als voor bezoekers om aanwezig te zijn in een dergelijk bedrijf. Lid 6 en 7 bieden toezichthouders en handhavers de mogelijkheid om verbaliserend/vorderend op te treden. Artikel 2:31a Exploitatieregels openbare inrichtingen, verplichtingen exploitant Dit artikel bevat een aantal geboden/verplichtingen ten aanzien van exploitanten en leidinggevenden van een openbare inrichting.

Het betreft exploitatievoorschriften die algemeen geldend zijn voor alle openbare inrichtingen, dus zowel voor horecabedrijven waarvoor een exploitatievergunning is verleend als vergunningsvrije horeca-exploitatievormen, als voor andere openbare inrichtingen. De voorschriften wijzen op de verantwoordelijkheden die exploitanten en/of leidinggevenden hebben ten aanzien van de exploitatie. Van exploitanten en/of leidinggevenden wordt onder andere vereist dat zij zorgdragen voor dan wel (kunnen) toezien op zowel acceptabel gedrag van bezoekers van hun openbare inrichting (lid 1 en 2), als verantwoord gebruik van het openbaar gebied bij exploitatie van een terras (lid 4 tot en met 7). Op het niet naleven van deze voorschriften kan bestuursrechtelijk worden gehandhaafd (op grond van de artikelen 2:28e en 2:28f). Eerste lid Exploitanten en leidinggevenden zijn verantwoordelijk voor een algemeen aanvaardbare exploitatie van een openbare inrichting. Zij moeten ervoor zorgen dat de rust en orde bewaard blijven in de inrichting. Onder deze verplichting valt onder meer dat zij niet onder invloed van drank of drugs mogen zijn, terwijl zij verantwoordelijke zijn voor de exploitatie. Dit betekent geen absoluut verbod op

alcohol of drugs, maar wel een verplichting om na gebruik van een dergelijk middel in staat te zijn de normale bedrijfsvoering van een openbare inrichting te kunnen voeren. Tweede lid Zowel exploitatie van een openbare inrichting als het gedrag van bezoekers mag de openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloeden. Met de omschrijving dat een inrichting de openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze nadelig mogen worden beïnvloeden, wordt aangesloten bij de weigeringsgrond voor een aanvraag om een exploitatievergunning in artikel 2:28a, tweede lid. Ook komt hierin tot uiting dat de omgeving van een openbare inrichting een zekere mate van overlast moet tolereren, omdat er sprake moet zijn van ontoelaatbare nadelige beïnvloeding.Onder deze bepaling valt in ieder geval geluidsoverlast door vertrekkende bezoekers, maar nadrukkelijk ook geluidsoverlast in de openbare inrichting zelf. Als een openbare inrichting de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit overtreedt, beïnvloedt dit de woon- en leefsituatie en mogelijk ook de openbare orde negatief. Derde lid Exploitanten en leidinggevenden dienen onverwijld gehoor te geven aan de aanwijzingen van een toezichthouder die krachtens zijn functie van zijn bevoegdheden gebruik maakt.

Vierde lid Op grond van dit lid wordt een exploitant verplicht om de omgeving van zijn openbare inrichting schoon te houden, voor zover het gaat om afval of vervuiling vanuit zijn inrichting (bijvoorbeeld sigarettenpeuken, glas, flessen, viltjes, servetten etc.). Vijfde lid Na sluitingstijd dient het terrasmeubilair zodanig te worden opgeruimd, dat het openbaar gebied zo min mogelijk belast wordt. Op de meeste inrichtinglocaties betekent dit dat het terrasmeubilair inpandig dient te worden opgeslagen dan wel op efficiënte wijze gestapeld bij elkaar dient te worden geplaatst op de terraslocatie. In bepaalde gevallen kan een terras uit blijven staan na sluitingstijd, één en ander afhankelijk van onder meer de beoordeling van de ruimtelijke situatie. Zesde lid In geval van (beheer-)werkzaamheden of een noodgeval op of nabij een terraslocatie, dient zo nodig alle terrasmeubilair direct te kunnen worden verplaatst of verwijderd. Om deze reden is het in beginsel niet toegestaan enig terrasmeubilair of-onderdeel aard- en nagelvast aan te brengen. Een aard- en nagelvaste verbinding van een roerend aan een onroerend goed is van zodanige aard dat deze goederen niet zonder beschadiging of verbreking, hetzij van de goederen zelf, hetzij van het deel van het onroerend goed waaraan zij zijn verbonden, kunnen worden losgemaakt.

Zevende lid Dit lid is met name gericht op de bescherming van de openbare ruimte. Als een exploitant langere tijd geen gebruik zal maken van zijn terras (bijvoorbeeld in de wintermaanden), dient alle terrasmeubilair uit het openbaar gebied te worden verwijderd. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen Dit artikel betreft een verbod op heling in horecabedrijven en sluit aan bij de bepalingen omtrent heling in het Wetboek van Strafrecht. Zie ook de definitie en uitleg van het begrip ‘handelaar’ zoals opgenomen in artikel 2:27. Artikel 2:34 Beperking verstrekking sterke drank Op grond van artikel 25a van de Alcoholwetkan bij gemeentelijke verordening het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank worden verboden of beperken tot de verstrekking van zwak-alcoholhoudende drank. Bovendien kan het verbod gelden voor bepaalde

soorten inrichtingen, voor een bepaalde tijdsruimte of voor bepaalde delen van de gemeente. In Schiedam is het verbod beperkt tot het schenken van sterke drank in (delen van) bepaalde inrichtingen waar veel jongeren plegen te komen en tot snackverstrekkers (categorie E-horecabedrijven).

Afdeling 8A Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel 2:34a Begripsbepalingen De begripsbepalingen uit de DHW werken door in de op de DHW gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen, waaruit tevens blijkt dat deze begripsomschrijvingen enkel voor afdeling 8A gelden. Het gaat om de volgende begripsomschrijvingen. alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat. horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. In afdeling 8 van de model-APV (toezicht op openbare inrichtingen) wordt de term horecabedrijf niet gebruikt, maar de term openbare inrichting. Uit de definitie in artikel 2:27 van de model-APV blijkt dat onder openbare inrichtingen niet alleen horecabedrijven als bedoeld in de DHW vallen, maar ook bedrijven waar alleen alcoholvrije drank wordt geschonken, of rookwaar voor gebruik ter plaatse wordt versterkt (coffeeshops), of zwak-alcoholhoudende drank om mee te nemen wordt verkocht (snackbars en dergelijke). Op de horecabedrijven in de zin van de DHW is dus zowel afdeling 8 als afdeling 8A van de model-APV van toepassing.

horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf. sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer volumenprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van wijn.

slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen. zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van sterke drank. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen Artikel 4 van de DHW verplicht gemeenten ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder a, van de DHW moet geregeld worden gedurende welke tijden in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. Met andere woorden, de schenktijden voor alcoholhoudende dranken moeten geregeld worden. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder b en c, van de DHW moeten regels

gesteld worden met betrekking tot door paracommerciële rechtspersonen in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Uiteraard alleen voor zover er tijdens deze bijeenkomsten alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de paracommerciële rechtspersoon. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting reeds is aangegeven betekent dit dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden tot regels die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen van oneerlijke mededinging. NB De ledenbrief, in bijzonder het daaraan bijgevoegde ‘stappenplan’, kan als basis dienen voor een eventueel door de gemeente zelf op te stellen toelichting bij de gekozen variant uit Bijlage 1 – 40 varianten van artikel 2:34b van deze modelverordening. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de DHW heeft de burgemeester de bevoegdheid om voor ten hoogste twaalf aaneengesloten dagen ontheffing te verlenen van de hier door de raad gestelde regels voor schenktijden en voor de verschillende soorten bijeenkomsten. Het gaat om bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard. Uit deze bewoordingen van de wet blijkt dat hier zeer terughoudend mee moet worden omgegaan.

Te denken valt aan kampioenschappen en dergelijke grotendeels onvoorziene gebeurtenissen, maar het kan ook gaan om feestelijkheden die wel te voorzien zijn, zoals carnaval en Koninginnedag. Omdat de burgemeester deze bevoegdheid rechtstreeks aan de wet ontleent, kan de raad hier verder geen beperkingen aan stellen. De burgemeester kan hiervoor zelf uiteraard wel beleidsregels opstellen (artikel 4:81 van de Awb). In het vigerend Horecabeleid van Schiedam zijn deze beleidsregels nader uitgewerkt. De DHW valt onder de Dienstenwet en ingevolge artikel 28, eerste lid, van die wet is de lex silencio positivo (LSP) van toepassing op vergunningen (daar zijn ontheffingen ook onder begrepen), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Op het moment van schrijven (maart 2013) is de LSP wel van toepassing op ontheffingen op grond van artikel 4, vierde lid, van de DHW. Op het moment van schrijven is echter ook een wetsvoorstel (Veegwet SZW 2012, Kamerstukken II, 2012-23, 33 507) bij de Tweede Kamer aanhangig dat hier verandering in zal brengen. Wanneer het wetsvoorstel in werking zal treden is nog onduidelijk. Artikel 2:34c Proeverijen in slijtlokaliteiten Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Dat volgt uit de artikelen 3 en 14 van de Alcoholwet.

Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven indien degene daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet). Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 3 en 14 neergelegde verboden, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente. Andere winkels, zoals bijvoorbeeld supermarkten, die op basis van de Alcoholwet zwakalcoholhoudende drank mogen verkopen, mogen geen proeverijen in hun winkel organiseren. Deze winkels zijn geen slijtlokaliteit in de zin van de Alcoholwet. De vrijstelling geldt alleen voor slijtersbedrijven. Sommige supermarkten hebben bij hun winkel een kleine slijterij (de zogenaamde borrelshop), waarvoor men over een alcoholwetvergunning beschikt. Als proeverijen zijn toegestaan dan kunnen deze ook in een borrelshop worden georganiseerd. Voorwaarden De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan genoemd in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal 1 proeverij per dag en maximaal 3 proeverijen per week worden gegeven. Vóór aanvang van de proeverij moeten de kosten van deelname door een leidinggevende van het slijtersbedrijf zijn vastgesteld. De deelnemers aan de proeverij moeten vóór aanvang bekend zijn bij de leidinggevende.

De deur van de slijterij is tijdens de proeverij gesloten voor publiek. Alleen de deelnemers hebben toegang. Tijdens de proeverij mag alleen die (alcoholhoudende en alcoholvrije) drank worden verkocht die in het kader van de proeverij aan de deelnemers is verstrekt. Meldingsplicht

Om zicht te houden op wanneer en waar er een proeverij wordt georganiseerd, kan de gemeente overwegen een meldingsplicht in te voeren. Vanwege de administratieve lasten die een meldingsplicht met zich meebrengt, heeft de VNG besloten hiervoor geen bepaling op te nemen. Het is dus zaak om bij een meldingsplicht alleen die gegevens uit te vragen die strikt noodzakelijk zijn om zicht te kunnen houden op de te organiseren proeverijen. Het ligt het meest voor de hand de melding bij de burgemeester te laten doen. De burgemeester kan het betreffende slijtersbedrijf eventueel wijzen op de voorwaarden die van toepassing zijn. Eerste lid Door het verlenen van een vrijstelling aan slijtersbedrijven om tegen betaling een proeverij in hun slijtlokaliteit te organiseren wordt een uitzondering gemaakt op twee verboden in de Alcoholwet, te weten een uitzondering op het verbod om zonder horecavergunning het horecabedrijf uit te oefenen (artikel 3, eerste lid, van de Alcoholwet). Vrijstelling van dat verbod is nodig omdat het geven van een betaalde proeverij geldt als het uitoefenen van het horecabedrijf. Ten tweede wordt een uitzondering gemaakt op het verbod om een slijtlokaliteit in gebruik te hebben voor ook andere bedrijfsactiviteiten dan slijtersactiviteiten (artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet).

De vrijstelling voor het organiseren van een proeverij in een slijtlokaliteit geldt voor alle slijtersbedrijven. Het is niet mogelijk om te differentiëren, dat staat de Alcoholwet niet toe. Het geven van een proeverij kan dus niet nader afhankelijk gesteld worden van een vergunning of een ontheffing. Proeverijen mogen uitsluitend tegen betaling worden georganiseerd. Tweede lid Tijdens de proeverij mogen alleen de deelnemers aan de proeverij aanwezig zijn in de slijtlokaliteit (artikel 6.1 van het Alcoholbesluit). Een proeverij mag alleen plaatsvinden op een tijdstip dat de slijterij normaal gesproken is gesloten maar bij of krachtens de Winkeltijdenwet wel geopend zou mogen zijn (artikel 25e van de Alcoholwet). Dus als een slijterij gebruikelijk sluit om 18.00 uur, dan zou tussen 18.00 en 22.00 uur een proeverij kunnen worden gegeven. Als echter een slijterij gebruikelijk pas om 22.00 uur sluit, dan is een proeverij in de avonduren dus niet toegestaan. Het is niet mogelijk een slijtlokaliteit eerder dan normaal te sluiten om vervolgens een proeverij te organiseren. Het ligt voor de hand dat een proeverij in de avonduren plaatsvindt, maar een proeverij op zondag is ook denkbaar mits opening op zondag bij winkeltijdenverordening is toegestaan.

Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Begripsbepalingen De definitie van “houder” zoals deze werd gegeven in artikel 2.3.2.1, tweede lid (oud) is vervangen door het begrip “exploitant”. Het begrip “houder” is een ouderwets begrip en er werd slechts in de artikelen 2:36 en 2:38 van gesproken. Op die plaatsen is “houder” vervangen door “exploitant”. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Houder (dus de exploitant) kan ook een rechtspersoon zijn, in welk geval moet worden aangenomen dat de registratieplicht de directeur betreft: HR 14-06-1955, NJ 1956, 38. Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid). Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.

Artikel 2:37 Nachtregister [vervallen] De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. In 2008 is het oude model artikel 2.3.2.3 geschrapt. In dat artikel ging het om de verplichting een door de burgemeester vastgesteld model te gebruiken. De meeste gemeenten schrijven een dergelijk model niet (meer) voor. Dit was een reden tot schrappen van het artikel. Door het vormvrij maken van het register wordt ook een verlichting van administratieve lasten beoogd. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te verstrekken. Jurisprudentie Artikel 438 Wetboek van Strafrecht kan bij plaatselijke verordening worden aangevuld. HR 10 4 1979, NJ 1979, 442.

AFDELING 10 Toezicht op Speelautomaten, Speelautomatenhallen en Gamecentra Algemene toelichting Het opnemen van de artikelen zijn het gevolg van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet milieubeheer, de wijziging van titel Va van de Wet op de kansspelen en de vaststelling van het Speelautomatenbesluit 2000. Het oude artikel 30 van de Wet op de kansspelen is vervangen door titel Va (artikelen 30 tot en met 30aa) van de Wet op de kansspelen. Titel Va van de Wet op de kansspelen regelt tot in de finesses het systeem van toelatings-, exploitatie- en aanwezigheidsvergunningen waardoor het legaal exploiteren van kansspelautomaten mogelijk wordt gemaakt. Grote lokale verschillen in het beleid laat de wettelijke regeling niet toe. In één opzicht wordt de gemeentelijke overheid een aanmerkelijke beleidsruimte gelaten. De raad heeft ingevolge de regeling de bevoegdheid bij verordening de exploitatie van speelautomatenhallen te regelen. Met ingang van 1 juli 2010 zijn de artikelen van de Wet van 20 mei 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven in werking getreden. Hieronder valt een wijziging van een aantal artikelen van de Wet op de kansspelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16045304/1